Nu is juist in het détail de schilder volkomen vrij. Wat de hoofdzaak

betreft, de voorstelling van het heilige onderwerp, is hem een strenge

conventie opgelegd; elk kerkelijk tafereel heeft zijn iconografischen

code, waarvan geen afwijking wordt gedoogd. Maar hij behoudt een

onbegrensd veld voor de vrije ontplooiing van zijn scheppingslust.

In de gewaden, de accessoires, den achtergrond kan hij ongehinderd en

ongedwongen doen, wat des schilders is: schilderen namelijk, door geen

conventie belemmerd, geven wat hij ziet en zooals hij 't ziet. De

hechte, strakke bouw van het heilige tafereel draagt den rijkdom der

détails als een lichten schat, als een vrouw bloemen op haar kleed.

In de poëzie der vijftiende eeuw nu is de verhouding in zekeren zin

andersom. In de hoofdzaak is de dichter vrij; hij mag een nieuwe

gedachte vinden, als hij kan, terwijl juist het détail, de achtergrond,

in hooge mate door conventie beheerscht worden. Er bestaat voor ongeveer

alle bijzonderheden een norm van uitdrukking, een schablone, die men

ongaarne prijsgeeft. Bloemen, natuurgenot, smarten en vreugden, ze

hebben hun geijkte uitdrukkingsvormen, waaraan de dichter wat poetsen en

kleuren kan, zonder ze te vernieuwen.

Hij poetst en kleurt in het oneindige, want hij mist de heilzame

beperking, die den schilder is opgelegd door het te vullen vlak; des

dichters vlak is altijd onbeperkt. Hij is vrij van de beperking der

materieele middelen, en juist wegens die vrijheid moet hij naar

verhouding een grooter geest zijn dan de schilder, om iets goeds te

maken. Ook de middelmatige schilders blijven een vreugde voor het

nageslacht, maar de middelmatige dichter zinkt in vergetelheid.

Om het effekt der "ongebreidelde uitwerking" aan een dichtwerk der

vijftiende eeuw te demonstreeren, zou men er eigenlijk een in zijn

geheel (en ze zijn lang!) op den voet moeten volgen. Daar dit niet

mogelijk is, mogen enkele staaltjes volstaan.

Alain Chartier gold in zijn tijd als een der grootste dichters; hij is

vergeleken met Petrarca; nog Clément Marot telt hem onder de eersten.

Van de vereering, die hij genoot, getuigt het verhaaltje, dat hierboven

reeds werd meegedeeld. [904] Men mag hem dus, uitgaande van zijn tijd

zelf, naast een der grootste schilders plaatsen. Het begin van zijn

gedicht _Le livre des quatre dames_, een samenspraak van vier

edelvrouwen, wier minnaars bij Azincourt gestreden hebben, geeft, zooals

de regel is, het landschap, den achtergrond van het beeld. [905] Dit

landschap zij vergeleken met het welbekende landschap van het Gentsche

altaarstuk: de wonderlijke bloemenweide met haar minutieus uitgevoerde

vegetatie, met de kerktorens achter de lommerige heuvelkruinen, een

voorbeeld van de ongebreideldste uitwerking.

De dichter gaat den lentemorgen in, om zijn langdurige zwaarmoedigheid

te verdrijven.

"Pour oublier melencolie,

Et pour faire chiere plus lie,

Ung doulx matin aux champs issy,

Au premier jour qu' amours ralie

Les cueurs en la saison jolie...."

Dit is alles louter conventioneel, en geen schoonheid van rythme of

klank verheft het boven het glad-middelmatige. Nu komt de schildering

van den lentemorgen.

"Tout autour oiseaulx voletoient,

Et si très-doulcement chantoient,

Qu'il n'est cueur qui n'en fust joyeulx.

Et en chantant en l'air montoient,

Et puis l'un l'autre surmontoient

A l'estriveé a qui mieulx mieulx.

Le temps n'estoit mie nueux,

De bleu estoient vestuz les cieux,

Et le beau soleil cler luisoit."

De eenvoudige vermelding van de heerlijkheden van tijd en plaats zou

hier zeer goed werken, wanneer de dichter zich had weten te beperken. Er

is wel een bekoring in het heel simpele van dit natuurgedicht, maar het

mist elken sterken _vorm_. In een sukkeldraf gaat de opsomming voort; na

een nadere beschrijving van het vogelgezang volgt:

"Les arbres regarday flourir,

Et liêvres et connins courir.

Du printemps tout s'esjouyssoit.

Là sembloit amour seignourir.

Nul n'y peult vieillir ne mourir,

Ce me semble, tant qu'il y soit.

Des erbes ung flair doulx issoit,

Que l'air sery adoulcissoit,

Et en bruiant par la valee

Ung petit ruisselet passoit,

Qui les pays amoitissoit,

Dont l'eaue n'estoit pas salee.

Là buvoient les oysillons,

Apres ce que des grisillons,

Des mouschettes et papillons

Ilz avoient pris leur pasture.

Lasniers, aoutours, esmerillons

Vy, et mouches aux aguillons,

Qui de beau miel paveillons

Firent aux arbres par mesure.

De l'autre part fut la closture

D'ung pré gracieux, où nature

Sema les fleurs sur la verdure,

Blanches, jaunes, rouges et perses.

D'arbres flouriz fut la ceinture,

Aussi blancs que se neige pure

Les couvroit, ce sembloit paincture,

Tant y eut de couleurs diverses."

Een beekje murmelt over kiezelsteenen; visschen zwemmen erin, een

boschje spreidt zijn takken als groene gordijnen over den oever. En

opnieuw volgt een opsomming van vogels: daar nestelen eenden, duiven,

reigers, fazanten.

Wat is het effekt van de uitgebreide uitwerking van het natuurtafereel

in het gedicht, vergeleken met het schilderstuk, de uitdrukking derhalve

van eenzelfde inspiratie met verschillende middelen?--Dat de schilder

door den aard van zijn kunst gedwongen is tot eenvoudige natuurgetrouwheid,

terwijl de dichter zich verliest in vormlooze oppervlakkigheid en het

opsommen van conventioneele motieven.

De poëzie staat in dit opzicht niet zoo na aan de schilderkunst als het

proza. Dit laatste is minder gebonden aan bepaalde motieven. Het beoogt

soms nadrukkelijker de nauwkeurige weergave van een geziene werkelijkheid.

Het voert die uit met vrijer middelen. Daardoor vertoont het proza

misschien beter dan de poëzie de diepere verwantschap van litteratuur en

kunst.

De grondtrek van den laat-middeleeuwschen geest is zijn overmatig

visueel karakter. Deze staat in nauw verband met de atrophieering der

gedachte. Er wordt in gezichtsvoorstellingen gedacht. Alles wat men

uitdrukken wil, wordt neergelegd in een zichtbaar beeld. De volstrekte

gedachtenleegheid van de allegorische vertooningen of gedichten kon

worden geduld, omdat de bevrediging geheel in het geziene lag. De

neiging om het uiterlijk zichtbare onmiddellijk weer te geven vond een

sterker en volkomener uiting door picturale middelen dan door

litteraire. En eveneens een sterker uiting door de middelen van het

proza dan door die der poëzie. Vandaar dat het proza der vijftiende eeuw

in vele opzichten middenevenredig staat tusschen de schilderkunst en de

poëzie. Alle drie hebben zij gemeen de onbeteugelde uitwerking der

bijzonderheden, maar deze leidt in de schilderkunst en het proza tot een

direct realisme, dat de poëzie niet kent, zonder dat zij er veel beters

voor in de plaats heeft.

Het is met name één schrijver, in wiens werken dezelfde kristalheldere

visie op het uiterlijk der dingen ons treft, die Van Eyck heeft bezeten,

namelijk Georges Chastellain. Hij was een Vlaming uit het land van

Aalst. Al noemt hij zich "léal François", "François de naissance", het

schijnt wel, dat het Dietsch toch zijn moedertaal is geweest. La Marche

noemt hem "natif Flameng, toutesfois mettant par escript en langaige

franchois". Hij zelf stelt met nederig welgevallen zijn Vlaamsche

eigenschappen van grove landelijkheid in het licht; hij spreekt van

"sa brute langue", noemt zich "homme flandrin, homme de palus bestiaux,

ygnorant, bloisant de langue, gras de bouche et de palat et tout

enfangié d'autres povretés corporelles à la nature de la terre." [906]

Aan dien volksaard dankt hij den al te zwaren cothurnengang van zijn

opgesierd proza, die plechtstatige "grandiloquence", welke hem voor

Fransche lezers altijd min of meer ongenietbaar maakt. Zijn prachtstijl

heeft een zekere elefantische plompheid; hij heet met recht bij een

tijdgenoot "cette grosse cloche si haut sonnant." [907]--Doch aan zijn

Vlaamschen aard dankt hij wellicht ook het scherp geziene en de sappige

kleurigheid, waarmee hij herhaaldelijk aan hedendaagsche Belgische

schrijvers doet denken.

Tusschen Chastellain en Jan van Eyck is onmiskenbare verwantschap, bij

verschil in hoogheid. Van Eyck op zijn slechtst is ongeveer Chastellain

op zijn best, en het is al wel, om in het mindere Van Eyck te evenaren.

Ik denk bij voorbeeld aan de zingende engelen op het Gentsche altaarstuk.

Die zware gewaden, vol donker rood en goud en fonkelende steenen, die al

te uitdrukkelijke grimas, die ietwat beuzelachtige versiering van den

muzieklessenaar, dat vertegenwoordigt in de schilderkunst de pronkende

grootsprakigheid van den litterairen Bourgondischen hofstijl. Doch terwijl

in de schilderkunst dit rhetorische element een ondergeschikte plaats

inneemt, is het hoofdzaak in het proza van Chastellain. Zijn scherpe

observatie en levend realisme verdrinkt veelal in den vloed van al te

fraai aangekleede frazen en ronkende woordenpraal.

Zoodra evenwel Chastellain een gebeurtenis beschrijft, die zijn

Vlaamschen geest bijzonder boeit, komt er bij alle statigheid een

directe, beeldende forschheid in zijn verhaal, die het uiterst treffend

maakt. Van gedachte is hij niet rijker dan zijn tijdgenooten; het is de

lang rondgegane pasmunt van godsdienstige, zedelijke en ridderlijke

overtuigingen, die bij hem als gedachte fungeert. De voorstelling

verloopt geheel aan de oppervlakte. Doch de verbeelding is scherp en

levend.

Zijn portret van Philips den Goede heeft bijna de onmiddellijkheid van

een Van Eyck. [908] Met de behagelijkheid van een chroniqueur, die in

zijn hart novellist is, heeft hij een bijzonder uitvoerig verhaal

gegeven van een twist tusschen den hertog en zijn zoon Karel uit het

begin van het jaar 1457. Nergens komt zijn sterk visueel opnemen van de

dingen zoo goed uit; al de uiterlijke omstandigheden van deze gebeurtenis

zijn met volmaakte scherpte weergegeven. Het zal noodig zijn, eenigszins

omvangrijke passages te citeeren.

Er was een kwestie over een post in de hofhouding van den jongen graaf

van Charolais. De oude hertog wilde, tegen een vroeger gegeven belofte,

de plaats gunnen aan een der Croy's, bij hem in blakende gunst; Karel,

die deze gunst ongaarne zag, verzette zich er tegen.

"Le duc donques par un lundy qui estoit le jour Saint-Anthoine, [909]

après sa messe, aiant bien désir que sa maison demorast paisible et sans

discention entre ses serviteurs, et que son fils aussi fist par son

conseil et plaisir, après que jà avoit dit une grant part de ses heures

et que la cappelle estoit vuide de gens, il appela son fils à venir vers

luy et lui dist doucement: "Charles, de l'estrif qui est entre les sires

de Sempy et de Hémeries pour le lieu de chambrelen, je vueil que vous y

mettez cès et que le sire de Sempy obtiengne le lieu vacant." Adont dist

le conte: "Monseigneur, vous m'avez baillié une fois vostre ordonnance

en laquelle le sire de Sempy n'est point, et monseigneur, s'il vous

plaist, je vous prie que ceste-là je la puisse garder."--"Déa, ce dit

le duc lors, ne vous chailliez des ordonnances, c'est à moy à croistre

et à diminuer, je vueil que le sire de Sempy y soit mis."--"Hahan! ce

dist le conte (car ainsi jurait tousjours), monseigneur, je vous prie,

pardonnez-moy, car je ne le pourroye faire, je me tiens à ce que vous

m'avez ordonné. Ce a fait le seigneur de Croy qui m'a brassé cecy, je le

vois bien."--"Comment, ce dist le duc, me désobéyrez-vous? ne ferez-vous

pas ce que je vueil?"--"Monseigneur, je vous obéyray volentiers, mais je

ne feray point cela." Et le duc, à ces mots, enfelly de ire, respondit:

"Hà! garsson, désobéyras-tu à ma volenté? va hors de mes yeux," et le

sang, avecques les paroles, lui tira à coeur, et devint pâle et puis à

coup enflambé et si espoentable en son vis, comme je l'oys recorder au

clerc de la chapelle qui seul estoit emprès luy, que hideur estoit à le

regarder"....

Is dit niet krachtig? het stille begin, het in korte woordenwisseling

opvlammen van den toorn, de hortende spraak van den zoon, waarin men als

't ware den heelen Karel den Stoute al herkent?

De blik, dien de hertog op zijn zoon werpt, verschrikt de hertogin (wier

aanwezigheid tot dusver nog niet was vermeld) zoozeer, dat zij haastig,

haar zoon voor zich uit duwende, uit het bidvertrek, [910] door de kapel,

zwijgend, haar gemaal's toorn wil ontvlieden. Maar zij moesten verscheiden

hoeken om tot de deur, en de klerk had den sleutel. "Caron, ouvre-nous",

zegt de hertogin, maar de klerk valt haar te voet, en smeekt, dat haar

zoon vergiffenis moge vragen, eer zij de kapel verlaten. Zij wendt zich

met een smeekende vermaning tot Karel, doch deze antwoordt hooghartig en

luid: "Déa, madame, monseigneur m'a deffendu ses yeux et est indigné sur

moy, par quoy, après avoir eu celle deffense, je ne m'y retourneray point

si tost, ains m'en yray à la garde de Dieu, je ne sçay où." Toen klinkt

opeens de stem van den hertog, die, mat van woede, in zijn bidstoel is

blijven zitten ... en de hertogin, in doodelijken angst, tot den klerk:

"Mon amy, tost, tost ouvrez-nous, il nous convient partir ou nous sommes

morts."

--Nu werkt bij Philips het felle bloed der Valois bedwelmend: in zijn

vertrekken teruggekeerd, vervalt de oude hertog in een soort van

jongensachtige verdwazing. Tegen den avond rijdt hij, alleen en

onvoldoende beschut, heimelijk uit Brussel. "Les jours pour celle heurre

d'alors estoient courts, et estoit jà basse vesprée quant ce prince

droit-cy monta à cheval, et ne demandoit riens autre fors estre emmy les

champs seul et à par luy. Sy porta ainsy l'aventure que ce propre

jour-là, après un long et âpre gel, il faisoit un releng, [911] et par

une longue épaisse bruyne, qui avoit couru tout ce jour la, vesprée

tourna en pluie bien menue, mais très-mouillant et laquelle destrempoit

les terres et rompoit glasces avecques vent qui s'y entrebouta." Is dit

geen Camille Lemonnier?

Dan volgt de beschrijving van den nachtelijken dwaaltocht door velden en

bosschen, waarin het levendste naturalisme en een zonderling gewichtig

doende, moraliseerende rhetoriek merkwaardig zijn dooreengemengd.

Vermoeid en hongerig zwerft de hertog rond; op zijn roepen klinkt geen

antwoord. Een rivier, die hem een weg toeschijnt, lokt hem; het paard

schrikt nog te rechter tijd terug. Hij valt met het paard en verwondt

zich. Vergeefs luistert hij naar een hanengekraai of het blaffen van een

hond, dat hem naar menschenwoningen zou kunnen leiden. Eindelijk ziet

hij een lichtschijnsel, dat hij tracht te naderen; hij verliest het

weer, vindt het terug, en bereikt het tenslotte. "Mais plus l'approchoit,

plus sambloit hideuse chose et espoentable, car feu partoit d'une mote

[912] d'en plus de mille lieux, avecques grosse fumière, dont nul ne

pensast à celle heure fors que ce fust ou purgatoire d'aucune âme ou

autre illusion de l'ennemy...." Hij houdt plotseling stil. Maar opeens

herinnerde hij zich, hoe de kolenbranders diep in het woud hun kolen

plegen te branden. Het was zulk een brandheuvel, maar geen huis of hut

was in de nabijheid. Eerst na hernieuwd dwalen brengt het blaffen van

een hond hem bij de hut van een armen man, waar hij rust en spijziging

vindt.

Dergelijke treffende gedeelten uit het werk van Chastellain zijn de

beschrijving van den burgerlijken tweekamp te Valenciennes, de

nachtelijke twist van het Friesche gezantschap in Den Haag met de

Bourgondische edelen, die zij in hun nachtrust storen, door op de

bovenkamer op klompen krijgertje te spelen, het tumult te Gent in 1467,

toen Karel's eerste bezoek als hertog samenvalt met de kermis te

Houthem, vanwaar het volk met den schrijn van Sint Lieven terugkeert.

[913]

Telkens bemerkt men aan ongewilde kleinigheden, hoe sterk de schrijver

al de uiterlijke dingen _ziet_. De hertog, die tegenover het volksoproer

staat, heeft voor zijn gezicht "multitude de faces en bacinets [914]

enrouillés et donc les dedans estoient grignans barbes de vilain,

mordans lèvres." Het roepen gaat van omlaag naar omhoog. De kerel, die

zich naast den hertog aan het venster dringt, draagt een handschoen van

zwart gevernist ijzer, waarmee hij op de vensterbank slaat, om stilte te

gebieden. [915]

Dit nauwkeurig en direct waargenomene te beschrijven in een kernachtig

eenvoudig woord is in het litteraire, wat de geweldige visueele scherpte

van Van Eyck tot volmaaktheid van uitdrukking in de schilderkunst

vermocht. In de letterkunde wordt dat naturalisme veelal gestoord en in

de uitdrukking belemmerd door conventioneele vormen, en het blijft

uitzondering te midden van bergen dorre rhetoriek, terwijl het in de

schilderkunst schittert als bloesems aan een appelboom.

De schilderkunst is hier in middelen van uitdrukking de litteratuur

verre voor. Zij heeft reeds een verwonderlijke virtuositeit in het

weergeven van lichteffekten. Het zijn vooral de miniaturisten, die er

naar streven, den schijn van een oogenblik vast te leggen. In het

schilderij ziet men die gave eerst ten volle ontplooid in de Geboorte

van Geertgen tot Sint Jans. De verluchters hebben reeds lang te voren

het spel van toortslicht op harnassen beproefd in Christus'

gevangenneming. Een stralende zonsopgang is reeds gelukt aan den

meester, die koning Réné's _Coeur d'amour épris_ illustreerde. Die van

de _Heures d'Ailly_ heeft al het doorbreken van de zon na een storm

aangedurfd. [916]

De letterkunde beschikt voor het opzettelijke weergeven van

lichteffekten nog slechts over primitieve middelen. Een groote

gevoeligheid voor lichtglans en schittering is er wel; gelijk hierboven

betoogd werd, wordt zelfs de schoonheid in de eerste plaats als glans en

schittering bewust. Alle schrijvers en dichters der vijftiende eeuw

merken gaarne den glans van het zonlicht op, den schijn van kaarsen en

toortsen, de spiegeling van glimplichten op helmen en wapens. Doch het

blijft een eenvoudig vermelden, er is nog geen litterair procédé tot

beschrijving er van.

Het litteraire equivalent van het lichteffekt in de schilderkunst is

veeleer op een ander gebied te zoeken. Hier wordt de indruk van het

oogenblik bovenal vastgehouden door een levendig gebruik van de directe

rede. Er is nauwelijks een letterkunde, die er zoo op uit is, de

samenspraak altijd onmiddellijk weer te geven. Het ontaardt in een

vermoeiend misbruik: zelfs de uiteenzetting van een politieken toestand

wordt door Froissart en de zijnen in vraag en antwoord ingekleed.

De eeuwige beurtspraken van plechtigen val en hollen klank verhoogen

somtijds de eentonigheid, inplaats van haar te breken. Dikwijls echter

ook komt de illusie van het onmiddellijke en oogenblikkelijke er wel

treffend uit te voorschijn. Froissart vooral is in die levendige

wisselrede een meester.

"Lors il entendi les nouvelles que leur ville estoit prise. (Het gesprek

gaat roepende.) 'Et de quel gens?', demande-il. Respondirent ceulx qui a

luy parloient: 'Ce sont Bretons!'--'Ha, dist-il, Bretons sont mal gent,

ils pilleront et ardront la ville et puis partiront.' (Vervolgens weer

roepende): 'Et quel cry crient-ils?' dist le chevalier.--'Certes, sire,

ils crient La Trimouille!"

Om een zekeren haastigen gang in zulk een gesprek te brengen, gebruikt

Froissart den vasten truc, den aangesprokene het laatste woord van den

spreker verwonderd te laten herhalen.--"Monseigneur, Gaston est

mort.'--'Mort?' dist le conte.--'Cestes, mort est-il pour vray,

monseigneur." Elders: "Si luy demanda, en cause d'amours et de lignaige,

conseil.--'Conseil', respondi l'archevesque, 'certes, beaux nieps, c'est

trop tard. Vous voulés clore l'estable quant le cheval est perdu." [917]

Ook de poëzie past dit stijlmiddel ruimschoots toe. In een korten

versregel wisselen soms vraag en antwoord tot tweemaal toe:

"Mort, je me plaing.--De qui?--De toy.

--Que t'ay je fait?--Ma dame as pris.

--C'est vérité.--Dy moy pour quoy.

--Il me plaisoit.--Tu as mespris." [918]

Hier is het telkens afgebroken beurtgesprek van middel reeds doel

geworden: een virtuositeit. De dichter Jean Meschinot heeft die

kunstvaardigheid tot het uiterste weten op te voeren. In een ballade,

waarin het arme Frankrijk haar koning (Lodewijk XI) zijn schuld

voorhoudt, wisselt de rede in elk der dertig regels van drie tot vier

keer. En het moet gezegd worden, dat de werking van het gedicht als

politieke satire onder dien vreemden vorm niet lijdt. Ziehier de eerste

strofe:

"Sire ...--Que veux?--Entendez....--Quoy?--Mon cas.

--Or dy.--Je suys....--Qui?--La destruicte France!

--Par qui?--Par vous.--Comment?--En tous estats.

--Tu mens.--Non fais.--Qui le dit?--Ma souffrance.

--Que souffres tu?--Meschief.--Quel?--A oultrance.

--Je n'en croy rien.--Bien y pert [919]--N'en dy plus!

--Las! si feray.--Tu perds temps.--Quelz abus!

--Qu'ay-je mal fait?--Contre paix.--Et comment?

--Guerroyant....--Qui?--Vos amys et congnus.

--Parle plus beau.--Je ne puis, bonnement." [920]

Een andere uiting van dit oppervlakkige naturalisme in de litteratuur

van dezen tijd is het volgende. Hoewel Froissart's zin gericht is op het

beschrijven van ridderlijke heldendaden, geeft hij toch, zijns ondanks

zou men zeggen, in hooge mate de prozaïsche realiteit van den oorlog.

Evengoed als Commines, die maling had aan de ridderij, beschrijft

Froissart juist bijzonder goed de vermoeienis, de vergeefsche

vervolgingen, de bewegingen zonder samenhang, het onrustige van een

nachtverblijf. Hij weet meesterlijk talmen en wachten te beschrijven.

[921]

In het sobere en exacte verhaal van de uiterlijke omstandigheden van een

gebeurtenis bereikt hij soms zelfs een bijna tragische kracht, zooals in

dat van den dood van den jongen Gaston Phébus, door zijn vader in drift

doorstoken. [922]--Hij werkt zoo fotografisch, dat men onder zijn

woorden de qualiteit van de vertellers, die hem zijn eindelooze faits

divers meedeelden, kan herkennen. Alles bij voorbeeld, wat hij dankt aan

zijn reisgenoot den ridder Espaing du Lyon, is voortreffelijk verteld.

Overal waar de litteratuur eenvoudig observeerend werkt, zonder

belemmering door conventie, is zij met de schilderkunst vergelijkbaar,

al evenaart zij haar niet.

Juist omdat het aankomt op de onbevangen observatie van een geval, dat

verhaald zal worden, moet men de litteraire schilderingen, die de

schilderkunst het meest nabij komen, niet zoeken in de beschrijving der

natuur. Want deze berust in de vijftiende eeuw nog niet op directe

onbevangen observatie. Men vertelt een geval, omdat het belang inboezemt,

en geeft dan de uiterlijke omstandigheden weer, zooals een gevoelige

plaat ze opneemt. Van een bewust litterair procédé is daar nog geen

sprake. Maar de natuurschildering, die in de schilderkunst als accessoire

fungeert, dus onbevangen geschiedt, is in de letterkunde een bewust

kunstmiddel. In de schilderkunst was de natuurafbeelding louter bijwerk,

en kon daardoor zuiver en sober blijven. Juist omdat de vergezichten

er voor het onderwerp niet op aan kwamen, niet deel hadden in den

hieratischen stijl, konden de schilders der vijftiende eeuw in hun

landschap een mate van harmonische natuurlijkheid geven, die de strenge

ordonnantie van hun onderwerp hun nog in de hoofdvoorstelling ontzegde.

De Egyptische kunst vertoont van dit verschijnsel een zuivere parallel:

zij geeft in het modelleeren van een slavenfiguurtje, omdat het niet ter

zake doet, den vormencode prijs, die anders de menschelijke gestalte

verwringt, zoodat dan de mensenfiguren dezelfde onvergelijkelijke sobere

natuurgetrouwheid bezitten als de dierfiguren.

Hoe minder verband het landschap houdt met de centrale voorstelling, des

te harmonischer en natuurlijker wordt het in zich zelf afgesloten.

Achter de drukke, bizarre, pompeuze aanbidding der koningen in de _Très

riches heures de Chantilly_ [923] verrijst het gezicht op Bourges in

verdroomde teerheid, volmaakt van atmosfeer en rythme.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 33 / 38 段