De moderne mensch kan op ieder oogenblik van rust in zelfgekozen

ontspanning individueel de bevestiging van zijn levensinzicht en de

zuiverste genieting van zijn levensvreugde zoeken. Een tijd, waarin de

geestelijke genotmiddelen nog weinig verspreid en toegankelijk zijn,

behoeft daartoe een gezamenlijke daad, het feest. En hoe grooter het

contrast is van de ellendigheid des dagelijkschen levens, des te

onmisbaarder is het feest, en des te sterker middelen zijn van noode,

om die bedwelming in schoonheid en genot, die tempering der realiteit

te ondergaan, zonder welke het leven dof is. De vijftiende eeuw nu is

een tijd van ontzettende depressie en grondig pessimisme. Hierboven is

gesproken van die eeuwige beklemming van onrecht en geweld, hel en

oordeel, pest, brand en honger, duivel en heksen, waaronder die eeuw

leeft. De arme menschheid behoeft daartegen niet alleen de dagelijks

herhaalde belofte van het hemelsch heil en van Gods wakende zorg en

goedheid; van tijd tot tijd is ook nog een plechtige en gezamenlijke,

glorieuze verzekering van de schoonheid des levens zelf noodig. Het

levensgenot in zijn primaire vormen: spel, min, drank, dans en zang, is

niet genoeg; het moet veredeld worden met schoonheid, gestyleerd in een

gemeenschappelijk vreugdebedrijf. Want voor elk voor zich: in de boeken,

of in het aanhooren van muziek, in het aanschouwen van kunst, in het

genieten der natuur, was die bevrediging nog niet bereikbaar; de boeken

waren te kostbaar, de natuur te onveilig, de kunst maakte juist deel uit

van het feest.

Het volksfeest had zijn eigen, oorspronkelijke bronnen van schoonheid

enkel in het lied en in den dans. Voor het schoon van kleur en vorm

leunde het op het kerkfeest, waarbij het zich gewoonlijk aansloot, en

dat daarvan overvloed bood. De losmaking van het burgerlijke feest uit

den kerkelijken vorm, en de opluistering ervan met eigen sier, wordt

juist in de vijftiende eeuw door de rederijkers volbracht. Tot dusver

was alleen het vorstenhof in staat geweest, een zuiver wereldlijk feest

te tooien met weelde van kunst, er een eigen pracht aan te geven. Maar

weelde en pracht zijn voor het feest niet genoeg; niets is ervoor zoo

onmisbaar als stijl.

Het kerkfeest had dien stijl krachtens de liturgie zelf. Daar was altijd

aanwezig de indrukwekkende verbeelding van één verheven idee in een

schoon gebaar van velen samen. De heilige waardigheid en de hooge vaste

gang werden er zelfs door de uiterste woekeringen van het feestelijk

détail, tot in het burleske toe, niet verbroken. Doch waaraan ontleende

het hoffeest zijn stijl? wat was hier de idee, die het uitdrukte?--Het

kon geen andere zijn dan het ridderideaal, want daarop berustte de

geheele levensvorm van het hof. Was aan het ridderideaal een eigen

stijl, een liturgie om zoo te zeggen, verbonden?--Ja, alles wat

ridderslag, orderegels, tournooi, préséance, hulde en dienst betrof: het

gansche spel van wapenkoningen, herauten, blazoenen, maakte dien stijl

uit. Voorzoover het hoffeest uit die elementen was opgebouwd, had het

voor de tijdgenooten wel degelijk een grooten, eerbiedwaardigen stijl.

Nu nog kan zelfs iemand zonder monarchale of adellijke geestdrift bij

het aanschouwen van elke willekeurige staatsie de huivering van zulk een

zuiver wereldsche liturgie ondergaan. Hoe moet het dan geweest zijn voor

de bevangenen in den waan van dat ridderideaal, bij de pompeuze

aankleeding met lange gewaden en schitterende kleuren!

Maar het hoffeest wilde nog meer. Het wilde den droom van het heroïsche

leven tot het uiterste verbeelden. Hier nu brak de stijl. Die gansche

toestel van ridderlijke fantazie en staatsie was niet meer van echt

leven vervuld. Het was alles teveel litteratuur geworden, een vooze

renaissance en een ijdele conventie. De overlading met staatsie en

etikette moest het innerlijk verval van den levensvorm bedekken. De

ridderlijke gedachte der vijftiende eeuw zwelgt in een romantiek, die

door en door hol en versleten is. Dat was de bron, waaruit het hoffeest

de fantazie voor zijn vertooningen en verbeeldingen putten moest. Hoe

zou het stijl scheppen uit een litteratuur, zoo stijlloos, ongebonden en

verschaald als de ridderlijke romantiek in haar ontaarding?

In dit licht moet men de schoonheidswaarde van de "entremets" bezien:

het is toegepaste litteratuur, waarbij het eenige, wat die litteratuur

nog dragelijk kon maken: haar vluchtig, oppervlakkig voortdroomen over

al haar bonte gedaanten, plaats maakt voor de opdringendheid van het

stoffelijk voorgestelde.

De zware, barbaarsche ernst, die uit dat alles spreekt, past juist bij

het Bourgondische hof, dat door zijn aanraking met het Noorden den

luchtiger en harmonischer Franschen geest scheen te hebben verloren.

Plechtig en gewichtig wordt al die geweldige pronk opgevat. Het groote

feest van den hertog te Rijssel vormde het besluit en de bekroning van

een reeks van banketten, die de hofadel elkander in wedijver aanbood.

Het was eenvoudig begonnen, en met geringe kosten, en dan gestegen in

aantal van gasten, weelderigheid van menu en entremets; door het

aanbieden van een krans gaf de gastheer een ander de beurt; zoo ging het

over van ridders op groote heeren en van heeren op prinsen, in steeds

stijgende mate van uithaal en vertoon, totdat het eindelijk aan den

hertog zelf kwam. Voor Philips moest het meer zijn dan een schitterend

feest; daar zouden de geloften plaats hebben voor den kruistocht tegen

de Turken ter herovering van Constantinopel, een jaar tevoren gevallen:

's hertogen luid beleden levensideaal. Ter voorbereiding wees hij een

commissie aan onder leiding van den vliesridder Jean de Lannoy. Ook

Olivier de la Marche had er zitting in. Wanneer deze in zijn

gedenkschriften tot die zaken genaderd is, wordt het hem nog plechtig te

moede. "Pour ce que grandes et honnorables oeuvres desirent loingtaine

renommée et perpétuelle mémoire," aldus begint hij die groote dingen te

gedenken. [850] De eerste en nauwste raden van den hertog waren

herhaaldelijk tegenwoordig bij de beraadslagingen: de kanselier Nicolaas

Rolin zelf en Antoine de Croy, de eerste kamerheer werden ertoe

geroepen, eer men het eens was, hoe "les cérimonies et les mistères"

moesten worden opgezet.

Het relaas van al dat fraais is zoo dikwijls gedaan, dat het hier niet

behoeft te worden herhaald. Men was zelfs van over zee gekomen, om het

schouwspel te zien. Er waren buiten de gasten tal van adellijke

toeschouwers, de meesten in vermomming. Men ging eerst rond, om de in

beeldwerk uitgevoerde, vaste pronkstukken te bewonderen; eerst later

volgden de vertooningen en tableaux-vivants van levende personen.

Olivier zelf speelde de hoofdrol, die van Sainte Eglise in het

voornaamste stuk, als deze binnenkomt in een toren op den rug van een

olifant, door een Turkschen reus geleid. Op de tafels prijkten de

geweldigste decoraties: een bemande en opgetuigde kraak, een weide

uitgemonsterd met boomen, een bron, rotsen en een beeld van Sint

Andries, het kasteel Lusignan met de fee Mélusine, een windmolen,

waarbij naar den vogel geschoten werd, een bosch met bewegelijke wilde

dieren en tenslotte de kerk met een orgel en zangers, die muziek ten

beste gaven, afgewisseld door het orkest van 28 personen, dat in de

pastei zat.

Waar het hier op aan komt, is de mate van smaak of wansmaak, die in dat

alles tot uiting kwam. In de stof zelve kunnen wij niet veel anders zien

dan een poespas van mythologische, allegorische en moraliseerende

figuren. Doch hoe was de uitvoering? Zonder twijfel werd de voornaamste

werking gezocht in het extravagante. De toren van Gorkum, die bij het

bruiloftsfeest van 1468 als tafelopzet prijkte, was 46 voet hoog. [851]

Van een walvisch, die bij diezelfde gelegenheid dienst deed, zegt La

Marche: "et certes ce fut un moult bel entremectz, car il y avoit dedans

plus de quarante personnes." [852] Voorzoover het kwistig gebruik van de

wonderen der mechaniek strekt, kunnen wij er geen denkbeeld van kunst

aan verbinden: levende vogels, die uit den muil van een draak vliegen,

dien Hercules bevecht en dergelijke verbazingwekkendheden. Het komische

element erin is van zeer laag allooi: uit den Gorkumschen toren blazen

wilde zwijnen de trompet; geiten voeren een motet uit, wolven spelen

fluit, vier groote ezels treden als zangers op, dit alles voor Karel den

Stoute, die zelf een fijn muziekkenner was.

Toch zou ik er niet aan willen twijfelen, dat bij al die feestartikelen,

bij de vaste stukken met name, naast veel matelooze, verdwaasde pronk,

menig echt kunstwerk, is geweest. Laat ons toch niet vergeten, dat de

menschen, die aan al deze gargantueske pracht hun hart ophaalden en hun

ernstigste gedachten wijdden, de opdrachtgevers van Jan van Eyck en

Rogier van der Weyden zijn geweest. Het was de hertog zelf, het was

Rolin, de stichter van het altaar van Beaune en van Autun, Jean Chevrot,

die van de Zeven sacramenten van Rogier, de Lanoy's. En wat meer zegt:

de vervaardigers van deze of soortgelijke pronkstukken waren de

schilders zelf. Al weet men het toevallig niet van Jan of Rogier, men

weet het van anderen, hoe zij bij zulke feesten meewerkten: Colard

Marmion, Simon Marmion, Jacques Daret. Voor het feest van 1468, dat

plotseling vervroegd heette, werd, om tijdig klaar te zijn, het gansche

schildersvak gemobiliseerd: haastig werden er gezellen naar Brugge

ontboden uit Gent, Brussel, Leuven, Thienen, Bergen, Quesnoy,

Valenciennes, Douai, Kamerijk, Atrecht, Rijsel, Yperen, Kortrijk en

Oudenaarde. [853] Het kan niet ten eenenmale leelijk zijn geweest, wat

uit die handen kwam. De dertig opgetuigde schepen van het banket van

1468, met de wapens van 's hertogen heerschappijen, de zestig vrouwtjes

in verschillende landsdracht, [854] met vruchtenmandjes en vogelkooien,

die windmolen met vogelschieters,--men zou er menig middelmatig

kerkelijk stuk voor willen geven.

Er is in die dagen nog een zekere ongescheidenheid van smaak en wansmaak

in de geesten: kunstzin en lust aan pronk en rariteiten hebben zich nog

niet van elkaar afgezonderd. De naïeve fantazie kan nog ongestoord het

bizarre genieten, alsof het schoonheid was. Hooge kunst en kostbare

prullenkraam worden nog gemoedelijk dooreengemengd en gelijkelijk

bewonderd. Een verzameling als die van het Grüne Gewölbe te Dresden

vertoont het uitgescheiden caput mortuum van de vorstelijke

kunstcollectie, waarmee zij eenmaal één geheel uitmaakte. In het kasteel

van Hesdin, schatkamer van kunstwerken en lustoord tevens, vol van die

mechanieke vermakelijkheden, "engins d'esbatement", die zoo lang bij het

vorstelijke lustverblijf zijn blijven behooren, zag Caxton een kamer,

versierd met schilderijen, die de geschiedenis voorstelden van Jason,

den held van het Gulden vlies. Ter opluistering waren er bliksem-,

donder-, sneeuw- en regeninstrumenten aangebracht, om daarmee Medea's

tooverijen na te bootsen. [855]

Ook bij de vertooningen, "personnages", die bij vorstelijke intochten op

de hoeken der straten stonden opgesteld, kon de fantazie veel verdragen.

Naast heilige tafereelen zag men te Parijs in 1389, bij den intocht van

Isabella van Beieren als gemalin van Karel VI, een wit hert met vergulde

horens en een kroon om den hals; het ligt op een "lit de justice", en

beweegt oogen, horens, pooten, om tenslotte een zwaard omhoog te houden.

Bij denzelfden intocht daalt een engel "par engins bien faits" van de

torens der Notre Dame, dringt juist als de koningin passeert, door een

spleet in de bespanning van blauw taffetas met gouden leliën, waarmee de

geheele brug is overdekt, zet haar een kroon op het hoofd, en verdwijnt

weer, zooals hij gekomen is, "comme s'il s'en fust retourné de

soy-mesmes au ciel". [856] Philips de Goede wordt bij een intocht te

Gent op een soortgelijke nederdaling van een meisje onthaald, [857]

evenzoo Karel VIII te Reims in 1484. [858] Wij kunnen ons moeilijk iets

zotters voorstellen dan een zoogenaamd tooneelpaard, waar een man in

loopt. In de vijftiende eeuw vond men het blijkbaar niet lachwekkend,

althans Le Fèvre de Saint Remy vertelt zonder een zweem van spot van een

vertooning van vier trompetters en twaalf edellieden "sur chevaulx de

artifice", "saillans et poursaillans tellement que belle chose estoit à

veoir". [859]

De scheiding, die onze kunstzin eischt, en die de verwoestende tijd ons

heeft helpen maken tusschen al dien bizarren opschik, die spoorloos is

vergaan, en de enkele hooge kunstwerken, die ons bewaard zijn, heeft

voor den tijdgenoot nauwelijks bestaan. Het kunstleven van den

Bourgondischen tijd lag nog geheel besloten in de vormen van het

gezelschapsleven. De kunst diende. Zij had in de eerste plaats een

sociale functie, en deze is bovenal het tentoonspreiden van praal, en

het accentueeren van de persoonlijke belangrijkheid, niet van den

kunstenaar, maar van den stichter. Dit wordt niet weggenomen door het

feit, dat in de kerkelijke kunst de pralende heerlijkheid dient, om

heilige gedachten omhoog te voeren, en dat de stichter zijn persoon op

den voorgrond heeft gesteld uit vromen zin. Aan den anderen kant is de

aard van het wereldlijk schilderij volstrekt niet altijd die overdadig

hoogmoedige, die paste bij het opgeblazen hofleven. Om goed te zien, hoe

kunst en leven bij elkaar aansloten, in elkaar opgingen, missen wij veel

te veel van de omgeving, waarin de kunst geplaatst was, is onze kennis

van de kunst zelf veel te fragmentair. Hof en kerk zijn samen het leven

van den tijd nog niet.

Daarom zijn voor ons die weinige kunstwerken van zoo bijzonder gewicht,

waarin iets van het leven buiten die twee sferen tot uiting komt. Eén

straalt daaronder in ongeëvenaarde kostbaarheid: het portret van het

echtpaar Arnolfini. Hier heeft men de kunst der vijftiende eeuw in haar

zuiversten vorm; hier nadert men het dichtst tot den raadselachtigen

persoon van den maker Jan van Eyck. Ditmaal behoefde hij noch de

schitterende majesteit van het goddelijke uit te drukken, noch de

hoovaardij van hooge heeren te dienen: het waren zijn vrienden, die hij

schilderde, ter gelegenheid van hun huwelijk. Is het werkelijk Jean

Arnoulphin, zooals hij in Vlaanderen heette, de koopman uit Lucca,

geweest? Dit gezicht, dat tweemaal door Van Eyck geschilderd is, [860]

schijnt wel het minst Italiaansche, dat ooit uit oogen keek. Doch de

aanduiding van het stuk als "Hernoul le fin avez sa femme dedens une

chambre" in den inventaris der schilderijen van Margareta van Oostenrijk

uit 1516 [861] blijft wel een sterk argument, om er Arnolfini in te

zien. In dat geval beschouwe men het eigenlijk niet als een "burgerlijk

portret". Want Arnolfini was een groot heer, herhaaldelijk raadsman der

hertogelijke regeering in gewichtige zaken. Hoe het zij, de man, die

hier is afgebeeld, was een vriend van Jan van Eyck. Dat getuigt die fijn

zinrijke wijze, waarop de schilder zijn werk heeft gewaarmerkt, het

opschrift boven den spiegel: "Johannes de Eyck fuit hic, 1434". Jan

van Eyck is hier geweest. Zooeven nog. In de suizende stilte van die

binnenkamer toeft nog de klank van zijn stem. De innige teerheid en de

stille vrede, zooals eerst Rembrandt ze opnieuw zal geven, liggen in dit

stuk besloten, alsof het Jan's eigen hart was. Hier is opeens die avond

der Middeleeuwen terug, dien wij kennen, en toch zoo dikwijls in de

litteratuur, de geschiedenis, het geloofsleven dier tijden vergeefs

zoeken: de gelukkige, edele, serene en eenvoudige Middeleeuw van het

volkslied en de kerkmuziek. Hoe ver zijn wij nu weer van dien schellen

lach en den toomeloozen hartstocht!

Dan ziet wellicht onze verbeelding een Jan van Eyck, die buiten het

felle, bonte leven van zijn tijd stond, een eenvoudige, een droomer, die

met gebogen hoofd, den blik naar binnen gekeerd, door 't leven sloop.

Voorzichtig, of het wordt een kunsthistorische novelle: hoe 's hertogen

"varlet de chambre" met weerzin de hooge heeren diende, hoe zijn

kunstmakkers met diepe smart hun hooge kunst moesten verloochenen, om

mee te werken aan hoffeesten en vlootuitrusting.

Er is niets, wat zulk een voorstelling rechtvaardigt. De kunst der Van

Eyck's, die wij bewonderen, stond midden in het hofleven, dat ons

afstoot. Het weinige wat wij van het leven dier schilders weten, toont

hen ons als lieden van de wereld. De hertog van Berry is met zijn

hofschilders op den besten voet. Froissart ontmoette hem in gemeenzaam

onderhoud met André Beauneveu in zijn wonderkasteel Mehun sur Yevre.

[862] De drie gebroeders van Limburg, de groote verluchters, verblijden

den hertog op nieuwjaar met een surprise: een nieuw verlucht handschrift,

dat "un livre contrefait" blijkt, "d'une pièce de bois blanc paincte en

semblance d'un livre, où il n'a nulz feuillets ne riens escript". [863]

Jan van Eyck heeft zich zonder twijfel midden in het hofleven bewogen.

Voor de geheime diplomatieke zendingen, waarmee Philips de Goede hem

belastte, was een wereldkenner noodig. Hij gold in zijn eeuw als een

geletterde, die klassieken las en meetkunde bestudeerde. Met een lichte

bizarrerie heeft hij zijn bescheiden zinspreuk "Als ik kan" in Grieksche

karakters vermomd.

Werden wij niet door deze en dergelijke gegevens gewaarschuwd, dan

zouden wij allicht geneigd zijn, de kunst der Van Eyck's op een

verkeerde plaats in het leven der vijftiende eeuw te zien. Daar zijn in

dien tijd twee voor onzen blik scherp gescheiden levenssferen. Hier is

de cultuur van het hof, den adel en de rijke burgerij; praalziek, eer-

en hebzuchtig, kakelbont, gloeiend hartstochtelijk. Daar is de stille,

effen grijze sfeer der moderne devotie, de ernstige mannen en de gedweeë

burgervrouwtjes, die hun toeverlaat zochten in de Fraterhuizen en bij de

Windesheimers, waar de verre zachte branding der _Imitatio_ fluistert,

--de sfeer ook van Ruusbroec en de heilige Colette. Dat is de sfeer,

waarin voor ons gevoel de kunst der Van Eyck's, met haar vrome, stille

mystiek, zou passen. Toch is haar plaats eêr in de andere. De moderne

devoten stonden afwijzend tegenover de groote kunst, die zich in hun tijd

ontplooide. Zij verzetten zich tegen de veelstemmige muziek, zelfs tegen

de orgels, [864] terwijl het de prachtlievende Bourgondiërs zijn: bisschop

David van Utrecht en Karel de Stoute zelf, die in hun kapellen de eerste

meesters als leiders hebben: Obrecht te Utrecht, Busnois bij den hertog,

die hem zelfs meeneemt naar het kamp voor Neuss. De ordinarius van

Windesheim verbood elke versiering van den zang, en Thomas a Kempis zegt:

"kunt gij niet zingen als de leeuwerik en de nachtegaal, zingt dan als de

raven en de kikvorschen in den poel, die zingen zooals God het hun gegeven

heeft." [865] Over de schilderkunst hebben zij zich uit den aard der zaak

minder uitgelaten; maar zij wilden hun boeken eenvoudig hebben, en niet

terwille van de kunst ze verluchten. [866] Hoogstwaarschijnlijk zouden zij

zelfs een werk als de Aanbidding van het Lam louter hoogmoed geacht hebben.

Is overigens de scheiding tusschen die beide levenssferen wel zóo scherp

geweest, als wij haar zien? Hierboven is het reeds gezegd. Er zijn

talrijke aanrakingen tusschen de hofkringen en die van den streng

godsdienstigen wandel. De heilige Colette en Dionysius de Kartuizer

verkeeren met de hertogen; Margareta van York, de tweede gemalin van

Karel den Stoute, stelt levendig belang in de "gereformeerde" kloosters

van België. Beatrix van Ravestein, een der eersten aan het Bourgondische

hof, draagt onder de pronkgewaden het haren kleed. "Vestue de drap d'or

et de royaux atournemens à luy duisans, et feignant estre la plus

mondaine des autres, livrant ascout à toutes paroles perdues, comme

maintes font, et monstrant de dehors de pareil usages avecques les

lascives et huiseuses, portoit journellement la haire sur sa chair nue,

jeunoit en pain et en eau mainte journée par fiction couverte, et son

mary absent couchoit en la paille de son lit mainte nuyt." [867] Den

inkeer, die voor de moderne devoten blijvende levensvorm geworden was,

kennen de groote hoovaardigen ook, doch slechts bij vlagen, als de

naweeën der overdaad. Wanneer Philips de Goede na het groote feest van

Rijsel naar Regensburg is vertrokken, om met den keizer te spreken,

begeven zich verscheiden edelen en vrouwen van het hof in de

observantie, "qui menèrent moult belle et saincte vie." [868]--De

kroniekschrijvers, die met zooveel gewichtige uitvoerigheid al dien

praal en staat beschrijven, laten niet na, herhaaldelijk hun afkeer van

"pompes et beubans" te uiten. Zelfs Olivier de la Marche bepeinst na het

feest van Rijsel "les oultraigeux excès et la grant despense qui pour la

cause de ces banquetz ont esté faictz." En hij vindt er geen

"entendement de vertu" in, behalve wat het entremets betreft, waarin de

Kerk optrad; doch een ander hofwijze legt hem uit, waarom dat alles zoo

had moeten zijn. [869] Lodewijk XI had uit zijn verblijf aan het hof van

Bourgondië een haat behouden tegen al wat weelde was. [870]

De kringen, waarin en waarvoor de kunstenaars werkten, zijn gansch

andere geweest dan die der moderne devotie. Al heeft de opbloei der

schilderkunst evenzeer als die van het geloof zijn wortels in de

stedelijke samenleving, burgerlijk kan de kunst der Van Eyck's en die

hen volgen, niet meer heeten. Het hof en de adel hadden de kunst tot

zich getrokken. De verheffing der miniatuurkunst tot die hoogten van

artistieke verfijning, die het werk der gebroeders van Limburg en van de

_Heures de Turin_ kenmerkt, was zelfs aan het vorstelijk maecenaat bij

uitstek te danken. En ook de rijke burgerijen van de groote steden van

België streefden zelf naar een adellijken levensvorm. Het verschil

tusschen de Zuid-nederlandsche en Fransche kunst eenerzijds, en het

weinige, wat uit de vijftiende eeuw als Noord-nederlandsch is te

beschouwen, anderzijds, kan het best worden gezien als een verschil van

milieu: daar het weelderige, rijpe leven van Brugge, Gent, Brussel, in

voortdurende aanraking met het hof; hier een afgelegen landstadje als

Haarlem, in alles veel meer verwant aan de stille IJselsteden der

moderne devotie. Indien de kunst van Dirk Bouts Haarlemsch mag heeten

(wat wij van hem hebben, is gemaakt in het Zuiden, dat ook hem getrokken

had), dan kan het slichte, strakke, ingetogene, dat zijn werk eigen is,

gelden als de echt burgerlijke uitdrukking tegenover de aristocratische

allure, den pompeuzen zwier, de praal en schittering der zuidelijke

meesters. De Haarlemsche school staat inderdaad nader tot de sfeer van

den burgerlijken levensernst.

De werkgevers van de groote schilderkunst, voorzoover wij hen kennen,

zijn bijna zonder uitzondering de vertegenwoordigers geweest van het

groote kapitaal van die dagen. Het zijn de vorsten zelf, de hooge heeren

van het hof en de groote parvenu's, waaraan het Bourgondische tijdvak

rijk is, en die evenzeer als de anderen graviteeren naar het hof. De

Bourgondische macht berust immers juist op het indiensttrekken der

geldmachten en het scheppen van nieuwe adellijke geldmachten door

schenking en begunstiging. De levensvorm van die kringen is die van het

zwierige ridderideaal, waar men zwelgt in de staatsie van het Gulden

Vlies en de praal van feesten en tournooien. Op dat innig-vrome stuk de

Zeven sacramenten in het Antwerpsche museum wijst een wapen als den

vermoedelijken stichter den bisschop van Doornik, Jean Chevrot, aan.

Deze was naast Rolin de nauwste raadsman van den hertog, [871] ijverig

dienaar in de zaken van het Gulden Vlies en van het groote

kruistochtplan. Het type van den grooten kapitalist dier dagen is Pieter

Bladelyn, wiens stemmige figuur bekend is van het drieluik, dat het

altaar van de kerk in zijn stadje Middelburg in Vlaanderen gesierd

heeft. Van ontvanger van zijn geboortestad Brugge was hij opgeklommen

tot algemeen hertogelijk tresorier. Door zuinigheid en goede controle

bracht hij verbetering in de financiën. Hij werd tresorier van het

Gulden Vlies, ridder; hij werd op de gewichtige diplomatieke zending

gebruikt, om in 1440 Charles d'Orléans uit de Engelsche gevangenschap

los te koopen; hij zou mee op den kruistocht tegen de Turken voor het

beheer der geldmiddelen. Zijn rijkdommen maakten de verbazing der

tijdgenooten gaande. Hij besteedde ze aan inpolderingen, waaraan nog de

Bladelijnspolder tusschen Sluis en Zuidzande herinnert, en aan het

stichten van een nieuwe stad, Middelburg in Vlaanderen. [872]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 30 / 38 段