De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is aan het nu

levende geslacht het best bekend uit haar beeldende kunst, en met name

haar schilderkunst. De gebroeders Van Eyck, Rogier van der Weyden en

Memlinc beheerschen voor ons het gezicht op dien tijd. Dat is niet

altijd zoo geweest. Een halve eeuw of iets meer geleden, toen men

Memlinc nog Hemlinc schreef, kende de ontwikkelde leek dien tijd in de

eerste plaats uit zijn geschiedenis, weliswaar in den regel niet uit

Monstrelet en Chastellain zelf, maar dan toch uit De Barante's _Histoire

des ducs de Bourgogne_, dat daaruit is afgeleid. En zou naast en boven

De Barante niet vooral Victor Hugo's _Notre Dame de Paris_ voor de

meesten het beeld van die tijden vertegenwoordigd hebben?

Het beeld, dat daaruit oprees, was fel en duister. In de kroniekschrijvers

zelf en in de verwerking van hun stof door de negentiendeëeuwsche

romantiek komt bovenal het sombere en gruwelijke der late Middeleeuwen

naar voren: de bloedige wreedheid, de felle hartstocht en hebzucht, de

krijschende hoovaardij en wraakgierigheid en de jammerlijke ellende. De

lichtere kleuren werden bijgevoegd door de bonte, opgeblazen ijdelheid

der vermaarde hoffeesten met al hun geflonker van versleten allegorie en

ondragelijke weelde.

En nu? Nu straalt voor ons over dien tijd de hooge, waardige ernst en de

diepe vrede van Van Eyck en Memlinc; die wereld van vijf eeuwen her

schijnt ons vervuld met een helderen glans van eenvoudige blijheid, een

schat van innigheid. Ons beeld ervan is van woest en donker vredig en

sereen geworden. Want wat wij naast de beeldende kunst nog weten van

andere levensuitingen dier tijden, het is alles uitdrukking van

schoonheid en stille wijsheid: de muziek van Dufay en zijn gezellen,

het woord van Ruusbroec en Thomas a Kempis. Zelfs waar de wreedheid en

ellende der tijden nog luide doorklinkt: in de geschiedenis van Jeanne

d'Arc en de poëzie van Villon, gaat er toch enkel verheffing en

verteedering van die figuren uit.

Waarop berust dat diepgaande verschil tusschen het tijdsbeeld uit de

kunst en het tijdsbeeld uit de geschiedenis en de litteratuur? Is aan

dien tijd in het bijzonder een groote onevenredigheid eigen tusschen de

verschillende gebieden en vormen van levensuiting? Was de levenssfeer,

waaruit de zuivere en innige kunst der schilders sproot, een andere en

betere dan die der vorsten, edelen en litteraten? Hooren zij bij geval

met Ruusbroec, de Windesheimers en het volkslied in een vredigen limbus

aan den rand van die bonte hel?--Of is het een algemeen verschijnsel,

dat de beeldende kunst een helderder beeld van een tijd nalaat dan het

woord der dichters en geschiedschrijvers?

Op de laatste vraag kan het antwoord onmiddellijk bevestigend luiden.

Inderdaad, van alle vroegere beschavingen is ons beeld serener geworden

dan voorheen, sedert wij ons meer en meer van het lezen naar het kijken

gewend hebben, en het historische zintuig steeds meer visueel is

geworden. Want de beeldende kunst, waaruit wij bovenal de aanschouwing

van het verleden putten, weeklaagt niet. Uit haar vervluchtigt zich

terstond de bittere smaak van de smart der tijden, die haar hebben

voortgebracht. Maar de klacht over al het leed der wereld, in het woord

geuit, behoudt altijd haar toon van onmiddellijke smartelijkheid en

onbevredigdheid, doordringt ons altijd weer van droefheid en medelijden,

terwijl het leed, zooals de beeldende kunst het uitdrukt, terstond

overgaat in de sfeer van het elegische en den stillen vrede.

Meent men derhalve uit de aanschouwing der kunst het volledige beeld van

een tijd in zijn werkelijkheid te putten, dan blijft een algemeene fout

in het historisch gezicht ongecorrigeerd. Ten opzichte van den

Bourgondischen tijd in het bijzonder bestaat bovendien het gevaar van

een speciale gezichtsfout: dat men namelijk de verhouding tusschen

beeldende kunst en cultuuruitdrukking in het woord niet juist ziet.

In deze fout vervalt de beschouwer, wanneer hij er zich geen rekenschap

van geeft, dat reeds de stand der overlevering hem tegenover kunst en

litteratuur in zeer verschillende positie plaatst. De litteratuur der

late Middeleeuwen is ons, behoudens bijzondere uitzonderingen, vrijwel

volledig bekend. Wij kennen haar in haar hoogste uitingen en haar

laagste, in al haar genres en vormen, van het meest verhevene tot het

meest alledaagsche, van het vroomste tot het uitgelatenste, van het

meest theoretische tot het meest actueele. Het gansche leven van den

tijd wordt door de litteratuur weerspiegeld en uitgedrukt. En de

schriftelijke overlevering is nog niet uitgeput met de litteratuur; er

is bovendien nog alles wat de acten en bescheiden zeggen, om onze kennis

aan te vullen. Van de beeldende kunst daarentegen, die reeds door haar

aard het leven van den tijd minder direct en volledig uitdrukt, bezitten

wij niet dan een speciaal fragment. Buiten de kerkelijke kunst immers

zijn het slechts minieme resten. Alle wereldlijke beeldende kunst, alle

toegepaste kunst ontbreken bijna geheel: juist de vormen, waarin zich

de samenhang van kunstvoortbrenging en gemeenschapsleven voortdurend

openbaarde, zijn ons gebrekkig bekend. Onze kleine schat van

altaarstukken en grafmonumenten leert ons van dien samenhang lang niet

genoeg: het beeld van de kunst blijft geïsoleerd staan buiten onze

kennis van het bonte leven van den tijd. Om de functie van de beeldende

kunst in de Fransch-Bourgondische samenleving, de verhouding van kunst

en leven te begrijpen, is de bewonderende aanschouwing van de bewaarde

meesterwerken niet genoeg; ook het verlorene vraagt onze aandacht.

De kunst gaat in dien tijd nog op in het leven. Het leven staat in

sterke vormen bepaald. Het wordt bijeengehouden en gemeten door de

sacramenten der Kerk, de feesten van het jaar en de getijden des daags.

's Levens werken en vreugden hebben alle hun vasten vorm: godsdienst,

ridderschap en hoofsche min leveren de gewichtigste vormen des levens.

De taak der kunst is, om die vormen zelf, waarin het leven verliep, met

schoonheid te versieren. Wat men zoekt, is niet de kunst zelf, maar het

schoone leven. Men treedt niet, zooals latere tijden, uit een min of

meer onverschillige levenssleur naar buiten, om tot troost en verheffing

kunst te genieten in eenzelvige contemplatie; men vindt de kunst

aangewend tot verhooging van den luister des levens zelf. Zij is bestemd

om mee te klinken in de vervoeringen van het leven, hetzij in de hoogste

vlucht van vroomheid of in het hoovaardigste genieten van het

wereldsche. Als een eigen ding van schoonheid wordt de kunst in de

Middeleeuwen nog niet begrepen. Zij is voor het overgroote deel

toegepaste kunst, ook in de voortbrengselen, die wij als zelfstandige

kunstwerken zouden aanmerken; dat wil zeggen: haar bestemming, haar

dienstbaarheid aan eenigen levensvorm is het motief, om haar te

begeeren; de zuivere schoonheidsbedoeling moge des ondanks den

scheppenden kunstenaar zelf besturen, het geschiedt half onbewust. De

eerste kiemen van een kunstliefde om haars zelfs wil doen zich voor als

woekeringen der kunst_productie_: bij vorsten en edelen hoopen zich de

kunstvoorwerpen op tot verzamelingen; nu worden zij nutteloos en geniet

men ze als weelderige curiositeit, als kostbare deelen van den

vorstelijken schat, en daaraan eerst kweekt men den eigenlijken

kunstzin, die in de Renaissance is volgroeid.

In de groote kunstwerken der vijftiende eeuw, met name in de

altaarstukken en de grafkunst, ging voor den tijdgenoot de gewichtigheid

van het onderwerp en de bestemming ver vóór de waardeering van de

schoonheid. De werken moesten schoon zijn, omdat het onderwerp zoo

heilig of de bestemming zoo verheven was. Die bestemming is altijd min

of meer een praktische. Het altaarstuk heeft een tweeledige bestemming:

het dient tot plechtig vertoon bij hooge feesten, om de vrome

aanschouwing der schare te verlevendigen, en het bewaart de herinnering

aan de vrome stichters, wier gebed blijft opgaan uit hun geknielde

beeltenis. Het is bekend, dat de Aanbidding van het Lam van Hubert en

Jan van Eyck maar heel zelden geopend werd. Wanneer de Nederlandsche

stadsmagistraten ter versiering van de vierschaar in het raadhuis

tafereelen van vermaarde vonnissen of rechtsplegingen bestelden, zooals

het oordeel van Cambyses door Gerard David te Brugge, of dat van keizer

Otto door Dirk Bouts te Leuven, of de verloren Brusselsche schilderijen

van Rogier van der Weyden, dan was het, om den rechters een plechtig en

bloedig vermaan tot hun plicht voor oogen te houden.--Hoe gevoelig men

was voor het onderwerp van wat men aan de wanden prijken zag, moge

blijken uit het volgende geval. Te Lelinghem wordt in 1384 een

samenkomst gehouden, om tot een wapenstilstand tusschen Frankrijk en

Engeland te geraken. Berry, de prachtlievende, wien dit wel was

toevertrouwd, heeft de kale muren van de oude kapel, waar de vorstelijke

onderhandelaars elkaar zullen ontmoeten, laten behangen met tapijten,

waarop veldslagen der Oudheid zijn voorgesteld. Maar toen bij het eerste

binnenkomen de hertog van Lancaster, John of Gaunt, ze aanschouwt, wil

hij, dat die tafereelen van strijd weggenomen worden: zij die naar den

vrede streven, moeten geen oorlog en vernieling voor hun oogen hebben.

En er worden andere tapijten gehangen, waarop de instrumenten van het

lijden des Heeren staan afgebeeld. [838]

De praktische beteekenis van het onderwerp is onverbrekelijk verbonden

aan het portret, dat immers tot den huidigen dag zijn moreele waarde als

familiestuk behoudt, omdat de levensgevoelens, waaraan het dienstbaar

is, die van de ouderliefde en den familietrots, veel minder zijn

afgesleten dan de vormen van het sociale leven, waarin het

justitietafereel paste. Het portret had bovendien nog dikwijls de

bestemming tot kennismaking bij verlovingen. Met het gezantschap, dat

Philips de Goede in 1428 naar Portugal zendt, om hem een bruid te

werven, gaat ook Jan van Eyck, om de beeltenis der koningsdochter te

schilderen. Er wordt soms een fictie volgehouden, alsof de vorstelijke

bruidegom door het zien van het portret de onbekende prinses heeft

liefgekregen, zoo bij het werven van Richard II van Engeland om de

zesjarige Isabella van Frankrijk. [839] Er is zelfs wel eens sprake van

een keuze bij vergelijking naar portret. Als de jonge Karel VI van

Frankrijk een vrouw moet hebben, en men weifelt tusschen een

hertogsdochter van Beieren, Oostenrijk of Lotharingen, wordt een

uitnemend schilder gezonden, om van alle drie het portret te maken. Men

legt ze den koning voor, en hij kiest de veertienjarige Isabella van

Beieren, die hij verreweg de schoonste acht. [840]

Nergens is de praktische bestemming van het kunstwerk zoo overwegend als

bij het grafteeken, waaraan de beeldhouwkunst van dien tijd haar

werkzaamheid bij uitstek vond. En niet alleen de beeldhouwkunst: de

hevige behoefte aan een zichtbaar beeld van den gestorvene moest ook

reeds bij de begrafenis bevredigd worden. Soms werd de doode voorgesteld

door een levend mensch: bij den lijkdienst voor Bertrand du Guesclin te

Saint Denis verschenen vier geharnaste ridders te paard in de kerk,

"representans la personne du mort quand il vivoit". [841] Een rekening

uit 1375 vermeldt van een lijkplechtigheid in het huis van Polignac:

"cinq sols à Blaise pour avoir fait le chevalier mort à la sepulture."

[842] Bij de koninklijke begrafenissen is het meestal een leeren pop,

geheel gekleed in vorstelijken staat, en waarbij naar groote gelijkenis

wordt gestreefd. [843] Soms zijn er zelfs, naar 't schijnt, meer dan een

van die beeltenissen in den stoet. De aandoening van het volk

concentreert zich op het zien van die beelden. [844] Het doodenmasker,

dat in de vijftiende eeuw in Frankrijk opkomt, heeft wellicht uit de

vervaardiging van deze lijk-staatsiepoppen zijn uitgangspunt genomen.

De opdracht van een kunstwerk geschiedt bijna altijd met een bedoeling

voor het leven, met een praktische bestemming. Hierdoor wordt de grens

tusschen de vrij beeldende kunst en het kunsthandwerk feitelijk

uitgewischt, of liever zij is nog niet getrokken. Ook wat de personen

der kunstenaars betreft, bestaat die grens nog niet. De schaar van zeer

persoonlijke meesters in den hofdienst van Vlaanderen, Berry en

Bourgondië wisselt het schilderen van zelfstandige tafereelen niet enkel

af met het verluchten van handschriften en het polychromeeren van

beeldhouwwerk; zij moeten ook hun krachten wijden aan het beschilderen

van wapenschilden en banieren, het ontwerpen van tournooicostuums en

plechtgewaden. Melchior Broederlam, eerst schilder van den Vlaamschen

graaf Lodewijk van Male, daarna van diens schoonzoon, den eersten hertog

van Bourgondië, decoreert vijf gebeeldhouwde zetels voor 's graven huis.

Hij herstelt en beschildert de mechanieke rariteiten in het kasteel van

Hesdin, waarmee de gasten besproeid of bestoven werden. Hij werkt aan

een reiswagen der hertogin. Hij leidt de buitensporige versiering van de

vloot, die de Bourgondische hertog in 1387 verzameld had in de haven van

Sluis, voor een tocht tegen Engeland, die nimmer plaats had. Bij de

vorstelijke bruiloften en begrafenissen worden steeds de hofschilders in

het werk gesteld. In de werkplaats van Jan van Eyck werden standbeelden

beschilderd, en hij zelf vervaardigde voor hertog Philips een soort van

wereldkaart, waarop steden en landen wonderbaarlijk fijn en duidelijk

geschilderd te zien waren. Van Gerard David vindt men vermeld, dat hij

de tralies of luiken van het vertrek in het broodhuis te Brugge, waar

Maximiliaan in 1488 opgesloten zat, met schilderwerk versieren moest,

om den koninklijken gevangene het verblijf wat te veraangenamen.

Van al het werk, dat uit de handen der groote en geringere kunstenaars

gekomen is, heeft men slechts een fragment van tamelijk specialen aard

over. Het zijn in hoofdzaak grafmonumenten, altaarstukken, portretten

en miniaturen. Van de wereldlijke schilderkunst is, buiten de portretten,

slechts zeer weinig bewaard. Van de sierkunst en het kunsthandwerk

hebben wij sommige bepaalde genres: kerkgerei, kerkgewaden, eenige

meubelkunst. Hoe zou ons inzicht in het karakter der vijftiendeëeuwsche

kunst verlengd worden, indien wij de badstoof van Jan van Eyck en zijn

jachttafereelen konden plaatsen naast de vele pieta's en madonna's.

Van geheele gebieden der toegepaste kunst hebben wij nauwelijks een

voorstelling. Naast de kerkelijke paramenten moesten wij de met juweelen

en schelletjes bezette prachtgewaden van het hof kunnen leggen. Wij

moesten de pralend getooide schepen kunnen zien, waarvan ons de

miniaturen slechts een hoogst gebrekkige, schematische voorstelling

geven. Er zijn weinig dingen, wier schoonheid Froissart zoo heeft

getroffen als van de schepen. [845] De wimpels, rijk met wapens

versierd, die van den top van den mast wapperden, waren bij wijlen zoo

lang, dat zij het water raakten. Nog op de scheepsafbeeldingen van

Pieter Breughel ziet men die buitensporig lange en breede wimpels.

Het schip van Philips den Stoute, waaraan Melchior Broederlam in 1387

te Sluis werkte, was bedekt met blauw en goud; groote wapenschilden

versierden het paviljoen op het achterkasteel; de zeilen waren bestrooid

met margrieten en de voorletters van het hertogelijk paar, met hun

devies _Il me tarde_. Het was een wedijver onder de edelen, wie zijn

schip voor die gefaalde expeditie tegen Engeland het kostbaarst zou

versieren. De schilders hadden een goeden tijd, zegt Froissart; [846]

zij verdienden wat zij maar vragen wilden, en men kon er niet genoeg

vinden. Hij beweert, dat velen de masten geheel met bladgoud lieten

vergulden. Vooral Guy de la Trémoïlle spaarde geen kosten; hij besteedde

er meer dan 2000 ponden aan. "L'on ne se povoit de chose adviser pour

luy jolyer, ne deviser, que le seigneur de la Trimouille ne le feist

faire en ses nefs. Et tout ce paioient les povres gens parmy France...."

De trek, die ons in al de verloren wereldsche sierkunst het meest zou

hebben getroffen, zou ongetwijfeld het overdadige, schitterend

extravagante zijn geweest. Ook aan de bewaarde kunstwerken is die trek

van het extravagante wel degelijk eigen, maar daar wij die eigenschap in

deze kunst het minst waardeeren, letten wij er het minst op. Wij zoeken

er enkel de diepste schoonheid in te genieten. Alles wat louter praal

en luister is, heeft voor ons zijn prikkeling verloren. Maar voor den

tijdgenoot was juist die praal en luister van ontzaglijk gewicht.

De Fransch-Bourgondische cultuur der laatste Middeleeuwen is er een,

waarin pracht schoonheid wil verdrijven. De eind-middeleeuwsche kunst

weerspiegelt getrouw den eind-middeleeuwschen geest, een geest, die zijn

pad ten einde was geloopen. Wat wij hierboven beschouwden als een der

voornaamste kenmerken van het laat-middeleeuwsche denken: de uitbeelding

van al het denkbare tot in al zijn consequentie, de overvulling van den

geest met een oneindig systeem van formeele verbeeldingen, dat is ook

het wezen der kunst van dien tijd. Ook zij streeft ernaar, niets

ongevormd, niets onverbeeld of onversierd te laten. De flamboyante

gothiek is als een eindeloos orgelnaspel: zij lost alle vormen op in

zelfontbinding, geeft aan elk détail zijn voortgezette doorwerking, aan

elke lijn haar tegenlijn. Het is een ongebonden woekeren van den vorm

over de idee; het versierende détail tast alle vlakken en lijnen aan. Er

heerscht in deze kunst die horror vacui, die misschien een kenmerk van

eindigende geestesperioden mag heeten.

Dat alles wil zeggen, dat de grenzen tusschen praal en schoonheid

verflauwen. Tooi en versiering dienen niet meer, om het natuurlijk

schoone te verheerlijken, maar overwoekeren het en dreigen het te

verstikken. Die woekering van de formeele versieringselementen over den

inhoud is des te toomeloozer, naarmate men zich verder van de zuiver

beeldende kunst verwijdert. In de beeldhouwkunst is, zoolang zij

losstaande figuren schept, voor de vormenwoekering weinig plaats: de

beelden van den Mozesput en de "plourants" van de graftomben wedijveren

in strenge, sobere natuurlijkheid met Donatello. Maar zoodra de

beeldhouwkunst een versierende taak krijgt, of in het domein van de

schilderkunst treedt, en, zich bindend aan de verminderde dimensies van

het relief, geheele tafereelen weergeeft, gaat ook zij zich te buiten

aan woelige overlading. In den tabernakel te Dijon ziet men het naast

elkaar in het snijwerk van Jacques de Baerze en het schilderwerk van

Broederlam: in het laatste, het zuiver verbeeldende, heerscht eenvoud en

rust; in het eerste, het versierende, verdringen de vormen elkaar. Van

denzelfden aard is het verschil tusschen het schilderij en het tapijt.

De weefkunst blijft door haar onvrijer techniek, ook waar zij de taak op

zich neemt van zuiver af te beelden, nader staan bij de versieringskunst,

en kan zich niet onttrekken aan de overdreven versieringsbehoefte: de

tapijten zijn overvuld met figuren en kleur. Verwijdert men zich nog

verder van de zuiver beeldende kunst, dan komt de kleeding aan de beurt.

Ook deze is ontegenzeggelijk kunst. Maar hier is ten eerste de bedoeling

van praal en tooi reeds overwegend boven die van zuivere schoonheid, en

bovendien trekt de persoonlijke hoovaardij de kleedingkunst in de sfeer

van het hartstochtelijke en zinnelijke, waar de eigenschappen, die het

wezen der hooge kunst uitmaken: de evenmaat en harmonie, bezwijken.

De buitensporigheid der kleederdracht van 1350 tot 1480 is in zoo

algemeenen en zoo langdurigen vorm niet weer geëvenaard. Er zijn ook

later extravagante modes geweest, zooals de landsknechtendracht

omstreeks 1520 en het Fransche adellijke costuum van omstreeks 1660,

maar die teugellooze overdrijving en overlading, die de Fransch-

bourgondische dracht een eeuw lang gekenmerkt heeft, blijft zonder

voorbeeld. Hier ziet men, wat de schoonheidszin dier tijden, aan zijn

ongestoorde drift overgelaten, wrocht. Een enkel hofcostuum wordt

overladen met honderden edele steenen. Alle afmetingen worden tot in het

zotte geoutreerd. Het vrouwenkapsel neemt den suikerbroodvorm van den

"hennin" aan: het haar wordt aan de slapen en bij de inplanting op het

voorhoofd verwijderd of verborgen, om de zonderling gebombeerde

voorhoofden te vertoonen, die als schoon golden; het décolleté is

plotseling begonnen. Doch in de mannenkleeding zijn de buitensporigheden

nog talrijker. Hier heeft men bovenal de lange schoenpunten of

"poulaines", die de ridders bij Nicopolis zich moesten afsnijden, om te

kunnen vluchten; dan de ingesnoerde middels, de ballonachtig opgepofte

mouwen, die bij de schouders omhoog staan, de houppelandes, die tot op

de voeten hangen, en de buizen zoo kort, dat zij de billen zichtbaar

laten; de hooge, puntige of cilindervormige mutsen en hoeden, de

kaproenen wonderlijk om het hoofd gedrapeerd als een hanekam of een

vlammend vuur. Hoe plechtiger, hoe buitensporiger; want al dit fraais

beduidt staatsie, "estat". [847] Het rouwkleed, waarin Philips de Goede

na den moord van zijn vader te Troyes den koning van Engeland ontvangt,

is zoo lang, dat het van het hooge ros af, dat hij berijdt, de aarde

raakt. [848]

De overdadige pronk heeft haar toppunt in het hoffeest. Iedereen

herinnert zich de beschrijvingen van die Bourgondische hoffeesten,

zooals het banket te Rijssel in 1454, waar de gasten bij den opgedragen

fazant hun geloften aflegden, om tegen den Turk ter kruisvaart te

trekken, of het bruiloftsfeest van Karel den Stoute en Margareta van

York te Brugge in 1468. [849] Niets kan in onze voorstelling verder af

staan van de stille wijding van het Gentsche of Leuvensche altaarstuk

dan deze uitingen van barbaarsche vorstenweelde. Uit de beschrijving

van al die "entremets" met hun pasteien, waarin muzikanten spelen, hun

opgetuigde schepen en kasteelen, de apen, walvisschen, reuzen en

dwergen, met al de afgezaagde allegorie, die daarbij hoort, kunnen wij

ze ons niet anders voorstellen dan als buitengewoon wansmakelijke

vertooningen.

Toch zien wij hier licht de kloof tusschen de beide uitersten der kunst:

de kerkelijke en die van het hoffeest, in meer dan één opzicht te groot.

Allereerst moet men zich rekenschap geven van de functie, welke het

feest in die samenleving vervulde. Het feest had nog vrij wat behouden

van de functie, die het bij primitieve volken vervult, van te zijn de

souvereine uiting der cultuur, de vorm, waarin men gezamenlijk zijn

hoogste levensvreugde uit en zijn gemeenschapsgevoel verbeeldt. In

tijden van groote vernieuwing der gemeenschap, zooals in de Fransche

revolutie, verwerft het feest soms die belangrijke sociale en

aesthetische functie opnieuw.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 29 / 38 段