[660] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.
[661] Ib.
[662] Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.
[663] James, l.c., p. 343.
[664] Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.
[665] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II
p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij
Gerson, Opera, I p. 925, 926.
[666] Responsiones, l.c., p. 936.
[667] Ib. p. 910ss.
[668] Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.
[669] Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82.
[670] Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.
[671] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.
[672] Opera, III p. 589ss.
[673] Ib. p. 593.
[674] Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.
[675] Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck
De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.
[676] Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek
over Ruusbroec), Opera, I p. 82.
[677] Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in
the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed,
that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223.
[678] Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I
p. 114.
[679] Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De
distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola
super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I
p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi
et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369.
[680] Moll, Johannes Brugman, I p. 57.
[681] Gerson, De distinctione etc., I p. 55.
[682] Moll, Brugman. I p. 234, 314.
[683] Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43,
p. 146. 26.
[684] Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die
chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en
Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860(2), 1868, III p.
156/9, VI p. 132.
[685] Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.
[686] Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10(1),
191, 276.
[687] Moll, Brugman, II p. 84.
[688] Oulmont, l.c., p. 204, 210.
[689] B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29,
31, 105, 108, 116 etc.
[690] Alanus redivivus, p. 209, 218.
* * * * *
IX
VERBEELDING EN GEDACHTE
De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en
gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen,
wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke
onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren.
In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om
aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven:
de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs
bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso
tatoeërt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de
beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt.
Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn
geestelijke kinderen. [691]--Als Bernardino van Siena een geweldige
preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord
van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van
stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieën, allen te zamen
huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus".
[692] Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden,
volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de
hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het
wapen van Genève worden uit deze vereering afgeleid. [693] Zij scheen
den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en
idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino
werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte.
[694] Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer
zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de
gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien
zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de
monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke
liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd;
het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het
sacramentsfeest toegestaan.
De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche
gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn
geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had
gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.
Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist,
dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in
aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen
spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht
tot aangezicht".--Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou
zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en
verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld
aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog
op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de
bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot
een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin.
Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen
zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een
raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal
vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons
eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat
gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen
uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare
oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of
zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous
sense of our connection with the power that made things as they are, we
are tempered more towardly for their reception. The outward face of
nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It
was dead and is alive again. It is like the difference between looking
on a person without love, or upon the same person with love.... When we
see all things in God, and refer all things to him, we read in common
matters superior expressions of meaning." [695]
Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat
niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud
Deum". [696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem
uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot
geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele
verbeelding van de wereld als één groot symbolisch verband, een
kathedraal van ideeën, de allerrijkst rythmische en polyphone
uitdrukking van al het denkbare.
De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig
naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als
ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zóo vreemd, als men het wel eens
voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog
alleen gezien onder de naïeve figuur van directe voortteling of van
vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de
dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van
genealogieën of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine
juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van
een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de
ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.
Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd,
als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet
gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis
en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee
dingen één essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op
iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op
grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het
besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch
gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van
ethnologisch gezichtspunt kan men het bovendien een zeer primitieve
geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een
zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen;
het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat
daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De
symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen.
Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en
onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het
onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke
in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder
treffend, platonisch idealisme noemen.
Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van
gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke
aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het
gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentiën beschouwd worden.
Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet
terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in
heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot
stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid,
zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en
martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van
mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid
dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met
andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter
benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar
gezien worden als realiën, wezenlijkheden. Ook óns denken vermag nog elk
oogenblik ze zoo te zien, [697] als het maar even terugkeert tot de
wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie
de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene
hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn.
Schoonheid, teerheid, witheid, essentiën zijnde, zijn eenheden: alles
wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden
bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God.
Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in
den middeleeuwschen zin).
Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia.
Zeker, het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan
de algemeene begrippen wezen en praeëxistentie toekende, is geen
alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken.
Er zijn ook nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft
zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het
radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie
is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere
philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar
aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche
geestesbeschaving niets in den weg legde.
Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste
plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de
voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals
het zich uit in de kunst, de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen.
Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange
school van neo-platonisme was geformeerd, maar omdat het realisme,
buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den
primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of
het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich
terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft
niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan
de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen.
Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte
anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig
wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders
dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en
realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige
verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke
uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van
een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe
beschrijft de tegenstelling aldus: "Die Allegorie verwandelt die
Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der
Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollständig zu halten und zu
haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die
Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild
immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen
Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe." [698]
De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche
normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte
in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was
binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de
allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde
het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het
de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven
ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche
beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben
gecultiveerd?
Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en
personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van
licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen
met den term ideeënassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving
heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de
symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme
schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan
het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn
sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept
daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een
hiërarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een
lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool
niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het
symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van
betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende
hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met één en
dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste
dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het
hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot
beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige
buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het
kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte
naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het
symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van
God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het
houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de
voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde.
Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn
symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid
meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide
aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een
doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch
accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der
gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen
der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het
levensbesef op zijn hoogste heft.
Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte.
De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het
Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk
denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels
een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een
overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen
tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en
daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie
is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het
graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het
opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch één-zijn. [699]
Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf
verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche
bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op
het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige
generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel.
[700] Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de
draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme,
dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid,
vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het
eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het
persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele.
De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van
haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op
den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps où la
spéculation est encore toute scolaire, les concepts définis sont
facilement en désaccord avec les intuitions profondes." [701] Door het
symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor
de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag
en zwevend, zoodat de diepste intuïties erop konden wegvlieden naar het
besef van het onzegbare.
* * * * *
De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar
laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die
alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende
bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om
zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het
niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich
als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid
en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact
eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele
verschieten van ideëele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De
twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden
de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn. [702] Er
conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven
hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven
gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven
boetpsalmen. Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de
passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental
correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven
hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten
gevolgd worden. [703] Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan
wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke
waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la
Roche overweegt daarin het aesthetische. [704] Hij moet een systeem
hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus
van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150
Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de
vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij
zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen
te vermenigvuldigen met de tien categorieën: substantia, qualitas,
quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150
habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met
vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven
capitale deugden, maakt veertien; "restant duae: religio et
poenitentia", nu is er één te veel, maar temperantia, de cardinale, is
gelijk aan abstinentia, [705] de capitale, blijft over vijftien. Elk
dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een
der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een
der vijftien volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de
rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het
dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol
vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap.
Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den
diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het
woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd,
een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke
gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen,
wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt.
De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid,
rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen
niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en
maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook
Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels
"sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die
schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige
zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische
der symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels
geteeld" is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke
geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het
bewustzijn geroepen.