Het gebrek aan kritische onderscheiding en de lichtgeloovigheid spreken

zoo duidelijk uit elke bladzijde der middeleeuwsche litteratuur, dat het

onnoodig is voorbeelden aan te halen. Natuurlijk bestaat hier een groot

verschil in graad al naar de ontwikkeling van den persoon. Onder het

volk der Bourgondische landen heerschte ten opzichte van Karel den

Stoute nog die eigenaardige vorm van barbaarsche lichtgeloovigheid, die

aan den dood van de indrukwekkende heerschersfiguur nooit recht gelooven

deed, zoodat men tot tien jaar na den slag van Nancy elkaar nog leende

op afbetaling, als de hertog zou terugkomen. Basin, die het meedeelt,

behandelt het als louter dwaasheid. [811] Doch bij allen vat onder den

invloed van den sterken hartstocht en de gereede verbeelding het geloof

aan de realiteit van het verbeelde zeer licht post. Bij een

geestesgesteldheid, waarin zoo sterk in zelfstandige verbeeldingen wordt

gedacht, geeft de bloote aanwezigheid van een voorstelling in den geest

een groote presumptie van geloofwaardigheid. Zoodra een denkbeeld

eenmaal met naam en vorm in het brein rondwandelt, is het als 't ware

opgenomen in het systeem van moreele en godsdienstige figuren, en deelt

onwillekeurig in hun hooge geloofwaardigheid.

Terwijl nu aan den eenen kant de begrippen door hun scherpe omlijning,

hun hiërarchisch verband en hun dikwijls anthropomorph karakter

bijzonder vast en onbewegelijk zijn, dreigt aan den anderen kant het

gevaar, dat juist in dien levendigen vorm van het begrip de inhoud zoek

raakt. Eustache Deschamps wijdt een lang, allegorisch en satirisch

leergedicht _Le Miroir de Mariage_ [812] aan de nadeelen van het

huwelijk; als hoofdpersoon treedt daarin op Franc Vouloir, door Folie

en Désir aangespoord om te trouwen, door Repertoire de science daarvan

teruggebracht. In de uiterlijke personificatie nu put zich de

voorstelling van den dichter zoozeer uit, dat zijn opvatting van wat

Franc Vouloir eigenlijk beteekent, wankelt tusschen den abstracten

vrijen wil en de vrijheid van den vroolijken jonggezel. Hetzelfde

gedicht illustreert nog in een ander opzicht, hoe in de uitgewerkte

verbeeldingen de gedachte licht bleef wankelen of zich vervluchtigde.

De toon van het gedicht is die van de bekende philisterachtige en in

den grond zinnelijke vrouwenverguizing: de bespotting van haar zwakheid,

de verdachtmaking van haar eer, waarin de gansche Middeleeuwen zich

verlustigd hebben. Voor ons gevoel dissoneert met dien toon op schrille

wijze de vrome aanprijzing van het geestelijk huwelijk en het schouwende

leven, waarop Repertoire de science zijn vriend Franc Vouloir in het

latere gedeelte van het gedicht onthaalt. [813] Even vreemd doet het

ons aan, dat de dichter door Folie en Désir soms hooge waarheden laat

bewijzen, die men van den kant der tegenpartij zou verwachten. [814]

Hier als zoo dikwijls bij de middeleeuwsche uitingen rijst de vraag:

heeft de dichter gemeend, wat hij aanprees? Zooals men ook vragen mocht:

hebben Jean Petit en zijn Bourgondische beschermers geloofd in al de

gruwelen, waarmee zij de nagedachtenis van Orleans bekladden? Of: hebben

de vorsten en edelen ernst gezien in al de bizarre fantazie en vertooning,

waarmee zij hun ridderlijke krijgsplannen en geloften aankleedden? Het is

uiterst moeilijk, om ten opzichte van de middeleeuwsche gedachte de grenzen

tusschen overtuiging en geveinsdheid, tusschen ernst en spel zuiver te

trekken. Soms schijnt alles geveinsd, soms schijnt alles naïef gemeend.

Vermenging van ernst en spel kenmerkt de zeden op allerlei gebied.

Vooral in den oorlog wordt gaarne een komisch element gebracht: de spot

der belegerden over hun vijand, dien zij dikwijls bloedig boeten. Die

van Meaux brengen een ezel op den muur, om Hendrik V van Engeland te

hoonen; die van Condé verklaren zich nog niet te kunnen overgeven, want

zij zijn nog bezig hun paasch-pannekoeken te bakken; te Montereau

stoffen de burgers, op den muur staande, hun kaproenen af, wanneer het

kanon der belegeraars heeft losgebrand. [815] In dezelfde lijn ligt het,

wanneer het kamp van Karel den Stoute voor Neuss wordt ingericht als een

groote kermis: de edelen laten "par plaisance" hun tenten bouwen in den

vorm van kasteelen, met galerijen en tuinen; er is allerlei vermaak.

[816]

Er is één gebied, waar die bijmenging van spot in de ernstigste dingen

bijzonder grillig aandoet: de sombere sfeer van het duivel- en

heksengeloof. Al wortelde de duivelfantazie onmiddellijk in den grooten

diepen angst, die haar voortdurend voedt, toch kleurde ook hier de

naïeve verbeelding de figuren zoo kinderlijk bont, en maakt ze zoo

gemeenzaam, dat zij soms het angstwekkende verliezen. Het is niet alleen

in de litteratuur, dat de duivel als komische figuur optreedt: ook in

den gruwelijken ernst van de tooverijprocessen blijft het gezelschap van

Satan vaak breughelsch en rabelaisiaansch, en vermengt zich de helsche

zwavellucht met de veesten van de klucht. De duivelen, die een

nonnenklooster in onrust brengen, onder hun kapiteins Tahu en Gorgias,

dragen namen "assez consonnans aux noms des mondains habits, instruments

et jeux du temps présent, comme Pantoufle, Courtaulx et Mornifle." [817]

De vijftiende eeuw is die der heksenvervolgingen bij uitstek geweest. In

den tijd, waarmee wij de Middeleeuwen plegen te sluiten en blijde opzien

naar het bloeiende Humanisme, wordt de stelselmatige uitwerking van den

heksenwaan, die vreeselijke uitgroei van de middeleeuwsche gedachte,

bezegeld door den _Malleus maleficarum_ en de bul _Summis desiderantes_

(1487 en 1484). En geen Humanisme of Hervorming keeren dien waan: geeft

niet de humanist Jean Bodin nog na het midden der zestiende eeuw in zijn

_Démonomanie_ het meeste en geleerdste voedsel aan de vervolgzucht? De

nieuwe tijd en het nieuwe weten hebben niet aanstonds den gruwel der

heksenvervolging van zich gewezen. Omgekeerd zijn de meedoogender

opvattingen omtrent hekserij, die in het laatst der zestiende eeuw door

den Gelderschen geneesheer Johannes Wier verkondigd werden, reeds in de

vijftiende eeuw ruimschoots vertegenwoordigd.

De houding toch van den laat-middeleeuwschen geest tegenover het

bijgeloof, met name tegenover heksen en tooverij, is zeer gevarieerd en

weinig vast. Zóó hulpeloos overgeleverd aan alle spooksel en waan, als

men uit de algemeene lichtgeloovigheid en het gemis aan kritiek

verwachten zou, is de tijd niet. Er zijn tal van uitingen van twijfel of

van rationeele opvatting. Telkens weer zijn het haarden van demonomanie,

waar het kwaad uitbreekt en zich soms langen tijd handhaaft. Daar waren

toover- en heksenlanden bij uitnemendheid, meest bergstreken: Savoye,

Zwitserland, Lotharingen, Schotland. Doch ook daarbuiten komen van die

epidemieën voor. Omstreeks 1400 was het Fransche hof zelf zulk een haard

van tooverij. Een prediker waarschuwde den hofadel, dat men oppassen

moest, of de spreekwijze zou in plaats van "vieilles sorcières" "nobles

sorciers" gaan luiden. [818] In het bijzonder rondom Lodewijk van

Orleans zweefde de atmosfeer van duivelskunsten; de beschuldigingen en

verdachtmakingen van Jean Petit misten in dit opzicht niet allen grond.

Orleans' vriend en raadsman, de oude Philippe de Mézières, die bij de

Bourgondiërs gold als de geheimzinnige inblazer van al diens misdaden,

vertelt zelf, hoe hij indertijd de tooverkunst geleerd had van een

Spanjaard, en hoeveel moeite 't hem had gekost, om die snoode kennis

weer te vergeten. Nog tien of twaalf jaar sedert hij uit Spanje weg was,

"à sa volenté ne povoit pas bien extirper de son cuer les dessusdits

signes et l'effect d'iceulx contre Dieu", totdat hij eindelijk,

biechtende en zich verzettende, door Gods goedheid verlost werd "de

ceste grant folie, qui est à l'âme crestienne anemie". [819] De meesters

der tooverkunst zocht men bij voorkeur in wilde streken: een persoon,

die gaarne den duivel zou spreken en niemand kan vinden, om hem die

kunst te leeren, wordt verwezen naar "Ecosse la sauvage". [820]

Orleans had zijn eigen heksenmeesters en nigromanciens. Een hunner,

wiens kunst hem niet voldeed, liet hij verbranden. [821] Aangemaand om

over het geoorloofde van zijn bijgeloovige praktijken het gevoelen van

godgeleerden te vragen, antwoordde hij: "Waarom zou ik denzulken vragen?

ik weet immers, dat zij het mij zouden ontraden, en toch ben ik volkomen

besloten, zoo te handelen en zoo te gelooven, en ik zal het niet

nalaten." [822]--Gerson brengt met dat hardnekkig zondigen Orleans'

plotselingen dood in verband; hij keurt ook de proeven af, om den

krankzinnigen koning door tooverij te genezen, die reeds door meer dan

één bij mislukking met den vuurdood geboet waren. [823]

Eén tooverpraktijk in het bijzonder werd aan de vorstenhoven

herhaaldelijk genoemd: die welke in het Latijn "invultare", in het

Fransch "envoûtement" heette, de toeleg, over de geheele wereld bekend,

om een vijand te verderven door een gedoopt wassen beeldje of andere

figuur, in zijn naam vervloekt, te doen smelten of te doorsteken.

Philips VI van Frankrijk zou zulk een beeldje, dat hem in handen kwam,

zelf in het vuur hebben geworpen met de woorden: "Wij zullen zien, of

de duivel machtiger is om mij te verderven, dan God om mij te redden."

[824]--Ook de Bourgondische hertogen worden ermee vervolgd. "N'ay-je

devers moy--beklaagt Charolais zich bitter--les bouts de cire baptisés

dyaboliquement et pleins d'abominables mystères contre moy et autres?"

[825]--Philips de Goede, die in zoo vele opzichten tegenover zijn

koninklijke neven de meer conservatieve levensopvatting

vertegenwoordigt: in zijn zin voor ridderschap en staatsie, in zijn

kruistochtplan, in de meer ouderwetsche litteraire vormen, die hij

beschermde,--schijnt op het stuk van bijgeloof verlichter meeningen

toegedaan te zijn geweest dan het Fransche hof, met name Lodewijk XI.

Philips hecht niet aan den ongeluksdag van Onnoozele kinderen, die zich

ieder week herhaalde; hij vorscht niet naar de toekomst bij astrologen

en waarzeggers, "car en toutes choses se monstra homme de léalle entière

foy envers Dieu, sans enquérir riens de ses secrets", zegt Chastellain,

die dat standpunt deelt. [826] Het is de hertog, wiens ingrijpen een

einde maakt aan de vreeselijke vervolgingen van heksen en toovenaars te

Atrecht in 1461, een der groote epidemieën van den heksenwaan.

De ongeloofelijke verblinding, waarmee de heksencampagnes geleid werden,

sproot tendeele voort uit het feit, dat zich de begrippen tooverij en

ketterij vermengd hadden. In het algemeen had zich alle afschuw, vrees

en haat over ongehoorde vergrijpen, ook die buiten het directe

geloofsgebied lagen, uitgedrukt in het begrip ketterij. Monstrelet noemt

bij voorbeeld de sadistische misdaden van Gilles de Rais eenvoudig

"hérésie". [827] Het gewone woord voor tooverij was in de vijftiende

eeuw in Frankrijk "vauderie", dat zijn verband met de Waldenzen verloren

had. In de groote "Vauderie d'Arras" nu ziet men zoowel den ontzettenden

ziekelijken waan, waaruit weldra de _Malleus maleficarum_ zou worden

uitgebroeid, als den algemeenen twijfel, zoo bij het volk als bij de

hooggeplaatsten, aan de werkelijkheid van al de ontdekte misdrijven.

Een der inquisiteurs beweert, dat een derde gedeelte der christenheid

met vauderie is besmet. Zijn godsvertrouwen brengt hem tot de

huiveringwekkende consequentie, dat ieder van tooverij beschuldigde ook

schuldig moet zijn. God toch laat niet toe, dat iemand ervan wordt

beschuldigd, die geen toovenaar is. "Et quand on arguoit contre lui,

fuissent clercqs ou aultres, disoit qu'on debvroit prendre iceulx

comme suspects d'estre vauldois." Houdt iemand vol, dat sommige der

verschijnselen op inbeelding berusten, dan noemt hij hem verdacht.

Ja, deze inquisiteur meende op het zien van iemand te kunnen oordeelen,

of hij bij de vauderie betrokken was of niet. Later werd de man

krankzinnig, maar de heksen en toovenaars waren verbrand.

De stad Atrecht geraakte door de vervolgingen zoo in opspraak, dat men

haar kooplui niet meer wilde herbergen of hun crediet verleenen, uit

vrees, dat zij wellicht morgen van tooverij aangeklaagd, hun goed door

verbeurdverklaring zouden verliezen. Niettemin, zegt Jacques du Clercq,

geloofde buiten Atrecht niet één op duizend aan de waarheid van dat

alles: "oncques on n'avoit veu es marches de par decha tels cas advenu."

Als de slachtoffers bij hun terechtstelling hun euvele daden herroepen

moeten, twijfelt het volk van Atrecht zelf. Een gedicht vol haat tegen

de vervolgers beschuldigt hen, alles uit hebzucht te hebben aangespannen;

de bisschop zelf noemt het een opgezette zaak, "une chose controuvée par

aulcunes mauvaises personnes". [828] De hertog van Bourgondië roept het

advies in der faculteit van Leuven, van welke meerderen verklaren, dat

de vauderie niet reëel is, dat het enkel illusies zijn. Toen zendt

Philips zijn wapenkoning Toison d'or naar de stad, en sedert dien tijd

werden geen nieuwe slachtoffers meer gevat, en die nog in staat van

beschuldiging waren, zachter behandeld.

Tenslotte zijn al de Atrechtsche heksenprocessen vernietigd. En de stad

vierde dat feit met een vroolijk feest en stichtelijke zinnespelen.

[829]

De waan der heksen zelf van haar luchtritten en sabbathorgieën is niet

dan haar eigen inbeelding, dat was het standpunt, in de vijftiende eeuw

reeds door verscheidenen ingenomen. Daarmee was evenwel nog niet de rol

van den duivel geschrapt, want hij is het, die de noodlottige illusie

teweegbrengt; het is een dwaling, maar zij komt van den duivel. Dat is

ook nog het standpunt van Johannes Wier in de zestiende eeuw. Bij Martin

Lefranc, proost van de kerk van Lausanne, den dichter van het groote

werk _Le Champion des Dames_, dat hij in 1440 aan Philips den Goede

opdroeg, vindt men de volgende verlichte voorstelling van den

heksenwaan.

"Il n'est vieille tant estou(r)dye,

Qui fist de ces choses la mendre (de geringste)

Mais pour la faire ou ardre ou pendre,

L'ennemy de nature humaine,

Qui trop de faulx engins scet tendre,

Les sens faussement lui demaine.

Il n'est ne baston ne bastonne

Sur quoy puist personne voler,

Mais quant le diable leur estonne

La teste, elles cuident aler

En quelque place pour galer

Et accomplir leur volonté.

De Romme on les orra parler,

Et sy n'y auront jà esté.

* * * * * * * * * * * *

Les dyables sont tous en abisme,

--Dist Franc-Vouloir--enchaienniez (geketend)

Et n'auront turquoise ni lime

Dont soient jà desprisonnez.

Comment dont aux cristiennez

Viennent ilz faire tant de ruzes

Et tant de cas désordonnez?

Entendre ne sçay tes babuzes."

En elders in hetzelfde gedicht:

"Je ne croiray tant que je vive

Que femme corporellement

Voit par l'air comme merle ou grive,

--Dit le Champion prestement.--

Saint Augustin dit plainement

C'est illusion et fantosme;

Et ne le croient aultrement

Gregoire, Ambroise ne Jherosme.

Quant la pourelle est en sa couche,

Pour y dormir et reposer,

L'ennemi qui point ne se couche

Se vient encoste alle poser.

Lors illusions composer

Lui scet sy tres soubtillement,

Qu'elle croit faire ou proposer

Ce qu'elle songe seulement.

Force la vielle songera

Que sur un chat ou sur un chien

A l'assemblée s'en ira;

Mais certes il n'en sera rien:

Et sy n'est baston ne mesrien (balk)

Qui le peut ung pas enlever." [830]

* * * * * * * * * * * *

Ook Froissart houdt het geval van den Gasconschen edelman met zijn

volggeest Horton, dat hij zoo meesterlijk beschrijft, voor een "erreur".

[831] Gerson heeft een neiging, om in de beoordeeling der duivelsche

illusiën nog een schrede verder te gaan, en een natuurlijke verklaring

te zoeken voor allerlei bijgeloovige verschijnselen. Veel daarvan, zegt

hij, komt enkel voort uit de menschelijke verbeelding en melancholische

waanvoorstellingen, en deze berusten in duizenden gevallen op eenig

bederf van de verbeeldingskracht, bij voorbeeld door een inwendig letsel

der hersenen. Hierin schijnt hij zeer verlicht, evenals waar hij in het

bijgeloof een belangrijk aandeel toeschrijft aan heidensche overleefsels

en dichterlijke verzinselen. Maar hoewel Gerson toegeeft, dat veel

gewaande duivelarij aan natuurlijke oorzaken is toe te schrijven, laat

ook hij tenslotte den duivel de eer: dat inwendige hersenletsel komt

weer voort uit duivelsche illusiën. [832]

Buiten de vreeselijke sfeer der heksenvervolging werkte de Kerk met

heilzame en gepaste middelen het bijgeloof tegen. De prediker broeder

Richard laat zich de "madagoires" (mandragora, alruin) brengen, om ze te

verbranden, "que maintes sotes gens gardoient en lieux repos, et avoient

si grant foy en celle ordure, que pour vray ilz creoient fermement, que

tant comme ilz l'avoient, mais qu'il fust bien nettement en beaux

drapeaulx de soie ou de lin enveloppé, que jamais jour de leur vie ne

seroient pouvres." [833]--De burgers, die zich door een troep Zigeuners

de hand hebben laten lezen, worden geëxcommuniceerd, en er wordt een

processie gehouden, om het onheil af te weren, dat uit die goddeloosheid

zou kunnen voortvloeien. [834]

Een tractaat van Dionysius den Kartuizer toont helder aan, langs welke

lijnen de grenzen tusschen geloof en bijgeloof getrokken werden, op

welken grondslag de kerkleer ten deele verwierp, ten deele de

voorstellingen door waarlijk godsdienstigen inhoud trachtte te zuiveren.

Amuletten, besprekingen, zegenspreuken enz., zegt Dionysius, hebben in

zich zelf niet de kracht, om een uitwerking teweeg te brengen, gelijk

die wel zich hecht aan de sacramentswoorden, waaraan, indien zij met de

juiste bedoeling gesproken worden, ontwijfelbare uitwerking toekomt,

daar God aan die woorden als 't ware zijn macht verbonden heeft. De

benedicties evenwel zijn enkel te beschouwen als een nederige smeekbede,

alleen te verrichten met de gepaste vrome woorden en met de hoop alleen

op God gevestigd. Indien zij gemeenlijk effect hebben, dan is dit òf

doordat, bij behoorlijke verrichting, God die uitwerking verleent, òf,

worden zij anders verricht, bij voorbeeld het kruisteeken anders dan

recht gemaakt, en hebben toch niettemin uitwerking, dan is het effekt

des duivels werk. 's Duivels werken zijn geen wonderen, want de duivelen

kennen de geheime krachten der natuur; de werking is dus een natuurlijke,

evenals de voorbeduidende beteekenis van vogels enz. op natuurlijke

oorzaken berust.--Dionysius erkent, dat de volkspraktijk aan al die

zegenspreuken, amuletten enz. wel degelijk de zelfstandige waarde toekent,

die hij loochent, en meent, dat de geestelijken dan ook liever maar al

die gewoonten moesten verbieden. [835]

In het algemeen kan men de houding tegenover alles wat bovennatuurlijk

scheen, kenschetsen als een weifelen tusschen redelijke, natuurlijke

verklaring, spontane, vrome aanvaarding en argwaan in duivelsche list en

bedrog. Het woord, dat door het gezag van Augustinus en Thomas van

Aquino was gestaafd: "Omnia quae visibiliter fiunt in hoc mundo, possunt

fieri per daemones," liet den vrome van goeden wille in groote

onzekerheid, en de gevallen, dat een arme hysterica een gansche burgerij

tijdelijk in vrome opwinding bracht en ten slotte ontmaskerd werd, zijn

niet zeldzaam. [836]

NOTEN:

[764] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 184, 189, 242,

266.

[765] Olivier de la Marche, l'Estat de la maison etc., t. IV p. 56, zie

dergelijke vragen hierboven blz. 60. (zie Hoofdstuk II, tekst volgend op

noot 86)

[766] J.H. Round, The king's serjeants and officers of state with their

coronation services, London 1911, p. 41.

[767] Le livre des trahisons, p. 27.

[768] Rel. de S. Denis, III p. 464s, Juvenal des Ursins, p. 440; Noël

Valois, La France et le grand schisme d'occident, Paris, 1896-1902, 4

vol., III p. 433.

[769] Juvenal des Ursins, p. 342.

[770] Monstrelet, I p. 177-242; Coville, Le véritable texte de la

justification du duc de Bourgogne par Jean Petit, Bibliothèque de

l'école des chartes, 1911, p. 57.

[771] Leroux de Lincy, Le proverbe français, vgl. E. Langlois, Bibl. de

l'Ecole des chartes LX, 1899, p. 569, J. Ulrich, Zeitschr. f. franz.

Sprache & Lit. XXIV, 1902, p. 191.

[772] Achter Les Grandes chroniques de France, ed. P. Paris, IV p. 478.

[773] Alain Chartier, ed. Duchesne p. 717.

[774] Jean Molinet, Faictz et Dictz, ed. Parijs 1537, f. 80, 119, 152,

161, 170, 194.

[775] Coquillart, Oeuvres, I p. 6.

[776] Villon, ed. Long-nom, p. 134.

[777] Roberti Gaguini, Ep. et or., ed. Thuasne, II p. 366.

[778] Gerson, Opera, IV p. 657; ib. I p. 936; vgl. Leroux de Lincy, Le

proverbe français, I p. lii.

[779] Geffroi de Paris, ed. de Wailly et Delisle, Bouquet, Recueil des

Historiens des Gaules et de la France, XXII p. 87, zie index rerum et

personarum s. v. Proverbia, p. 926.

[780] Froissart, ed. Luce, XI p. 119; ed. Kervyn, XIII p. 41, XIV p. 33,

XV p. 10; Le Jouvencel, I p. 60, 62, 63, 74, 78, 93.

[781] Zie mijn Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef, De Gids

1912, I.

[782] Hierboven blz. 202. (zie Hoofdstuk IV, tekst volgend op noot 389)

[783] A. Piaget, Le livre Messire Geoffroy de Charny, Romania, XXVI,

1897, p. 396.

[784] Larbre des batailles, Paris, Michel le Noir 1515. Zie over Bonet

Molinier, Sources de l'histoire de France, no. 3694.

[785] Chap. 35, 85 bis (de nos. 80-90 komen in de uitgave van 1515

tweemaal voor), 124/6.

[786] Chap. 56, 60, 84, 132.

[787] Chap. 82, 89, 80 bis en vg.

[788] Le Jouvencel, I p. 222, II p. 8, 93, 96, 133, 214.

[789] Les vers de maître Henri Baude, poète du XVe siècle, ed. Quicherat

(Trésor des pièces rares ou inédites), 1856, p. 20-25.

[790] Champion, Villon, II p. 182.

[791] La Marche. II p. 80.

[792] L.c., II p. 168.

[793] Chastellain, IV p. 169.

[794] Chron. scand., II p. 83.

[795] Petit-Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires

etc.; vgl. Chastellain, V p. 399 en Jacques du Clercq, passim.

[796] Du Clercq, IV p. 264; vgl. III p. 180, 184, 206, 209.

[797] Monstrelet, I p. 342, V p. 333; Chastellain, II p. 389; La Marche,

II p. 284, 331; Le livre des trahisons, p. 34, 226.

[798] Quicherat, Th. Basin, I p. xliv.

[799] Chastellain, III p. 106.

[800] Sermo de nativ. domini, Gerson, Opera, III p. 947.

[801] Le Pastoralet, vs. 2043.

[802] Jean Jouffroy, Oratio, I p. 188.

[803] La Marche, I p. 63.

[804] Gerson, Querela nomine Universitatis etc., Opera, IV p. 574; vgl.

Rel. de S. Denis, III p. 185.

[805] Chastellain, II p. 375, vgl. 307.

[806] Commines, I p. 111, 363.

[807] Monstrelet, IV p. 388.

[808] Bassin, I p. 66.

[809] La Marche, I p. 60, 63, 83, 88, 91, 94, 134(1); III p. 101.

[810] Commines, I p. 170, 391, 262, 413, 460.

[811] Basin, II p. 417, 419.

[812] Deschamps, Oeuvres, t. IX.

[813] L.c., p. 219ss.

[814] L.c., p. 293ss.

[815] Monstrelet, IV p. 93; Livre des trahisons, p. 157; Molinet, II

p. 129; vgl. du Clercq, IV p. 203, 273; Th. Pauli, p. 278.

[816] Molinet, I p. 65.

[817] Molinet, IV p. 417; Courtaulx = een muziekinstrument, Mornifle =

een kaartspel.

[818] Gerson, Opera, I p. 205.

[819] Le songe du vieil pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières, p. 69(1).

[820] Juvenal des Ursins, p. 425.

[821] L.c., p. 415.

[822] Gerson, Opera, I p. 206.

[823] Gerson, Sermo coram rege Franciae, Opera, IV p. 620; Juvenal des

Ursins, p. 415, 423.

[824] Gerson, Opera, I p. 216.

[825] Chastellain, IV p. 324, 323, 314(1), vgl. du Clercq, III p. 236.

[826] Chastellain, II p. 376, III p. 446, 447(1), 448, IV p. 213, V p. 32.

[827] Monstrelet, V p. 425.

[828] Chronique de Pierre le Prêtre, bij Bourquelot, La vauderie

d'Arras, Bibliothèque de l'école des chartes, 2e série, III p. 109.

[829] Jacques du Clercq, III passim; Matthieu d'Escouchy, II p. 416ss.

[830] Martin le Franc, Le Champion des dames, bij Bourquelot, l.c., p. 86;

bij Thuasne, Gaguin, II p. 474.

[831] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 193.

[832] Gerson, Contra superstitionem praesertim Innocentum, Op. I p. 205;

De erroribus circa artem magicam, I p. 211; De falsis prophetis, I p. 545;

De passionibus animae, III p. 142.

[833] Journal d'un bourgeois, p. 236.

[834] L.c., p. 220.

[835] Dionysius Cartusianus, Contra vitia superstitionum quibus circa

cultum veri Dei erratur, Opera, t. XXXVI p. 211ss.; vgl. A. Franz, Die

kirchlichen Benediktionem im Mittelalter, Freiburg 1909, 2 bde.

[836] B.v. Jacques du Clercq, III p. 104-107.

* * * * *

XII

DE KUNST IN HET LEVEN [837]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 28 / 38 段