Deze anatomie der zonde zou licht het zondigheidsbesef, dat zij

versterken moet, verzwakken door het af te leiden op het uitpluizen der

classificatie, wanneer niet tegelijk de fantazie der zonde en de

verbeelding der straf tot het uiterste waren geëxaspereerd. Niemand kan

in het tegenwoordige leven de enormiteit der zonde volkomen bevatten of

ten volle verstaan. [724] Alle moreele voorstellingen worden met een

ondragelijk overwicht beladen, door ze steeds weer in onmiddellijke

betrekking te stellen tot Gods majesteit. Bij elke zonde, ook de

geringste, is het heelal betrokken. Gelijk de boeddhistische litteratuur

het applaus der hemelingen met bloemenregens, lichtschijn en zachte

beving der aarde kent bij een groote daad van een Bodhisattva, zoo hoort

Dionysius, somberder gestemd, hoe alle gezaligden en rechtvaardigen, de

hemelsche sferen, alle elementen, ja zelfs de onredelijke wezens en

onbezielde dingen wraak roepen over de onrechtvaardigen. [725] Zijn

proeve, om door gedetailleerde beschrijving en opzettelijke

verbeeldingen ter benauwing de vrees voor zonde, dood, oordeel en hel

tot het allersmartelijkste aan te scherpen, mist haar ijzingwekkende

werking niet, misschien juist door haar ondichterlijkheid. Dante had de

duisternissen en gruwelijkheden der hel met schoonheid aangeraakt:

Farinata en Ugolino zijn in hun verworpenheid heroïsch, en de

klapwiekende Lucifer vertroost ons door zijn majesteit. Doch een bij al

zijn mystische intensiteit toch volkomen ondichterlijke monnik als

Dionysius de Kartuizer geeft de hel als pure angst- en ellendigheids-

voorstelling. De lichamelijke pijnen en smarten worden in schroeiende

kleuren geschilderd. De zondaar moet opzettelijk trachten, het zich zoo

levendig mogelijk voor te stellen. "Laten wij ons voor oogen verbeelden

--zegt Dionysius--een allerheetsten en allergloeiendsten oven, en daarin

liggende een naakten man, die nimmer uit zulk een pijniging zal worden

verlost. Zal ons niet die kwelling, ja het gezicht ervan alleen,

ondragelijk schijnen? Hoe rampzalig zou ons die man dunken! Denken wij,

hoe die man zich heen en weer zou werpen in dien oven, hoe hij zou

schreeuwen, zou huilen, zou _leven_, welk een angst hem persen zou, welk

een smart hem zou doordringen, vooral wanneer hij bemerkte, dat zulk een

ondragelijke straf nooit zou eindigen." [726]

Men denkt onwillekeurig: hoe konden zij, die zich zulke voorstellingen

van helsche pijn voor oogen stelden, een mensch op aarde levend doen

verbranden? De heetheid van het vuur, de gruwelijke koude, de

walgelijkheid der wormen, de stank, de honger en dorst, de kluistering

en de duisternis, de onuitsprekelijke vuilheid der hel, het eindeloos

weerklinken van gehuil en geschreeuw in de ooren, het gezicht der

duivelen, het wordt alles als de verstikkende wade van een angstdroom

over ziel en zinnen van den lezer gespreid. Maar nog scherper is de

benauwing met de cerebrale smarten: de rouw, de vrees, het holle gevoel

van een oneindig gemis en verworpenheid, de onzegbare haat tegen God en

nijd over de zaligheid van al zijn uitverkorenen; in het brein niets dan

verwarring en drukking, het bewustzijn vol van dwaling en valsche

voorstelling, verblinding en wanbegrippen. En het weten, dat dit alles

zal zijn in eeuwigheid, wordt door kunstige vergelijkingen tot een

zwijmelende verschrikking opgevoerd. [727]

Dat de vrees voor de eeuwige pijn, hetzij inslaande als een plotselinge

"goddelijke angst", hetzij knagende als een lange ziekte en druk,

telkens als motief tot inkeer en devotie wordt vermeld, behoeft bewijs

noch betoog. [728] Alles was daarop toegelegd. Een tractaat van de Vier

utersten: dood, oordeel, hel en eeuwig leven, misschien vertaald naar

dat van Dionysius, was de gewone tafellectuur voor de gasten van het

klooster Windesheim. [729] Wel een bittere kruiding van den maaltijd.

Maar met zoo scherpe middelen werd altijd weer de zedelijke volmaking

aangedrongen. De middeleeuwer is als iemand, die reeds te lang met te

sterke geneesmiddelen is bewerkt. Hij reageert slechts op de krachtigste

prikkels. Om de loffelijkheid eener deugd ten volle te doen schitteren,

kunnen voor den middeleeuwschen geest slechts die uiterste exempelen

dienen, waarbij een minder geëxaspereerd zedelijkheidsbesef de deugd

reeds in haar caricatuur zou zien verkeerd. Voor het geduld het voorbeeld

van Sint Aegidius, die door een pijl gewond, God bad, dat zijn wonde,

zoolang hij leefde, niet mocht genezen. Voor matigheid de heiligen, die

asch in hun spijzen mengden, voor kuischheid zij, die een vrouw bij zich

in bed namen, om hun vastheid te beproeven, of de jammerlijke fantazieën

van de maagden, die om den belager harer kuischheid te ontgaan, een baard

kregen of geheel ruig behaard werden. Of wel de prikkel wordt gevonden in

het exorbitante van het voorbeeld in verband met den leeftijd des

voorbeeldigen: Sint Nicolaas weigerde op hooge feestdagen de moedermelk;

voor standvastigheid beveelt Gerson het voorbeeld aan van Sint Quiricus,

een martelaartje van drie jaren of zelfs negen maanden, die zich door den

praefect niet wou laten troosten, en in den afgrond werd geworpen. [730]

De behoefte, om de heerlijkheid der deugd in zoo sterke doseering te

genieten, staat ook alweer in verband met het allesbeheerschende

Idealisme. Het zien van de deugd als idee onttrok om zoo te zeggen aan

haar waardeering den bodem van het werkelijke leven; haar schoonheid

werd gezien in haar zelfstandig wezen als uiterste volmaking, niet in

haar moeizame betrachting van iederen dag onder vallen en opstaan.

Het middeleeuwsche Realisme (dus gelijk hyper-idealisme) moet ondanks

allen inslag van gekerstend neoplatonisme beschouwd worden als een

primitieve geesteshouding. Het is, in de school voorzeker gesublimeerd

en verijld, in het leven de houding van den primitieven mensch, die

aan alle abstracte dingen wezen en substantie toekent. Kan men de

hyperbolische vereering der deugd in haar ideaalsten vorm als een

hoog-religieuze gedachte aanmerken, in haar tegenkant: de verachting der

wereld, ziet men duidelijk de schakel, die het middeleeuwsche denken nog

aan de gedachtenvormen van een verren voortijd verbindt. Ik bedoel het

feit, dat de tractaten "de contemptu mundi" zich niet kunnen losmaken

van een overmatig gewicht hechten aan de slechtheid van het materieele.

Niets weegt hun zoo zwaar als motief om de wereld te versmaden als de

afstootelijkheid der lichaamsverrichtingen, met name die van uitscheiding

en voortplanting. Het is het poverste gedeelte der middeleeuwsche zedeleer:

die afschuw van den mensch "formatus de spurcissimo spermate, conceptus

in pruritu carnis, sanguine menstruo nutritus, qui fertur esse tam

detestabilis et immundus, ut ex ejus contactu fruges non germinent,

arescant arbusta ... et si canes inde comederint, in rabiem efferantur."

[731] Wat is dit, naast omgeslagen zinnelijkheid, anders dan de uitlooper

van dien primitieven vorm van Realisme, die den wilde in excrementen en

in alles wat conceptie en geboorte begeleidt, magische substanties en

potenties doet vreezen? Er loopt een rechte en niet zeer lange lijn

tusschen de magische vrees, waarmee de natuurvolken zich afwenden van de

vrouw in haar vrouwelijkste verrichtingen, en den ascetischen vrouwenhaat

en -smaad, die sedert Tertullianus en Hieronymus de christelijke

litteratuur had ontsierd.

Alles wordt substantieel gedacht. In de dertiende eeuw komt de leer op

van den schat van goede werken: thesaurus operum supererogationum, den

voorraad der overvloedige verdiensten van Christus en de heiligen, die

door de Kerk in 't klein kon worden gesleten. Al leerde de Kerk met

nadruk, dat de zonde geen essentie of geen ding was, [732] haar eigen

techniek der zondenvergeving tezamen met de bonte verbeelding en

uitgewerkte systematiek der zonde kon niet anders dan in het onwetend

gemoed de overtuiging vestigen, als ware de zonde een substantie, zooals

zij in den Atharvaveda wordt gezien. Hoe moest, ook al bedoelde

Dionysius slechts vergelijkingen, de substantieele opvatting der zonde,

als een smetstof, gevoed worden, wanneer hij haar gelijk noemt aan een

koorts, een koud, bedorven, overtollig lichaamsvocht. [733] Het recht,

dat zich niet zoo angstvallig om dogmatische zuiverheid te bekommeren

had, weerspiegelt zulk een opvatting, wanneer de Engelsche juristen

werken met de voorstelling, dat er in felonie een corruptie van het

bloed aanwezig is. [734] Ook ten opzichte van het bloed van den

Verlosser heerscht die hyper-substantieele opvatting: het is een reëele

stof; één droppel zou genoeg zijn geweest, om de wereld te verlossen,

maar er is een overvloed gegeven, zegt Sint Bernard, en Thomas van

Aquino dicht:

"Pie Pelicane, Jesu domine,

Me immundum munda tuo sanguine,

Cuius una stilla salvum facere

Totum mundum quit ab omni scelere." [735]

Bij Dionysius den Kartuizer zien wij een wanhopige worsteling, om de

voorstellingen van het eeuwig leven uit te drukken in termen van

ruimtelijke uitgebreidheid. Het eeuwige leven is van een onmetelijke

waardigheid; God in zich zelven te genieten, is een oneindige

volmaaktheid; in den Verlosser was noodig een oneindige waardigheid en

afdoendheid (efficacia); de zonde is van oneindige enormiteit, omdat zij

een uitspatting is tegen de onmetelijke heiligheid; daarom wordt een

genoegdoener van onmetelijke geschiktheid vereischt. [736] Het negatieve

ruimte-adjectief moet hier steeds het gewicht, de potentie van het

heilige voorstelbaar maken. Om de eeuwigheidsvoorstelling in te

boezemen, laat Dionysius een beeld dienen: denk u een zandberg zoo groot

als het heelal; om de tien- of honderdduizend jaar wordt van dien berg

een korreltje afgenomen. Die berg zal opraken. Maar na zulk een

onbeseffelijken tijdsduur zal de hellestraf nog niet verminderd zijn, en

niet dichter bij haar einde, dan toen het eerste korreltje van den berg

werd afgenomen. En toch, als de verdoemden wisten, dat zij bevrijd

zouden worden, wanneer die berg op was, zou het hun een groote troost

zijn. [737]

Zijn het de hemelvreugden, of Gods majesteit, die men wil uitdrukken,

dan wordt het enkel een zich overschreeuwen van de gedachte.

Hemelvreugde blijft in de uitdrukking altijd uiterst primitief. Een zoo

felle visie van geluk als van vreeselijkheid kan de menschelijke taal

niet geven. Om de overmaat van het leelijke en ellendige nog te

verergeren, behoefde men slechts dieper te dalen in de spelonken der

menschelijkheid, maar om de opperste gelukzaligheid te beschrijven moest

men den nek verrekken in het opzien naar den hemel. Dionysius put zich

uit in wanhopige superlatieven, dat is een louter mathematische

versterking van de voorstelling, zonder verheldering of verdieping

ervan: "Trinitas supersubstantialis, superadoranda et superbona ...

dirige nos ad superlucidam tui ipsius contemplationem." De Heer is

"supermisericordissimus, superdignissimus, superamabilissimus,

supersplendidissimus, superomnipotens et supersapiens,supergloriosissimus."

[738]

Maar wat hielp het opeenstapelen van al-termen, van voorstellingen van

hoogte, wijdheid, onmetelijkheid en onuitputtelijkheid? Het bleven

altijd beelden, altijd het herleiden van het oneindige tot

eindigheidsvoorstellingen, en daarmee de verzwakking en veruiterlijking

van het oneindigheidsbesef. Eeuwigheid was geen onmeetbare tijd. Elke

sensatie, die uitgedrukt was, verloor haar onmiddellijkheid; elke

eigenschap, aan God toegekend, ontnam hem iets van zijn ontzaglijkheid.

Nu begint de geweldige worsteling, om met den geest tot de volstrekte

beeldeloosheid der Godheid op te klimmen. Aan geen cultuur of tijdperk

gebonden, is zij overal en altijd weer gelijk. "There is about mystical

utterances an eternal unanimity which ought to make a critic stop and

think, and which brings it about that the mystical classics have, as has

been said, neither birthday nor native land." [739]--Maar de steun der

verbeelding kan niet aanstonds worden prijsgegeven. Stuk voor stuk wordt

het ontoereikende der uitdrukking erkend. De concrete belichamingen der

idee, en de veelkleurige gewaden der symboliek vallen het eerst weg:

dan is er geen sprake meer van bloed en genoegdoening, niet meer van

eucharistie, niet meer van Vader, Zoon en Heiligen Geest. In Eckhart's

mystiek wordt Christus bijna niet meer genoemd, en evenmin de Kerk en de

sacramenten. Doch de uitdrukking van het mystische schouwen van het

Zijn, de Waarheid, de Godheid, blijft ook dan nog gebonden aan

natuurlijke voorstellingen: van licht, van uitgebreidheid. Dan slaan

deze om in het negatieve: stilte, ledigheid, duisternis. Dan wordt ook

van die vorm- en inhoudlooze begrippen het ontoereikende erkend, en men

tracht hun gebrekkigheid op te heffen door ze voortdurend te koppelen

aan hun tegenstelling. Tenslotte blijft niets over dan de zuivere

negatie. "Deus propter excellentiam non immerito Nihil vocatur", zegt

Scotus Erigena, en Angelus Silesius dicht:

"Gott ist ein lauter Nichts, ihn rührt kein Nun noch Hier;

Je mehr du nach ihm greiffst, je mehr entwind er dir". [740]

Dit voortschrijden van den schouwenden geest tot de prijsgave van elke

verbeelding is in werkelijkheid natuurlijk niet in die strikte volgorde

geschied. De meeste mystische uitingen vertoonen al die phasen

gelijktijdig en dooreen. Zij zijn aanwezig bij de Indiërs, zij zijn

volkomen ontwikkeld reeds bij den Pseudo-Dionysius Areopagita, de bron

van alle christelijke mystiek, zij zijn herleefd in de Duitsche mystiek

der veertiende eeuw.

Ziehier een voorbeeld uit de revelaties van Dionysius den Kartuizer.

[741] Hij spreekt met God, die toornig is. "Bij dit antwoord zag de

broeder, naar binnen gekeerd, zich als in een sfeer van onmetelijk licht

geplaatst, en allerzoetst, in een ontzaglijke kalmte, riep hij met een

heimelijk niet naar buiten klinkend roepen tot den allerheimelijksten en

waarlijk verborgenen, onbegrijpelijken God: O overbeminnelijkste God,

gij zijt zelf het licht en de sfeer des lichts, waarin uw uitverkorenen

zoet ter ruste gaan, bekomen, sluimeren en inslapen. Gij zijt als een

allerwijdste, allervlakste en ondoorloopbare woestenij, waarin de

waarlijk vrome geest, geheel gezuiverd van bijzondere liefde, van boven

verlicht en krachtig ontvlamd, zwerft zonder dwalen, en dwaalt zonder

zwerven, zaliglijk bezwijkt en onbezweken geneest." Hier is eerst de

lichtverbeelding, nog positief, dan die van den slaap, daarna die van de

woestenij (de uitgebreidheidsvoorstelling in twee dimensies), eindelijk

de elkaar opheffende tegenstellingen.

Het beeld der woestenij--dat is de horizontale ruimtevoorstelling,

wisselt af met dat van den afgrond--dat is de verticale

ruimtevoorstelling. Dit laatste was een geweldige vond der mystische

verbeelding. De uitdrukking toch van de eigenschapsloosheid der godheid

in Eckhart's woorden van "den wijzeloozen en vormeloozen afgrond der

stille, woeste godheid", gaf bij het begrip eener oneindigheid tevens

het gevoelsmoment eener duizeling. Van Pascal heet het, dat hij

voortdurend een afgrond naast zich zag: zulk een gewaarwording is hier

als 't ware tot een vasten mystischen term herleid. Met deze beelden

van den afgrond en de stilte wordt de levendigste uitdrukking van de

onbeschrijfelijke mystieke beleving bereikt. "Wol uf dar, herz und sin

und muot,--jubelt Suso--in daz grundlos abgründ aller lieplichen

dingen!" [742] Meister Eckhart in zijn ademlooze strakheid: "De vonk

der ziel (de mystische kern van het enkele wezen) heeft niet genoeg

aan Vader, noch aan Zoon, noch aan Heiligen geest, noch aan de drie

personen, zooverre als elk dezer bestaat in hun eigenschap. Ik spreek

waarlijk, dat dit licht niet genoeg heeft aan de eenbaarheid van den

vruchtbaren aard goddelijker natuur. Ik wil nog meer spreken, dat nog

wonderlijker klinkt: ik spreek met goede waarheid, dat dit licht niet

genoeg heeft aan het eenvoudige, stilstaande goddelijke wezen, dat noch

geeft noch neemt; meer: het wil weten, vanwaar dit wezen komt, het wil

in den eenvoudigen grond, in de stille woestenij, waar nimmer

onderscheid in te schouwen was, noch Vader, noch Zoon, noch Heilige

geest, in het innige, waar niemand tehuis is, daar vindt dat licht

genoeg, en daar is het eeniger dan in zich zelven, want deze grond is

een eenvoudige stilte, die in zich zelve onbewegelijk is."--De ziel

wordt alleen daardoor volkomen zalig, "dat zij zich werpt in de woeste

godheid, waar noch werk noch beeld is, dat zij zich daar verlieze en

verzinke in de woestenij." [743]

Bij Tauler: "In dezen verzinkt de gelouterde, verklaarde geest in de

goddelijke duisternis, in een stille zwijgen en in een onbegrijpelijk en

onuitsprekelijk vereeren, en in dit inzinken wordt verloren alle gelijk

en ongelijk, en in dezen afgrond verliest de geest zichzelven en weet

van God noch van zich zelven, noch gelijk noch ongelijk, noch van niets

iets, want hij is gezonken in Gods eenigheid en heeft verloren alle

onderscheiden." [744]

Bij Ruusbroec worden al de middelen tot uitdrukking van de mystische

beleving nog plastischer aangewend dan bij de Duitschers.

"Roept dan alle met openre herten:

O gheweldich slont!

Al sonder mont,

Voere ons in dinen afgront;

Ende make ons dine minne cont."

Het genieten van de zaligheid der vereeniging met God "is wilt ende

woeste, alse een verdolen; want daer en is wise, noch wech, noch pat,

noch zate, noch mate." "Daer in selen wi sijn ons selven onthoecht,

ontsonken, ontbreit ende ontlingt (opheffing van alle ruimte-

voorstellingen) in ene ewighe verlorenheit sonder wederkeer."

[745] De genieting der zaligheid is zoo groot, "dat God ende alle

heylighen ende dese hoghe menschen (die haar beleven) hierin verswolghen

sijn in onwisen, dat is in een niet weten ende in ene ewighe

verlorenheit." [746] God geeft de weelde der zaligheid aan allen gelijk,

"maer die se ontfaen die sijn onghelijc: nochtan blivet hem allen over,

na der ghebrukelicheit in der verenicheit", d.w.z. zij kunnen, wat

betreft het genieten der zaligheid in de vereeniging met God, niet alle

weelde op, die hun geschonken wordt. "Mer na der verlorenheit in der

woestinen demsterheit, daer en blivet niet over: want daer en is gheven

noch nemen, mer een simpel eenvoldich wesen. Daer is God ende alle die

verenichde in versonkenende verloren, ende nimmermeer en moghen se hem

vinden in desen wiselosen wesene." [747]

Al de negaties zijn vereenigd in het volgende. "Hier na volcht die

sevende trappe (van minnen), dat edelste ende dat hoechste dat men leven

mach in tijt ende in ewicheit. Dat is, alse wi, boven al bekinnen ende

weten, in ons bevinden een grondeloes niet weten; alse wi boven alle

name die wi Gode gheven ofte creaturen, versterven ende overliden in ene

ewighe onghenaemtheit daer wi ons verliesen: ende alse wi, boven alle

oefeninghen van doechden, in ons aensien ende bevinden ewighe ledicheit,

daer nieman in werken en mach; ende boven alle salige gheeste, ene

grondelose salicheit, daer wi alle één sijn, ende dat selve één dat die

salicheit selve es, in haers selfsheit: ende alse wi aensien alle

salighe gheeste, weselic ontsonken, ontvloten ende verloren in haer

overwesen, in ene wiselose onbekende demsterheid." [748] In de eenvoudige,

wijzelooze zaligheid vergaat alle onderscheid der creaturen: "Dair

ontvallen si hem selven in ene verlorenheit, ende in onwetene sonder

gront; daer is alle claerheit wederboecht in deimsterheit, daer die drie

persone wiken der weseliker enicheit." [749]

Het is altijd weer de vruchtelooze poging, om alle beelden op te geven,

om uit te drukken "onsen ledighen staet, dats bloete onghebeeltheit",

dien God alleen geven kan. "Hi maect ons bloet van alle beelden, ende

trect ons in ons begin: daer en vinden wi anders niet dan wilde, woeste,

onghebeelde bloetheit, die altoes antwoert der ewicheit." [750]

In deze aanhalingen uit Ruusbroec zijn ook de twee laatste

beschrijvingsmiddelen reeds uitgeput: het licht, dat in duister

verkeert, en de zuivere negatie, het afzien van alle weten. Het innigst

heimelijke wezen Gods zijn duisternis te noemen, was reeds van den

Pseudo-Areopagiet. En zijn naamgenoot, bewonderaar en commentator, de

Kartuizer, werkt dien term uit. "En de alleruitmuntendste, onmetelijke,

onzichtbare volheid zelve van uw eeuwig licht wordt de goddelijke

duisternis genoemd, waarin gij gezegd wordt te wonen, die de

duisternissen tot uw schuilplaats stelt." [751] "En de goddelijke

duisternissen zelve zijn bedekt voor alle licht en verborgen voor alle

gezicht, wegens den onomschrijfelijken en ondoordringbaren glans der

eigen klaarheid." De duisternis is het niet weten, het ophouden van alle

begrip: "Hoe meer de geest uw overschitterend goddelijk licht nadert,

hoe voller hem uw onbenaderbaarheid en onbegrijpelijkheid blijken, en

als hij de duisternis is ingegaan, bezwijken spoedig alle naam en alle

kennen geheel (omne nox nomen omnisque cognitio prorsus deficient). Maar

dit zal den geest zijn, u te zien: te zien, dat gij geheel onzichtbaar

zijt; en hoe klaarder hij dat ziet, hoe helderder hij u aanschouwt. Naar

deze overlichte duisternis bidden wij te mogen worden, o gezegende

Drievuldigheid, en door onzichtbaarheid en onwetendheid u te zien en te

kennen, die boven alle gezicht en kennis zijt. Aan hen alleen verschijnt

gij, die, na al het waarneembare en begrijpbare te zijn te boven gekomen

en te hebben achtergelaten, en ook al het geschapene en desgelijks zich

zelven, intreden in de duisternis, waarin gij waarlijk zijt." [752]

Zooals het licht in duister verkeert, zoo verkeert het hoogste leven in

den dood. Als de ziel, zegt Eckhart, begrepen heeft, dat in het rijk

Gods geen schepsel komen kan, dan gaat de ziel haar eigen weg en zoekt

God niet meer. "Und allhie so stirbet si iren hohsten tot. In disem tot

verleuset di sele alle begerung und alle bild und alle verstentnüzz und

alle form und wirt beraubt aller wesen. Und daz seit sicher als got

lebt: als wenik mak di sele, di also geistlich tot ist, einik weis oder

einik bild vorgetragen einigen menschen. Wann diser geist ist tot und

ist begraben in der gotheit." Ziel, als ge niet u zelve verdrinkt in

deze bodemlooze zee der godheid, zoo kunt gij niet bekennen dezen

goddelijken dood. [753]

Het schouwen Gods door ontkenningen, zegt Dionysius elders, is

volkomener dan dat door bevestigingen. "Want wanneer ik zeg: God is

goedheid, zijn (essentia), leven, schijn ik aan te duiden, wát God is,

alsof dat hetgeen hij is, iets gemeen had met of eenigszins gelijk ware

aan het geschapene, terwijl het vaststaat, dat hij onbegrijpelijk en

onbekend, ondoorgrondelijk en onuitsprekelijk is, en van alles wat hij

werkt, gescheiden is door een onmetelijke en geheel onvergelijkelijke

verschillendheid en uitnemendheid." [754]--De eenigende wijsheid

(sapientia unitiva) wordt geheeten onredelijk, zinneloos en dwaas. [755]

Hoe verwant en hoe anders toch weer klinken de klanken uit het verre

oude Indië. De leerling komt tot den meester en zegt: "Leer mij het

brahma, eerwaarde!--Gene echter zweeg stil. Toen nu de ander ten tweeden

male en ten derden male vroeg: Leer mij het brahma, eerwaarde! sprak de

meester: Ik leer het u immers, maar gij verstaat het niet: deze âtman

(het Zelf) is stil." [756] De goden willen van Prajâpati den âtman

leeren kennen. Twee en dertig jaren wonen zij bij hem als

brahma-leerlingen. Dan leert hij hun, dat het mannetje in het oog of het

spiegelbeeld in het water het Zelf is, maar hen naziende spreekt

hijzelf: Zonder het Zelf begrepen te hebben, gaan zij heen.--Na nog twee

en dertig jaren openbaart hij aan Indra op diens bedenkingen: Die daar

wandelt in den droom, dat is de âtman. En na nog eens denzelfden tijd:

Datgene wat, als de mensch is ingeslapen, weggezonken, geheel tot rust

gekomen, geen droom meer aanschouwt, dat is het Zelf. [757]--"Hij

echter, de âtman is niet zoo en niet zoo"; de gansche reeks van

tegengestelde ontkenningen wordt uitgeput, om zijn wezen te verklaren.

"Gelijk iemand, door een geliefde vrouw omstrengeld, geen bewustzijn

heeft van wat buiten of binnen is, zoo heeft ook de geest, door het

uit-erkennen-bestaande Zelf omstrengeld, geen bewustzijn van wat buiten

of binnen is. Dat is zijn wezensvorm, gestild van verlangen, zelf zijn

verlangen, zonder verlangen, gescheiden van leed. Dan is vader

niet-vader, moeder niet-moeder, wereld niet-wereld...." [758]

* * * * *

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 25 / 38 段