[843] Bourgeois de Paris, p. 179 (Karel VI); 309 (Isabella van Beieren);

Chastellain, IV p. 42, (Karel VII), I p. 332 (Henry V); Lefèvre de S.

Remy, II p. 65; M. d'Escouchy, II p. 424, 432; Chron. scand., I p. 21;

Jean Chartier, p. 319 (Karel VII); Quatrebarbes, Oeuvres du roi René, I

p. 129; Gaguini compendium super Francorum gestis, ed. Paris, 1500,

begrafenis van Karel VIII, f. 164.

[844] Martial d'Auvergne, Vigilles de Charles VII. Les poésies de

Martial de Paris, dit d'Auvergne, Paris 1724, 2 vol., II p. 170.

[845] B.v. Froissart, ed. Luce, VIII p. 43.

[846] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 367. Een variant leest "proviseurs"

voor "peintres", maar het zinsverband maakt het laatste aannemelijker.

[847] Pierre de Fenin, p. 624 van Bonne d'Artois: "et avec ce ne portoit

point d'estat sur son chief comment autres dames à elle pareilles".

[848] La livre des trahisons, p. 156.

[849] Chastellain, III p. 375; La Marche, II p. 340, III p. 165;

d'Escouchy, II p. 116; Laborde, II; zie Molinier, Les sources de l'hist.

de France, nos. 3645, 3661, 3663, 5030; Inv. des arch. du Nord, IV p. 195.

[850] La Marche, II p. 340ss.

[851] Laborde, II p. 326.

[852] La Marche, III p. 197.

[853] Laborde, II p. 375, no. 4880.

[854] Laborde, II p. 322, 329.

[855] Chastellain. V p. 26(2), Doutrepont, p. 156.

[856] Juvenal des Ursins, p. 378.

[857] Jacques du Clercq, II p. 280.

[858] Foulquart, bij d'Héricault, Oeuvres de Coquillart, I p. 23(1).

[859] Lefèvre de S. Remy, II p. 291.

[860] Londen, National gallery; Berlijn, Kaiser Friedrich Museum.

[861] W.H.J. Weale, Hubert and John van Eyck, Their life and work,

London-New York, 1908, p. 70(1).

[862] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 197.

[863] P. Durrieu, Les très richcs heures de Jean de France, duc de Berry

(Heures de Chantilly), Paris, 1904, p. 81.

[864] Moll, Kerkgesch. II(3) p. 313 vg.; J.G.R. Acquoy, Het klooster

van Windesheim en zijn invloed, Utrecht, 1875-'80, 3 vol., II p. 249.

[865] Th. a Kempis, Sermones ad novitios no. 28, Opera ed. Pohl. t. VI

p. 287.

[866] Moll, l.c., II(2) p. 321, Acquoy. l.c., p. 222.

[867] Chastellain. IV p. 218.

[868] La Marche, II p. 398.

[869] La Marche, II p. 369.

[870] Chastellain, IV p. 136, 275, 359, 361, V p. 225; du Clercq, IV p. 7.

[871] Chastellain. III p. 332; du Clercq, III p. 56.

[872] Chastellain, V p. 44, II p. 281; La Marche, II p. 85; du Clercq,

III p. 56.

[873] Chastellain, III p. 330.

[874] du Clercq, III p. 203.

[875] Facius, Liber de viris illustribus, ed. 1745, p. 46, bij Weale,

Hubert and John van Eyck, p. lxxiii.

[876] Dion. Cartus., Opera, t. XXXIV p. 223.

[877] L.c., p. 247, 230.

[878] O. Zöckler, Dionys des Kartäusers Schrift De venustate mundi,

Beitrag zur Vorgeschichte der Asthetik, Theol. Studiën und Kritiken,

1881, p. 651.

[879] Dion. Cart., Opera, t. I Vita p. xxxvi.

[880] Dion. Cart., De vita canonicorum, art. 20, Opera, t. XXXVII, p. 197:

An discantus in divino obsequio sit commendabilis.

[881] Molinet, I p. 73; vgl. 67.

[882] Petri Alliaci De falsis prophetis, bij Gerson, Opera, I p. 538.

[883] La Marche, II p. 361.

[884] De venustate etc., t. XXXIV p. 242.

[885] Froissart, ed. Luce, IV p. 90, VIII p. 43, 58, XI p. 53, 129; ed.

Kervyn, XI p. 340, 360, XIII p. 150, XIV p. 157, 215.

[886] Deschamps, I p. 155; II p. 211, II no. 307, p. 208; La Marche, I

p. 274.

[887] Livre des trahisons, p. 150, 156; La Marche, II p. 12, 347, III

p. 127, 89; Chastellain, IV p. 44; Chron. scand., I p. 26, 126.

[888] Lefèvre de S. Remy, II p. 294, 296.

[889] Couderc, Les comptes d'un grand couturier parisien au XVe siècle,

Bulletin de la soc. de l'hist. de Paris. XXXVIII, 1911, p. 125ss.

[890] b.v. Monstrelet. V p. 2; du Clercq, I p. 348.

[891] La Marche, II p. 343.

[892] Chastellain, VII p. 223; La Marche, I p. 276, II p. 11, 68, 345;

du Clercq, II p. 197; Jean Germain, Liber de virtutibus, p. 11;

Jouffroy, Oratio, p. 173.

[893] d'Escouchy, I p. 234.

[894] Zie hierboven p. 201. (zie Hoofdstuk IV, noot 384)

[895] Le miroir de mariage, XVII vs. 1650; Deschamps, Oeuvres, IX p. 57.

[896] Chansons françaises du quinzième siècle, ed. G. Paris, (Soc. des

anciens textes français), 1875, no. XLX, p. 50; vgl. Deschamps, no. 415,

III p. 217, no. 419, ib. p. 223, no. 423, ib. p. 227, no. 481, ib. p. 302,

no. 728, IV p. 199; l'Amant rendu cordelier, h. 62, p. 23; Molinet,

Faictz et Dictz, fol. 176.

[897] Blason des couleurs van den heraut Sicile (bij La Curne de Sainte

Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie II p. 56). Dit tractaat, dat

nog door Rabelais wordt bespot als het eertijds toonaangevende op het

stuk van de beteekenis der kleuren, was mij helaas niet toegankelijk.

[898] Cent balades d'amant et de dame no. 92, Christine de Pisan,

Oeuvres poétiques, III p. 299. Vgl. Deschamps, X no. 52; L'histoire et

plaisante cronicque du petit Jehan de Saintré, ed. G. Hellény, Paris,

1890. p. 415.

[899] Le Pastoralet, vs. 2054, p. 636; vgl. Les cent nouvelles

nouvelles, II p. 118: "craindroit très fort estre du rang des bleuz

vestuz, qu'on appelle communement noz amis."

[900] Chansons du XVe siècle, no. 5, p. 5, no. 87, p. 85.

[901] La Marche, II p. 207.

* * * * *

XIII

HET BEELD EN HET WOORD

De nieuwe gedachten, die straks als Renaissance en Hervorming aan het

firmament zullen staan, vinden in de Fransch-Nederlandsche kunst en

litteratuur der vijftiende eeuw nog zoo goed als geen uitdrukking.

De beeldende kunst en de letterkunde dienen nog uitsluitend den geest,

die afstervende is: den geest der eindigende Middeleeuwen. Zij vinden

nauwelijks een andere taak dan het volkomen uitbeelden en versieren van

lang doordachte voorstellingen. De gedachte schijnt uitgeput, de geest

wacht nieuwe bevruchting.

In perioden, waarin de schepping van schoonheid zich bepaalt tot louter

omschrijving en uitdrukking van reeds bezonken en doorwerkt gedachten-

materiaal, krijgt de beeldende kunst een dieper waarde dan de litteratuur.

Dat geldt niet voor den tijdgenoot. Voor hem heeft de gedachte, al

bloeit zij niet meer, nog zooveel treffends en belangrijks, dat hij haar

in den versierden vorm, waarin de litteratuur haar kleedt, bemint en

bewondert. Al de voor ons zoo hopeloos eentonige en oppervlakkige

gedichten, waarin de vijftiende eeuw haar lied zingt, zijn door de

tijdgenooten met veel uitbundiger lof bedacht, dan zij aan eenig

schilderstuk hebben gewijd. De diepe gevoelswaarde van de beeldende

kunst is hun nog niet bewust geworden, althans niet zoo, dat zij die

konden uitdrukken.

Het feit, dat uit het overgroote deel dier litteratuur voor ons alle

geur en heerlijkheid geweken is, terwijl de kunst ons dieper roert dan

mogelijk ooit den tijdgenoot, valt te verklaren uit het fundamenteele

verschil van de werking van kunst en woord. Het zou te gemakkelijk en

tevens te onbegrijpelijk zijn, indien men het zocht in de hoedanigheid

der talenten: zoo, dat de dichters, met uitzondering van Villon en

Charles d'Orléans, louter conventioneele leeghoofden geweest zouden

zijn, en de schilders genieën.

Waar twee hetzelfde doen, is het niet hetzelfde. Als de schilder zich

bepaalt tot het eenvoudig weergeven eener uiterlijke werkelijkheid in

lijn en kleur, dan legt hij toch steeds achter die louter formeele

nabootsing een overschot van het onuitgesprokene en onuitsprekelijke.

Maar de dichter, die niet hooger poogt dan een zichtbare of reeds

doordachte werkelijkheid in het woord uit te drukken, put in het woord

den schat van het onuitgesprokene uit. Het kan zijn, dat rythme en klank

daarin nieuwe onuitgesproken schoonheid brengt. Maar zijn ook deze

elementen zwak, dan behoudt het gedicht zijn werking slechts zoo lang,

als de gedachte zelf den hoorder boeit. De tijdgenoot reageert nog op

het woord van den dichter met een drom van levende associaties, want de

gedachte zit in zijn leven geweven, en hij waant haar nieuw en bloeiend

in den tooi van het nieuw gevonden woord.

Doch als de gedachte niet meer treft om haarzelve, dan heeft het

gedicht, tenzij het onuitgesproken rijkdom heeft, zijn werking verloren.

De litteratuur der vijftiende eeuw nu heeft nauwelijks een waarlijk

nieuwe gedachte. Het is een eindeloos postludeeren op afgezaagde

thema's. Daarbij heeft zij veelal geringe qualiteiten van rythme en

klank. Waaraan zou het gedicht dan zijn duurzame werking kunnen

ontleenen?

De tijd voor den schilder van zulk een geestestijdperk komt eerst later.

Want hij leeft van den schat van het uitgesprokene, en het is de volheid

van dien schat, welke de diepste en duurzaamste werking van alle kunst

bepaalt. Aanschouw de portretten van Jan van Eyck. Hier is het spitse,

zuinige gezicht van zijn vrouw. Daar is de strakke, morose aristocratenkop

van Baudouin de Lannoy. Daar is de huiveringwekkende gesloten tronie van

den kanunnik Van de Paele. Daar is de ziekelijke gelatenheid van den

Berlijnschen Arnolfini, de Egyptische geheimzinnigheid van "Leal souvenir".

In allen ligt het wonder van de tot den bodem gepeilde persoonlijkheid.

Het is de diepste karakterschildering, die mogelijk is: gezien,

onuitgesproken. Al ware Jan van Eyck tevens de grootste dichter van zijn

eeuw geweest, de geheimenis, die hij in het beeld openbaarde, zou hij in

het woord niet hebben kunnen benaderen.

Dat is de diepste grond, waarom er, bij gelijkheid van houding en geest,

tusschen kunst en litteratuur der vijftiende eeuw geen evenredigheid te

verwachten is. Is eenmaal dit verschil erkend, dan blijkt bij een

vergelijking van de litteraire en de picturale uitdrukking aan bepaalde

voorbeelden, en in bijzonderheden, de gelijksoortigheid toch weer veel

grooter, dan zij aanvankelijk scheen.

Indien men aan de eene zijde als de meest representatieve kunstuiting

het werk der Van Eyck's en hun volgers kiest, welke voortbrengselen der

letterkunde moeten dan daarnevens worden gesteld, om zuiver te kunnen

vergelijken? Niet in de eerste plaats die, welke dezelfde onderwerpen

behandelen, maar die welke ontspringen aan dezelfde bronnen, voortkomen

uit dezelfde levenssfeer. Dat is, gelijk hierboven werd aangetoond,

de sfeer van het weelderige hof en de rijke, grootdoende burgerij.

De letterkunde, die op één lijn staat met de kunst der Van Eyck's,

is de hoofsche, althans aristocratische letterkunde, in het Fransch

geschreven, gelezen en bewonderd door de kringen, die de opdrachten

gaven aan de groote schilders.

Schijnbaar is hier een groot contrast, dat bijna elke vergelijking

doelloos maakt: de stof der schilderkunst is overwegend godsdienstig,

die der Fransch-Bourgondische letterkunde overwegend wereldsch. Doch

naar twee zijden is hier onze blik te kort: in de beeldende kunst heeft

eenmaal het wereldlijk element een veel breeder plaats ingenomen, dan

het bewaarde ons doet vermoeden, en in de litteratuur pleegt onze

aandacht te sterk bepaald te worden bij de wereldlijke genres. Het

minnedicht, de uitloopers van den _Roman de la rose_, de afleggers van

den ridderroman, de opkomende novelle, de satire, de geschiedschrijvers,

dat zijn de uitingen, waarmee de litteratuurgeschiedenis zich in de

eerste plaats bezig houdt. De schilderkunst, dat is voor ons allereerst

de diepe ernst van het altaarstuk en het portret; de litteratuur, dat is

allereerst de wulpsche glimlach der erotische satire en de eentonige

gruwelen der kroniek. Het is bijna, alsof die eeuw slechts haar deugden

geschilderd en haar zonden beschreven had. Doch ook naar den kant der

litteratuur is zulk een blik te beperkt. Niet alleen namen in de rijke

boekerij der Bourgondische hertogen de vrome boeken nog altijd de

voornaamste plaats in, maar ook in de wereldsche letterkunde zelve doet

het vrome, stichtelijke en moraliseerende element zich voortdurend

gelden, vaak te midden van de grootste frivoliteit.

Gaan wij nog eenmaal uit van de sterke onevenredigheid van werking, die

kunst en litteratuur der vijftiende eeuw in ons teweegbrengen. Met

uitzondering van enkele dichters, werkt de litteratuur vermoeiend en

vervelend. Eindeloos uitgesponnen allegorieën, waarin geen figuur iets

nieuws of eigens vertoont, en waarvan de inhoud niet anders is dan de

lang gebottelde en vaak verschaalde zedelijke wijsheid van eeuwen her.

Altijd weer dezelfde formeele thema's: de slaper in den boomgaard, waar

hem een zinnebeeldige dame verschijnt, de ochtendwandeling in den jongen

Mei, het twistgesprek tusschen de dame en den minnaar of tusschen twee

vriendinnen of welke andere combinatie ook over een punt uit de

casuïstiek der liefde. Wanhopige oppervlakkigheid, klatergoud van

stijlversiering, bloemzoet romantisme, versleten fantazie, nuchtere

moralisatie:--steeds weer komt bij ons de verzuchting op: Zijn dit de

tijdgenooten van Jan van Eyck? Zou hij dit alles bewonderd hebben?--Zeer

waarschijnlijk wel. Het is niet vreemder, dan dat Bach zich behielp met

de kleinburgerlijkste rijmelaars van een rheumatisch kerkgeloof.

De tijdgenoot, die de werken der kunst ziet geboren worden, neemt ze

alle gelijkelijk op in zijn levensdroom. Hij waardeert ze niet op hun

objectieve aesthetische volmaaktheid, maar op de volheid van weerklank,

dien zij wekken door de heiligheid of de hartstochtelijke levendheid van

hun stof. Wanneer met den tijd die oude levensdroom is voorbijgegaan,

en de heiligheid en de hartstocht zijn vergaan als de geur van een roos,

dan eerst begint het kunstwerk zuiver als kunst te werken, dat wil

zeggen door zijn middelen van uitdrukking, door zijn stijl, zijn bouw,

zijn harmonie. Deze kunnen ten opzichte van beeldende kunst en

litteratuur feitelijk dezelfde zijn en toch het aanzijn geven aan een

geheel verschillende kunstwaarde.

Litteratuur en kunst der vijftiende eeuw deelen beide in die algemeene

eigenschap, die hierboven als een der meest essentieele van den

laat-middeleeuwschen geest werd aangemerkt: de volledige uitwerking van

alle bijzonderheden, de zucht om geen gedachte of voorstelling, die zich

opdrong, onontplooid te laten, om alles in zijn scherpste zichtbaarheid

en doordachtheid te verbeelden. Erasmus vertelt, dat hij eens te Parijs

een geestelijke veertig dagen lang hoorde preeken over de gelijkenis van

den verloren zoon, om daarmee den ganschen vastentijd te vullen. Hij

beschreef de heenreis en de terugreis, hoe hij nu eens in een herberg

middagmaalde met tongenpastei, dan weer een watermolen voorbijkwam, dan

dobbelde, dan in een gaarkeuken afstapte, en hij wrong de woorden van de

profeten en evangelisten, om op die verzonnen beuzelpraatjes te slaan.

"En daarmee leek hij aan de onervaren schare en aan de vette groote

heeren een god gelijk." [902]

Die eigenschap der ongebreidelde uitwerking worde hier eenigermate

analyseerend gedemonstreerd aan twee schilderijen van Jan van Eyck.

Vooreerst de Madonna van den kanselier Rolin in het Louvre.

De pijnlijke nauwgezetheid, waarmee de stof der gewaden, het marmer van

de vloertegels en zuilen, de glinstering der vensterruiten, het misboek

van den kanselier zijn behandeld, zou ons bij ieder ander dan Van Eyck

de qualificatie schoolmeesterachtig ontlokken. Er is zelfs één détail,

waarin de overmatige geacheveerdheid werkelijk storend werkt: de

versiering der kapiteelen, waarop in den hoek als 't ware tusschen

haakjes de verdrijving uit het Paradijs, het offer van Caïn en Abel, het

verlaten der arke Noach's en de zonde van Cham zijn verbeeld. Doch eerst

buiten de open hal, die de hoofdfiguren omhult, bereikt de lust aan de

uitwerking der détails zijn volle kracht. Daar ontrolt zich als doorkijk

door de kolonnade het wonderbaarlijkste vergezicht, dat Van Eyck ooit

heeft geschilderd. De beschrijving ervan moge ontleend worden aan

Durand-Gréville. [903]

"Si, attiré par la curiosité, on a l'imprudence de l'approcher d'un peu

trop près, c'est fini, on est pris pour tout le temps que peut durer

l'effort d'une attention soutenue; on s'extasie devant la finesse du

détail; on regarde, fleuron à fleuron, la couronne de la Vierge, une

orfèvrerie de rêve; figure à figure, les groupes qui remplissent, sans

les alourdir les chapiteaux des piliers; fleur à fleur, feuille à

feuille, les richesses du parterre; l'oeil stupéfait découvre, entre la

tête de l'enfant divin et l'épaule de la Vierge, dans une ville pleine

de pignons et d'élégants clochers, une grande église aux nombreux

contreforts, une vaste place coupée en deux dans toute sa largeur par

un escalier où vont, viennent, courent d'innombrables petits coups de

pinceau qui sont autant de figures vivantes; il est attiré par un pont

en dos d'âne chargé de groupes qui se pressent et s'entrecroisent; il

suit les méandres d'un fleuve sillonné de barques minuscules, au milieu

duquel, dans une île plus petite que l'ongle d'un doigt d'enfant, se

dresse, entouré d'arbres, un château seigneurial aux nombreux

clochetons; il parcourt, sur la gauche, un quai planté d'arbres, peuplé

de promeneurs; il va toujours plus loin, franchit une à une les croupes

de collines verdoyantes; se repose un moment sur une ligne lointaine de

montagnes neigeuses, pour se perdre ensuite dans l'infini d'un ciel à

peine bleu, où s'estompent de flottantes nuées."

En nu het wonder: in dit alles gaat, anders dan Michel Angelo's discipel

beweerde, de eenheid en harmonie niet te loor. "Et quand le jour tombe,

une minute avant que la voix des gardiens ne vienne mettre fin à votre

contemplation, voyez comme le chef d'oeuvre se transfigure dans la

douceur du crépuscule; comme son ciel devient encore plus profond; comme

la scène principale, dont les couleurs se sont évanouies, se plonge dans

l'infini mystère de l'Harmonie et de l'Unité...."

Een ander stuk, dat zich voor de beschouwing van de eigenschap der

onbeperkte détailleering bijzonder leent, is de Annunciatie in de

Ermitage te Petrograd. Wanneer het drieluik, waarvan dit stuk het

rechterblind uitmaakt, in zijn geheel heeft bestaan, welk een

wonderrijke schepping moet het zijn geweest! Het is, alsof Van Eyck hier

al de voor niets terugschrikkende virtuositeit van den meester, die

alles kan en alles durft, heeft willen uitvoeren. Het is tegelijk het

meest primitieve, meest hieratische van zijn werken en het meest

geraffineerde. De boodschap van den Engel wordt niet gebracht in de

intimiteit van de binnenkamer (het tooneel, waarvan de gansche

binnenhuisschildering haar oorsprong nam), maar, zooals de vormencode

van de oudere kunst het had voorgeschreven, in een kerk. In houding en

gelaatsuitdrukking missen beide figuren de zachte gevoeligheid der

Annunciatie op den buitenkant van het Lam. Het is een staatsiebuiging,

waarmee de Engel Maria begroet, en hij komt niet met den lelietak zooals

daar, niet met het hoofd omgord door een smallen diadeem, doch met een

schepter en een rijke kroon, en op zijn aangezicht de strakke,

aeginetische lach. In gloeiende kleurenpracht en schittering van

paarlen, goud en gesteente overtreft hij alle engelfiguren, die Van Eyck

schilderde. Groen en goud het kleed, donkerrood en goud de brokaatmantel,

en de vleugelen bezet met pauweveeren. Het boek voor Maria, het kussen

op de schemel zijn weer met de doordringendste zorg afgewerkt. In het

kerkgebouw zijn de détails met een anecdotische uitvoerigheid aangebracht.

De vloersteenen vertoonen behalve de teekenen van den dierenriem, waarvan

er vijf zichtbaar zijn, drie tafereelen uit de geschiedenis van Simson en

een uit die van David. De achterwand van de kerkruimte is versierd met

beeltenissen van Isaac en Jacob in medaillons tusschen de bogen, van

Christus op den aardbol met twee Seraphs in een glasvenster geheel bovenin,

en daarnaast als muurschilderingen nog het vinden van het kind Mozes, en

het ontvangen van de tafelen der wet, alles opgehelderd door leesbare

opschriften. Eerst in de vakken van de houten zoldering wordt de decoratie,

die ook daar nog is aangeduid, onduidelijk voor het oog.

En dan weer het wonder: bij die opeenhooping van uitgewerkte bijzonderheden

gaat evenmin als bij de Madonna van Rolin de eenheid van toon en stemming

verloren. Daar was het de vroolijkheid van een helder buitenlicht, dat den

blik over de hoofdvoorstelling heen in wijde verten trok; hier hult de

geheimzinnigste donkerte van het hooge kerkgebouw het geheel in zulk een

waas van ernst en mysterie, dat het oog schier met moeite de anecdotische

détails komt te ontwaren.

Ziedaar het effekt der "ongebreidelde uitwerking" in de schilderkunst.

De schilder, deze schilder, kon binnen een ruimte van nog geen halven

vierkanten meter zijn ongebondensten lust tot détailleering den vrijen

loop laten, (of moet het zijn: aan de lastigste opdrachten van een

ondeskundigen vrome voldoen?), zonder ons meer te vermoeien dan een blik

op het levend gewemel der werkelijkheid het zelve doet. Want het bleef

één blik; de dwang der dimensiën legde beperking op, en het doordringen

in de schoonheid en de bijzonderheid van dat alles, wat afgebeeld staat,

geschiedt zonder denkinspanning; veel geacheveerdheden worden niet eens

opgemerkt, of verdwijnen terstond weer uit het bewustzijn, en werken

enkel coloristisch of perspectivisch.

Wanneer men die algemeene eigenschap "oneindige uitwerking der

bijzonderheden" ook aan de litteratuur der vijftiende eeuw toekent, dan

is het in anderen zin. Niet in den zin van een ragfijn détailleerend

naturalisme, dat zich vermeit in de uitvoerige beschrijving van het

uiterlijk der dingen. Zoo kent deze letterkunde haar nog niet. De

natuur- en persoonsbeschrijving werkt nog met de eenvoudige middelen der

middeleeuwsche poëzie: de afzonderlijke objecten, die tot de stemming

van den dichter meewerken, worden vermeld, niet beschreven; het

substantief overheerscht het adjectief; enkel de hoofdqualiteiten

dier objecten, b.v. de kleuren, het geluid, worden geconstateerd.

De ongebreidelde uitwerking der bijzonderheden is in de litteraire

verbeelding meer quantitatief dan qualitatief; zij bestaat meer in het

opsommen van zeer vele objecten dan in het ontleden van de hoedanigheid

der objecten afzonderlijk. De dichter verstaat de kunst van weglaten

niet, hij kent het ledige vlak niet, hij mist het orgaan voor het effekt

van het verzwegene. Dit geldt evenzeer de gedachten, die hij uitdrukt,

als de beelden, die hij oproept. Ook de gedachten, doorgaans zeer

eenvoudig, die het onderwerp wekt, worden in de uiterste volledigheid

opgesomd. Het geheele raam van het dichtwerk is evenzeer overvuld met

détails als het schilderstuk. Hoe komt het nu, dat daar die overvuldheid

zoo veel minder harmonisch werkt?

Dit is tot zekere hoogte zoo op te vatten, dat de verhouding van

hoofdzaak en bijzaken ten opzichte van de poëzie juist andersom is als

ten opzichte der schilderkunst. In het schilderij is het verschil

tusschen hoofdzaak (dat is: de adequate uitdrukking van het onderwerp)

en bijwerk gering. Alles is er essentieel. Een enkel détail kan voor ons

de volkomenste harmonie van het werk bepalen.

Is het in de schilderkunst der vijftiende eeuw wel in de eerste plaats

de diepe vroomheid, dus de adequate uitdrukking van het onderwerp, welke

wij bewonderen? Neem het Gentsche altaar. Hoe weinig aandacht trekken

de groote figuren van God Vader, Maria en Johannes den Dooper. In het

hoofdtafereel gaat onze blik steeds weer van het Lam, de centrale

voorstelling, de hoofdzaak van het kunstwerk, terzijde naar de stoeten

der aanbidders, naar den achtergrond, naar de natuurschildering. En nog

meer daarbuiten wordt de blik getrokken naar Adam en Eva, naar de

portretten der stichters. Al ligt dan althans in het tafereel der

Annunciatie de innige, ernstige bekoring in de figuren van den engel en

de maagd, dus in het expressief-vrome, zelfs daar verblijdt ons haast

nog meer het koperen keteltje en de doorkijk in de zonnige straat. Het

zijn de détails, die voor den maker louter bijwerk waren, welke hier

doen bloeien in zijn stillen schijn het mysterie van het alledaagsche,

de onmiddellijke aandoening over het wonder van alle dingen, en dat

verbeeld. Er is, tenzij wij voor het Lam komen met een primair

godsdienstige waardeering, geen verschil tusschen onze kunstemotie over

de heilige voorstelling van de aanbidding der eucharistie, en over het

vischstalletje van Emanuel de Witte in het Museum Boymans.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 32 / 38 段