[659] Gerson, De monte contemplationis, Opera, III p. 562.

[660] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 49.

[661] Ib.

[662] Acta sanctorum Martii, t. I p. 562.

[663] James, l.c., p. 343.

[664] Acta sanctorum, l.c., p. 552ss.

[665] Froissart, ed. Kervyn, XV p. 132; Religieux de Saint Denis, II

p. 124; Joannis de Varennis Responsiones ad capita accusationum bij

Gerson, Opera, I p. 925, 926.

[666] Responsiones, l.c., p. 936.

[667] Ib. p. 910ss.

[668] Gerson, De probatione spirituum. Opera, I p. 41.

[669] Gerson, Epistola contra libellum Joh. de Schonhavia, Opera, I p. 82.

[670] Gerson, Sermo contra luxuriam. Opera, III p. 924.

[671] Gerson, De distinctione etc., Opera, I p. 55.

[672] Opera, III p. 589ss.

[673] Ib. p. 593.

[674] Gerson, De consolatione theologiae, Opera, I p. 174.

[675] Gerson, Epistola ... super tertia parte libri Joannis Ruysbroeck

De ornatu nupt. spir., Opera, I p. 59, 67 etc.

[676] Gerson, Epistola contra defensionem joh. de Schonhavia (polemiek

over Ruusbroec), Opera, I p. 82.

[677] Hetzelfde gevoel bij een moderne: "I committed myself to Him in

the profoundest belief that my individuality was going to be destroyed,

that he would take all from me, and I was willing", James, l.c., p. 223.

[678] Gerson, De distinctione etc., I p. 55; De libris caute legendis, I

p. 114.

[679] Gerson, De examinatione doctrinarum, Opera, I p. 19; De

distinctione, I p. 55; De libris caute legendis, I p. 114; Epistola

super Joh. Ruysbroeck De ornatu, I p. 62; De consolatione theologiae, I

p. 174; De susceptione humanitatis Christi, I p. 455; De nuptiis Christi

et ecclesiae, II p. 370; De triplici theologia, III p. 369.

[680] Moll, Johannes Brugman, I p. 57.

[681] Gerson, De distinctione etc., I p. 55.

[682] Moll, Brugman. I p. 234, 314.

[683] Ecclesiasticus 24, 29; vgl. Meister Eckhart, Predigten no. 43,

p. 146. 26.

[684] Ruusbroec, Die Spieghel der ewigher salicheit, cap. 7, Die

chierheit der gheesteleker brulocht, 1. II c. 53, Werken, ed. David en

Snellaert (Maatsch. der Vlaemsche bibliophilen) 1860(2), 1868, III p.

156/9, VI p. 132.

[685] Naar het hs. bij Oulmont, l.c., p. 277.

[686] Vgl. de bestrijding dier meening door James, l.c., p. 10(1),

191, 276.

[687] Moll, Brugman, II p. 84.

[688] Oulmont, l.c., p. 204, 210.

[689] B. Alanus redivivus, ed. J. A. Coppenstein, Napels, 1462, p. 29,

31, 105, 108, 116 etc.

[690] Alanus redivivus, p. 209, 218.

* * * * *

IX

VERBEELDING EN GEDACHTE

De aandoening wilde zich altijd onmiddellijk omzetten in bonte en

gloeiende verbeelding. De geest meende het wonder te hebben begrepen,

wanneer hij het voor oogen zag. De behoefte, om het onuitsprekelijke

onder zichtbare teekenen te aanbidden, schiep steeds nieuwe figuren.

In de veertiende eeuw zijn het kruis en het lam niet meer genoeg, om

aan de overstroomende liefde voor Jezus een zichtbaar object te geven:

de vereering van den naam Jezus voegt zich daaraan toe, en dreigt zelfs

bij sommigen de kruisvereering in de schaduw te stellen. Heinrich Suso

tatoeërt zich den naam Jezus op de hartstreek, en vergelijkt het met de

beeltenis eener geliefde, die de minnaar in zijn kleed genaaid draagt.

Hij zendt doekjes, waarop de zoete naam geborduurd staat, aan zijn

geestelijke kinderen. [691]--Als Bernardino van Siena een geweldige

preek besloten heeft, ontsteekt hij twee kaarsen en vertoont een bord

van een el groot, waarop in goud op blauw de naam Jezus te midden van

stralen; "het volk dat de kerk vult, ligt op de knieën, allen te zamen

huilend en schreiend van zoete aandoening en teedere liefde tot Jezus".

[692] Vele andere Franciscanen, en ook predikers van andere orden,

volgden het na: Dionysius de Kartuizer wordt met zulk een naambord in de

hoogopgeheven handen afgebeeld. De zonnestralen als helmteeken boven het

wapen van Genève worden uit deze vereering afgeleid. [693] Zij scheen

den kerkelijken autoriteiten bedenkelijk; men sprak van bijgeloof en

idolatrie, er ontstonden tumulten voor en tegen het gebruik. Bernardino

werd voor de curie gedaagd, en paus Martinus V verbood de gewoonte.

[694] Doch in een anderen vorm vond weldra de behoefte, om den Heer

zichtbaar te aanbidden, gewettigde bevrediging: de monstrans stelde de

gewijde hostie zelf tot aanbidding ten toon. Voor den torenvorm, dien

zij bij haar eerste opkomen in de veertiende eeuw had, kreeg de

monstrans weldra dien van de stralende zon, symbool der goddelijke

liefde. Ook hier had de Kerk aanvankelijk nog bedenkingen gekoesterd;

het gebruik der monstrans was enkel gedurende de week van het

sacramentsfeest toegestaan.

De overmaat van verbeeldingen, waarin de uitbloeiende middeleeuwsche

gedachte bijna alles had opgelost, zou louter wilde fantasmagorie zijn

geweest, wanneer niet bijna elke figuur, elk beeld, zijn plaats had

gehad in het groote, alles omvattende denksysteem van het symbolisme.

Er was geen groote waarheid, die de middeleeuwsche geest stelliger wist,

dan die van het woord aan de Corinthen: "Videmus nunc per speculum in

aenigmate, tunc autem facie ad faciem"; "Want wij zien nu door eenen

spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht

tot aangezicht".--Zij hebben nooit vergeten, dat elk ding absurd zou

zijn, als zijn beteekenis uitgeput was in zijn onmiddellijke functie en

verschijningsvorm, dat alle dingen met een heel stuk reiken in de wereld

aan den anderen kant. Dat weten is ook ons als ongeformuleerd gevoel nog

op ieder oogenblik gemeenzaam, wanneer het geluid van den regen op de

bladeren of het schijnsel van de lamp over de tafel even doordringt tot

een dieper perceptie dan die van den praktischen denk- en handelingszin.

Het kan zich voordoen als een ziekelijke oppressie, zoodat de dingen

zwanger schijnen van een dreigende persoonlijke bedoeling of van een

raadsel, dat men kennen moet en niet kennen kan. Het kan ook, en zal

vaker, ons vullen met de rustige en sterkende verzekerdheid, dat ook ons

eigen leven deel heeft aan dien geheimen zin der wereld. En hoe meer dat

gevoel zich verdicht tot de huivering voor het Eene, waarvan alle dingen

uitstroomen, hoe lichter het van de zekerheid van enkele klare

oogenblikken zal overgaan tot een blijvend aanwezig levensgevoel, of

zelfs een geformuleerde overtuiging. "By cultivating the continuous

sense of our connection with the power that made things as they are, we

are tempered more towardly for their reception. The outward face of

nature need not alter, but the expressions of meaning in it alter. It

was dead and is alive again. It is like the difference between looking

on a person without love, or upon the same person with love.... When we

see all things in God, and refer all things to him, we read in common

matters superior expressions of meaning." [695]

Dit is de gevoelsgrond, waarop het symbolisme opgroeit. Bij God bestaat

niets ledigs of zonder beteekenis: "nihil vacuum neque sine signo apud

Deum". [696] Zoodra God verbeeld was, moest ook dat al, wat van hem

uitging en in hem zijn zin had, stollen of kristalliseeren tot

geformuleerde gedachten. En zoo ontstaat die grootsche en edele

verbeelding van de wereld als één groot symbolisch verband, een

kathedraal van ideeën, de allerrijkst rythmische en polyphone

uitdrukking van al het denkbare.

De symbolische denkorde staat zelfstandig en op zich zelf gelijkwaardig

naast de genetische. De laatste: het begrijpen van de wereld als

ontwikkeling, was den Middeleeuwen niet zóo vreemd, als men het wel eens

voorstelt. Doch het voortkomen van de dingen uit elkander werd nog

alleen gezien onder de naïeve figuur van directe voortteling of van

vertakking, en nog alleen toegepast volgens logische deductie, op de

dingen van den geest. Die werden gaarne gezien in de geleding van

genealogieën of van boomen met vertakkingen: een "arbor de origine

juris et legum" rangschikte alles van het recht in het beeld van

een wijdgespreiden boom. Enkel deductief toegepast behield de

ontwikkelingsgedachte iets schematisch, willekeurigs en onvruchtbaars.

Het symbolisme is, van het standpunt van het causale denken beschouwd,

als een geestelijke kortsluiting. Het verband der dingen wordt niet

gezocht als een band van oorzaak en gevolg, maar als een van beteekenis

en doel. De overtuiging van zulk een verband kan ontstaan, zoodra twee

dingen één essentieele eigenschap gemeen hebben, die te betrekken is op

iets van algemeene waarde. Of met andere woorden: elke associatie op

grond van eenigerlei gelijkheid kan zich onmiddellijk omzetten in het

besef van een wezenlijk en mystisch verband. Dit kan van psychologisch

gezichtspunt een zeer povere geestesfunctie schijnen. En van

ethnologisch gezichtspunt kan men het bovendien een zeer primitieve

geestesfunctie noemen. Het primitieve denken kenmerkt zich door een

zwakheid van de waarneming der identiteitsgrenzen tusschen de dingen;

het incorporeert in de voorstelling van een bepaald ding alles wat

daarmee door gelijkenis of toebehooren in eenig verband staat. De

symboliseerende functie hangt daarmede ten nauwste samen.

Het symbolisme verliest evenwel dien schijn van willekeurigheid en

onvoldragenheid, zoodra men zich er rekenschap van geeft, dat het

onverbrekelijk verbonden is met die opvatting van het bestaande, welke

in de Middeleeuwen realisme heette, en die wij, eigenlijk minder

treffend, platonisch idealisme noemen.

Alleen dan heeft de symbolische gelijkstelling op grond van

gemeenschappelijke kenmerken zin, wanneer die kenmerken het wezenlijke

aan de dingen zijn, wanneer de eigenschappen, die het symbool en het

gesymboliseerde gemeen hebben, waarlijk als essentiën beschouwd worden.

Rozen wit en rood bloeien tusschen doornen. De middeleeuwsche geest ziet

terstond een symbolische beteekenis: maagden en martelaars stralen in

heerlijkheid tusschen hun vervolgers. Hoe komt de gelijkstelling tot

stand? Doordat de hoedanigheden dezelfde zijn: de schoonheid, teerheid,

zuiverheid, de bloedroodheid der rozen zijn ook die der maagden en

martelaars. Doch dit verband is alleen dan waarlijk zinrijk en vol van

mystische beteekenis, wanneer in het verbindende lid, in de hoedanigheid

dus, het wezen der beide termen van het symbolisme ligt opgesloten, met

andere woorden, wanneer de roodheid en de witheid niet gelden als louter

benamingen voor physisch onderscheid op quantitatieven grondslag, maar

gezien worden als realiën, wezenlijkheden. Ook óns denken vermag nog elk

oogenblik ze zoo te zien, [697] als het maar even terugkeert tot de

wijsheid van den wilde, het kind, den dichter en den mysticus, voor wie

de natuurlijke gesteldheid der dingen ligt opgesloten in hun algemeene

hoedanigheid. De hoedanigheid is hun watheid, de kern van hun zijn.

Schoonheid, teerheid, witheid, essentiën zijnde, zijn eenheden: alles

wat schoon, teer, wit is, moet in wezen samenhangen, heeft denzelfden

bestaansgrond, dezelfde beteekenis (be-teekenis) voor God.

Zoo is er een onverbrekelijk verband tusschen symbolisme en realisme (in

den middeleeuwschen zin).

Men moet hier niet te veel denken aan den strijd over de universalia.

Zeker, het realisme, dat de "universalia ante res" verklaarde, dat aan

de algemeene begrippen wezen en praeëxistentie toekende, is geen

alleenheerscher geweest op het gebied van het middeleeuwsche denken.

Er zijn ook nominalisten geweest: ook het "universalia post rem" heeft

zijn voorstanders gehad. Doch de stelling is niet te gewaagd, dat het

radicale nominalisme nooit anders dan tegenstrooming, reactie, oppositie

is geweest, en dat het jongere, gematigde nominalisme enkel zekere

philosophische bezwaren tegen een extreem realisme tegemoet kwam, maar

aan de inhaerent-realistische denkrichting der gansche middeleeuwsche

geestesbeschaving niets in den weg legde.

Inhaerent aan de gansche beschaving. Want het komt niet in de eerste

plaats op dien strijd van scherpzinnige theologen aan, maar op de

voorstellingen, die het geheele verbeeldings- en gedachtenleven, zooals

het zich uit in de kunst, de moraal, het dagelijksch leven, beheerschen.

Deze zijn extreem realist, niet omdat de hooge theologie in een lange

school van neo-platonisme was geformeerd, maar omdat het realisme,

buiten alle philosophie om, de primitieve denkwijze is. Voor den

primitieven geest neemt alles wat benoembaar is, terstond wezen aan, of

het hoedanigheden zijn, begrippen of wat ook. Zij projecteeren zich

terstond automatisch aan den hemel. Hun wezen kan bijna altijd (behoeft

niet altijd) worden opgevat als persoonlijk wezen; ieder oogenblik kan

de reidans van anthropomorphe begrippen beginnen.

Alle realisme, in den middeleeuwschen zin, is tenslotte

anthropomorphisme. Wanneer de gedachte, die aan de idee een zelfstandig

wezen heeft toegekend, wil worden gezien, dan kan zij dat niet anders

dan door personificatie. Hier ligt de overgang van symbolisme en

realisme naar allegorie. De allegorie is het naar de oppervlakkige

verbeeldingskracht geprojecteerde symbolisme, de opzettelijke

uitwerking, daarmee ook uitputting, van een symbool, het overbrengen van

een hartstochtelijken kreet tot een grammatisch correcten zin. Goethe

beschrijft de tegenstelling aldus: "Die Allegorie verwandelt die

Erscheinung in einen Begriff, den Begriff in ein Bild, doch so, dass der

Begriff im Bilde immer noch begrenzt und vollständig zu halten und zu

haben und an demselben auszusprechen sei. Die Symbolik verwandelt die

Erscheinung in Idee, die Idee in ein Bild, und so, dass die Idee im Bild

immer unendlich wirksam und unerreichbar bleibt und selbst in allen

Sprachen ausgesprochen doch unaussprechlich bleibe." [698]

De allegorie heeft dus inzichzelf reeds het karakter van schoolsche

normaliseering, en tegelijk van een vertering, een opgaan der gedachte

in het beeld. De wijze, waarop zij het middeleeuwsche denken was

binnengekomen: als litteraire aflegger van de late Oudheid in de

allegorische producten van Martianus Capella en Prudentius, verhoogde

het schoolsche en oudachtige karakter. En toch meene men niet, dat het

de middeleeuwsche allegorie en personificatie aan echtheid en leven

ontbrak. Trouwens, had zij die niet bezeten, hoe zou dan de middeleeuwsche

beschaving haar zoo aanhoudend en met zulk een voorliefde hebben

gecultiveerd?

Te zamen vereenigd hebben deze drie denkwijzen: realisme, symbolisme en

personificatie, den middeleeuwschen geest doorschenen als een stroom van

licht. De psychologie zou wellicht het geheele symbolisme willen afdoen

met den term ideeënassociatie. Maar de geschiedenis der geestesbeschaving

heeft dien denkvorm eerbiediger te beschouwen. De levenswaarde van de

symbolische verklaring van het bestaande was onschatbaar. Het symbolisme

schiep een wereldbeeld van nog strenger eenheid en inniger verband, dan

het causaal-natuurwetenschappelijk denken vermag. Het omvademde met zijn

sterke armen de geheele natuur en de geheele geschiedenis. Het schept

daarin een onverbrekelijke rangorde, een architectonische geleding, een

hiërarchische subordinatie. Want in elk symbolisch verband moet een

lager en een hooger zijn; gelijkwaardige dingen kunnen elkanders symbool

niet zijn, maar enkel samen wijzen naar een derde, dat hooger is. In het

symbolisch denken is ruimte voor een onmetelijke veelvuldigheid van

betrekkingen tusschen de dingen. Want elk ding kan met zijn verschillende

hoedanigheden symbool zijn van velerlei andere, en ook met één en

dezelfde hoedanigheid verschillende dingen beteekenen; en de hoogste

dingen hebben hun duizenderlei symbolen. Geen ding is te nederig om het

hoogste te beduiden en aan te wijzen ter verheerlijking. De okkernoot

beteekent Christus: de zoete kern is de goddelijke natuur, de vleezige

buitenschil de menschelijke, en de houten schaal daartusschen is het

kruis. Alle dingen bieden stut en steun voor het opstijgen der gedachte

naar het eeuwige; alle beuren elkaar van trede tot trede omhoog. Het

symbolische denken geeft een voortdurende transfusie van het gevoel van

God's majesteit en eeuwigheid in al het waarneembare en denkbare. Het

houdt voortdurend het mystische levensgevoel brandend. Het doordringt de

voorstelling van elk ding met verhoogde aesthetische en ethische waarde.

Denk het genot, als elke edelsteen fonkelt met de glanzen van al zijn

symbolische waarden, als de vereenzelviging van rozen en maagdelijkheid

meer is dan een dichterlijk zondagskleed, als zij het wezen van beide

aangeeft. Het is een waarlijke polyphonie der gedachte. Bij een

doorgedacht symbolisme klinkt in elke voorstelling een harmonisch

accoord van symbolen. Het symbolisch denken geeft dien zwijmel der

gedachte, die prae-intellectueele vervloeiing van de identiteitsgrenzen

der dingen, die tempering van het verstandelijk denken, welke het

levensbesef op zijn hoogste heft.

Een harmonisch verband verbindt voortdurend alle gebieden der gedachte.

De feiten van het Oude Testament beduiden, praefigureeren die van het

Nieuwe, die der profane geschiedenis weerspiegelen hetzelfde. Bij elk

denken valt, als in een kaleidoscoop, uit de ongeordende massa partikels

een schoone en symmetrische figuur samen. Elk symbool krijgt een

overwaarde, een veel sterkere graad van wezenlijkheid, doordat allen

tenslotte geschaard staan rondom het centrale wonder der eucharistie, en

daar is de gelijkheid geen symbolische meer, maar identiteit: de hostie

is Christus. En de priester, die haar tot zich neemt, wordt daarmee het

graf des Heeren; het afgeleide symbool deelt in de werkelijkheid van het

opperste mysterie, elk beduiden wordt een mystisch één-zijn. [699]

Door het symbolisme werd het mogelijk, de wereld, die in zich zelf

verwerpelijk was, toch te waardeeren en te genieten, en ook het aardsche

bedrijf te veredelen. Want elk beroep had zijn symbolische betrekking op

het hoogste en heiligste. De arbeid van den handwerker is de eeuwige

generatie en incarnatie des Woords en de bond tusschen God en de ziel.

[700] Zelfs tusschen de aardsche liefde en de goddelijke liepen de

draden van het symbolisch contact. Het sterke religieuze individualisme,

dat wil zeggen de cultiveering van de eigen ziel tot deugd en zaligheid,

vond zijn heilzaam tegenwicht in het realisme en symbolisme, die het

eigen leed, de eigen deugd, losmaakten uit de bijzonderheid van het

persoonlijke, en ophieven in de sfeer van het universeele.

De zedelijke waarde van de symbolische denkwijze is onafscheidelijk van

haar verbeeldingswaarde. De symbolische verbeelding is als de muziek op

den tekst der logisch uitgedrukte leerstellingen. "En ce temps où la

spéculation est encore toute scolaire, les concepts définis sont

facilement en désaccord avec les intuitions profondes." [701] Door het

symbolisme stond de geheele godsdienstige voorstellingsrijkdom open voor

de kunst, om haar uit te drukken, klank- en kleurrijk, en tegelijk vaag

en zwevend, zoodat de diepste intuïties erop konden wegvlieden naar het

besef van het onzegbare.

* * * * *

De eindigende Middeleeuwen vertoonen die geheele denkwereld in haar

laatsten uitbloei. De wereld lag volkomen uitgespreid in die

alomvattende verzinnebeelding, en de symbolen werden als versteende

bloemen. Van oudsher had overigens het symbolisme de neiging bezeten, om

zuiver mechanisch te worden. Eenmaal als beginsel gegeven, ontspruit het

niet alleen uit dichterlijke verbeelding en vervoering, maar hecht zich

als een woekerplant aan het denken, en ontaardt tot louter hebbelijkheid

en een ziekte der gedachte. Met name wanneer het symbolisch contact

eenvoudig voortvloeit uit gelijkheid van getal, ontstaan heele

verschieten van ideëele afhankelijkheden. Het worden rekensommetjes. De

twaalf maanden zullen de twaalf apostelen beduiden, de vier jaargetijden

de evangelisten, en het geheele jaar moet dan Christus zijn. [702] Er

conglomereeren zich gansche systemen van zeventallen. Met de zeven

hoofddeugden correspondeeren de zeven beden van het Onze Vader, de zeven

gaven van den heiligen geest, de zeven zaligsprekingen en de zeven

boetpsalmen. Zij hebben weer betrekking op de zeven momenten van de

passie en op de zeven sacramenten. Elk nummer van elk zevental

correspondeert weer als tegenstelling of geneesmiddel met de zeven

hoofdzonden, die weer door zeven dieren verbeeld en door zeven ziekten

gevolgd worden. [703] Bij een zielzorger en moralist als Gerson, aan

wien deze voorbeelden zijn ontleend, overweegt de praktisch zedelijke

waarde van het symbolisch verband. Bij een visionair als Alain de la

Roche overweegt daarin het aesthetische. [704] Hij moet een systeem

hebben, waarin vijftien en tien de getallen zijn, want de gebedencyclus

van de broederschap van den rozekrans, waarvoor hij ijverde, omvat 150

Ave's, afgewisseld door 15 Pater's. Die vijftien Pater's zijn de

vijftien oogenblikken der passie, de 150 Ave's zijn de psalmen. Zij

zijn nog veel meer. Door de elf hemelsferen plus de vier elementen

te vermenigvuldigen met de tien categorieën: substantia, qualitas,

quantitas enz., krijgt men 150 habitudines naturales; evenzoo 150

habitudines morales, door de tien geboden te vermenigvuldigen met

vijftien deugden: de drie theologale, de vier cardinale, de zeven

capitale deugden, maakt veertien; "restant duae: religio et

poenitentia", nu is er één te veel, maar temperantia, de cardinale, is

gelijk aan abstinentia, [705] de capitale, blijft over vijftien. Elk

dier vijftien deugden is een koningin, die haar bruidsbed heeft in een

der fracties van het Onze Vader. Elk der woorden van het Ave beduidt een

der vijftien volmaaktheden van Maria, en tegelijk een edelsteen aan de

rupis angelica, die zij zelve is; elk woord verdrijft een zonde of het

dier, dat die verbeeldt. Zij zijn bovendien de takken van een boom vol

vruchten, waarin alle gezaligden zitten, en de treden van een trap.

Zoo beduidt bij voorbeeld het woord Ave de onschuld van Maria, en den

diamant, en verdrijft den hoogmoed, die den leeuw tot dier heeft. Het

woord Maria is haar wijsheid en de karbonkel en verdrijft den nijd,

een bijster zwarten hond. Alanus ziet in zijn vizioenen de gruwelijke

gedaanten der zondedieren en de schitterende kleuren der edele steenen,

wier oud befaamde wonderkracht weer nieuwe symbolische associaties wekt.

De sardonix is zwart, rood en wit, gelijk Maria zwart was in nederigheid,

rood in haar smarten, en wit in glorie en genade. Zij trekt als zegelsteen

niets aan van de was: deugd der eerzaamheid, verdrijft onkuischheid en

maakt eerzaam en schaamachtig. De parel is het woord gratia, en ook

Maria's eigen gratie; zij ontstaat in de zeeschelp uit een dauw des hemels

"sine admixtione cuiuscunque seminis propagationis". Maria zelf is die

schelp; hier verspringt het symbolisme even, want in de reeks der overige

zou men haar als de parel verwachten. Hier komt ook het kaleidoscopische

der symboliek treffend uit: met de woorden "uit een dauw des hemels

geteeld" is meteen, onuitgedrukt, die andere trope der maagdelijke

geboorte: het vlies, waarop Gideon het hemelsch teeken afsmeekte, in het

bewustzijn geroepen.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 23 / 38 段