Jodocus Vydt, die als stichter op het Gentsche altaarstuk prijkt, en de

kanunnik Van de Paele, behooren eveneens tot de groote rijken van dien

tijd; de Croy's en de Lannoy's zijn adellijke nouveaux riches. De

tijdgenooten zijn het meest van al getroffen geweest door de opklimming

van Nicolaas Rolin, den kanselier, "venu de petit lieu", en als jurist,

financier en diplomaat tot de hoogste diensten gebruikt. De groote

verdragen der Bourgondiërs van 1419 tot 1435 zijn zijn werk geweest.

"Soloit tout gouverner tout seul et à part luy manier et porter tout,

fust de guerre, fust de paix, fust en fait des finances." [873] Hij had

door niet onverdachte middelen ontzaglijke rijkdommen opgehoopt, die hij

besteedde aan tal van stichtingen. Toch sprak men met haat van zijn

hebzucht en zijn hoogmoed. Want men geloofde niet aan den vromen zin,

die tot die stichtingen dreef. Rolin, zoo vroom geknield op het stuk van

Jan van Eyck in het Louvre, dat hij liet schilderen voor zijn

geboortestad Autun, en nogmaals vroom geknield op dat van Rogier van der

Weyden voor zijn gasthuis te Beaune, stond bekend als een, die enkel het

aardsche telt. "Hij oogstte altijd op aarde, zegt Chastellain, alsof de

aarde hem eeuwig ware, waarin hem zijn verstand afdwaalde, toen hij geen

paal en perk wilde stellen aan dat, waarvan zijn hooge jaren hem het

nabije einde voor oogen hielden." En Jacques du Clercq zegt: "Le dit

chancellier fust reputé ung des sages hommes du royaume à parler

temporellement; car au regard de l'espirituel, je m'en tais". [874]

Zal men nu in het gelaat van den stichter van La vierge au chancelier

Rolin een huichelachtig wezen gaan zoeken? Of is ook hier veeleer te

denken aan die wonderlijke tegenstrijdigheid, die samenbestaanbaarheid

van de schreeuwendste zonden van hoogmoed, hebzucht en onkuischheid met

diepe vroomheid en sterk geloof, welke hierboven als een der ethische

typen van den tijd werd gesteld?

De schilderkunst der vijftiende eeuw ligt in de sfeer, waar de uitersten

van het mystische en het grof aardsche elkander raken. Het geloof, dat

hier spreekt, is zoo onmiddellijk, dat geen aardsche verbeelding er te

zinnelijk of te zwaar voor is. Van Eyck kan zijn engelen en goddelijke

figuren behangen met de zware praal van stijve gewaden, druipende van

goud en steenen; om naar omhoog te wijzen behoeft hij nog niet de

fladderende slippen en spartelende beenen der barok.

Doch al is dat geloof zeer onmiddellijk en sterk, primitief is het

daarom niet. De benaming primitieven voor de schilders der vijftiende

eeuw behelst het gevaar van een misverstand. Primitief mag hier slechts

de beteekenis hebben van eerstkomend, in zooverre er geen oudere

schilderkunst bekend is, als een louter tijdrekenkundige term dus.

Gewoonlijk echter is men geneigd, daaraan tevens de voorstelling te

verbinden, alsof de geest dier kunstenaars primitief was. En dit is

volkomen onjuist. De geest van die kunst is die van het geloof zelve,

zooals hij hier boven werd beschreven: de uiterste doorwerking en

uitwerking van alles wat des geloofs is met de verbeelding.

Eens had men de goddelijke figuren oneindig ver af gezien: strak en

star. Toen was het pathos der innigheid gekomen. Met een vloed van

tranen en gezang was het opgebloeid in de mystiek der twaalfde eeuw,

Sint Bernard bovenal. Men had de godheid bestormd met zijn snikkende

aandoening. Om toch maar beter mee te mogen voelen in het goddelijk

lijden, had men Christus en den heiligen al de kleuren en vormen

opgedrongen, die de fantazie uit het aardsche leven putte. Een stroom

van rijke menschelijke verbeelding was door alle hemelen gevloeid. En

steeds verder vlood die stroom in ontelbare kleine vertakkingen af.

In altijd verderschrijdende uitwerking was gaandeweg al het heilige

tot in de kleinste bijzonderheden in beeld gebracht. Men had met zijn

smachtende armen den hemel naar omlaag getrokken.

Eerst was langen tijd het woord de plastische en picturale schepping

vóór geweest in uitbeeldend vermogen. In de dertiende eeuw, toen de

sculptuur nog veel van het schematische der oudere voorstelling

bewaarde, door haar materieele middelen en haar kader beperkt, begonnen

reeds de _Meditationes_ van Pseudo-Bonaventura al de lijfelijke

houdingen en al de aandoeningen van het kruisdrama tot in de geringste

bijzonderheden te beschrijven. Doch inmiddels schreed ook de picturale

techniek voort; de beeldende kunst haalt den voorsprong in, en meer dan

in. Met de kunst der Van Eyck's heeft de picturale uitbeelding der

heilige dingen een graad van détailleering en naturalisme bereikt, die

misschien strikt kunsthistorisch een begin kan heeten, maar

cultuurhistorisch een einde beduidt. De uiterste spanning in het aardsch

verbeelden van het goddelijke was hier bereikt; de mystische inhoud dier

verbeelding stond gereed om uit die beelden te ontvlieden en enkel den

lust aan den bonten vorm achter te laten.

Zoo is het naturalisme der Van Eyck's, dat men in de kunstgeschiedenis

pleegt op te vatten als een element, dat de Renaissance aankondigt,

veeleer te beschouwen als de volledige ontplooiing van den laat-

middeleeuwschen geest. Het is datzelfde natuurlijk verbeelden van het

heilige, dat waar te nemen viel in alles, wat de heiligenvereering

betreft, in de sermoenen van Johannes Brugman, in de uitgewerkte

bespiegelingen van Gerson en de beschrijvingen der hellepijn van

Dionysius den Kartuizer.

Het is altijd weer de vorm, die den inhoud dreigt te overwoekeren, en

hem belet, zich te verjongen. In de kunst der Van Eyck's is de inhoud

nog volkomen middeleeuwsch. Nieuwe gedachten spreekt zij niet uit. Zij

is een uiterste, een eindpunt. Het middeleeuwsche begrippensysteem stond

ten hemel toe volbouwd; er viel nog slechts aan te kleuren en te

versieren.

In de bewondering der groote schilderkunst zijn aan den tijdgenoot twee

dingen bewust geworden: de treffende voorstelling van het onderwerp en

de onbegrijpelijke kunstvaardigheid, de wonderlijke perfectie der

détails, het volstrekt natuurgetrouwe. Aan den eenen kant een

waardeering, die meer in de sfeer van de vroomheid dan van de

schoonheidsontroering ligt, aan den anderen kant een naïeve verbazing,

die naar onze opvattingen aan schoonheidsontroering niet toekomt. Een

Genueesch litteraat omstreeks 1450, Bartolomeo Fazio, is de eerste van

wien kunstkritische beschouwingen over werken van Jan van Eyck, ten

deele thans verloren, bekend zijn. Hij roemt de schoonheid en

eerbaarheid van een Mariafiguur, de haren van den engel Gabriel, "die

echte haren overtreffen", de heilige strengheid der askese, die uit des

Doopers aangezicht straalt, de wijze waarop een Hieronymus "leeft".

Verder bewondert hij het perspectief in Hieronymus' studeervertrek,

den zonnestraal, die door een reet valt, het spiegelbeeld van de eene

badende vrouw, de zweetdruppels op het lichaam der andere, de brandende

lamp, het landschap met wandelaars en bergen, bosschen, dorpen en

kasteelen, de eindelooze verten van het verschiet, en nogmaals den

spiegel, [875] De termen, waarin dit geschiedt, verraden louter

curiositeit en verbazing. Hij laat zich genoegelijk meedrijven op den

stroom van ongebreidelde verbeelding; naar de schoonheid van het geheel

vraagt hij niet. Dat is de nog middeleeuwsche waardeering van het

middeleeuwsche werk.

Wanneer een eeuw later de schoonheidsopvattingen der Renaissance zijn

doorgedrongen, wordt juist die bovenmatige uitwerking van het

zelfstandige détail de Vlaamsche kunst aangerekend als haar

fundamenteele gebrek. Indien Francesco de Holanda, de Portugeesche

schilder, die zijn kunstbespiegelingen voor gesprekken met Michel Angelo

laat doorgaan, naar waarheid de meening van den machtigen meester heeft

weergegeven, dan zou deze het volgende hebben gezegd.

"De Vlaamsche schilderkunst bevalt allen vromen beter dan de

Italiaansche. Deze laat hen nooit tranen vergieten, gene doet hen

rijkelijk weenen, en dat is geenszins het gevolg van de kracht en de

verdienste van die kunst, het is alleen te wijten aan de groote

aandoenlijkheid der vromen. De Vlaamsche schilderkunst valt in den smaak

van de vrouwen, vooral van de oudere en de heel jonge, evenals van de

monniken, de nonnen en alle voorname lieden, die niet ontvankelijk zijn

voor de ware harmonie. In Vlaanderen schildert men hoofdzakelijk, om het

uiterlijk aanzien der dingen bedriegelijk weer te geven, en meest

onderwerpen, die in vervoering brengen of onberispelijk zijn, zooals

heiligen en profeten. In den regel schilderen zij echter wat men een

landschap pleegt te noemen en daarin veel figuren. Hoewel dit het oog

aangenaam aandoet, is daarin inderdaad noch kunst noch rede; daarin is

geen symmetrie, geen verhouding; daarin heerscht geen keuze, er is geen

grootheid in, in één woord: deze schilderkunst is zonder kracht of

heerlijkheid; zij wil vele dingen tegelijk volkomen afbeelden, waarvan

één belangrijk genoeg zou zijn, om er alle krachten aan te besteden."

De vromen, dat zijn hier de middeleeuwschen van geest. Voor dezen groote

is de oude schoonheid een zaak der kleinen en zwakken geworden. Niet

allen oordeelden zoo. Voor Dürer en Quinten Metsys, en voor Jan van

Scorel, die de Aanbidding van het Lam heet te hebben gekust, was de oude

kunst geenszins dood. Maar het is Michel Angelo, die hier in meer

volstrekten zin de Renaissance vertegenwoordigt. Wat hij in de Vlaamsche

kunst verwerpt, het zijn juist de essentieele trekken van den

laat-middeleeuwschen geest: de heftige sentimentaliteit, het zien van

elke bijzonderheid als een zelfstandig ding, van elke waargenomen

hoedanigheid als iets wezenlijks, het opgaan in de veelheid en de

bontheid van het geziene. Daartegen verzet zich het nieuwe kunst- en

levensinzicht der Renaissance, dat, als altijd, slechts verkregen wordt

ten koste van een tijdelijke blindheid voor de schoonheid of waarheid,

die voorafging.

De bewustheid van een aesthetisch genieten en de uitdrukking ervan in

woorden heeft zich laat ontwikkeld. Den vijftiendeëeuwer staan voor zijn

kunstbewondering nog maar de termen ten dienste, die wij verwachten van

den verbaasden burgerman. Zelfs het begrip kunstschoon kent hij nog

niet. Wat hem aan schoonheidshuivering uit de kunst doorstraalde, werd

door hem onmiddellijk omgezet of in godsvervuldheid of in levensbehagen.

Dionysius de Kartuizer schreef een verhandeling _De venustate mundi et

pulchritudine Dei_. [876] Terstond in den titel wordt dus de ware

schoonheid enkel aan God toegekend; de wereld kan slechts "venustus",

fraai, mooi zijn. De schoonheden van het geschapene, zegt hij, zijn niet

anders dan beekjes van de opperste schoonheid; een schepsel wordt schoon

genoemd, in zooverre het iets deelachtig is van de schoonheid der

goddelijke natuur, en daardoor aan dezelve eenigermate gelijkvormig

wordt. [877]--Op deze ruime en verheven schoonheidsleer, waarmee

Dionysius steunt op den Pseudo-Areopagiet, Augustinus, Hugo van Sint

Victor en Alexander van Hales, [878] zou een zuivere ontleding van alle

schoonheid te bouwen zijn. Doch hierin schiet de geest der vijftiende

eeuw nog verre te kort. Dionysius ontleent zelfs de voorbeelden van

aardsche schoonheid: een blad, de van kleur verwisselende zee, de

woelige zee, steeds aan zijn voorgangers, met name aan die twee fijne

geesten der twaalfde eeuw uit het klooster van Sint Victor: Richard en

Hugo. Wanneer hij zelf schoonheid ontleden wil, blijft het uiterst

oppervlakkig. De kruiden zijn schoon, omdat zij groen zijn, de steenen,

omdat zij schitteren, het menschelijk lichaam, de dromedaris en de

kameel, omdat zij doelmatig zijn. De aarde is schoon, omdat zij lang en

breed is, de hemellichamen, omdat zij rond en licht zijn. In de bergen

bewonderen wij de grootte, in de rivieren de langgestrektheid, in velden

en bosschen de uitgestrektheid, in de aarde zelf de onmetelijke massa.

Dionysius dwaalt van de aardsche schoonheid telkens terstond weer af

naar de schoonheid der engelen en van het empyreum. Of hij zoekt haar in

de abstracte dingen: de schoonheid des levens is de levenswandel zelf

volgens de leiding en het bevel der goddelijke wet, ontdaan van de

leelijkheid der zonde. Van de schoonheid der kunst spreekt hij niet,

zelfs niet van die, welke het meest als iets zelfstandigs treffen moest:

de muziek.

Toen deze Dionysius eens de Sint Janskerk te 's Hertogenbosch was

binnengetreden, terwijl het orgel speelde, werd hij door de zoete

melodie terstond, met smeltend hart, aan zichzelf ontrukt in een

langdurige ekstase. [879] De schoonheidsaandoening werd onmiddellijk

religie. Het zal niet in hem opgekomen zijn, dat hij in de schoonheid

van muziek of afbeelding iets anders zou kunnen bewonderen dan het

heilige zelf.

Dionysius was een dergenen, die de invoering der moderne, meerstemmige

muziek in de kerk afkeurden. Het breken der stem (fractio vocis),

spreekt hij een oudere na, schijnt het teeken eener gebroken ziel; het

is te vergelijken met gefriseerde haren bij een man of geplisseerde

kleederen bij een vrouw, louter ijdelheid. Sommigen, die zulk

veelstemmig zingen beoefend hadden, hadden hem toevertrouwd, dat daarin

een hoogmoed en een zekere wulpschheids des gemoeds (lascivia animi)

gelegen waren. Hij erkent, dat er vromen zijn, die door melodieën ten

sterkste tot contemplatie en devotie opgewekt worden, weshalve de Kerk

orgels toelaat. Maar indien de kunstige muziek dient om het gehoor te

behagen, en vooral om de aanwezigen, de vrouwen met name, te vermaken,

dan is zij zonder twijfel verwerpelijk. [880]

Men ziet hier, hoe de middeleeuwsche geest, wanneer hij het wezen der

muzikale aandoening wil beschrijven, nog geen andere termen vindt dan

die van zondige beroeringen: een hoogmoed en een zekere wulpschheid des

gemoeds.

Over de muzikale aesthetiek werd voortdurend veel geschreven. Men bouwde

daarbij in den regel voort op de niet meer begrepen muziektheorieën der

Oudheid. Maar over de wijze, waarop muzikale schoonheid werkelijk

genoten werd, leeren ons de tractaten tenslotte niet veel. Wanneer het

er op aan kwam, wat men in muziek eigenlijk mooi vond, dan blijft het

bij vage uitingen, die in hun aard sterk verwant zijn aan de uitdrukking

van de bewondering der schilderkunst. Aan den eenen kant is het de

hemelsche verblijding, die men in muziek geniet, aan den anderen kant de

treffende nabootsing, die men erin bewondert. Alles werkte ertoe mee, om

den overgang van muzikale ontroering tot hemelsche genieting voor den

geest haast onmiddellijk te maken; het was hier niet een afbeelden van

heilige dingen, zooals bij de schilderkunst, maar een afschaduwing van

de hemelvreugde zelf. Wanneer de brave Molinet, die blijkbaar zelf veel

van muziek heeft gehouden, vertelt, hoe Karel de Stoute, een groot

muziekliefhebber zooals bekend is, in zijn legerkamp voor Neuss zich

onledig hield met litteratuur en vooral met muziek, dan juicht zijn

rederijkersgemoed: "Car musique est la résonnance des cieux, la voix des

anges, la joie de paradis, l'espoir de l'air, l'organe de l'Eglise, le

chant des oyselets, la récréacion de tous cueurs tristes et désolés, la

persécution et enchassement des diables." [881]--Het ekstatische element

in het muziekgenieten werd natuurlijk zeer goed gekend. "De kracht der

harmonieën, zegt Pierre d'Ailly, ontrukt de menschelijke ziel zoozeer

tot zich, dat zij die niet alleen onttrekt aan andere hartstochten en

zorgen, maar ook aan zichzelve." [882]

Bewonderde men in de schilderkunst de treffende nabootsing van de

voorwerpen der natuur, in de muziek was het gevaar, dat men in

nabootsing de schoonheid ging zoeken, nog grooter. Want de muziek had

reeds lang van haar expressieve middelen een ijverig gebruik gemaakt.

De caccia, die oorspronkelijk een jacht voorstelde, is er het bekendste

voorbeeld van. Olivier de la Marche vertelt, hoe hij er in een de kleine

hondjes keffen en de doggen bassen hoorde en trompetgeschal, alsof men

in het bosch was. [883] Vogelgeluiden, straatroepen, het slaggewoel

werden in muzikalen vorm weergegeven.

De theoretische analyse van het schoone is dus gebrekkig, de uitdrukking

der bewondering is oppervlakkig. In het eerste komt men niet veel

verder, dan dat ter verklaring van de schoonheid de begrippen van maat,

sierlijkheid, orde, grootte, doelmatigheid ervoor in de plaats worden

gesteld. En bovenal dat van schittering, licht. Om de schoonheid te

verklaren van de dingen des geestes, herleidt Dionysius ze tot licht:

het verstand is een licht, de wijsheid, de wetenschap, de kunstvaardigheid

zijn niet anders dan lichtvormige glanzen, die met hun klaarheid den geest

verlichten. [884]

Wanneer men het schoonheidsgevoel dier tijden naspeurt, niet in hun

bepaling van het begrip der schoonheid, noch in hetgeen zij van hun

aandoening zeggen over schilderkunst en muziek, maar in hun spontane

uitingen van blijde schoonheidsontroering, dan treft het, hoe die

uitingen bijna altijd gewaarwordingen gelden van schittering of van

levendige beweging.

Froissart komt zelden onder een schoonheidsindruk; hij had het er te

druk voor met zijn eindelooze verhalen; maar er is één schouwspel, dat

hem altijd weer woorden van blijde verrukking ontlokt: schepen op het

water met wapperende vlaggen en wimpels, waarvan de kleurige blazoenen

schitteren in de zon. Of het is het spel van de zonnestralen op helmen,

harnassen, lanspunten, vaantjes en banieren van een optrekkende

ruitertroep. [885] Eustache Deschamps bewondert het schoone van

draaiende molens, en van de zon in een dauwdruppel; La Marche merkt op,

hoe mooi het zonlicht op de blonde haren schijnt van een troep Duitsche

en Boheemsche ridders. [886]--Met die bewondering voor wat schittert

staat ook de versiering der kleeding in verband, die in de vijftiende

eeuw nog voornamelijk gezocht wordt in het opzetten van een overmatig

groot aantal edele steenen. Eerst later maken deze plaats voor linten

en strikken. Om die schittering nog met geklink te verhoogen, draagt

men schelletjes of geldstukken. La Hire draagt een rooden mantel geheel

beladen met groote zilveren koeklokken. De kapitein Salazar verschijnt

bij een intocht van 1465 met twintig geharnasten, wier paarden alle

bedekt zijn met groote zilveren klokken; op het dekkleed van zijn eigen

paard is aan elk der figuren, waarmee het bezaaid is, een groote schel

van verguld zilver gehecht. Bij den intocht van Lodewijk XI te Parijs in

1461 dragen de paarden van Charolais, Croy, Saint Pol en anderen op hun

dekkleeden tal van groote klokken; dat van Charolais draagt er een op

den rug, die tusschen vier pijlertjes hangt. Karel de Stoute verschijnt

op een tournooi in een feestgewaad bedekt met rinkelende rijnsguldens;

Engelsche edelen dragen hun kleed bezet met gouden nobels. [887] Op het

bruiloftsfeest van den graaf van Genève te Chambéry in 1434 voert een

groep van heeren en dames een dans uit, allen gekleed in het wit, bedekt

met "or clinquant", de heeren bovendien met breede gordels vol

schelletjes. [888]

Hetzelfde naïeve behagen aan wat sterk de aandacht trekt, is ook op te

merken in den kleurenzin van den tijd. Om dezen volledig te bepalen, zou

een uitgebreid en statistisch onderzoek noodig zijn, dat zoowel de

kleurenschaal der beeldende kunst als die van kleeding en

versieringskunst betrof: wat de kleeding aangaat, zou zij meer uit de

talrijke beschrijvingen op te maken zijn, dan uit de schaars bewaarde

overblijfselen van stoffen. Hier volgen enkel eenige voorloopige

indrukken, gewonnen uit de beschrijving der kleedij bij tournooien en

intochten. Men heeft hier dus te doen met praal- en staatsiegewaden,

waarin natuurlijk een andere toonaard heerscht dan in de dagelijksche

kleeding. De gewone kleeding maakt reeds zeer veel gebruik van grijs,

zwart en paars. [889] Wat in de feest- en staatsiekleeding in de eerste

plaats treft, is het overheerschen van het rood. Niemand zal het

trouwens van dezen rooden tijd anders verwachten. Intochten zijn

dikwijls geheel in rood uitgemonsterd. [890] Daarnaast bekleedt het wit

als uniforme feestkleur een groote plaats. In de nevenschikking van

kleuren wordt elke combinatie geduld: rood-blauw, blauw-violet komen

voor. Op een feestvertooning, die La Marche beschrijft, verschijnt een

meisje in violette zijde op een hakkenei met een dekkleed van blauwe

zijde, geleid door drie mannen in vermiljoenroode zijde met kaproenen

van groene zijde. [891] Een voorliefde voor somber-gloeiende en

dof-bonte kleurschikkingen schijnt niet te miskennen.

Opmerkelijk is, dat als hoofdkleur van den dos het zwart en het violet

veel grooter plaats innemen dan het groen en blauw, terwijl geel en

bruin bijna geheel ontbreken. Het zwart, vooral in fluweel gebruikt,

vertegenwoordigt ontegenzeggelijk de trotsche, sombere praal, die de

tijd bemint, den hoogmoedigen afstand van het vroolijk bonte, dat alom

schatert. Philips de Goede gaat na de jaren zijner jeugd altijd in 't

zwart, en dost er ook zijn gevolg en zijn paarden in. [892] Koning René,

die nog ijveriger naar distinctie en verfijning zocht, gebruikt als

kleuren grijs-wit-zwart. [893]

De geringe plaats van het blauw en het groen moet overigens niet geheel

als een directe uiting van den kleurenzin worden verklaard. Onder al de

kleuren hadden vooral blauw en groen hun symbolisch gewicht, en die

beteekenis was zoo bijzonder, dat zij daardoor als kleuren van kleeding

bijna onbruikbaar werden. Beide toch waren het de kleuren der liefde:

groen verbeeldde de verliefdheid, blauw de trouw. [894] Of beter gezegd,

zij waren bij uitstek de kleuren der liefde, want ook de andere kleuren

konden dienst doen in de symboliek der minne. Deschamps zegt van de

minnaars:

"Li uns se vest pour li de vert,

L'autre de bleu, l'autre de blanc,

L'autre s'en vest vermeil com sanc,

Et cilz qui plus la veult avoir

Pour son grant dueil s'en vest de noir." [895]

Doch het groen was toch inzonderheid de kleur van de jonge, hoopvolle

liefde:

"Il te fauldra de vert vestir,

C'est la livrée aux amoureulx." [896]

Daarom behoort ook de dolende ridder in 't groen gekleed te gaan.

[897]--Met blauwe kleeding betoogt de minnaar zijn trouw; daarom laat

Christine de Pisan de dame antwoorden, als de minnaar op zijn blauwe dos

wijst:

"Au bleu vestir ne tient mie le fait,

N'à devises porter, d'amer sa dame,

Mais au servir de loyal cuer parfait

Elle sans plus, et la garder de blasme

... Là gist l'amour, non pas au bleu porter,

Mais puet estre que plusieurs le meffait

De faulseté cuident couvrir soubz lame

Par bleu porter...." [898]

Daar ligt waarschijnlijk meteen de verklaring, waarom de blauwe kleur,

geveinsd gebruikt, ook de ontrouw ging beduiden, en met een overspringing

niet alleen de trouwelooze maar ook den bedrogene toekwam. De blauwe huik

beduidt in het Nederlandsch de echtbreekster, en de "cote bleue" is het

gewaad van den bedrogene:

"Que cils qui m'a de cote bleue armé

Et fait monstrer au doy, soit occis." [899]

Of hieruit weer de beteekenis van het blauw als kleur der dwaasheid in

het algemeen te verklaren is, immers de "blauwe scute" beduidt het

vehikel der mallen, blijve in het midden.

Wanneer geel en bruin zoozeer op den achtergrond blijven, dan zal

daarbij de tegenzin tegen deze kleuren om hun kleurqualiteit, dus de

directe kleurenzin, wel met hun negatieve symbolische beteekenis

oorzakelijk samenhangen: met andere woorden, men hield niet van geel

en bruin, omdat men ze leelijk vond, en men kende er een ongunstige

beteekenis aan toe, omdat men ze leelijk vond. De ongelukkig gehuwde

zegt:

"Sur toute couleur j'ayme la tennée

Pour ce que je l'ayme m'en suys habillée,

Et toutes les aultres ay mis en obly.

Hellas! mes amours ne sont pas ycy."

Of in een ander liedje:

"Gris et tannée puis bien porter

Car ennuyé suis d'espérance". [900]

Het grijs komt, in tegenstelling met het bruin, overigens veel in de

feestkleedij voor; het had als kleur der treurigheid waarschijnlijk een

meer elegische nuance dan het bruin.

Het geel had reeds de beteekenis van vijandschap. Hendrik van Wurtemberg

trekt den hertog van Bourgondië voorbij, met zijn gansche gevolg in het

geel gedost, "et fut le duc adverty que c'estoit contre luy." [901]

Een oppervlakkige indruk, dat na het midden der vijftiende eeuw wit en

zwart afnemende zijn, terwijl blauw en geel toenemen, zou nadere

bevestiging behoeven.

NOTEN:

[837] De Hoofdstukken XII en XIII vormen een omwerking en uitbreiding

van het essay: De kunst der Van Eyck's in het leven van hun tijd. De

Gids 1916, no. 6 en 7.

[838] Rel. de S. Denis, II p. 78.

[839] Rel. de S. Denis, II p. 413.

[840] L.c., I p. 358.

[841] Rel. de S. Denis, I p. 600; Juvenal des Ursins, p. 379.

[842] La Curne de Ste Palaye, I p. 388; vgl. ook Journal d'un bourgeois

de Paris, p. 67.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 31 / 38 段