Was de verbeelding overwonnen?--Zonder beeld en metafoor kan geen enkele

gedachte worden uitgedrukt, en van het onkenbare wezen der dingen

gezegd, is ieder woord beeld. Van het hoogste en innigst begeerde enkel

in negaties te kunnen spreken, bevredigt het gemoed niet, en telkens als

de wijze is uitgepraat, moet de dichter weer komen. Het zoete lyrische

gemoed van Suso vond van de sneeuwtoppen van het schouwen altijd weer

den weg terug naar de bloemrijke verbeeldingen der oudere Bernardijnsche

mystiek. Midden in de ekstase der hoogste contemplatie keert al de kleur

en vorm der allegorie terug. Suso ziet de eeuwige Wijsheid, zijn

geliefde: "Si swepte hoh ob ime in einem gewülkten throne (hemel): sie

luhte als der morgensterne, und schein als diu spilndiu sunne; ire krone

waz ewikeit, ire wat waz selikeit, ire wort süzzekeit, ire umbfang alles

lustes gnuhsamkeit: si waz verr und nahe, hoh und nider; si waz

gegenwürtig und doch verborgen; si liess mit ir umbgan, und moht si doch

nieman begriffen." [759]

Er waren nog andere wegen terug van de eenzame hoogten der individueele,

vorm- en beeldlooze mystiek. Men bereikte die hoogten slechts door het

smaken van het liturgisch-sacramenteele mysterie heen: eerst het ten

volle doorvoeld hebben van het symbolisch-aesthetische wonder der

dogma's en sacramenten stelde in staat, om alle beeldvormen af te

schudden en op te stijgen naar het begriploos schouwen van het al-eene.

Maar de geest kon die helderheid niet genieten, wanneer en zoo vaak hij

wilde; en dan wachtte beneden altijd weer de Kerk, met haar wijs en

spaarzaam systeem van mysterie. De Kerk immers had de aanraking van den

geest met het goddelijke in haar liturgie gecondenseerd en

geïntensifieerd tot de beleving van bepaalde oogenblikken, en vorm en

kleur gegeven aan het mysterie. Daarom heeft zij de teugellooze mystiek

altijd overleefd: zij spaarde energie. De Kerk liet de bloeiendste

vervoeringen van aesthetische mystiek gerustelijk toe, maar zij vreesde

de ware, woeste mystiek, waarin alles waaruit zij was opgebouwd: haar

harmonisch symbolisme, haar dogma's en sacramenten, vervlamde en

verteerde.

"De eenigende wijsheid is onredelijk, zinneloos en dwaas." Het pad van

den mysticus leidt in de oneindigheid binnen en in de bewustzijnsloosheid.

Door het ontkennen van alle wezensgelijkheid tusschen de godheid en al het

afzonderlijke en benoembare is elke werkelijke transcendentie opgeheven;

de brug naar het leven terug is afgebroken. "Alle crêatûre sint ein

lûter niht. Ich spriche niht, daz sie kleine sîn oder iht sîn: sie sind

ein lûter niht. Swaz niht wesens hât, daz ist niht. Alle crêatûre hânt

kein wesen, wan ir wesen swebet an der gegenwertikeit gotes." [760]

De intensieve mystiek beduidt een terugkeer tot een prae-intellectueel

zieleleven. Alles van beschaving gaat er in te loor, wordt overwonnen en

overbodig. Indien de mystiek niettemin voor de cultuur rijke vruchten

draagt, dan is het, omdat zij steeds door voorbereidende staten heen

opklimt, en eerst gaandeweg alle levensvorm en cultuur afwerpt. Haar

vruchten voor de beschaving draagt zij in haar aanvangstrappen, beneden

de boomgrens. Daar bloeit de boomgaard van de zedelijke volmaking, die

als voorbereiding van elken schouwende gevorderd wordt: de vrede en

zachtmoedigheid, de demping der begeerte, de eenvoud, matigheid,

arbeidzaamheid, ernst en innigheid. Zoo is het in Indië geweest en zoo

hier: de aanvangswerking der mystiek is een moreele en praktische. Zij

is bovenal de beoefening van daadwerkelijke naastenliefde. Al de groote

mystieken hebben die praktische werkzaamheid ten zeerste geprezen: heeft

niet Meister Eckhart zelf Martha boven Maria gesteld, [761] en gezegd,

dat men zelfs de ekstase van Paulus moest laten varen, als men een arme

met een soepje kon helpen? Van hem over zijn leerling Tauler gaat de

lijn der mystiek steeds meer naar de waardeering van het praktische

element: ook Ruusbroec verheft den stillen nederigen arbeid, en

Dionysius de Kartuizer is de volkomen vereeniging in één persoon van den

praktischen zin voor het dagelijksch godsdienstleven en het heftigste

individueele mysticisme. Het is in de Nederlanden, dat de begeleidende

verschijnselen der mystiek: moralisme, piëtisme, liefdadigheid en

arbeidzaamheid, hoofdzaak worden; dat zich uit de intensieve mystiek

voor het onttrokken oogenblik van enkelen de extensieve mystiek voor

iederen dag van velen ontplooit: de duurzame gezamenlijke innigheid der

moderne devoten in plaats van de eenzame en zeldzame ekstase. De

nuchtere mystiek, als men niet valt over een woord.

In de Fraterhuizen en de kloosters der Windesheimer congregatie is over

het stille dagelijksch werk de glans gegoten van de voortdurend

bewustgehouden religieuze innigheid. Het hevig lyrische en het

teugelloos opstreven is prijsgegeven, en daarmee ook het gevaar van

geloofsafwijking geweken; de broeders en zusters zijn volkomen

rechtgeloovig en conservatief. Het was mystiek en détail: men had maar

"een inslag gekregen", "een vonkske ontvangen", en beleefde in den

engen, stillen, nederigen kring de vervoering in vertrouwelijken

geestelijken omgang, in briefwisseling en zelfbeschouwing. Het gevoels-

en gemoedsleven werd als een kasplant gekweekt; er heerschte veel klein

puritanisme, geestelijke dressuur, verstikking van den lach en de

gezonde aandriften, veel piëtistische onnoozelheid.

Doch uit dien kring is de _Imitatio_ voortgekomen. Hier is de man, die

geen theoloog was en geen humanist, geen wijsgeer en geen dichter, en

eigenlijk ook geen mysticus, en die het boek schreef, dat eeuwen

vertroosten zou. Thomas a Kempis, de stille, eenzelvige, vol teerheid

voor het miswonder en met de smalste opvattingen van het godsbestuur,

kende niets van de felle verontwaardiging over kerkbestuur of

wereldleven, zooals het de preekers bezielde, niets van het alzijdig

streven van Gerson, Dionysius of Nicolaas van Cusa, niets van de

breughelsche fantazie van Johannes Brugman of het bonte symbolisme van

Alain de la Roche. Hij zocht maar de rust in alle dingen, en vond haar

"in angello cum libello". "O quam salubre quam iucundum et suave est

sedere in solitudine et tacere et loqui cum Deo!" [762] En zijn boek van

eenvoudige levenswijsheid en stervenswijsheid voor het begeven gemoed

werd een boek van alle tijden. Hier was alle neoplatonistische mystiek

weer opgegeven, en enkel de stemming van den geliefden schrijver Bernard

van Clairvaux de grondslag. Er is geen philosophische ontwikkeling van

gedachten; er staan slechts een aantal hoogst eenvoudige gedachten in

spreukvorm om een centraal punt gegroepeerd; elke loopt in een kort

zinnetje af; er is geen subordinatie en nauwelijks correlatie van

gedachten. Er is niets van de lyrische siddering van Heinrich Suso of

van de strakke fonkeling van Ruusbroec. Met haar geklingel van

evenwijdig voortloopende zinnen en matte assonanties zou de _Imitatio_

dubbel proza zijn, wanneer niet juist dat eentonige rythme haar maakte

als de zee op een zachten regenavond, of het zuchten van den wind in den

herfst. Hier is geen kracht, geen élan, geen diepte en volheid; het is

alles effen en gedrukt, alles en mineur: er is slechts vrede, rust, stil

gelaten verwachting en troost. "Taedet me vitae temporalis." [763]

Eén ding heeft het meest boeddhistische werk van het christendom, het

boek voor de vermoeiden van alle eeuwen, gemeen met de voortbrengselen

der hevige mystiek. Ook hier was de verbeelding, zoover dat mogelijk

was, overwonnen, het kleurige gewaad van schitterende symbolen afgelegd.

En daarom zit ook de _Imitatio_ niet vast aan een cultuur-tijdperk;

evenals de ekstatische schouwingen van het al-eene leidt zij af van alle

cultuur. Zij hoort tot geen bijzonder beschavingstijdperk. Vandaar

zoowel haar twee duizend uitgaven, als de mogelijkheid van een twijfel

omtrent den auteur en den tijd van ontstaan, die twee eeuwen verschil

toeliet. Thomas had het "Ama nesciri" niet vergeefs gezegd.

NOTEN:

[716] Petri de Alliaco Tractatus I adversus cancellarium Parisiensem,

bij Gerson, Opera, I p. 723.

[717] Dion. Cart., Opera, t. XXXVI p. 200.

[718] Dion. Cart. Revelatio II, Opera, I p. xlv.

[719] Dion. Cart., Opera, t. XXXVII, XXXVIII, XXXIX p. 496.

[720] Alain Chartier, Oeuvres, p. xi.

[721] Gerson, Opera, I p. 17.

[722] Dion. Cart., Opera, t. XVIII p. 433.

[723] Dion. Cart., Opera, t. XXXIX p. 18sq. De vitiis et virtutibus, p.

363, De gravitate et enormitate peccati, ib. t. XXIX p. 50.

[724] L.c. XXXIX p. 37.

[725] Ib. p. 56.

[726] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, Opera, t. XLI p.545.

[727] Dion. Cart., De quatuor hominum novissimis, t. XLI p. 489ss.

[728] Moll, Brugman, I p. 20, 23. 28.

[729] Ib. p. 320(1).

[730] Het voorbeeld van Sint Aegidius, Germanus, Quiricus bij Gerson, De

via imitativa, III p. 777; vgl. Contra gulam sermo, ib. p. 909.--Olivier

Maillard, Serm. de sanctis fol. 8a.

[731] Innocentius III, De contemptu mundi 1. I, c. I, Migne, t. CCXVII

p. 702ss.

[732] Bonaventura, In secundum librum sententiarum, dist. 41, art. 1.

qu. 2, ib. 30, 2, 1, 34; in quart. lib. sent. d. 34, a. I, qu. 2,

Breviloquii pars II, Opera, ed. Paris, 1871, t. III p. 577a, 335, 438,

VI p. 327b, VII p. 271ab.

[733] Dion. Cart., De vitiis et virtutibus, Opera, t. XXXIX p. 20.

[734] M' Kechnie, Magna Carta, p. 401.

[735] Uit den hymnus "Adoro te devote". Vergelijk Marlowe, Faustus:

"See, where Christ's blood streams in the firmament! One drop of blood

will save me."

[736] Dion. Cart. Dialogion de fide cath., Opera, t. XVIII p. 366.

[737] L.c., t. XLI p. 489.

[738] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis t. XXXV

p. 137; de laud. glor. Virg. Mariae, en passim. Het gebruik der

supertermen ontleent hij reeds aan Dionysius treopagita.

[739] James, Varieties of rel. exp., p. 419.

[740] Beide voorbeelden naar James, l.c., p. 417.

[741] Opera, I p. xliv.

[742] Seuse, Leben, cap. 3, ed. K. Bihlmeyer, Deutsche Schriften,

Stuttgart, 1907, p. 14. Vgl. cap. 5, p. 21, 1.3 v. o.

[743] Meister Eckhart, Predigten, no. 60 en 76, ed. F. Pfeiffer,

Deutsche Mystiker des XIV. Jh., Leipzig 1857, II p. 1931. 34ss.; p. 242,

1. 2ss.

[744] Tauler, Predigten, no. 28, ed. F. Vetter, (Deutsche Texte des

Mittelalters XI) Berlin, 1910, p. 117 1. 30ss.

[745] Ruusbroec, Dat boec van seven sloten, cap. 19, Werken ed. David,

IV p. 106-108.

[746] Ruusbroec, Dat boec van den rike der ghelieven, cap. 43. ed.

David, IV p. 264.

[747] Ib. cap. 35, p. 246.

[748] Ruusbroec, Van seven trappen in den graet der gheesteliker minnen,

cap. 14, ed. David, IV p. 53. Voor "ontfonken" lees ik: "ontsonken".

[749] Ruusbroec, Boec van der hoechster waerheit, ed. David, p. 263;

vgl. Spieghel der ewigher salicheit, cap. 25. p. 231.

[750] Spieghel der ewigher salicheit, cap. 19, p. 144, cap. 23, p.

227;--antwoert = beantwoordt aan.

[751] II Par. 6, I: Dominus pollicitus est, ut habitaret in caligine.

Ps. 17.13: Et posuit tenebras latibuum suum.

[752] Dion. Cart. De laudibus sanctae et individuae trinitatis per modum

horarum, Opera, t. XXXV p. 137/8, id. XLI p. 263 etc.; vgl. De passione

dni salvatoris dialogus, t. XXXV p. 274: "ingrediendo caliginem, hoc est

ad supersplendidissimae ac prorsus incomprehensibilis Deitatis praefatam

notitiam pertingendo per omnem negationem ab ea."

[753] Jostes, Meister Eckhart und seine Jünger, 1895, p. 95.

[754] Dion. Cart. De contemplatione lib. III art. 5, Opera, t. XLI p.

259.

[755] Dion. Cart. De contemplatione, t. XLI p. 269, naar Dion. Areop.

[756] Cankara ad Brahmasûtram, 3. 2. 17.

[757] Chândogya-upanishad, 8.

[758] Brhadâranyaka-upanishad, 4, 3, 21, 22.

[759] Seuse, Leben, kap. 4, Bihlmeyer, Deutsche Schriften 1907, p. 14.

[760] Eckhart, Predigten, no. 40, p. 136. 23.

[761] Eckhart, Predigten, no. 9, p. 47ff.

[762] Soliloquium animae, Thomas a Kempis, Opera omnia, ed. M.J. Pohl,

Freiburg 1902-'10, 7 vol., I p. 230.

[763] L.c., p. 222.

* * * * *

XI

DE DENKVORMEN IN DE PRAKTIJK

Men moet de hechte vormen van het denken niet enkel bestudeeren aan de

voorstellingen van het geloof en de hoogere bespiegeling, maar evengoed

aan die van de dagelijksche levenswijsheid en de nuchtere praktijk. Dan

eerst kan de middeleeuwsche geest als een eenheid en een geheel worden

gezien. Want het zijn dezelfde groote denkrichtingen, die zijn hoogere

en zijn lagere uitingen beheerschen. En terwijl op het gebied van geloof

en bespiegeling steeds de vraag aan de orde blijft, in hoeverre de

gedachtenvormen resultaat en weerklank zijn van een lange schriftelijke

traditie, die tot in Grieksche en Joodsche, ja Egyptische en

Babylonische oorsprongen reikt, ziet men ze in het gewone leven naïef en

spontaan werken, onbeladen met het gewicht van neoplatonisme en wat niet

al.

In het dagelijksch leven denkt de middeleeuwsche mensch in dezelfde

vormen als in zijn theologie. De grondslag is zoo hier als daar dat

architecturale idealisme, dat de scholastiek realisme noemde: de

behoefte om elke notie af te zonderen en vorm te geven als een

wezenheid, en om ze samen te schikken in hiërarchische verbanden, er

altijd weer tempels en kathedralen van te bouwen, als een kind, dat met

blokken speelt.

Alles wat zich in het leven een vaste plaats verovert, wat levensvorm

wordt, geldt als geordineerd, zoo goed als de hoogste dingen in het

goddelijke wereldplan. Zeer duidelijk openbaart zich dit bijvoorbeeld in

de opvatting van de regelen der hofetikette bij de beschrijvers van den

hofstaat, als Olivier de la Marche en Alienor de Poitiers. De oude dame

beschouwt die regelen als wijze wetten, in de hoven der koningen

oudtijds met keuze en oordeel verordineerd, in acht te nemen voor alle

komende tijden. Zij spreekt ervan als van de wijsheid der eeuwen: "et

alors j'ouy dire aux anciens qui sçavoient...." Zij ziet de tijden

ontaarden: sedert een jaar of tien zetten sommige dames in Vlaanderen

het kraambed voor het vuur, "de quoy l'on s'est bien mocqué"; vroeger

deed men dat nooit; waar moet het heen? "mais un chacun fait à cette

heure à guise: par quoy est à doubter, que tout ira mal". [764]

La Marche stelt zich en den lezer gewichtige vragen omtrent de

redelijkheid van al die deftige dingen: waarom heeft de "fruitier"

meteen de verlichting, "le mestier de la cire", onder zijn departement?

Het antwoord luidt: omdat de was door de bijen uit de bloemen wordt

getrokken, waarvan ook de vruchten komen: "pourquoy on a ordonné très

bien ceste chose". [765] De sterke middeleeuwsche neiging, om voor

iedere functie een orgaan te scheppen, is niet anders dan een

uitvloeisel van de denkwijze, die aan elke qualiteit zelfstandigheid

toekende, haar als idee zag. De koning van Engeland had onder zijn

"magna sergenteria" een ambt, om 's konings hoofd vast te houden, als

hij het Kanaal overstak, en zeeziek werd; het werd in 1442 bekleed door

zekeren John Baker, van wien het erfde op zijn beide dochters. [766]

Onder hetzelfde licht valt te beschouwen de gewoonte, om alle dingen,

ook de levenlooze, namen te geven. Het is, hoe verbleekt ook, een trek

van primitief anthropomorphisme, wanneer ook thans nog in het

krijgsleven, dat in vele opzichten den terugkeer tot een primitieve

levenshouding beduidt, kanonnen namen krijgen. In de Middeleeuwen is die

trek veel sterker: gelijk de zwaarden in den ridderroman hebben de

bombarden in de oorlogen der 14e en 15e eeuw hun namen: "le Chien

d'Orléans, la Gringade, la Bourgeoise, de Dulle Griete". Als een

survival dragen thans nog de beroemde diamanten hun naam, zooals de

juweelen van Karel den Stoute alle benaamd zijn: "le sancy, les trois

frères, la hote, la balle de Flandres". Wanneer in onzen tijd de schepen

hun naam behouden hebben, maar de huizen en de klokken niet, dan is het

eensdeels, omdat het schip van plaats verandert en te allen tijde moet

kunnen worden geïdentificeerd, maar toch ook wel omdat het schip iets

persoonlijkers heeft behouden dan het huis, wat ook in het "she" van het

Engelsche spraakgebruik is uitgedrukt. Die persoonlijke opvatting der

levenlooze dingen moet men zich in de Middeleeuwen als veel sterker

voorstellen: in de Middeleeuwen kreeg elk ding zijn naam: de cachotten

der kerkers zoo goed als elk huis en elke klok.

Aan alle dingen wordt gezocht naar de "moraliteit", zooals de

middeleeuwer zeide, als het meest wezenlijke ervan. Elk historisch of

litterair geval heeft de neiging, om te kristalliseeren tot een parabel,

een moreel voorbeeld, een bewijsnummer; elke uitspraak tot een

sententie, een tekst, een spreuk. Evenals de heilige symbolische

verbanden tusschen het Nieuwe en het Oude Testament ontstaan er moreele

verbanden, waardoor aan elk levensgeval terstond de spiegel kan worden

voorgehouden van een voorbeeld, een type uit de schrift, de geschiedenis

of de litteratuur. Om iemand tot vergeving te bewegen, somt men

bijbelsche gevallen van vergiffenis op. Om voor het huwelijk te

waarschuwen, rangschikt men al de ongelukkige huwelijken, waarvan de

Oudheid spreekt. Jan zonder Vrees vergelijkt, om den moord op Orleans te

verontschuldigen, zichzelven met Joab en zijn slachtoffer met Absalom,

en prijst zich beter dan Joab, want de koning had den doodslag niet

uitdrukkelijk verboden. "Ainssy avoit le bon duc Jehan attrait ce fait à

moralité." [767]--Het is als 't ware een ruime en naïeve toepassing van

het jurisprudentiebegrip, dat immers zelf in het hedendaagsche

rechtsleven een residu van verouderde denkvormen begint te worden.

Elk ernstig betoog grondt zich gaarne op een tekst als steun- en

uitgangspunt: de twaalf proposities voor en tegen de onttrekking van

gehoorzaamheid aan den paus van Avignon, waarmee in 1406 te Parijs op

het nationaal concilie de zaak van het schisma wordt bepleit, gaan ieder

uit van een schriftwoord. [768] Ook een wereldlijk feestredenaar kiest,

zoo goed als een prediker, zijn tekst. [769]

Geen duidelijker voorbeeld van al de genoemde trekken dan het beruchte

pleidooi, waarmede meester Jean Petit den hertog van Bourgondië trachtte

te rechtvaardigen wegens den moord op Lodewijk van Orleans.

Het was ruim drie maanden geleden, dat 's konings broeder des avonds

door de gehuurde sluipmoordenaars, die Jan zonder Vrees tevoren in een

huis in de Rue vieille du Temple gehuisvest had, was neergestooten. De

Bourgondiër had eerst bij de lijkplechtigheid grooten rouw gedreven,

daarna, toen hij zag, dat het onderzoek zich zou uitstrekken tot in zijn

hotel d'Artois, waar hij de moordenaars verborgen hield, had hij in den

raad zijn oom Berry ter zijde genomen en hem bekend, dat hij door

inblazing des duivels den moord had laten plegen. Hij was daarop uit

Parijs gevlucht naar Vlaanderen. Te Gent had hij reeds een eerste

rechtvaardiging van zijn euveldaad laten uitspreken; thans keerde hij

naar Parijs terug, vertrouwend op den haat, die alom Orleans gegolden

had, en zijn eigen populariteit bij het volk van Parijs, dat hem

inderdaad ook nu nog blijde inhaalde. De hertog had te Amiens raad

gepleegd met twee mannen, die op de kerkvergadering te Parijs in 1406

zich onder de sprekers opmerkelijk hadden gemaakt: meester Jean Petit en

Pierre aux Boeufs. Aan hen was opgedragen, het Gentsche pleidooi van

Simon de Saulx uit te werken, om het als een indrukwekkende

rechtvaardiging voor te dragen voor de prinsen en hooge heeren te

Parijs.

Daarmede verscheen nu meester Jean Petit, godgeleerde, preeker en

dichter, den 8sten Maart 1408 in het hotel de Saint Pol te Parijs

voor het luisterrijke gehoor, waarin de dauphin, de koning van Napels,

de hertogen van Berry en Bretagne de eersten waren. Hij begon met

gepaste nederigheid: hij arme was theoloog noch jurist, "une très grande

paour me fiert au cuer, voire si grande, que mon engin et ma mémoire

s'en fuit, et ce peu de sens que je cuidoie avoir, m'a jà du tout

laissé." Dan ontplooit hij het kunstwerk van de zwartste politieke

boosaardigheid, dat zijn geest in strengen stijl gebouwd had op den

tekst: Radix omnium malorum cupiditas. Op schoolsche onderscheidingen en

neventeksten is het geheel kunstig gedisponeerd; verlucht met exempelen

uit de schrift en de historie; het krijgt een duivelsche levendigheid en

een romantische spanning door de kleurige uitvoerigheid, waarmee de

pleiter de snoodheden van den verslagene beschrijft. Het begint met de

opsomming van twaalf verplichtingen, waardoor de hertog van Bourgondië

gehouden was, den koning van Frankrijk te eeren, te beminnen en te

wreken. Dan beveelt hij zich aan in de hulp van God, de Maagd en Sint

Jan den Evangelist, om het eigenlijke betoog te beginnen: verdeeld in

een major, een minor en een conclusie. Nu stelt hij zijn tekst voorop:

Radix omnium malorum cupiditas. Daaruit worden twee toepassingen

afgeleid: de begeerte maakt afvalligen, zij maakt verraders. Deze

boosheden van apostasie en verraad worden verdeeld en onderverdeeld en

daarna gedemonstreerd aan drie voorbeelden. Als de archetypen van den

verrader rijzen Lucifer, Absalom en Athalia voor de verbeelding der

hoorders op. Dan volgt de opstelling van acht waarheden, die den

tyrannenmoord rechtvaardigen: wie tegen den koning conspireert, verdient

dood en verdoemenis; hoe hooger hij staat, hoeveel te meer; ieder mag

hem dooden. "Je prouve ceste verité par douze raisons en l'honneur des

douze apostres": drie uitspraken van doctores, drie van philosophi, drie

van juristen en drie uit de schrift. Zoo gaat het voort, tot de acht

waarheden compleet zijn: een citaat uit _De casibus virorum illustrium_

van "le philosophe moral Boccace" wordt aangehaald, om te bewijzen, dat

men den tyran mag aanvallen uit een hinderlaag. Uit de acht waarheden

volgen acht "correlaria" met een negende als toegift, waarin met

toespelingen geduid werd op al de geheimzinnige gebeurtenissen, waarin

de laster en de argwaan aan Orleans een gruwelijke rol hadden toegekend.

Al de oude verdenkingen, die den hoogstrevenden en losbandigen prins van

zijn jonge jaren af hadden vervolgd, werden tot gloeihitte weer

opgerakeld: hoe hij in 1392 de opzettelijke aanlegger was geweest van

het rampzalige "bal des ardents", toen zijn broeder de jonge koning

ternauwernood was ontkomen aan den jammerlijken vuurdood van zijn

gezellen in hun vermomming als wildemannen, door een onvoorzichtig

bijgehouden toorts geraakt. Orleans' samensprekingen in het klooster der

Celestijnen met "den toovenaar" Philippe de Mézières leverden de stof

tot allerlei zinspelingen op moordplannen en giftmengerij. Zijn algemeen

bekende gehechtheid aan tooverkunsten geeft aanleiding tot de

levendigste gruwelverhalen: hoe Orleans op een Zondagmorgen met een

afvalligen monnik, een ridder, een knape en een knecht naar la Tour

Montjay aan de Marne reed; hoe de monnik daar twee duivelen deed

verschijnen, gekleed in bruin-groen en geheeten Heremas en Estramain,

die een degen, een dolk en een ring van een helsche wijding voorzagen,

waarop het gezelschap een gehangene van de galg van Montfaucon ging

halen enz. Tot uit den zinneloozen praat van den waanzinnigen koning

wist meester Jan sinisteren zin te puren.

Nadat aldus eerst de beoordeeling op het niveau van het algemeen-

zedelijke was verheven, door de zaak te stellen in het licht der

schriftuurlijke modellen en moreele sententiën, en vervolgens de stemming

van afgrijzen en huivering kunstig is gaande gemaakt, breekt in de minor,

die stuk voor stuk de geledingen van de major volgt, de stroom van

regelrechte beschuldigingen los. De hartstochtelijke partijhaat doet den

aanval op de nagedachtenis van den vermoorde met al de hevigheid, waartoe

de toomelooze geest in staat was.

Vier uren lang was Jean Petit aan 't woord, en toen hij uitgesproken

had, sprak zijn lastgever, de hertog van Bourgondië: "Je vous avoue".

Er werden van de justificatie vier kostbare boekjes gemaakt, gebonden in

geperst leer, verlucht met goud en miniaturen, voor den hertog en zijn

naaste verwanten. Een daarvan wordt nog te Weenen bewaard. Ook was het

vertoog te koop. [770]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 26 / 38 段