In de litteratuur zit de natuurbeschrijving nog geheel gehuld in het

kleed der pastorale. Hierboven is reeds gesproken van den hoofschen

strijd voor en tegen het eenvoudig buitenleven. Het was evenals in de

dagen, dat Rousseau opgang maakte, goede toon, dat men zich de ijdelheid

van het hofleven moe bekende, en een wijze hofvlucht affecteerde, om

zich te vergenoegen met het bruine brood en de zorgelooze liefde van

Robin en Marion. Het was een sentimenteele reactie op de volbloedige

praal en het trotsche egoïsme der werkelijkheid, niet ten eenenmale

onecht, maar toch in hoofdzaak een litteraire houding.

In die houding hoort de liefde tot de natuur. De poëtische uitdrukking

ervan is een conventie. De natuur was een gezocht element in het groote

gezelschapsspel der hoofsch-erotische cultuur. De uitdrukking der

schoonheid van bloemen en vogelgezang werd opzettelijk gecultiveerd in

de geijkte vormen, die ieder speler verstond. Zoodoende staat de

natuurbeschrijving in de letterkunde op een geheel ander niveau dan in

de schilderkunst.

Buiten het herdersdicht en het obligate motief van den lentemorgen als

aanhef bestaat er nog nauwelijks behoefte aan natuurbeschrijving. Een

enkele maal mogen er in het verhaal eens een paar woorden van

natuurschildering invloeien, zooals toen Chastellain den invallenden

dooi beschreef (en juist de onopzettelijke natuurschildering is dan

doorgaans verreweg het meest suggestief), het blijft de pastorale

poëzie, waarin men het opkomen van het litteraire natuurgevoel moet

nagaan. Naast de bladzijden van Alain Chartier, die hierboven werden

aangehaald, om het effekt van de uitwerking der détails in het algemeen

te laten zien, kan men bij voorbeeld leggen het gedicht _Regnault et

Jehanneton_, waarin de koninklijke herder René zijn liefde voor Jeanne

de Laval verkleedt. Ook hier geen saamgehouden visie op een stuk natuur,

geen eenheid zooals de schilder door kleur en licht aan zijn landschap

kon geven, maar een gemoedelijke aaneenrijging van bijzonderheden. De

zingende vogels een voor een, de insecten, de kikvorschen, dan de

ploegende boeren:

"Et d'autre part, les paisans au labour

Si chantent hault, voire sans nul séjour,

Resjoyssant

Leurs beufs, lesquelx vont tout-bel charruant

La terre grasse, qui le bon froment rent;

Et en ce point ilz les vont rescriant,

Selon leur nom:

A l'un Fauveau et l'autre Grison,

Brunet, Blanchet, Blondeau ou Compaignon;

Puis les touchent tel foiz de l'aiguillon

Pour avancer." [924]

Er is wel frischheid in en een blij geluid, maar denk nu eens aan de

kalendervoorstellingen der getijboeken. Koning René geeft om zoo te

zeggen al de ingrediënten voor een goede natuurbeschrijving, een palet

met kleuren, maar meer niet. Verderop, waar het vallen van den avond

beschreven wordt, is de poging om een stemming uit te drukken

onmiskenbaar. De andere vogels zwijgen, maar de kwartel roept nog,

patrijzen snorren naar hun leger, herten en konijnen komen te

voorschijn. Nog even schijnt de zon op een torenspits, dan wordt de

lucht koel, uilen en vleermuizen beginnen rond te vliegen, en het klokje

der kapel luidt het Ave.

De kalenderbladen van de _Très-riches heures_ geven ons gelegenheid,

eenzelfde motief in kunst en litteratuur te vergelijken. Men kent de

glorieuze kasteelen, die in het werk der gebroeders Van Limburg den

achtergrond van het maandwerk vullen. Zij hebben hun litterair pendant

in het dichtwerk van Eustache Deschamps. In een zevental korte gedichten

zingt deze den lof van verscheiden Noord-fransche kasteelen: Beauté, dat

later Agnes Sorel zou herbergen, Bièvre, Cachan, Clermont, Nieppe, Noroy

en Coucy. [925] Deschamps had een dichter van heel wat machtiger

vleugelslag moeten zijn, om hier te bereiken, wat de gebroeders Van

Limburg in deze teerste en fijnste uitingen der miniatuurkunst wisten

uit te drukken. Op het Septemberblad rijst achter den wijnoogst het

kasteel van Saumur als uit een droom omhoog: de torenspitsen met hun

hooge windvanen, de pinnakels, de lelieornamenten op de tinnen, de

twintig slanke schoorsteenen, het bloeit op als een wild perk van hooge

witte bloemen in de donkerblauwe lucht. Daarnaast de majestueuze breede

ernst van het vorstelijk Lusignan op het Maartblad, de sombere torens

van Vincennes dreigend uitstekende boven de dorre blaren van het bosch

van December. [926]

Had de dichter, deze althans, een gelijkwaardig middel, om zulke

gezichten te evoceeren? Natuurlijk niet. De beschrijving der

bouwkunstige vormen van het kasteel, zooals in het gedicht op Bièvre,

kon geen effekt opleveren. Een optelling van de geneuchten, die het

kasteel biedt, dat is eigenlijk alles, wat hij weet te geven. Uit den

aard der zaak ziet de schilder naar het kasteel toe, en de dichter van

het kasteel uit.

"Son filz ainsné, daulphin de Viennois,

Donna le nom à ce lieu de Beauté.

Et c'est bien drois, car moult est delectables:

L'en y oit bien le rossignol chanter;

Marne l'ensaint, les haulz bois profitables

Du noble parc puet l'en veoir branler....

Les prez sont pres, les jardins deduisables,

Les beaus preaulx, fontenis bel et cler,

Vignes aussi et les terres arables,

Moulins tournans, beaus plains à regarder."

Welk een verschil in werking is hier! Toch hebben de afbeelding en het

gedicht hier zoowel procédé als stof gemeen: zij sommen het zichtbare

(en voor het gedicht ook het hoorbare) op. Maar des schilders blik is

vast gericht: hij moet, opsommende, toch eenheid, beperking en samenhang

geven. Paul van Limburg kan in zijn Februari-tafereel al de dingen van

den winter opeenhoopen: de boeren zich warmend voor het vuur, het

waschgoed dat te drogen hangt, de bonte kraaien op de sneeuw, de

schaapskooi, de bijenkorven, de tonnen en de kar, en het heele

wintersche verschiet met het stille dorpje en de eenzame hofstede op den

heuvel. De rustige eenheid van het beeld blijft volmaakt. Des dichters

blik evenwel dwaalt rond, vindt geen rustpunt; hij geeft de eenheid

niet.

De vorm is den inhoud voor. In de litteratuur zijn vorm en inhoud beide

oud, in de schilderkunst is de inhoud oud, maar de vorm nieuw. In de

schilderkunst bergt de vorm veel meer van de uitdrukking dan in de

litteratuur. De schilder kan al de onuitgesproken wijsheid in den vorm

leggen: de idee, de stemming, de psychologie, alles geeft hij zonder

zich te behoeven kwellen om er taal van te maken. Het tijdperk is

overwegend visueel. Dit verklaart de superioriteit van de picturale

boven de litteraire uitdrukking: een litteratuur, die overwegend visueel

waarneemt, schiet te kort.

De dichtkunst der vijftiende eeuw schijnt bijna zonder nieuwe gedachten

te leven. Er is een algemeene onmacht tot nieuwe fictie; het is slechts

bewerken, moderniseeren van de oude stof. Er is een pauze in de

gedachte; de geest is klaar met het middeleeuwsch gebouw, en talmt

vermoeid. Er is leegheid en dorheid. Men vertwijfelt aan de wereld;

alles gaat achteruit; er is een sterke malaise van gemoed. Deschamps

verzucht:

"Helas! on dit que je ne fais mès rien,

Qui jadis fis mainte chose nouvelle;

La raison est que je n'ay pas merrien (stof)

Dont je fisse chose bonne ne belle." [927]

Niets schijnt ons meer te getuigen van stilstand en verval dan het

ontrijmen van de oude ridderromans en andere gedichten tot ellenlang

effen proza. Toch beduidt die "dérimage" der vijftiende eeuw een

overgang tot een nieuwen geest. Het is het afscheid aan de gebonden

rede als primair uitdrukkingsmiddel, het afscheid aan den stijl van den

middeleeuwschen geest. Nog in de dertiende eeuw kon men alles in rijm

brengen, tot geneeskunde en natuurlijke historie toe, evenals de

Oud-Indische letterkunde alle wetenschap in versvorm bracht. De gebonden

vorm beduidt, dat de voordracht het beoogde middel van mededeeling is.

Niet de persoonlijke, gevoelvolle, expressieve voordracht, maar het

opdreunen. De nieuwe behoefte aan proza beduidt de zucht naar expressie,

de opkomst van het moderne lezen tegenover de oude voordracht. Daartoe

dient ook de verdeeling van de stof in kleine kapittels met resumeerende

opschriften, die in de vijftiende eeuw algemeen wordt. Aan het proza

worden naar verhouding hooger eischen gesteld dan aan de poëzie; in den

ouden rijmvorm slikt men alles nog.

Doch de hoogere qualiteit in het algemeen van het proza zit in zijn

formeele elementen; nieuwe gedachte heeft het evenmin. Froissart is het

volledige type van den geest, die in het woord niet denkt, maar enkel

verbeeldt. Hij heeft nauwelijks gedachten, enkel voorstellingen van

feiten. Hij kent slechts een paar zedelijke motieven en gevoelens:

trouw, eer, hebzucht, moed, en die alleen in hun allereenvoudigsten

vorm. Hij gebruikt geen theologie, geen allegorie, geen mythologie,

ternauwernood eenige moraal; hij vertelt maar door, correct, moeiteloos,

geheel adequaat aan het geval, maar toch inhoudloos en nooit treffend,

met de mechanische uiterlijkheid, waarmee de bioscoop de werkelijkheid

weergeeft. Zijn bespiegelingen zijn van ongeëvenaarde banaliteit: alles

verveelt, niets is zekerder dan de dood, soms verliest men en soms wint

men. Bij bepaalde voorstellingen treden met werktuigelijke zekerheid

vaste uitspraken op: bij voorbeeld zoo dikwijls hij van Duitschers

spreekt, zegt hij, dat zij hun gevangenen slecht behandelen en bijzonder

hebzuchtig zijn. [928]

Zelfs wat men gewoonlijk van Froissart citeert als puntig gezegde,

verliest veelal die kracht in den samenhang. Het geldt als een scherpe

karakteristiek van den eersten hertog van Bourgondië, wanneer Froissart

hem noemt "sage, froid et imaginatif, et qui sur ses besognes veoit au

loin." Maar Froissart zegt het van iedereen! [929] Ook het bekende

"Ainsi ot messire Jehan de Blois femme et guerre qui trop luy cousta,"

[930] heeft welbeschouwd in het verband niet de pointe, die men erin

voelt.

Eén element mist Froissart: het rhetorische. Juist de rhetoriek was het

die den tijdgenoot het gemis aan nieuwen inhoud in de literatuur

vergoedde. Hij zwelgde in de praal van den versierden stijl; de

gedachten schijnen hem nieuw door hun statigen dos. Zij dragen alle

stijve brokaatgewaden. De begrippen van eer en plicht dragen het bonte

pak van den ridderlijken waan. De natuurzin steekt in de plunje van de

pastorale en de liefde in het knellendste van al, de allegorie van den

_Roman de la Rose_. Geen enkele gedachte is naakt en vrij. Zij kunnen

zich haast niet anders meer bewegen dan voortschrijdende in rustige

maat, in eindelooze optochten.

Dit rhetorisch-versierende element ontbreekt overigens volstrekt niet

in de beeldende kunst. Er zijn tal van partijen, die men geschilderde

rederijkerij zou kunnen noemen. Zoo bijvoorbeeld op Van Eyck's Madonna

van den kanunnik Van de Paele de Sint Joris, die den stichter aan de

Maagd aanbeveelt. Hoe duidelijk heeft de kunstenaar willen antikiseeren

in dat gouden harnas en den pronkhelm; hoe slap rhetorisch is het

gebaar, waarmee de heilige optreedt. De aartsengel Michael op het

Dresdensche triptiekje draagt denzelfden al te fraaien tooi. Ook het

werk van Paul van Limburg vertoont dat bewust rhetorische element, in

de overrijke, bizarre praal waarmee de drie koningen optreden, in het

streven naar een exotische, theatrale uitdrukking, dat onmiskenbaar is.

* * * * *

De poëzie der vijftiende eeuw is op haar best, wanneer zij geen

zwaarwichtige gedachte poogt uit te drukken, en ontslagen is van de

taak, om het mooi te doen. Wanneer zij maar even een gezicht, een

stemming oproept. Haar werking berust op haar formeele elementen: het

beeld, den toon, het rythme. Vandaar dat zij weinig vermag in de werken

van hoogen opzet en langen adem, waar de rythmische en toonqualiteiten

ondergeschikt zijn, maar frisch kan zijn in de genres, waar de vorm

hoofdzaak is: het rondeau, de ballade, die doorgaans op één lichte

gedachte zijn gebouwd, en hun kracht ontleenen aan visie, toon en

rythme. Het zijn de eenvoudig en onmiddellijk beeldende eigenschappen

van het volkslied; daar waar het kunstlied zich het naast aansluit aan

het volkslied, gaat er de meeste bekoring van uit.

In de veertiende eeuw heeft een kentering plaats in de verhouding van

lyrische dichtkunst en muziek. In de oudere periode was het gedicht

onverbrekelijk aan muzikale voordracht gebonden, zelfs niet alleen het

lyrische; immers men neemt aan, dat ook de chansons de geste gezongen

werden, elk vers van tien of twaalf syllaben op dezelfde wijs (juist als

de Indische çloka). Het normale type van den middeleeuwschen lyrischen

dichter is hij, die zoowel het gedicht als de muziek er op maakt. Dat

doet in de veertiende eeuw nog Guillaume de Machaut. Hij is het tevens,

die de meest gebruikelijke lyrische vormen voor zijn tijd fixeert: de

balladen, het rondeau enz.; hij vindt den vorm van het débat. Machaut's

rondeau's en balladen kenmerken zich door groote effenheid, weinig

kleur, nog minder gedachte; en dat mochten zij, want zij waren maar de

helft van 's dichters werk: het liedje op muziek is er te beter om, als

het niet te expressief en te bont is, zooals dit simpele rondel:

"Au departir de vous mon cuer vous lais

Et je m'en vois dolans et esplourés.

Pour vous servir, sans retraite jamais,

Au departir de vous mon cuer vous lais.

Et par m'ame, je n'arai bien ne pais

Jusqu'au retour, einsi desconfortés.

Au departir de vous mon cuer vous lais

Et je m'en vois dolans et esplourés." [931]

Deschamps is niet meer zelf de toondichter van zijn balladen, en hij

is dan ook veel bonter en drukker dan Machaut, daardoor dikwijls

belangwekkender, maar lager van poëtischen stijl. Natuurlijk sterft het

ijle, lichte, bijna inhoudlooze, voor muziek bestemde gedicht niet af,

wanneer de dichters er niet zelf meer de muziek op maken. Het rondel

bewaart den trant, zooals bij voorbeeld dit van Jean Meschinot:

"M'aimerez-vous bien,

Dictes, par vostre ame?

Mais (mits) que je vous ame

Plus que nulle rien (ding),

M'aimerez-vous bien?

Dieu mit tant de bien

En vous, que c'est basme (balsem);

Pour ce je me clame

Vostre. Mais combien

M'aimerez-vcms bien?" [932]

Het zuivere, eenvoudige talent van Christine de Pisan leende zich

bijzonder voor deze vluchtige effekten. Zij heeft even gemakkelijk

verzen gemaakt als al haar tijdgenooten, zeer weinig gevarieerd in vorm

en gedachte, effen en weinig gekleurd, stil en rustig, met een lichte,

geestige melancholie. Het zijn echt litteraire gedichten, volkomen

hoofsch van toon en gedachte. Zij doen denken aan die ivoren plaques der

veertiende eeuw, die in zuiver conventioneele afbeelding steeds weer

dezelfde motieven geven: een jachttafereel, een motief uit _Tristan et

Yseult_ of uit den _Roman de la rose_, gracieus, koel en bekoorlijk.

Waar nu Christine met haar zachte hoofschheid tegelijk den toon van het

volkslied treft, ontstaat soms iets heel zuivers.

Een weerzien:

"Tu soies le très bien venu,

M'amour, or m'embrace et me baise

Et comment t'es tu maintenu

Puis ton depart? Sain et bien aise

As tu esté tousjours? ça vien

Coste moy, te sié et me conte

Comment t'a esté, mal ou bien,

Car de ce vueil savoir le compte.

--Ma dame, a qui je suis tenu

Plus que aultre, a nul n'en desplaise,

Sachés que desir m'a tenu

Si court qu'oncques n'oz tel mesaise,

Ne plaisir ne prenoie en rien

Loings de vous. Amours, qui cuers dompte.

Me disoit: "Loyauté me tien,

Car de ce vueil savoir le compte."

--Dont m'as tu ton serment tenu,

Bon gré t'en sçay, par saint Nicaise;

Et puis que sain es revenu

Joye arons assez; or t'apaise

Et me dis se scez de combien

Le mal qu'en as eu a plus monte

Que cil qu'a souffert le cuer mien,

Car de ce vueil savoir le compte.

--Plus mal que vous, si com retien,

Ay eu, mais dites sanz mesconte,

Quans baisiers en aray je bien?

Car de ce vueil savoir le compte." [933]

Een gemis:

"Il a au jour d'ui un mois

Que mon ami s'en ala.

Mon cuer remaint morne et cois,

Il a au jour d'ui un mois.

"A Dieu, me dit, je m'en vois";

Ne puis a moy ne parla,

Il a au jour d'ui un mois." [934]

Een overgave:

"Mon ami, ne plourez plus;

Car tant me faittes pitié

Que mon cuer se rent conclus

A vostre doulce amistié.

Reprenez autre maniere;

Pour Dieu, plus ne vous doulez,

Et me faittes bonne chiere:

Je vueil quanque vous voulez."

* * * * * * * * * * *

Het is de teere, spontane vrouwelijkheid van deze gedichtjes, ontdaan

van de mannelijk-gewichtige, fantastische bespiegeling, en van den

bonten opschik met de Rose-figuren, die ze voor ons genietbaar maakt.

't Is maar een enkele even ontwaarde stemming, die geboden wordt. Het

thema heeft maar even in het hart geklonken, en is toen direct verbeeld,

zonder dat de gedachte er aan te pas kwam. Maar daarom ook vertoont deze

poëzie zoo bijzonder dikwijls die eigenschap, welke zoowel in muziek als

poëzie alle tijdperken kenmerkt, waarin de inspiratie uitsluitend op de

enkele visie van een oogenblik berust: het thema is zuiver en sterk, het

lied begint in een klaar en vast geluid, als een merelslag, maar reeds

na de eerste strofe heeft de dichter of toondichter zijn gegeven

uitgezegd; de stemming zakt er uit weg, en de uitwerking verloopt in

zwakke rhetoriek. Het is de eeuwige teleurstelling, die bijna alle

dichters der vijftiende eeuw u bereiden.

Hier een voorbeeld uit de balladen van Christine:

"Quant chacun s'en revient de l'ost

Pour quoy demeures tu derriere?

Et si scez que m'amour entiere

T'ay baillée en garde et depost." [935]

Men zou een fijne, middeleeuwsch-Fransche Lenore-ballade verwachten.

Maar de dichteres had niets anders te zeggen dan dit begin, en in nog

twee korte onbelangrijke strofen draait zij er een eind aan.

Hoe frisch begint _Le debat dou cheval et dou levrier_ van Froissart:

"Froissart d'Escoce revenoit

Sus un cheval qui gris estoit,

Un blanc levrier menoit en lasse.

'Las', dist le levrier, 'je me lasse,

Grisel, quant nous reposerons?

Il est heure que nous mengons'." [936]

Doch deze toon wordt niet volgehouden, het gedicht zakt terstond. Het

thema is alleen gezien, niet gedacht. Ze zijn soms prachtig suggestief,

de thema's. In Pierre Michault's _Danse aux Aveugles_ ziet men de

menschheid eeuwig dansende om de tronen van Liefde, Fortuin en Dood.

[937] Maar de uitwerking blijft van het begin af beneden het middelmatige.

Een naamlooze _Exclamacion des os Sainct Innocent_ begint met den toeroep

der beenderen in de knekelgalerijen van het beroemde kerkhof:

"Les os sommes des povres trespassez.

Cy amassez par monceaulx compassez.

Rompus, cassez, sans reigle ne compas...." [938]

Een aanhef, om de luguberste doodsklacht op te bouwen; maar het wordt

niet anders dan een memento mori van twaalf in het dozijn.

Het zijn alles louter beeld-thema's. Voor den schilder behelst zulk een

enkele visie in zich zelf de stof tot de verst doorgevoerde uitwerking,

maar voor den dichter is zij niet genoeg.

Is dan de schilderkunst der vijftiende eeuw in uitdrukkingsvermogen de

litteratuur in alle opzichten de baas? Neen. Er blijven altijd gebieden,

waarop de litteratuur over rijker en meer directe uitdrukkingsmiddelen

beschikt dan de beeldende kunst. Zulk een gebied is bovenal dat van den

spot. De beeldende kunst kan, tenzij zij zich verlaagt tot caricatuur,

slechts een geringe potentie van het komische uitdrukken. Het komische,

enkel zichtbaar afgebeeld, heeft een neiging, weer in het ernstige over

te gaan. Slechts daar, waar de bijmenging van het komische element in de

levensverbeelding zeer gering is, waar het enkel kruiderij is, en niet

den eigen smaak van het gerecht overstemmen mag, kan de afbeelding

gelijken tred houden met de uitdrukking in woorden. Als zulk een komiek

in zwakste potentie kan men de genreschildering beschouwen.

Hier is de beeldende kunst nog volkomen op haar terrein. De ongebreidelde

uitwerking der détails, die wij hierboven aan de schilderkunst der

vijftiende eeuw toekenden, gaat ongemerkt over in het behagelijke

vertellen van kleinigheden, in het genre-achtige. Bij den meester van

Flémalle is de gedétailleerdheid louter 'genre' geworden. Zijn Joseph de

timmerman zit muizenvallen te maken. Het genre-achtige steekt in al zijn

détails: tusschen de wijze, waarop Van Eyck en waarop de meester van

Flémalle een vensterblind laat openstaan, een buffetje of een haard

schildert, is de stap gedaan van de zuiver picturale visie naar het

genre.

Doch reeds op dit gebied heeft nu het woord opeens een dimensie meer dan

de afbeelding. Het kan de gemoedsstemming expliciet weergeven. Denk nog

eens aan Deschamps' beschrijvingen van de schoonheid der kasteelen. Ze

waren eigenlijk mislukt en bleven oneindig ver achter bij wat de

miniatuurkunst daarvan wist te maken. Maar vergelijk nu de ballade, waar

Deschamps in een genretafereel beschrijft, hoe hij zelf ziek ligt in

zijn armzalig kasteeltje te Fismes. [939] De uilen, spreeuwen, kraaien,

musschen, die in zijn toren nestelen, houden hem uit den slaap:

"C'est une estrange melodie

Qui ne semble pas grant deduit

A gens qui sont en maladie.

Premiers les corbes font sçavoir

Pour certain si tost qu'il est jour:

De fort crier font leur pouoir,

Le gros, le gresle, sanz sejour;

Mieulx vauldroit le son d'un tabour

Que telz cris de divers oyseaulx,

Puis vient la proie; [940] vaches, veaulx,

Crians, muyans, et tout ce nuit,

Quant on a le cervel trop vuit,

Joint du moustier la sonnerie,

Qui tout l'entendement destruit

A gens qui sont en maladie."

's Avonds komen de uilen en verschrikken door hun klagelijk roepen den

zieke met doodsgedachten:

"C'est froit hostel et mal reduit

A gens qui sont en maladie."

Zoodra maar een zweem van het komische, of ook maar van het genoegelijk-

vertellende, doordringt, werkt het aaneenrijgende, opsommende procédé

niet meer vermoeiend. Levendige schilderingen van burgerlijke zeden,

lange behagelijke beschrijvingen van het vrouwelijk toilet breken de

eentonigheid. In zijn lang allegorisch gedicht _L'espinette amoureuse_

verkwikt Froissart u plotseling met een opsomming van wel zestig

kinderspelen, die hij als kleine jongen te Valenciennes te spelen

placht. [941] De litteraire dienst van den duivel der gulzigheid heeft

reeds een aanvang genomen. De savoureuze maaltijden van Zola, Huysmans,

Anatole France hebben reeds hun prototypen in de Middeleeuwen. Hoe glimt

de gulzigheid, als Deschamps en Villon lekkebaarden naar malsche boutjes.

Hoe smakelijk beschrijft Froissart de Brusselsche bonvivants, die den

vetten hertog Wencelijn omringen in den slag bij Baesweiler; zij hebben

hun knechten bij zich met groote flesschen wijn aan den zadelknop, met

brood en kaas, pasteien van zalm, forellen en paling, alles netjes in

kleine servetten gewikkeld; zoo staan zij de slagorde in den weg. [942]

Door haar gave voor het genre-achtige is de litteratuur van dien tijd in

staat, ook het nuchterste in vers te brengen. Deschamps kan in een

gedicht om geld manen, zonder van zijn gewone dichterniveau af te dalen;

hij bedelt in een reeks van balladen om een beloofden tabbert, om

brandhout, om een paard, om achterstallig salaris. [943]

Het is maar één schrede van het genre-achtige naar het bizarre, het

burleske, of als men wil: het breugheleske. Ook in dezen vorm van het

komische is de schilderkunst nog gelijkwaardig aan de litteratuur. Het

breughelsche element is in de kunst omstreeks 1400 reeds ten volle

aanwezig. Men vindt het in den Joseph op Broederlam's Vlucht naar Egypte

te Dijon, in de slapende krijgsknechten op de Drie Maria's bij het graf,

die aan Hubert van Eyck zijn toegeschreven. Niemand is in het opzettelijk

bizarre zoo sterk als Paul van Limburg. Een toeschouwer bij Maria's

tempelgang draagt een ellenhooge, kromme toovenaars-muts en mouwen van

een vadem lang. Burlesk is hij in de doopvont, die drie monsterachtige

maskers draagt met uitgestoken tong, en in de omlijsting van Maria en

Elisabeth, waar een held uit een toren een slak bevecht, een ander man

op een kruiwagen een varken kruit, dat den doedelzak speelt. [944]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 34 / 38 段