Bizar is de litteratuur der vijftiende eeuw haast op elke bladzijde;

haar gekunstelde stijl, de zonderling fantastische aankleeding van haar

allegorieën getuigt het. Motieven, waaraan Breughel zijn uitgelaten

fantazie zou botvieren, zooals het Débat de Carême et de Mardi Gras,

Débat de chair et de poisson, zijn in de litteratuur der vijftiende eeuw

reeds zeer in trek. Breughelsch in den hoogsten zin schijnt een felle

visie als van Deschamps, waar de wachter de troepen, die zich te Sluis

verzamelen tegen Engeland, als een heirleger van ratten en muizen ziet:

"'Avant, avant! tirez-vous ça.

Je voy merveille, ce me semble.'

--'Et quoy, guette, que vois-tu là?'

'Je voy dix mille rats ensemble

Et mainte souris qui s'assemble

Dessus la rive de la mer....'

Een andermaal zit hij triest en verstrooid aan den maaltijd ten hove;

opeens ziet hij, hoe de hovelingen eten: de een kauwt als een varken,

de ander knabbelt als een muisje, een gebruikt zijn tanden als een zaag,

deze vertrekt zijn gezicht, bij genen veegt de baard op en neer, "al

etende leken het duivelen." [945]

Zoodra de litteratuur volksleven schildert, vervalt zij van zelve in dat

sappige, met luim gekruide realisme, dat in de beeldende kunst weldra

zich zoo bloeiend zou ontwikkelen. Chastellain's beschrijving van den

armen boer, die den verdwaalden hertog van Bourgondië opneemt, valt uit

als een stuk van Breughel. [946] De Pastorale wordt met haar schildering

van etende, dansende en vrijende herders telkens van haar sentimenteele

en romantische grondthema afgeleid naar het pad van een frisch naturalisme

van licht komische werking. Hier behoort ook de belangstelling voor het

havelooze, die zich zoowel in de litteratuur als in de beeldende kunst

der vijftiende eeuw reeds begint te openbaren. De kalenderminiaturen

markeeren met welgevallen de doorgesleten knieën van de maaiertjes in

het koren, of de schilderkunst de lompen van de bedelaars, die

barmhartigheid vinden. Hier begint de lijn, die over Rembrandt's etsen

en Murillo's bedelknapen naar de straattypen van Steinlen leidt.

Doch hier springt ook weder het groote verschil der picturale en

litteraire appreciatie in het oog. Terwijl de beeldende kunst reeds het

schilderachtige van den bedelaar ziet, de bekoring van den vorm dus, is

de litteratuur enkel nog vervuld van de beteekenis van den bedelaar,

't zij zij hem beklaagt, of prijst, of verwenscht. De prototypen nu van

het litteraire realisme der armoede-schildering liggen juist in die

verwenschingen. De bedelaars waren in het einde der Middeleeuwen een

ontzettende plaag geworden. In de kerken krioelde hun jammerlijke

menigte, en belette den dienst met hun geschreeuw en gedruisch; onder

hen was veel kwaad volk, "validi mendicantes". Het kapittel van Notre

Dame te Parijs tracht in 1428 vergeefs hen naar de kerkdeuren te

verwijderen, en slaagt er slechts later in, hen althans uit het koor

naar het schip der kerk te verwijzen. [947] Deschamps wordt niet moede,

zijn haat tegen die ellendigen te luchten; hij scheert hen allen over

één kam als huichelaars en bedriegers: ranselt hen de kerk uit, hangt ze

op, verbrandt ze! [948] Vanhier naar de moderne litteraire schildering

der ellende schijnt de weg veel langer dan die, welke de beeldende kunst

had af te leggen; in de schilderkunst vulde zich het beeld vanzelf met

nieuw sentiment, in de literatuur moest het langzaam rijpende sociale

gevoel zich eerst geheel nieuwe vormen van uitdrukking scheppen.

Waar het komische element, zwakker of sterker, grover of fijner, in de

uiterlijke visie van een geval zelf ligt opgesloten, zooals in het genre

en in het burleske, daar kon de beeldende kunst het woord bijhouden.

Maar daarbuiten lagen sferen van het komische, die voor picturale

uitdrukking volstrekt ontoegankelijk waren, waar kleur noch lijn iets

vermocht. Overal waar het komische positief lachwekkend moet zijn, was

de litteratuur onbeperkt meester, dus op het zoo welig begroeide gebied

van den schaterlach: de klucht, sotternie, boerde, de fabliaux, kortom

al de vormen van het grof-komische. Uit dien rijken schat van

laat-middeleeuwsche litteratuur spreekt een eigen geest.

De litteratuur is ook meester op het gebied van den matten glimlach,

daar, waar de spot zijn hoogste tonen strijkt, zich uitgiet over het

ernstigste van het leven, de liefde, en over het eigen leed. De

gekunstelde, gepolijste, versleten vormen der erotiek ondergingen een

verfijning en zuivering door de bijmenging der ironie.

Buiten het erotische is de ironie nog plomp en naïef. De Franschman van

1400 neemt af en toe nog de voorzichtigheid in acht, die den Hollander

van 1900 blijft aanbevolen, om het erbij te zeggen, als hij ironisch

spreekt. Deschamps prijst den goeden tijd: alles gaat best, overal

heerscht vrede en gerechtigheid:

"L'en me demande chascun jour

Qu'il me semble du temps que voy,

Et je respons: c'est tout honour,

Loyauté, verité et foy,

Largesce, prouesce et arroy,

Charité et biens qui s'advance

Pour le commun; mais, par ma loy,

Je ne di pas quanque je pence."

Of elders aan het eind van een ballade van dezelfde strekking: "Tous ces

poins a rebours retien"; [949] en in een derde met het refrein: "C'est

grant pechiez d'ainsy blasmer le monde":

"Prince, s'il est par tout generalment

Comme je say, toute vertu habonde;

Mais tel m'orroit qui diroit: 'Il se ment'...." [950]

Zelfs een bel-esprit uit de tweede helft der vijftiende eeuw betitelt

een epigram: "Soubz une meschante paincture faicte de mauvaises couleurs

et du plus meschant peinctre du monde, par maniere d'yronnie par maître

Jehan Robertet." [951]

Hoe fijn daarentegen kan de ironie reeds zijn, zoodra zij de liefde

raakt. Zij mengt zich dan met de zachte melancholie, de matte teerheid,

die de erotiek der vijftiende eeuw in de oude vormen tot iets nieuws

maakt. Het droge hart smelt in een snik. Er klinkt een geluid, dat in de

aardsche liefde nog niet was gehoord: de profundis.

Het is de aanbiddelijke zelfbespotting, de figuur van "l'amant remis et

renié", die Villon aanneemt, het zijn de matte liedjes der desillusie,

die Charles d'Orléans zingt. Het is de lach in tranen: "Je riz en

pleurs" is niet enkel Villon's vinding geweest. Een oude bijbelsche

gemeenplaats: "risus dolore miscebitur et extrema gaudii luctus

occupat", [952] kreeg hier een nieuwe toepassing, een nieuw sentiment,

een verfijnde bittere gevoelswaarde. Alain Chartier, de gladde

hof-poëet, heeft dit motief evengoed als Villon, de vagebond.

"Je n'ay bouche qui puisse rire,

Que les yeulx ne la desmentissent:

Car le cueur l'en vouldroit desdire

Par les lermes qui des yeulx issent."

Of meer uitgewerkt, van een droeven minnaar:

"De faire chiere s'efforçoit

Et menoit une joye fainte,

Et à chanter son cueur forçoit

Non pas pour plaisir, mais pour crainte,

Car tousjours ung relaiz de plainte

S'enlassoit au ton de sa voix,

Et revenoit à son attainte

Comme l'oysel au chant du bois." [953]

Aan het slot van een gedicht verloochent de dichter zijn leed, in den

toon van het vagantenlied, zooals hier:

"Cest livret voult dicter et faire escripre

Pour passer temps sans courage villain

Ung simple clerc que l'en appelle Alain,

Qui parle ainsi d'amours pour oyr dire." [954]

Of in een uitgewerkte fantazie, zooals die waarmee koning René zijn

eindeloos _Cuer d'amour espris_ besluit: de kamerdienaar komt met een

kaars kijken, of 's konings hart niet weg is; maar hij kan geen gat in

de zijde ontdekken:

"Sy me dist tout en soubzriant

Que je dormisse seulement

Et que n'avoye nullement

Pour ce mal garde de morir." [955]

De oude conventioneele vormen kregen door het nieuwe sentiment nieuwe

frischheid. Niemand heeft de gebruikelijke verpersoonlijking der

sentimenten zoo ver doorgevoerd als Charles d'Orléans. Hij ziet zijn

hart als een afzonderlijk wezen:

"Je suys celluy au cueur vestu de noir...." [956]

In de oudere lyriek, zelfs in den dolce stil nuovo, waren die

verpersoonlijkingen nog strakke ernst geweest. Maar bij Orléans zijn

de grenzen van ernst en spot niet meer te trekken; hij chargeert de

verpersoonlijking, zonder dat het fijne sentiment te loor gaat:

"Un jour à mon cueur devisoye

Qui en secret à moy parloit,

Et en parlant lui demandoye

Se point d'espargne fait avoit

D'aucuns biens quant Amours servoit:

Il me dist que très voulentiers

La vérité m'en compteroit,

Mais qu'eust visite ses papiers.

Quant ce m'eut dit, il print sa voye

Et d'avecques moy se partoit.

Après entrer je le véoye

En ung comptouer qu'il avoit:

Là, de ça et de là quéroit,

En cherchant plusieurs vieulx caïers

Car le vray monstrer me vouloit,

Mais qu'eust visitez ses papiers...." [957]

Hier overweegt het komische, maar in het volgende de ernst:

"Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée,

Soing et Soucy, sans tant vous travailler;

Car elle dort et ne veult s'esveiller,

Toute la nuit en peine a despenseé.

En dangier est, s'elle n'est bien panseé;

Cessez, cessez, laissez la sommeiller;

Ne hurtez plus à l'uis de ma pensée,

Soing et Soucy, sans tant vous travailler...." [958]

De week-droeve erotiek kreeg voor den vijftiendeëeuwer een nog scherper

smaak door de bijmenging van het profane, waarmee hij haar zoo gaarne

kruidt. De travesti van het amoureuze in kerkelijke vormen dient niet

enkel tot obscene beeldspraak en grove oneerbiedigheid, zooals in de

_Cent nouvelles nouvelles_. Zij levert ook den vorm van het meest teere,

bijna elegische liefdedicht, dat de vijftiende eeuw heeft voortgebracht:

_L'amant rendu cordelier à l'observance d'amours_.

Het motief van de minnaars als de observanten eener geestelijke orde had

reeds in den kring van Charles d'Orléans aanleiding gegeven tot een

dichterlijke confrérie, die zich "les amoureux de l'observance" noemde.

Is het werkelijk Martial d'Auvergne geweest, die het heeft uitgewerkt

tot het treffende gedicht, dat zich zoover boven het van hem bekende

verheft?

De arme, teleurgestelde minnaar komt de wereld begeven in het wonderlijke

klooster, waar men enkel de droeve verliefden, "les amoureux martyrs",

opneemt. In stille samenspraak met den heer Prior doet hij het zachte

verhaal van zijn versmade liefde, en wordt vermaand, die te vergeten.

Het is onder het middeleeuwsch-satirieke gewaad reeds volkomen de stemming

van Watteau en den Pierrot-cultus, slechts zonder maneschijn.--Was zij

niet gewoon, vraagt de Prior, u een lieven blik toe te werpen, of in 't

voorbijgaan een "Dieu gart" te zeggen?--Zoo ver kwam ik nooit, antwoordt

de minnaar: maar 's nachts stond ik drie heele uren voor haar deur, en

keek op naar de goot:

"Et puis, quant je oyoye les verrières

De la maison qui cliquetoient,

Lors me sembloit que mes prières

Exaussées d'elle sy estoient."

"Waart ge zeker, dat zij u opmerkte?" vraagt de Prior.

"Se m'aist Dieu, j'estoye tant ravis,

Que ne savoye mon sens ne estre,

Car, sans parler, m'estoit advis

Que le vent ventoit sa fenestre

Et que m'avoit bien peu congnoistre,

En disant bas: 'Doint bonne nuyt',

Et Dieu scet se j'estoye grant maistre

Après cela toute la nuyt." [959]

In die zaligheid sliep hij heerlijk:

"Tellement estoie restauré

Que, sans tourner ne travailler,

Je faisoie un somme doré,

Sans point la nuyt me resveiller.

Et puis, avant que m'abiller,

Pour en rendre à Amours louanges,

Baisoie troys fois mon orillier,

En riant à par moy aux anges."

Bij zijn plechtige opneming in de orde bezwijmt de dame, die hem

versmaad had, en een gouden hartje, geëmailleerd met tranen, dat hij

haar geschonken had, valt uit haar kleed.

"Les aultres, pour leur mal couvrir

A force leurs cueurs retenoient,

Passans temps a clorre et rouvrir

Les heures qu'en leurs mains tenoient,

Dont souvent les feuilles tournoient

En signe de devocion;

Mais les deulz et pleurs que menoient

Monstroient bien leur affection."

Als de Prior hem ten slotte zijn nieuwe plichten opsomt, en hem

waarschuwt, om nooit te luisteren naar den nachtegaal, nooit te slapen

onder "eglantiers et aubespines", en vooral nooit in vrouwenoogen te

zien, klaagt het gedicht op het thema "Doux yeux" een eindelooze melodie

van strofen, die altijd weer varieeren:

"Doux yeulx qui tousjours vont et viennent;

Doulx yeulx eschauffans le plisson,

De ceulx qui amoureux deviennent...."

"Doux yeulx a cler esperlissans,

Qui dient: C'est fait quant tu vouldras,

A ceulx qu'ils sentent bien puissans...." [960]

Die zachte, matte toon, die gelaten melancholie heeft ongemerkt in de

vijftiende eeuw alle conventioneele vormen der erotiek doordrongen. De

oude satire van cynische vrouwenverguizing krijgt er op eens een heel

andere, verfijnde stemming door: in de _Quinze joyes de mariage_ is de

botte vrouwensmaad van voorheen getemperd door een toon van stille

desillusie en gedruktheid, die er het navrante aan geeft van een moderne

huwelijksnovelle: de gedachten zijn ijl, vluchtig uitgedrukt; de

gesprekken zijn te teer voor de boosaardige bedoeling.

In alles wat de uitdrukking der liefde betrof, had de litteratuur een

school van eeuwen achter zich, met meesters van zoo verscheiden geest

als Plato en Ovidius, de troubadours en de vaganten, Dante en Jean de

Meun.--De beeldende kunst daarentegen was hierin nog buitengewoon

primitief, en is dat nog lang gebleven. Eerst in de achttiende eeuw

haalt de afbeelding der liefde de beschrijving ervan in verfijning en

volheid van expressie in. De schilderkunst der vijftiende eeuw kon nog

niet frivool of sentimenteel zijn. Tusschen het kuische en het obscene

had zij nog geen uitdrukkingsmiddel gevonden. Van het liefdeleven zegt

zij weinig, en dat in naïeve en onschuldige vormen. Wel moet men zich

hier opnieuw herinneren, dat het meeste wat er van dien aard bestaan

heeft, verloren is. Het zou van buitengewoon belang zijn, als men het

naakt van Van Eyck in zijn Vrouwenbad, waarvan Fazio verhaalt, kon

vergelijken met zijn Adam en Eva. In de laatste ontbreekt het erotische

element volstrekt niet geheel: immers de kunstenaar heeft wel degelijk

den conventioneelen code van vrouwenschoonheid gevolgd, in de kleine,

te hoog geplaatste borsten, de lange slanke armen, den vooruitstekenden

buik. Doch hoe naïef heeft hij dat alles gedaan, zonder eenige zucht of

vermogen om te bekoren.--Bekoring moet het essentieele element zijn van

het kleine Liefdetooverijtje, wel met 'school van Jan van Eyck'

betiteld, [961] een kamer, waar een meisje, naakt, zooals dat bij

tooverij hoort, door toovermiddelen den minnaar dwingt, zich te

vertoonen. Hier is het naakt van die bescheiden wulpschheid, die zich in

Cranach's naaktfiguren voortzet.

Het was geen preutschheid, die de rol der afbeelding in de erotiek zoo

beperkt hield. De late Middeleeuwen vertoonen een zonderlinge

tegenstrijdigheid tusschen een sterk schaamtegevoel en een verbazende

licentie. Voor het laatste is het aanhalen van voorbeelden onnoodig;

zij spreekt op iedere bladzijde. De schaamte spreekt bij voorbeeld uit

het volgende. Bij de ergste moord- en plunderpartijen laat men den

slachtoffers het hemd of de onderbroek; de Burger van Parijs is over

niets zoo verontwaardigd als over het feit, dat die regel werd

geschonden: "et ne volut pas convoitise que on leur laissast neis leurs

brayes, pour tant qu'ilz vaulsissent 4 deniers, qui estoit un des plus

grans cruaultés et inhumanité chrestienne à aultre de quoy on peut

parler." Bij het verhaal van de wreedheid van den bastaard van Vauru

tegen een arme vrouw, is hij nog meer dan van de overige kwellingen

ontzet van het schendig stuk, dat hij haar de kleeren kort onder het

middel laat afsnijden. [962]--Daarom blijft het dubbel opmerkelijk, dat

men aan het vrouwelijk naakt, in de kunst nog zoo weinig gecultiveerd,

zulk een vrije plaats gaf in het tableau vivant. Bij geen intocht

ontbraken de vertooningen, "personnages", van naakte godinnen of nimfen,

door Dürer aanschouwd bij den intocht van Karel V te Antwerpen in 1520,

[963] en door Hans Makart misverstaan, alsof de vrouwen meeliepen in den

optocht. Deze vertooningen waren op getimmerten op bepaalde plaatsen

opgesteld, soms zelfs in het water, zooals de sirenen, die bij de brug

in de Leie zwommen, "toutes nues et échevelées ainsi comme on les

peint", bij den intocht van Philips den Goede te Gent in 1457. [964]

Paris' oordeel was het meest gebruikte onderwerp dezer vertooningen.

--Men zoeke er noch Griekschen schoonheidszin noch platte

onbeschaamdheid in, maar een naïeve, populaire zinnelijkheid. Jean de

Roye beschrijft de sirenen, die bij den intocht van Lodewijk XI te

Parijs in 1461, niet ver van een gekruisigde tusschen de twee schakers,

stonden opgesteld, in deze woorden: "Et si y avoit encores trois bien

belles filles, faisans personnages de seraines toutes nues, et leur

veoit on le beau tetin droit, separé, rond et dur, qui estoit chose bien

plaisant, et disoient de petiz motetz et bergeretes; et près d'eulx

jouoient plusieurs bas instrumens qui rendoient de grandes melodies."

[965] Molinet vertelt, met hoeveel welbehagen het volk naar het oordeel

van Paris keek bij den intocht van Philips den Schoone te Antwerpen in

1494: "mais le hourd où les gens donnoient le plus affectueux regard fut

sur l'histoire des trois déesses, que l'on véoit au nud et de femmes

vives." [966] Hoe ver was zuivere schoonheidszin, als men de vertooning

van dat onderwerp in 1468 te Rijssel bij den intocht van Karel den

Stoute geparodieerd ziet door een zwaarlijvige Venus, een magere Juno en

een gebochelde Minerva, met gouden kronen op het hoofd! [967]--Tot diep

in de zestiende eeuw bleven de naakte vertooningen in gebruik: te Rennes

in 1532 bij den intocht van den hertog van Bretagne zag men een naakte

Ceres en Bacchus, [968] en nog Willem van Oranje werd bij zijn inkomst

binnen Brussel op 18 September 1578 vergast op een Andromeda, "een

ionghe maeght, met ketenen ghevetert, alsoo naeckt als sy van moeder

lyve gheboren was; men soude merckelyck geseydt hebben, dattet een

marberen beeldt hadde geweest", aldus Johan Baptista Houwaert, die de

tableaux gearrangeerd had. [969]

* * * * *

De achterlijkheid van het picturale uitdrukkingsvermogen vergeleken bij

de litteratuur beperkt zich overigens niet tot de gebieden, die wij tot

nu toe behandelden: het komische, het sentimenteele, het erotische. Dat

vermogen vindt zijn grenzen, zoodat het niet meer gedragen wordt aan

dien overmatig visueelen aanleg, waarin wij de toenmalige superioriteit

van de schilderkunst in het algemeen boven de litteratuur gegrond

achtten. Zoodra er iets meer noodig is dan enkel een onmiddellijke,

scherpe visie van het natuurlijke, begeeft die superioriteit de

schilderkunst van lieverlede, en ziet men opeens de gegrondheid van

Michel Angelo's verwijt: die kunst wil vele dingen tegelijk volkomen

afbeelden, waarvan één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten

aan te besteden.

Neem nogmaals een tafereel van Jan van Eyck. Onovertroffen blijft zijn

kunst, zoolang zij van nabij ziende, om zoo te zeggen microscopisch,

werkt: in de gelaatstrekken, de stoffen der gewaden, de juweelen. De

volstrekt scherpe observatie is daar genoeg. Doch zoodra de geziene

werkelijkheid eenigermate moet worden herleid, gelijk reeds het geval

is in de voorstelling van gebouwen en landschappen, vallen er, bij alle

innige bekoring van het vroege vergezicht, zwakheden te bespeuren: een

zekere onsamenhangendheid, een ietwat gebrekkige dispositie. En hoe meer

de voorstelling opzettelijk moet worden gecomponeerd, er een beeldvorm

voor het geval vrij moet worden geschapen, hoe sterker de daling wordt.

Niemand zal tegenspreken, dat in de verluchte getijboeken de

kalenderbladen die, waarop de heilige geschiedenis staat afgebeeld,

overtreffen. Dáár kon men met directe waarneming en vertellend weergeven

volstaan. Maar om een gewichtige handeling, een bewogen voorstelling met

veel personen op te zetten, was bovenal dat gevoel voor rythmischen

opbouw en eenheid noodig, dat eertijds Giotto gekend had, en dat opnieuw

door Michel Angelo werd begrepen. Het wezen nu der vijftiende-eeuwsche

kunst was veelheid. Slechts daar, waar de veelheid zelf tot eenheid

werd, werd het effekt van hooge harmonie bereikt, zooals in de

Aanbidding van het Lam. Daar is inderdaad rythme, een onvergelijkelijk

sterk rythme, een triomfantelijk rythme van al die stoeten schrijdend

naar het middelpunt toe. Doch het is als 't ware door een bloot

rekenkundige nevenschikking, uit de veelheid zelf, gevonden. Van Eyck

ontloopt de moeilijkheden der compositie, door slechts voorstellingen

te geven in strenge rust; hij bereikt een statische, geen dynamische

harmonie.

Hier bovenal ligt de groote afstand, die Rogier van der Weyden van Van

Eyck scheidt. Rogier beperkt zich, om het rythme te vinden; hij slaagt

niet altijd, maar hij streeft.

Nu bestond er voor de voornaamste onderwerpen der heilsgeschiedenis een

strenge, oude verbeeldingstraditie. De schilder behoefde de ordonnantie

van zijn tafereel niet meer zelf te zoeken. [970] Sommige dier

onderwerpen brachten een rythmischen bouw bijna vanzelve mee. In een

beweening, een kruisafneming, een aanbidding der herders, kwam het

rythme als van zelve. Men denke aan de pieta's van Rogier van der Weyden

te Madrid, die van de Avignonsche school in het Louvre en te Brussel,

van Petrus Cristus, van Geertgen tot Sint Jans, van de Belles heures

d'Ailly. [971]

Wordt echter het tafereel woeliger, zooals bij de bespotting, de

kruisdraging, de aanbidding der koningen, dan stijgen de moeilijkheden

der compositie, en een zekere onrustigheid, onvoldoende eenheid der

voorstelling is veelal het gevolg. En als de kerkelijke iconografische

norm den kunstenaar geheel begeeft, dan staat hij vrijwel hulpeloos.

Reeds de rechtspraaktafereelen van Dirk Bouts en Gerard David, die

nog een zekere statige ordonnantie meebrachten, zijn vrij zwak van

compositie. Linksch en onbeholpen wordt zij in de marteling van Sint

Erasmus, "het dermwinderken" van Leuven, en van Sint Hippolytus, door

paarden uiteengetrokken, te Brugge. Daar werkt de gebrekkige bouw reeds

stuitend.

Wanneer nu nooit geziene fantazie moet worden verbeeld, dan vervalt de

vijftiende-eeuwsche kunst in het belachelijke. De groote schilderkunst

bleef daarvoor gespaard door haar strenge onderwerpen, maar de

boekverluchting kon zich niet onttrekken aan het afbeelden van al de

mythologische en allegorische fantazie, die de litteratuur aanbracht.

Een goed voorbeeld levert de illustratie van de _Epitre d'Othéa à

Hector_, [972] een uitgewerkte mythologische fantazie van Christine

de Pisan. Het is het onbeholpenste wat men zich kan voorstellen. De

Grieksche goden dragen groote vlerken achter aan hun hermelijnmantels of

bourgondische tabberts; de geheele opzet en uitdrukking mislukt: Minos,

Saturnus, die zijn kinderen verslindt, Midas, die den prijs uitdeelt,

zij vallen allen even zot uit. Doch zoodra de verluchter in den

achtergrond even zijn hart kan ophalen aan een herdertje met schaapjes

of een heuveltje met galg en rad, vertoont hij de gewone vaardigheid.

[973] Men is hier aan de grens van het beeldend vermogen dezer

kunstenaars. In vrij scheppende verbeelding zijn zij tenslotte ongeveer

even beperkt als de dichters.

* * * * *

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 35 / 38 段