De symboliseerende denkvorm was zoo goed als versleten. Het vinden van

symbolen en allegorieën was een ijdel spel geworden, een oppervlakkig

fantazeeren op een enkel gedachtenverband. Het symbool behoudt zijn

gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen, die het verbeeldt:

zoodra het symboliseeren van het zuiver godsdienstige gebied afvloeit

naar het enkel moreele, ziet men het in zijn hopelooze verbastering.

Froissart weet in een uitvoerig gedicht _Li orloge amoureus_ alle

eigenschappen der liefde met de onderdeelen van een uurwerk te

vergelijken. [706] Chastellain en Molinet wedijveren in politieke

symbolismen: in de drie standen zijn de eigenschappen van Maria

gefigureerd; de zeven keurvorsten, drie geestelijke en vier wereldlijke,

beteekenen de drie theologale en vier cardinale deugden; de vijf steden

Saint-Omer, Aire, Rijssel, Douai en Valenciennes, die in 1477 Bourgondië

trouw blijven, worden de vijf wijze maagden. [707] Eigenlijk heeft men

hier te doen met een omgekeerd symbolisme, waarbij niet het lagere naar

het hoogere wijst, maar het hoogere naar het lagere. Want in den geest

van den schrijver staan de aardsche dingen, die hij met wat hemelsche

versiering verheerlijken wil, vooraan. De _Donatus moralisatus seu per

allegoriam traductus_, die wel eens aan Gerson is toegeschreven, bracht

de latijnsche grammatica bij, met theologische symboliek gemengd: het

nomen is de mensch, het pronomen beduidt, dat hij een zondaar is. Op den

laagsten trap van de symboliseering staat een gedicht als _Le parement

et triumphe des dames_ van Olivier de la Marche, waarin het gansche

vrouwelijk toilet wordt vergeleken met deugden en voortreffelijkheden,

een brave zedepreek van den ouden hoveling, met een enkel schuin

knipoogje. De pantoffel beduidt de nederigheid:

"De la pantouffle ne nous vient que santé

Et tout prouffit sans griefve maladie,

Pour luy donner tiltre d'auctorité

Je luy donne le nom d'humilité."

Zoo worden de schoenen zorg en vlijt, de kousen volharding, de kouseband

vastberadenheid, het hemd eerbaarheid en het keurs kuischheid. [708]

Toch is natuurlijk, zelfs in haar meest zoutelooze uitingen, de

symboliek en allegorie voor den middeleeuwschen geest van een veel

levender gevoelswaarde geweest, dan wij ons voorstellen. De functie van

het symbolisch gelijkstellen en het persoonlijk verbeelden was zoo

ontwikkeld, dat haast vanzelve elke gedachte zich kon omzetten in een

personnage, een vertooning. Elke idee werd immers als wezen gezien, elke

hoedanigheid als zelfstandigheid, en als wezen kregen zij voor het

beeldende gezicht terstond persoonlijken vorm. Dionysius de Kartuizer

ziet in zijn revelaties de Kerk juist even persoonlijk en tooneelmatig,

als zij vertoond werd op het hoffeest van Rijsel. In een zijner

openbaringen ziet hij de toekomstige reformatio, die naar welke de

vaderen van het concilie en Dionysius' geestverwant Nicolaas van Cusa

streefden: de Kerk derhalve in haar toekomstige zuiverheid. De

geestelijke schoonheid dier gezuiverde Kerk ziet hij als een overschoon

en allerkostbaarst kleed van onbeschrijfelijke fraaiheid in

allerkunstigste mengeling van kleuren en figuren. Een andermaal ziet hij

de Kerk in haar verdrukking: leelijk, ruig en bloedeloos, arm, zwak en

verschopt. De Heer zegt: hoor uwe Moeder, mijne bruid, de heilige Kerk,

en daarop hoort Dionysius de innerlijke stem als uit de figuur der Kerk

komende: "quasi ex persona Ecclesiae". [709] Zoo onmiddellijk komt hier

de gedachte in beeldvorm, dat de herleiding van het beeld tot gedachte,

de verklaring der allegorie in bijzonderheden, nauwelijks als noodig

wordt gevoeld, als het gedachtenthema maar even is aangegeven. Het bonte

kleed is volkomen adequaat aan de voorstelling van geestelijke

volmaaktheid; er is hier een oplossing van de gedachte in het beeld,

zooals ons een oplossing der gedachte in muziek gemeenzaam is.

Men denke hier opnieuw aan de allegorische figuren uit den _Roman de la

rose._ Wij kunnen ons niet dan met inspanning iets denken bij Bel

Accueil, Doulce Mercy, Humble Requeste. Maar zij hebben voor de

tijdgenooten een met levenden vorm bekleede en met passie gekleurde

wezenlijkheid gehad, die hen volkomen op één lijn stelt met de

Romeinsche speciale godenfiguren. Wat Usener van deze zegt, is bijna

geheel toe te passen op de middeleeuwsche allegorische personnages. "Die

Vorstellung trat mit sinnlicher Kraft vor die Seele und übte eine solche

Macht aus, dass das Wort, das sie sich schuf, trotz der adjectivischen

Beweglichkeit, die ihm verblieb, dennoch ein göttliches Einzelwesen

bezeichnen konnte". [710] Anders zou immers de _Roman de la rose_

onleesbaar zijn geweest. Doux Penser, Honte, Souvenirs en de rest hebben

in de geesten der latere Middeleeuwen een quasi-goddelijk leven gehad.

Een recrudescentie van die voorstelling beleefde één der Rose-figuren,

namelijk Danger, wat in de amoureuze taal den te bedriegen echtgenoot

ging beteekenen.

Herhaaldelijk ziet men, om een gedachte uit te drukken, waar het

bijzonder op aankomt, naar de allegorie grijpen. Wanneer de bisschop van

Chalons aan Philips den Goede een zeer ernstige waarschuwing omtrent

zijn politiek beleid wil geven, giet hij de remonstrance, die hij in het

kasteel van Hesdin op Sint Andriesdag 1437 voor den hertog, de hertogin

en hun gevolg ten beste geeft, in den vorm van een allegorie. Hij vindt

Haultesse de Signourie troosteloos zitten, die eerst in het Keizerrijk,

daarna aan het Fransche, tenslotte aan het Bourgondische hof heeft

gewoond, en nu klaagt, ook daar te worden belaagd door Zorgeloosheid des

vorsten, Slapheid van raad, Nijd van dienaren, Afpersing van onderdanen.

Hij stelt er andere personnages tegenover, als Waakzaamheid des vorsten

enz., die het ontrouwe hofgezin moeten verdrijven. [711] Elke hoedanigheid

is hier verzelfstandigd en als persoon verbeeld.

De Burger van Parijs is een nuchter man, die zich zelden verlustigt in

stijlversiering of gedachtenspel. Maar wanneer hij genaderd is tot het

vreeselijkste, dat hij te beschrijven heeft: de Bourguignonsche moorden,

die het Parijs van Juni 1418 den bloedgeur van September 1792 gaven,

neemt hij de allegorie te baat. [712] "Lors se leva la deesse de

Discorde, qui estoit en la tour de Mau-conseil, et esveilla Ire la

forcenée et Convoitise et Enragerie et Vengence, et prindrent armes de

toutes manières et bouterent hors d'avec eulx Raison, Justice, Memoire

de Dieu et Atrempance moult honteusement." Zoo gaat het verder,

afgewisseld door de directe beschrijving van den gruwel: "Et en mains

que on yroit cent pas de terre depuis que mors estoient, ne leur

demouroit que leurs brayes, et estoient en tas comme porcs ou millieu de

la boe...."; de stortregens wasschen hun wonden schoon.--Wat beteekent

juist hier de allegorie? Heeft zij hier niet de functie van een

uitdrukkingsmiddel voor het tragische besef, de overbrenging van de

vreeselijke gebeurtenissen op een plan boven dat van den individueelen

toeleg der menschen?

Hoe levend de functie der personificatie en allegoriseering nog in de

laatste Middeleeuwen was, blijkt juist uit die trekken, welke ons in dat

alles het storendst schijnen. Wij kunnen een allegorie nog eenigermate

genieten in tableau-vivant, de geijkte figuren behangen met onwezenlijke

draperie, die aan iedereen zegt, dat het maar gekheid is. Maar de

vijftiende eeuw kan de allegorische figuren zoo goed als de heiligen nog

laten rondloopen in de kleeren van den dag. En zij kan ieder oogenblik

nog nieuwe verpersoonlijkingen scheppen voor elke gedachte, die zij wil

uitdrukken. Als Charles de Rochefort in _l'Abuzé en court_ de moraliteit

wil verhalen van den lichtzinnigen jongeling, die door het hofleven op

't slechte pad wordt gebracht, schudt hij een gansche reeks nieuwe

allegorieën in den trant van de _Rose_ uit zijn mouw; en al die voor ons

zoo bleeke wezens: Fol cuidier, Folle bombance, tot het eind, wanneer

Pauvreté en Maladie den jongeling meenemen naar het hospitaal, treden in

de miniaturen, die het gedicht verluchten, op als jonkers van den tijd;

zelf le Temps heeft geen baard of zeis van noode, en komt in wambuis en

hozen. Ons maken de illustraties met hun naïeve strakheid de

voorstelling van dat alles al te primitief; al het teere en bewegelijke,

dat de tijd zelf in die concepties voelde, is voor ons vervluchtigd.

Juist in hun alledaagschheid ligt het kenmerk van hun levendheid. Het

heeft voor Olivier de la Marche niets storends, dat de twaalf deugden,

die een entremets bij het hoffeest van Rijssel in 1454 vertoonen, nadat

hun versje is voorgelezen, aan het dansen gaan "en guise de mommerie et

à faire bonne chiere, pour la feste plus joyeusement parfournir."

[713]--Aan deugden en aandoeningen verbindt zich een menschvormige

voorstelling nog eenigermate ongewild, maar ook in gevallen, waar voor

ons het begrip niets anthropomorphs zou hebben, schroomt de

middeleeuwsche geest niet, om er een persoon van te maken. Quaresme als

persoonlijke figuur is niet een schepping van Breughel's dolle brein,

die hem laat optrekken tegen het heir van Vastenavond; al veel eerder

treedt hij als zoodanig in de litteratuur op. [714] Ook het spreekwoord

kent hem zoo: "Quaresme fait ses flans la nuit de Pasques."

Welk graadverschil is er geweest in de wezenlijkheid der voorstelling

tusschen de heiligen en de zuiver zinnebeeldige figuren? De eersten

hadden de bevestiging der Kerk, hun historisch karakter, hun beelden van

hout en steen. Maar de laatsten hadden de aanraking met het eigen

zieleleven en met de vrije fantazie. Men kan in ernst twijfelen, of niet

Fortune en Faux Semblant evenveel leven hebben gehad als Sinte Barbara

en Sint Christoffel. Vergeten wij niet, dat één figuur, buiten elke

dogmatische of traditioneele sanctie opgekomen uit de vrije fantazie,

meer realiteit heeft verworven dan eenige heilige, en hen allen heeft

overleefd: de Dood.

Een wezenlijk contrast tusschen de allegorie der Middeleeuwen en de

mythologie der Renaissance is er eigenlijk niet. Vooreerst begeleiden de

mythologische figuren reeds gedurende een goed stuk der Middeleeuwen de

vrije allegorie: Venus speelt haar rol in het zuiverst middeleeuwsche,

wat er gedicht is. Aan den anderen kant behoudt de vrije allegorie haar

fleur nog lang in de zestiende eeuw en later. In de veertiende eeuw

begint als 't ware een wedstrijd tusschen allegorie en mythologie. In de

gedichten van Froissart treden naast Doux Semblant, Jonece, Plaisance,

Refus, Dangier, Escondit, Franchise een zonderling stel van soms

onkenbaar verminkte mythologemen op: Atropos, Cloto, Lachesis, Telephus,

Ydrophus, Neptisphoras! De goden en godinnen leggen het in volheid van

verbeelding nog af bij de personages van de _Rose_; zij blijven nog hol

en schimmig. Of zij worden, als zij 't rijk alleen hebben, uitermate

barok en onklassiek, zooals in de _Epistre d'Othéa à Hector_ van

Christine de Pisan. Het komen der Renaissance is de omkeering van die

verhouding. Gaandeweg winnen de Olympiërs en de nimfen het van de _Rose_

en de Sinnekens. Uit de rijkdommen der Oudheid stroomt hun een volheid

toe van stijl en sentiment, een dichterlijke schoonheid, en bovenal een

eenheid met het natuurgevoel, waarbij de eens zoo levende allegorie

verbleekte en verdween.

Het symbolisme met zijn dienares de allegorie was een speling van het

vernuft geworden; het zinrijke werd zinloos. De symbolische denkwijze

belemmerde de ontplooiing van het causaal-genetische denken. Niet dat

het door het symbolisme werd uitgesloten; het natuurlijk-genetisch

verband der dingen had zijn plaats naast het symbolisch verband, maar

het bleef onbelangrijk, zoolang de belangstelling zich niet verplaatst

had van het symbolisme naar de natuurlijke ontwikkeling. Een voorbeeld

ter verduidelijking. Voor de verhouding van het geestelijk en het

wereldlijk gezag stonden in de Middeleeuwen twee symbolische

vergelijkingen vast: het zijn de twee hemellichamen, zooals God ze bij

de schepping het een boven het ander had gesteld, en het zijn de twee

zwaarden, die de discipelen bij zich hadden, toen Christus

gevangengenomen werd. Deze symbolen nu zijn voor de middeleeuwsche

gedachte niet maar een geestige vergelijking; zij geven den grond aan

der gezagsverhouding, die zich aan dat mystisch verband niet mag

onttrekken. Zij hebben dezelfde voorstellingswaarde als dat Petrus de

rots der Kerk is. De dwang van het symbool staat het onderzoek naar de

historische ontwikkeling der beide machten in den weg. Wanneer Dante dit

laatste als noodzakelijk en beslissend onderkent, dan moet hij, in zijn

_Monarchia_, eerst de kracht van het symbool ontzenuwen, door zijn

toepasselijkheid te bestrijden, eer de weg vrij is voor het historisch

onderzoek.

Een woord van Luther keert zich tegen de euvelen van de willekeurige,

beuzelachtige allegorie in de godgeleerdheid. Hij spreekt van

grootmeesters der middeleeuwsche theologie, van Dionysius den Kartuizer,

van Guilielmus Durandus, den schrijver van het _Rationale divinorum

officiorum_, van Bonaventura en Gerson, als hij uitroept: "die

allegorische studiën zijn het werk van lieden zonder bezigheid. Of meent

gij, dat het mij moeilijk zou vallen, over elke geschapen zaak met

allegorieën te spelen? Wie is zoo gering van vernuft, dat hij zich niet

in allegorieën zou kunnen beproeven!" [715]

Het symbolisme was een gebrekkige uitdrukking voor vast geweten

samenhangen, zooals zij ons soms bewust worden bij het hooren van

muziek--"Videmus nunc per speculum in aenigmate". Men wist, dat men in

een raadsel zag, en toch had men getracht, de beelden in den spiegel te

onderscheiden, en beelden met beelden verklaard, en spiegel tegenover

spiegel gezet. De gansche wereld lag verbeeld in zelfstandige figuren:

het is een getijde van overrijpheid en uitbloeiing. De gedachte was al

te afhankelijk geworden van de verbeelding; de visueele aanleg, den

laatsten Middeleeuwen zoo bovenmate eigen, was oppermachtig geworden.

Alle denkbaarheden waren plastisch en picturaal geworden. De

wereldvoorstelling had de rust bereikt van een kathedraal in het

maanlicht, waarin de gedachte kon gaan slapen.

NOTEN:

[691] Seuse, Leben, kap. 4, 45, Deutsche Schriften, p. 15, 154; Acta

Sanctorum Jan., t. II p. 656.

[692] Hefele, l.c., p. 167; vgl. p. 259 "Over den naam van Jezus", B.'s

verdediging van het gebruik.

[693] Eug. Demole, Le soleil comme cimier des armes de Genève, vermeld

Revue historique CXXIII p. 450.

[694] Rod. Hospinianus, De templis etc. ed. IIa, Tiguri, 1603, p. 213.

[695] James, Varieties of religieus experience, p. 474, 475.

[696] Irenaeus, Adversus haereses libri V, 1. IV c. 21(3).

[697] Over de noodwendigheid van zulk realisme James, l.c., p. 56.

[698] Goethe, Sprüche in Prosa.

[699] St. Bernard, Libellus ad quendam sacerdotem, bij Dion. Cart. De

vita et regimine curatorum, t. XXXVII p. 222.

[700] Bonaventura, De reductione artium ad theologiam, Opera, ed. Paris,

1871, t. VII, p. 502.

[701] P. Rousselot, Pour l'histoire du problème de l'amour (Bäumker &

Von Hertling, Beitr. zur Gesch. der Philosophie im Mittelalter, VI 6)

Münster, 1908.

[702] Sicard, Mitrale sive de officiis ecclesiasticis summa, Migne,

t. CCXIII c. 232.

[703] Gerson, Compendium Theologiae, Opera, I p. 234, 303s, 325,

Meditatio super septimo psalmo poenitentiali, IV p. 26.

[704] Alanus redivivus, passim.

[705] Op blz. 12 (zie Hoofdstuk I, tekst voor noot 17) wordt fortitudo

met abstinentia gelijkgesteld, maar op p. 201 (zie Hoofdstuk IV tekst

voor noot 386) is het temperantia, die in de reeks ontbreekt; dit zal de

bedoeling zijn. Er zijn ook nog andere verschillen.

[706] Froissart, Poésies, ed. Scheler. I p. 53.

[707] Chastellain, Traité par forme d'allégorie mystique sur l'entrée du

roy Loys en nouveau règne, Oeuvres, VII p. 1; Molinet, II p. 71, III

p. 112.

[708] Vgl. Coquillart, Les droits nouveaux, ed. d'Héricault, I p. 72.

[709] Opera, I p. xliv sq.

[710] H. Usener, Götternamen, Versuch zu einer Lehre von der religiösen

Begriffsbildung, Bonn, 1896, p. 73.

[711] J. Mangeart, Catalogue des mss. de la bibl. de Valenciennes, 1860.

p. 687.

[712] Journal d'un bourgeois, p. 96.

[713] La Marche, II p. 378.

[714] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 183. Vgl Rabelais, Pantagruel,

I. IV ch. 29.

[715] De captivitate babylonica ecclesiae praeludium. Werke ed. Weimar,

VI p. 562.

* * * * *

X

HET FALEN DER VERBEELDING

Het symbolisme was als de levende adem der middeleeuwsche gedachte.

De gewoonte, om alle dingen in hun zinrijk verband en hun betrekking tot

het eeuwige te zien, hield in de denkbeeldenwereld de schittering gaande

van verschietende kleuren en de wisseling van vervloeiende grenzen.

Wanneer de symboliseerende functie òf uitblijft, òf louter mechanisch

is geworden, dan wordt het grootsche gebouw der van God gewilde

afhankelijkheden een necropool. Een systematisch idealisme, dat overal

de betrekkingen tusschen de dingen stelt krachtens hun als essentieel

beschouwde algemeene hoedanigheid, leidt licht tot starheid en

onvruchtbare classificeering. De indeeling en onderverdeeling der

begrippen, enkel deductief verricht, is zoo gemakkelijk; de ideeën laten

zich zoo gewillig rangschikken aan het gewelf van den wereldbouw. Er is

behoudens de regelen der abstracte logica geen correctief, dat ooit een

fout in de classificatie aanwijst, en daardoor wordt de geest misleid

omtrent de waarde van zijn denkarbeid, en de stelligheid van het systeem

wordt overschat. Elke notie, elk begrip staat als een ster aan het

firmament. Om van eenig ding het wezen te kennen, vraagt men niet naar

zijn inwendigen bouw, ziet men niet naar de lange schaduw der

geschiedenis achter het, maar kijkt op naar den hemel, waar het straalt

als idee.

De gewoonte, om de dingen altijd te verlengen met een hulplijn naar den

kant der idee komt voortdurend uit in de middeleeuwsche behandeling van

elke staatkundige, maatschappelijke of zedelijke twistvraag. Men kan ook

het geringste en meest alledaagsche niet anders beschouwen dan in een

universeel verband. Er is bij voorbeeld aan de universiteit te Parijs

een geschil gaande, of er voor den graad van licentiaat eenige betaling

te eischen valt. Pierre d'Ailly zelf neemt het woord, om tegen den

kanselier der universiteit de vordering te bestrijden. Het wordt geheel

scholastiek opgezet: uitgaande van den tekst: "Radix omnium malorum

cupiditas", stelt hij een drieledig te bewijzen: dat het vorderen van

dat recht simonie is, dat het strijdt tegen het natuurlijk en goddelijk

recht, en dat het ketterij is. [716]--Om zekere ongebondenheden te

berispen, die een bepaalde processie ontsieren, haalt Dionysius de

Kartuizer alles wat processies betreft, van oorsprong af op: hoe het

toeging onder de oude wet enz., [717] zonder eigenlijk op de zaak zelf

in te gaan. Dit is wat bijna elk middeleeuwsch betoog zoo vermoeiend en

teleurstellend maakt: het wijst terstond naar den hemel en verdwaalt van

den beginne af in schriftgevallen en moreele algemeenheden.

Het volkomen doorgewerkt idealisme openbaart zich overal. Van elken

levensvorm, elken maatschappelijken staat of beroep staat een

godsdienstig-zedelijk ideaal omschreven, waarnaar iedereen zichzelf te

reformeeren heeft al naar den eisch van zijn bijzonder beroep, om den

Heer waardig te dienen. [718] Men heeft iets van den nieuwen tijd, iets

wat de Hervorming aankondigt, willen zien in den nadruk, waarmee

Dionysius de Kartuizer de heiligheid van het aardsch "beroep" op den

voorgrond stelt. Hij heeft in zijn tractaten _De vita et regimine

nobilium_ enz., die hij voor zijn vriend Brugman tenslotte samenvatte in

twee boeken _De doctrina et regulis vitae christianorum_, aan elk beroep

het ideaal van heiligende plichtsvervulling voorgehouden: den bisschop,

prelaat, aartsdiaken, kanunnik, pastoor, scholier, den vorst, den

edelman, den ridders, den kooplieden, den gehuwden, weduwen, maagden,

kloosterlingen. [719] Maar juist in die strenge verbijzondering van

elken staat als iets zelfstandigs ligt iets echt middeleeuwsch, en de

uitwerking van die plichtenleer heeft dat abstracte en algemeene, dat

nergens in de werkelijke sfeer van het behandelde beroep zelf binnen

leidt.

In die herleiding van alles tot het algemeene ligt de eigenschap, die

onder den naam typisme door Lamprecht als de bij uitstek kenmerkende van

den middeleeuwschen geest is gesteld. Zij is echter veeleer een gevolg

van die onderschikkende behoefte van den geest, welke voortspruit uit

het ingewortelde Idealisme. Het is-niet zoozeer een onvermogen, om het

bijzondere aan de dingen te zien, als de bewuste wil, om overal den zin

der dingen aan te duiden in hun betrekking tot het hoogste, hun

zedelijke idealiteit, hun algemeene beteekenis. Men zoekt in alles juist

het onpersoonlijke, de gelding als model, als standaardgeval. Het gebrek

aan individueele opvatting is tot zekere hoogte opzettelijk, eer een

uitvloeisel van de allesbeheerschende universalistische denkgewoonte dan

een kenmerk van een geringen geestelijken ontwikkelingsgraad.

De werkzaamheid van den geest bij uitnemendheid was het uiteenleggen van

de gansche wereld en het gansche leven in zelfstandige ideeën, en het

rangschikken van die ideeën in groote en talrijke leenverbanden of

hierarchieën van gedachte. Vandaar die vatbaarheid van den

middeleeuwschen geest, om elke qualiteit uit het complex van een geval

af te zonderen in haar wezenlijke zelfstandigheid. Wanneer de bisschop

Fulco van Toulouse erop wordt aangezien, dat hij een Albigensische vrouw

een aalmoes geeft, antwoordt hij: "Ik geef niet aan de kettersche maar

aan de arme". En de Fransche koningin, Margareta van Schotland, die den

slapenden dichter Alain Chartier op den mond kust, verontschuldigt zich:

"Je n'ay pas baisé l'homme mais la précieuse bouche de laquelle sont

yssuz et sortis tant de bons mots et vertueuses paroles". [720] Een

spreekwijze zeide: "Haereticare potero, sed haereticus non ero".

[721]--Is dit alles niet op het gebied van het gewone denken wat in de

opperste speculatiën der theologie een onderscheiding was als die van

God's voluntas antecedens, krachtens welke hij allen zalig wil, en de

voluntas consequens, die slechts den uitverkorenen geldt? [722]

Het wordt een slapeloos doordenken van alle dingen, zonder de beperking

van het werkelijk waargenomen oorzakelijk verband, een schier

automatische analyse, die tenslotte uitloopt op een eeuwig nummeren.

Geen gebied lokte tot die doorwerking zoozeer uit als dat der deugden en

zonden. Elke zonde heeft haar vast getal van oorzaken, haar soorten,

haar dochteren, haar schadelijke werkingen. Twaalf dwaasheden, zegt

Dionysius, misleiden den zondaar: hij verblindt zichzelven, hij

verstrikt zich aan den duivel, hij slaat de hand aan zich zelven, hij

versmijt zijn rijkdom (de deugd), hij verkoopt zich voor niets (terwijl

hij zelf gekocht is voor Christus' bloed), hij keert zich af van den

allertrouwsten minnaar, hij meent den almachtige te weerstaan, hij dient

den duivel, hij verwerft zich onvrede, hij opent zich den toegang der

hel, verspert zich den weg naar den hemel, en gaat dien ter helle op.

Elk nummer wordt met schriftplaatsen, beelden en bijzonderheden

geïllustreerd, verbeeld, vastgelegd, zoodat het de stellige zekerheid en

zelfstandigheid krijgt van een figuur aan een kerkportaal. Terstond

daarop wordt dezelfde reeks opnieuw in dieperen zin gegrond. Uit zeven

oogpunten moet de zwaarte der zonde worden overdacht: uit het oogpunt

Gods, uit dat van den zondaar, van de stof, van de omstandigheden, van

de bedoeling, van het wezen der zonde zelf, en van de gevolgen. Sommige

dier punten zijn weer onderverdeeld in acht, in veertien, bij voorbeeld

het tweede: de zonde is zwaarder naar de mate van beweldadigdheid, van

kennis, van voormalige deugd, van het ambt, de wijding, van de

gemakkelijkheid om weerstand te bieden, van de gelofte, van den

leeftijd. Er zijn zes zwakheden des geestes, die tot de zonde geschikt

maken. [723] Het is alles juist zoo als in het boeddhisme: ook daar die

moreele systematiek, om houvast te geven aan de oefeningen der deugd.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 24 / 38 段