De behoefte, om elk levensgeval uit te beelden tot een moreel voorbeeld,

elk oordeel af te zonderen tot een sententie, waardoor het iets

substantieels en onaantastbaars krijgt, kortom dat kristallisatieproces

der gedachte, vindt haar meest algemeene en natuurlijke uiting in het

spreekwoord. Het spreekwoord neemt in de middeleeuwsche gedachte een

zeer belangrijke plaats in. Het treedt als 't ware in concurrentie met

de heilige schrift. Tegenover de onbereikbare verhevenheid der

bijbelsche moraal handhaaft in het spreekwoord de nuchtere,

laag-bij-den-grondsche, baatzuchtige levenswijsheid haar gezag.

Tegenover de jammerklacht over de aardsche zondigheid en verdorvenheid

stelt de volkswijsheid in het spreekwoord haar nuchtere, goedmoedige,

ironische berusting in de slechtheid der wereld. Uit het spreekwoord

klinkt de diepe genoegzaamheid, die grenst aan de wijsheid van hen, die

de wereld tot den grond hebben gepeild, en haar aanzien met een

glimlach; de weldadige wijsheid van het spreekwoord ligt in zijn

resignatie. "Les grans poissons mangent les plus petis."--"Les mal

vestus assiet on dos au vent." Daar ligt de sociale rechtvaardigheid.

"Nul n'est chaste si ne besongne" (als het niet noodig is). "Il n'est si

ferré qui ne glice" (niemand zoo goed beslagen, dat hij niet uitglijdt).

"L'homme est bon tant qu'il craint sa peau". "Au besoing on s'aide du

diable". Daar ligt de moraal. "Moyen dueil vault mieux que trop joye".

"Chascun a chose qui le myne". "Le jeu vault tant comme on y met". "Trop

quiert (begeert) qui veult happer la lune".

Het is verbazend, welk een aantal spreekwoorden er in de late

Middeleeuwen gangbaar zijn geweest. [771] In hun alledaagsche geldigheid

sluiten zij zoo goed aan bij den gedachteninhoud der litteratuur, dat de

dichters van dien tijd er een druk gebruik van maken. Zeer in trek is

bij voorbeeld het gedicht, waarvan elke strofe eindigt met een

spreekwoord. Een ongenoemde wijdt in zulk een vorm een schimpdicht aan

den gehaten prévôt van Parijs, Hugues Aubriot, bij diens smadelijken

val. [772] Vervolgens komt Alain Chartier met zijn _Ballade de Fougères_

[773] Molinet met verschillende stukken uit zijn _Faictz et Dictz_,

[774] Coquillart's _Complaincte de Eco_, [775] Villon's ballade, geheel

uit spreekwoorden opgebouwd. [776] Ook _Le passé temps d'oysiveté_ van

Robert Gaguin [777] hoort ertoe; de 171 strofen eindigen op enkele na

met een passend spreekwoord. Of zijn deze spreekwoordachtige zedelijke

uitspraken (waarvan ik maar enkele weervind in de mij bekende collecties

van spreekwoorden) eigen gedachten van den dichter? In dat geval zou

het nog sterker bewijs zijn, welk een levende functie in het laat-

middeleeuwsche denken aan het spreekwoord, dat is aan het afgeronde,

geijkte, algemeen verstaanbare oordeel, toekwam, indien wij ze hier in

onmiddellijke aansluiting bij een gedicht uit den geest van een

individueelen dichter zien ontstaan.

Zelfs de preek versmaadt naast de heilige teksten het spreekwoord niet,

en het ernstig betoog in staats- of kerkvergaderingen maakt er een ruim

gebruik van. Gerson, Jean de Varennes, Jean Petit, Guillaume Fillastre,

Olivier Maillard brengen in hun preeken en oraties de meest alledaagsche

spreekwoorden tot sterking van hun betoog te pas: "Qui de tout se tait,

de tout a paix, Chef bien peigné porte mal bacinet (helm), D'aultrui

cuir large courroye, Qui commun sert, nul ne l'en paye, Qui est tigneux,

il ne doit pas oster son chaperon." [778]--Ja, er is zelfs een schakel

tusschen het spreekwoord en de _Imitatio_, die immers naar den vorm

berust op de spreukenverzamelingen of rapiaria, waarin men wijsheid van

allerlei aard en herkomst placht te vergaren.

Er zijn in de latere Middeleeuwen tal van schrijvers, wier kracht van

oordeel zich eigenlijk niet boven het spreekwoord verheft, dat zij dan

ook voortdurend toepassen. Een kroniekschrijver uit het begin der

veertiende eeuw, Geoffroi de Paris, doorspekt zijn berijmd

geschiedverhaal met spreekwoorden, die de moraal van het gebeurde geven,

[779] en daaraan doet hij wijzer dan Froissart en _Le Jouvencel_, wier

sententies van eigen maaksel dikwijls als halfgare spreekwoorden

uitvallen: "Enssi aviennent li fait d'armes: on piert une fois et

l'autre fois gaagn'on." "Or n'est-il riens dont on ne se tanne." "On

dit, et vray est, que il n'est chose plus certaine que la mort." [780]

Een soortgelijke kristallisatievorm der gedachte als het spreekwoord is

het devies, dat in de laatste Middeleeuwen met bijzondere voorliefde

gecultiveerd wordt. Het is geen wijsheid van algemeene strekking, zooals

het spreekwoord, maar een persoonlijke aansporing of levensles, die door

den drager tot een teeken is verheven, dat hij met gouden letters in

zijn leven zelf aanbrengt, een les, die door de gestyleerde herhaling,

waarmee zij op al de stukken van garderobe en uitrusting wederkeert,

hem en de anderen moet suggereeren en vast houden. De stemming van de

deviezen is veelal een van berusting, evenals bij het spreekwoord, van

verwachting, soms met een onuitgesproken element, dat ze geheimzinnig

moest maken: "Quand sera ce? Tost ou tard vienne, Va oultre, Autre fois

mieulx, Plus dueil que joye." Verreweg de meeste hebben betrekking op de

liefde: "Aultre naray, Vostre plaisir, Souvienne vous, Plus que toutes."

Dat zijn ridderlijke spreuken, op dekkleed en wapenrusting aangebracht.

Op de ringen stonden zij met intiemer klank: "Mon cuer avez, Je le

desire, Pour tousjours, Tout pour vous."

Met de emblemen, die het devies òf zichtbaar illustreeren òf ermee in

los verband van zin staan, maken de zinspreuken deel uit van de

heraldische gedachtensfeer. Het blazoen is voor den middeleeuwer meer

dan een genealogische liefhebberij. De wapenfiguur krijgt voor zijn

geest een waarde, welke nadert tot die van een totem. [781] De leeuwen,

de leliën, de kruisen worden symbolen, waarin een heel complex van trots

en streven, aanhankelijkheid en gemeenschapsgevoel in beeld is

uitgedrukt, gemarkeerd als een zelfstandig, ondeelbaar ding.

De behoefte, om elk geval te isoleeren als een zelfstandig bestaand

iets, het te zien als idee, uit zich in de Middeleeuwen in een sterke

neiging tot casuïstiek. Deze vloeit al weer voort uit het ver strekkende

idealisme. Aan elke vraag, die zich voordoet, moet een ideale oplossing

eigen zijn; deze is gegeven, zoodra men de juiste betrekking heeft

erkend tusschen het aanwezige geval en de eeuwige waarheden, en die

betrekking wordt afgeleid uit de toepassing van formeele regels op de

feiten. Niet alleen vragen van zedelijkheid en recht vinden zoo hun

oplossing, de casuïstische beschouwing beheerscht allerlei andere

levensgebieden bovendien. Overal waar stijl en vormen hoofdzaak zijn,

waar het spel-element van een cultuurvorm op den voorgrond treedt, viert

de casuïstiek hoogtij. Dat geldt in de eerste plaats van alles wat

ceremonieel en etikette betreft. Hier is de casuïstische beschouwing op

haar plaats; hier is zij als denkvorm adequaat aan de gestelde vragen,

immers hier zijn het enkel een reeks van gevallen, bepaald door

eerbiedwaardige precedenten en formeele regels. Hetzelfde geldt van het

wapenspel en de jacht. Gelijk vroeger reeds ter sprake kwam, [782]

schept ook de opvatting der liefde als een schoon gezelschapsspel van

stijlvolle vormen en regels de behoefte aan een uitgewerkte casuïstiek.

Tenslotte hecht zich allerlei casuïstiek aan de gebruiken van den

oorlog. De sterke invloed van de ridderidee op de opvatting van den

krijg gaf ook aan dezen een element van spel. De gevallen van buitrecht,

van aanvalsrecht, van trouw aan een parool, kwamen onder het aspect van

spelregels, zooals zij golden voor tournooi en jachtvermaak. De zucht,

om in het geweld recht en regel te brengen, sproot niet zoo zeer voort

uit volkenrechtelijk instinct als uit ridderlijk besef van eer en

levensstijl. Alleen een nauwgezette casuïstiek en het opstellen van

strenge formeele regels maakten het mogelijk, het oorlogsgebruik

eenigermate in harmonie te brengen met ridderlijke standseer.

Zoo vinden wij de beginselen van het volkenrecht gemengd met de

spelregels van de wapenoefening. Geoffroy de Charny legt in 1352 aan

koning Jan II van Frankrijk, in diens hoedanigheid van grootmeester

der juist door hem gestichte ridderorde van de Ster, een reeks van

casuïstische vragen ter beslissing voor: twintig betreffen de "jouste",

eenentwintig het tournooi en drieënnegentig den oorlog. [783] Een

kwarteeuw later draagt Honoré Bonet, prior van Salon in Provence en

doctor in het canonieke recht, aan den jongen Karel VI zijn _Arbre des

batailles_ op, een tractaat over oorlogsrecht, dat nog in de zestiende

eeuw, blijkens nieuwe uitgaven, van praktische waarde werd geacht. [784]

Men vindt hier bijeen en dooreen vragen van het hoogste gewicht voor het

volkenrecht en beuzelachtige kwesties, die niet veel meer dan spelregels

betreffen. Mag men de ongeloovigen zonder noodzaak beoorlogen? Bonet

antwoordt nadrukkelijk: neen, zelfs niet om hen te bekeeren. Mag een

vorst den ander den doortocht over zijn gebied weigeren? Moet het (veel

geschonden) privilege, dat de ploeger en zijn os veilig zijn voor het

oorlogsgeweld, ook uitgestrekt worden tot den ezel en den knecht? [785]

Moet een geestelijke zijn vader of zijn bisschop helpen? Wanneer men een

geleende wapenrusting in den slag verliest, is men dan teruggave

verschuldigd? Mag men slag leveren, op feestdagen? Is het beter, nuchter

slag te leveren, of na den maaltijd? [786] Voor dit alles heeft de prior

raad, uit bijbelplaatsen, canoniek recht en glosse.

Een der gewichtigste punten van het krijgsgebruik was in dezen tijd

alles wat het maken van gevangenen betrof. De losprijs voor een

aanzienlijk gevangene was voor edelman en soudenier een der

uitlokkendste beloften van den strijd. Hier was een onbeperkt veld voor

casuïstische regels gegeven. Ook hier loopen volkenrecht en ridderlijk

point d'honneur dooreen. Mogen de Franschen wegens den oorlog met

Engeland de arme kooplui, landbouwers en herders op het Engelsche gebied

gevangen nemen en hun hunne goederen ontnemen? In welke gevallen mag men

uit zijn gevangenschap ontsnappen? Wat is de waarde van een vrijgeleide?

[787]--In den biographischen roman _Le Jouvencel_ worden van die

gevallen uit de praktijk behandeld. Men brengt voor den aanvoerder een

twist van twee kapiteins over een gevangene. "Ik heb hem, zegt de een,

het eerst bij zijn arm en zijn rechterhand gegrepen en hem den

handschoen afgerukt". "Maar mij, zegt de ander, heeft hij het eerst de

rechterhand en zijn woord gegeven." Beide gaf aanspraak op het kostbare

bezit, maar de laatste aanspraak wordt als de hoogere erkend. Van wien

is een gevangene, die ontvlucht en weer gevangen is? Oplossing: in het

oorlogsgebied behoort hij aan den nieuwen vanger, maar daarbuiten aan

den oorspronkelijken vanger. Mag een gevangene, die zijn woord gegeven

heeft, wegloopen, als zijn vanger hem niettemin aan een ketting legt?

Of als men verzuimd heeft, hem zijn woord te vragen? [788]

Naast de casuïstische denkwijze nog een ander uitvloeisel van de

middeleeuwsche neiging, om de zelfstandige waarde van een ding of een

geval te overschatten. Men kent _Le Testament_ van François Villon, het

groote satirische gedicht, waarin hij al zijn hebben en houden vermaakt

aan vrienden en vijanden. Er zijn meer van die dichterlijke Testamenten,

zooals dat van Barbeau's muilezel door Henri Baude. [789] Het is een

geijkte vorm. Deze vorm echter is slechts begrijpelijk, als men zich

herinnert, dat inderdaad de middeleeuwsche menschen gewoon waren, per

testament tot over het geringste van hun bezittingen afzonderlijk en

uitvoerig te beschikken. Een arme vrouw vermaakt aan haar parochie haar

zondagskleed en haar kap; haar bed aan haar petekind, een pels aan haar

verpleegster, haar daagsche rok aan een arme, en vier pond tournoois,

die haar vermogen uitmaakten, met nog een kleed en een kap aan de

Minderbroeders. [790] Is ook daarin niet een zeer alledaagsche uiting te

zien van dezelfde denkrichting, die ieder geval van deugdbetrachting als

een eeuwig exempel, elke gewoonte als een goddelijke ordinantie aanzag?

Het is dat kleven van den geest aan de bijzonderheid en waarde van het

enkele ding, dat als een ziekte den verzamelaar en den gierigaard

beheerscht.

Al de opgesomde trekken laten zich vereenigen onder het begrip

formalisme. Het ingeschapen besef van de transcendentale wezenlijkheid

der dingen brengt mee, dat elke voorstelling in onwrikbare grenzen staat

omlijnd, geïsoleerd in een plastischen vorm, _en die vorm heerscht_.

Doodzonden en dagelijksche zonden zijn naar vaste regels te onderscheiden.

Het rechtsgevoel is muurvast, het behoeft geen oogenblik te twijfelen:

de daad richt den man, zei de oude rechtsspreuk. Bij de beoordeeling van

een daad is haar formeele inhoud nog altijd hoofdzaak. Eenmaal, in het

primitieve recht van den oudgermaanschen tijd, was dat formalisme zoo

sterk geweest, dat de rechtspraak geen rekening hield met opzet of

onopzettelijkheid: de daad was de daad, en bracht als zoodanig de straf

mede, terwijl een niet voltooide daad, een poging tot misdrijf,

straffeloos was. Eerst langzamerhand dringt in het middeleeuwsche recht

de uitzondering door, dat men niet door een onwillekeurige verspreking

in het eedsformulier zijn recht verliest. De sporen van dat formalisme

in rechtzaken zijn ook in de latere Middeleeuwen nog voor 't grijpen.

De buitengewone gevoeligheid voor de formeele eer is een verschijnsel

van die denkwijze. Te Middelburg was in 1445 heer Jan van Domburg wegens

een doodslag gevlucht in een kerk, om het asylrecht te genieten. Men

blokkeerde hem in zijn toevluchtsoord, gelijk de gewoonte was.

Herhaaldelijk zag men toen zijn zuster, een non, hem komen aansporen,

om zich liever al vechtende te laten dooden, dan de schande over zijn

geslacht te brengen van in beulshanden te vallen. En als dat tenslotte

toch is geschied, verwerft de juffer van Domburg zijn lichaam.

[791]--Bij een tournooi is het dekkleed van het paard van een edelman

versierd met 's mans wapen. Dat was zeer ongepast, vindt Olivier de la

Marche, want als het paard, "une beste irraisonnable", nu eens struikelde

en het wapen sleepte in het zand, dan was de geheele familie geblameerd.

[792]--Kort na een bezoek van den hertog van Bourgondië op Chastel en

Porcien doet aldaar een edelman in waanzin een poging tot zelfmoord.

Men is er onbeschrijfelijk ontdaan over, "et n'en savoit-on comment

porter la honte après si grant joye demenée." Ofschoon het bekend was,

dat het in waanzin was geschied, wordt de ongelukkige, genezen, uit het

kasteel verbannen "et ahonty à tousjours." [793]

Een treffend voorbeeld van de plastische wijze, waarop aan een behoefte

tot herstel van geschonden eer werd voldaan, levert het volgende geval.

Te Parijs was in 1478 een zekere Laurent Guernier bij vergissing

gehangen. Hij had namelijk nog juist remissie gekregen van zijn

misdrijf, maar deze was hem niet bijtijds aangezegd. Na een jaar was

dit gebleken, en werd het lichaam op verzoek van zijn broeder eervol

begraven. Voor de baar gingen vier stadsomroepers met hun ratels, het

wapen van den doode op hun borst; rondom de baar vier kaarsen en acht

fakkeldragers in rouwgewaad en met hetzelfde wapen. Zoo ging het door

Parijs van de Porte Saint Denis tot de Porte Saint Antoine, vanwaar het

vervoer naar 's mans geboorteplaats Provins begon. Een der omroepers nu

roept voortdurend: "Bonnes gens, dictes voz patenostres pour l'âme de

feu Laurent Guernier, en son vivant demourant à Provins, _qu'on a

nouvellement trouvé mort soubz ung chesne_." [794]

De sterke levenskracht van het bloedwraakprincipe, dat juist in zoo

bloeiende en hoogbeschaafde streken als Noord-Frankrijk en de Zuidelijke

Nederlanden zoo welig tierde, [795] is een andere kant van dezelfde

geestesgesteldheid. Ook die wraaklust heeft iets formeels. Men overlegt

somtijds zorgvuldig, iemand niet te dooden, en steekt hem daarom

welberaamd in dijen, armen en aangezicht; het slachtoffer moet vooral

niet zonder biecht sterven: du Clercq vertelt een geval van lieden, die

hun schoonzuster gaan vermoorden en opzettelijk een priester meebrengen.

[796]

Het formeele karakter van zoen en wraak brengt weer mee de bevrediging

van het ongelijk door symbolische straffen of boetedoeningen. In al de

groote politieke verzoeningen der vijftiende eeuw komt een groot gewicht

toe aan dat symbolisch element: het afbreken van de huizen, die aan het

misdrijf herinnerden, het stichten van gedenkkruisen, het toemetselen

van poorten, om van openbare boetceremoniën en het stichten van

zielmissen en kapellen niet te spreken. Zoo bij den eisch der Orleansen

tegen Jan zonder Vrees, zoo bij den vrede van Atrecht in 1435, bij den

zoen van het oproerige Brugge in 1437, en den zwaarderen zoen van het

opstandige Gent in 1453, waar de lange stoet, geheel in 't zwart, zonder

gordels, blootshoofds en barrevoets, de hoofdschuldigen in het hemd

vooraan, optrekt in den stortregen, om allen te zamen voor den hertog

pardon te roepen. [797]--Bij de verzoening met zijn broeder in 1469

vraagt Lodewijk XI allereerst den ring, waarmee de bisschop van Lisieux

den prins als hertog aan Normandië heeft gehuwd, en laat dien te Rouen

in 't bijzijn van notabelen op een aambeeld breken. [798]

Het algemeene formalisme ligt ook ten grondslag aan het geloof in de

werking van het gesproken woord, dat zich in de primitieve cultuur in

zijn volheid openbaart, en zich in de late Middeleeuwen nog handhaaft in

zegenspreuken, tooverspreuken, dingtalen. Een plechtig verzoek heeft nog

iets solemneels, iets van het dwingende van den sprookjeswensch. Wanneer

alle smeekbeden Philips den Goede niet kunnen vermurwen, om genade te

schenken aan een veroordeelde, gaat men het verzoek opdragen aan Isabella

van Bourbon, zijn geliefde schoondochter, in de hoop, dat hij het haar

niet zal kunnen weigeren,--want, zegt zij: ik heb u nog nooit iets

belangrijks gevraagd. [799] En het doel wordt bereikt.--In hetzelfde

licht is de verbazing van Gerson te beschouwen, dat ondanks alle prediking

de zeden nog niet verbeterden: ik weet niet, wat ik zeggen moet:

voortdurend worden er preeken gehouden, maar altijd tevergeefs. [800]

Onmiddellijk uit het algemeene formalisme vloeien voort die eigenschappen,

die aan den geest der latere Middeleeuwen zoo dikwijls een karakter van

holheid en oppervlakkigheid geven. Vooreerst het buitengewone simplisme in

de motiveering. Hiërarchisch geanalyseerd als het begrippenstelsel was,

gegeven de plastische zelfstandigheid van elke voorstelling en de behoefte

om elk verband te verklaren uit een algemeen geldige waarheid, werkt de

causale geestesfunctie als een telefooncentrale: er kunnen steeds allerlei

verbindingen tot stand worden gebracht, maar altijd slechts van twee

nummers tegelijk. Men ziet van elken toestand, elken samenhang slechts

enkele trekken, en deze hevig geëxaggereerd en bont gekleurd; het beeld

van een gebeurtenis heeft steeds de enkele zware lijnen van een primitieve

houtsnede. Eén motief is steeds voldoende ter verklaring, en bij voorkeur

het algemeenste, het onmiddellijkste of het ruwste. Voor de Bourgondiërs

kan het motief tot den moord op den hertog van Orleans slechts op één

grond berusten: de koning heeft den hertog van Bourgondië verzocht, den

echtbreuk der koningin met Orleans te wreken. [801] De oorzaak van den

grooten Gentschen opstand is voor het oordeel der tijdgenooten door een

vormkwestie over een briefformulier geheel voldoende aangegeven. [802]

De middeleeuwsche geest generaliseert gereedelijk uit één geval. Olivier

de la Marche concludeert uit één geval van Engelsche onpartijdigheid uit

vroeger tijd, dat de Engelschen in die dagen deugdzaam waren, en dat dit

de oorzaak was, dat zij Frankrijk hadden kunnen veroveren. [803] De

geweldige overdrijving, die onmiddellijk voortspruit uit het te bont en

te zelfstandig zien der gevallen, wordt nog in de hand gewerkt, doordat

altijd naast het geval terstond een parallel uit de heilige geschiedenis

gereed staat, die het geval optrekt in een sfeer van hooger potentie.

Wanneer bijvoorbeeld in 1404 een processie der Parijsche studenten is

verstoord, waarbij er twee zijn gewond en van één het kleed gescheurd,

dan is voor den verontwaardigden kanselier der Universiteit de klank

van een teeder woord: "les enfans, les jolis escoliers comme agneaux

innocens", genoeg, om het geval te vergelijken met den kindermoord van

Bethlehem. [804]

Waar voor ieder geval een verklaring zoo gemakkelijk wordt aanvaard, en,

eenmaal aanvaard, zoo vast geloofd, daar heerscht een buitengewone

gemakkelijkheid van het valsche oordeel. Indien men met Nietzsche moet

aannemen, dat "der Verzicht auf falsche Urteile das Leben unmöglich

machen würde", dan kan juist daaraan voor een deel het krachtige, felle

leven, dat ons in vroeger tijden treft, worden toegeschreven. In elken

tijd, die een buitengewone spanning van alle krachten vraagt, moet het

valsche oordeel in versterkte mate de zenuwen te hulp komen. De

middeleeuwers leefden eigenlijk doorloopend in zulk een geestelijke

crisis; zij konden geen oogenblik buiten de grofste valsche oordeelen,

die onder den invloed van partijgevoel een ongeëvenaarden graad van

boosaardigheid bereiken. De geheele houding van de Bourgondiërs

tegenover de groote veete met Orleans getuigt ervan. De verhouding van

de aantallen gesneuvelden wordt door den overwinnaar in het belachelijke

verschoven: Chastellain laat in den slag bij Gavere vijf edelen vallen

aan de zijde van den vorst tegen 20 of 30.000 der opstandige Gentenaars.

[805] Het is een der moderne trekken van Commines, dat hij aan die

overdrijvingen niet meedoet. [806]

Hoe is tenslotte die eigenaardige lichthoofdigheid op te vatten, die

zich in oppervlakkigheid, onnauwkeurigheid en lichtgeloovigheid bij de

latere middeleeuwers voortdurend openbaart? Het is dikwijls, alsof zij

niet de geringste behoefte hebben aan werkelijke gedachten, alsof een

voorbijglijden van ijle droombeelden voedsel voor hun geest genoeg was:

uiterlijke feiten oppervlakkig beschreven, dat is de signatuur van

schrijvers als Froissart en Monstrelet. Hoe hebben de eindelooze

onbeslissende gevechten en belegeringen, waaraan Froissart zijn gaven

heeft verspild, hun aandacht kunnen boeien? Naast de felle partijmannen

staan onder de kroniekschrijvers zij, wier politieke sympathieën in het

geheel niet zijn vast te stellen, zooals Froissart en Pierre de Fenin;

zoozeer put hun geest zich uit in het verhaal der uiterlijke

gebeurtenissen. Zij onderscheiden het belangrijke niet van het

onbelangrijke. Monstrelet is bij het onderhoud van den hertog van

Bourgondië met de gevangen Jeanne d'Arc tegenwoordig geweest, maar

herinnert zich niet, wat er gesproken werd. [807] De onnauwkeurigheid,

zelfs ten opzichte van gewichtige gebeurtenissen, waarin zij zelf

betrokken waren, kent geen grenzen. Thomas Basin, die zelf het

rehabilitatie-proces van Jeanne d'Arc leidde, laat haar in zijn kroniek

geboren zijn te Vaucouleurs, laat haar door Baudricourt zelf, dien hij

heer in plaats van kapitein der stad noemt, naar Tours brengen, vergist

zich drie maanden betreffende haar eerste samenkomst met den dauphin.

[808] Olivier de la Marche, het puik der hovelingen, vergist zich

voortdurend in de afstamming en verwantschap der hertogelijke familie,

en plaatst zelfs het huwelijk van Karel den Stoute met Margareta van

York, waarvan hij de feesten in 1468 had meegemaakt en beschreven, na

het beleg van Neuss in 1475. [809] Zelfs Commines ontkomt niet aan

dergelijke verwarringen: hij vergroot een aantal jaren herhaaldelijk met

twee; hij vertelt tot driemaal toe den dood van Adolf van Gelre. [810]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 27 / 38 段