verkeerd, dat de mystiek op straat wordt gebracht. [651] De wereld, zegt
hij, is in dit laatste tijdperk kort voor haar einde als een ijlhoofdige
grijsaard, ten prooi aan allerlei fantazieën, droomgezichten en
illusies, die menigeen van de waarheid af brengen. [652] Velen geven
zich zonder behoorlijke leiding over aan al te strenge vasten, al te
gerekte nachtwaken, te overvloedige tranen, waarmee zij hun brein
troebel maken. Zij luisteren naar geen vermaan tot matiging. Laat hen
oppassen, want zij kunnen licht vervallen in begoochelingen des duivels.
Te Atrecht had hij nog kort geleden een vrouw en moeder bezocht, die
tegen den zin van haar echtgenoot door haar volstrekt vasten, twee tot
vier dagen achtereen, veler bewondering wekte. Hij had met haar
gesproken, haar ernstig beproefd, en bevonden, dat haar onthouding
louter hoogmoedige en ijdele halsstarrigheid was. Want na zulk een
vasten at zij met onverzadelijke vraatzucht; als reden voor haar
zelfkastijding gaf zij niet anders op, dan dat zij onwaardig was om
brood te eten. Haar uiterlijk verried hem reeds den naderenden waanzin.
[653] Een ander vrouwtje, een epileptica, wier eksteroogen staken, zoo
dikwijls er een ziel ter helle voer, die de zonden aan het voorhoofd zag
en beweerde, dagelijks drie zielen te redden, bekende onder bedreiging
met de tortuur, dat zij zich zoo gedroeg, omdat het haar broodwinning
was. [654]
Gerson achtte de vizioenen en revelaties van den jongsten tijd, die
overal gelezen werden, niet veel waard. Zelfs die van befaamde heiligen
als Brigitta van Zweden en Catharina van Siena verloochent hij. [655]
Hij had er zooveel gehoord, die hem het vertrouwen benamen. Velen
verklaarden, dat hun geopenbaard was, dat zij paus zouden worden; een
geleerd man had het zelfs eigenhandig beschreven en met bewijzen
gestaafd. Een ander was eerst overtuigd geweest, dat hij paus zou
worden, maar daarna, dat hij de Antichrist of althans diens voorlooper
zou zijn, waarom hij had omgegaan met de gedachte, zich het leven te
benemen, om de christenheid niet zulk een onheil aan te doen.
[656]--Niets is zoo gevaarlijk, zegt Gerson, als een onkundige devotie.
Wanneer de arme vromen hooren, dat Maria's geest zich verblijdde in
haren God, dan trachten zij ook zich te verblijden, en stellen zich van
allerlei voor, nu met minnen, nu met vreezen; daarbij zien zij allerlei
beelden, die zij niet kunnen onderscheiden van de waarheid en die zij
allen voor wonder houden en voor het bewijs van hun voortreffelijke
devotie. [657] Maar dit was juist hetgeen de moderne devotie aanbeval.
"Soe wie hem in desen artikel mit herten ende mit al sinen crachten den
liden ons Heren innichlic geliken ende gheconformieren wil, die sal hem
selven pinen, druckich ende wemoedich te maken. Ende is hi in enighen
teghenwoerdighen druc, die sel hi mitter druckelicheit Christi
verenighen ende begheren mit hem te deilen". [658]
Het schouwende leven heeft groote gevaren, zegt Gerson; velen zijn er
zwaarmoedig of gek van geworden. [659] Hij weet, hoe licht een te
aanhoudend vasten tot waanzin of hallucinaties leidt; hij weet ook, welk
een rol het vasten speelt in de praktijken der tooverij. [660] Waar
moest een man met zulk een scherpen blik voor het psychologische moment
in de uitingen van het geloof de grens trekken tusschen het heilige en
geoorloofde en het verwerpelijke? Hij voelde zelf, dat enkel zijn
rechtzinnigheid hem hier nog niet genoeg gaf; het was gemakkelijk
genoeg, om als geschoold godgeleerde overal den staf te breken, waar van
het dogma klaarblijkelijk werd afgeweken. Maar daarnaast stonden al de
gevallen, waar de ethische beoordeeling der uitingen van vroomheid hem
het richtsnoer moest zijn, waar zijn gevoel voor maat en goeden smaak
hem het vonnis moest ingeven. Er is geen deugd, zegt Gerson, die in deze
ellendige tijden van het schisma meer uit het oog wordt verloren dan de
Discretio. [661]
Was reeds voor Jean Gerson het dogmatische criterium niet meer het
eenige, dat den doorslag gaf ter onderscheiding van ware en valsche
vroomheid, des te eêr vallen voor óns de typen van godsdienstige
aandoening niet meer samen volgens de lijnen van hun orthodoxie of
ketterij, maar volgens hun psychologischen aard. Ook het volk van den
tijd zelf zag de dogmatische lijnen niet. Het hoorde den ketterschen
broer Thomas met evenveel stichting als den heiligen Vincent Ferrer, het
schold de heilige Colette en haar volgelingen voor Begarden en
hypocriten. [662]--Colette vertoont al de eigenschappen van wat James
den theopathischen toestand noemt, [663] wortelend op een bodem van de
pijnlijkste overgevoeligheid. Zij kan geen vuur zien of den gloed ervan
verdragen, behalve kaarsen. Zij is ontzettend bang voor vliegen,
slakken, mieren, voor stank en onreinheid. Zij heeft denzelfden rabiden
afschuw van de sexualiteit, die later de heilige Aloysius Gonzaga
vertoont, zoodat zij enkel maagden in haar congregatie wil hebben, niet
houdt van getrouwde heiligen en het betreurt, dat haar moeder met haar
vader in tweede huwelijk was getrouwd. [664] Deze hartstocht voor de
zuiverste maagdelijkheid werd door de Kerk nog altijd als stichtelijk en
navolgenswaard geprezen. Hij was ongevaarlijk, zoolang hij beleden werd
in den vorm van een persoonlijk afgrijzen van al het sexueele. Doch
datzelfde sentiment werd in een anderen vorm gevaarlijk voor de Kerk en
bij gevolg voor den persoon, die het beleed: wanneer deze namelijk niet
meer als de slak de horens introk, maar de toepassing van die zucht naar
kuischheid wilde zien op het kerkelijk en maatschappelijk leven der
anderen. Steeds weer, als het streven naar die zuiverheid revolutionaire
vormen aannam, heeft de Kerk het moeten verloochenen, omdat zij wist,
dat het onuitvoerbaar was. Jean de Varennes boette die consequentie in
een ellendigen kerker, waar de aartsbisschop van Reims hem had doen
opsluiten. Deze Jean de Varennes was een geleerd theoloog en befaamd
prediker, die aan het pauselijk hof te Avignon als kapelaan van den
jeugdigen kardinaal van Luxemburg zelf beschikt scheen voor een myter of
kardinaalshoed, toen hij plotseling van al zijn beneficiën afstand deed
behalve een kanunnikschap van Notre Dame te Reims, zijn staat opgaf, en
uit Avignon naar zijn geboorteland terugging, waar hij te Saint Lié een
heilig leven begon te leiden en te preeken. "Et avoit moult grant
hantise de poeuple qui le venoient veir de tous pays pour la simple vie
très-noble et moult honneste que il menoit." Men vond, dat hij wel paus
kon worden; men noemde hem "le saint homme de S. Lié", en raakte hem aan
om de wonderdadigheid van zijn persoon; sommigen hielden hem voor een
godsgezant of een goddelijk wezen zelf. Heel Frankrijk sprak een
tijdlang van niets anders. [665]
Maar niet iedereen geloofde aan de oprechtheid van zijn bedoelingen; er
waren er ook, die van "le fou de Saint Lié" spraken, of hem verdachten,
langs dezen opzienbarenden weg de prelatuur te willen bereiken, die hem
anders was ontgaan. Bij hem had, gelijk bij zooveel vroegeren, die als
ketters verworpen waren, de hartstocht voor geslachtelijke zuiverheid
het karakter aangenomen van een heftig revolutionaire prediking, waarin
zich al de grieven over de ontaarding der Kerk schikten onder die eene
groote verontwaardiging. "Au loup, au loup" riep hij de schare toe, en
deze riep willig terug: "Hahay, aus leus, mes bones gens, aus leus."
Maar hij zei immers niet, dat hij den aartsbisschop bedoelde, aldus zijn
verdediging uit den kerker; hij placht enkel het spreekwoord te zeggen:
"qui est tigneus, il ne doit pas oster son chaperon". [666] Hoever hij
ook gegaan moge zijn, zijn hoorders verstonden hem zoo, dat hij al het
oude verzet tegen de onkuische priesters had gepreekt: hun sacramenten
ongeldig, de hostie, die zij wijden, niet dan brood, hun doopsel en hun
absolutie waardeloos. En meer nog tegen de onkuischheid in het algemeen:
de priesters mogen zelfs niet wonen met een zuster of een oude van
dagen; aan het huwelijk zijn 22 of 23 zonden verbonden; men moest de
echtbrekers straffen naar de leer van het Oude Verbond; Christus zelf
zou, indien hij zekerheid had gehad omtrent haar schuld, bevolen hebben,
de overspelige te steenigen; er was geen goede vrouw in Frankrijk, er
kon geen bastaard iets goeds doen of zalig worden. [667]
Tegen dien ingrijpenden vorm van afkeer der onkuischheid heeft de Kerk
zich steeds uit zelfbehoud moeten verzetten: werd eenmaal de twijfel
gewekt aan de geldigheid der sacramenten van onwaardige priesters, dan
was het geheele kerkelijk leven ontwricht. Gerson stelt Jean de Varennes
naast Johannes Hus als een, die met oorspronkelijk goede bedoelingen
door zijn ijver op het dwaalspoor is geleid. [668]
De Kerk is aan den anderen kant in het algemeen uiterst toegefelijk
geweest op een ander gebied: in het dulden van de hoogst zinnelijke
verbeeldingen der godsliefde. De nauwgezette kanselier van de Parijsche
universiteit evenwel heeft ook daar het gevaar gevoeld en ervoor
gewaarschuwd.
Hij kende het uit zijn groote zielkundige ervaring, hij kende het van
verschillende zijden, als dogmatisch en als zedelijk gevaar. "De dag zou
mij niet genoeg zijn, zegt hij, als ik al de tallooze waanzinnigheden
wilde opsommen van de minnenden, de zinneloozen: amantium, immo et
amentium." [669] Ja, hij wist het bij ondervinding: "Amor spiritualis
facile labitur in nudum carnalem amorem." [670] Want wie zou het anders
zijn dan Gerson zelf, die man, dien hij kende, die uit loffelijke
devotie een gemeenzame vriendschap in den Heer had gekweekt met een
geestelijke zuster: "aanvankelijk ontbrak het vuur van eenige
vleeschelijkheid, maar gaandeweg wies uit den geregelden omgang een
liefde, die niet geheel en al meer in God was, zoodat hij zich niet meer
kon weerhouden, haar te bezoeken, of in haar afwezigheid aan haar te
denken. Nog vermoedde hij niets zondigs, geen duivelsch bedrog, totdat
een langere afwezigheid hem tot het inzicht bracht van het gevaar, dat
God nog ter juister tijd van hem had gewend." [671] Hij was voortaan "un
homme averti" en trok er profijt van. Zijn geheele tractaat _De diversis
diaboli tentationibus_ [672] is als een scherpe analyse van den
geestesstaat, die ook die van de Nederlandsche moderne devoten was. Het
is vooral de "dulcedo Dei", de "zueticheit" der Windesheimers, welke
Gerson wantrouwt. De duivel, zegt hij, boezemt den menschen somtijds een
onmetelijke en wonderlijke zoetheid (dulcedo) in, op de wijze van en
gelijkende op devotie, opdat de mensch in het genieten van die zoetheid
(suavitas) zijn eenig doel zoeke, en God enkel meer wil beminnen en
volgen, om die genieting te erlangen. [673] En elders, [674] van
dezelfde dulcedo Dei: velen heeft de al te sterke kweeking van
dergelijke gevoelens bedrogen: zij hebben de razernijen van hun hart als
het voelen Gods omhelsd en jammerlijk gedwaald. Het leidt tot allerlei
ijdel streven: sommigen trachten een staat te bereiken van volkomen
gevoelloosheid of passiviteit, waarin slechts God door hen handelt, of
een mystische kennis en vereeniging met God, waarin Hij niet meer onder
eenig begrip des zijns, des waren of des goeden wordt opgevat.--Hier
liggen ook Gerson's bezwaren tegen Ruusbroec, aan wiens eenvoudigheid
hij niet gelooft, wien hij de meening van zijn _Chierheit der
gheesteliker brulocht_ verwijt, dat de volmaakte ziel, God schouwende,
Hem niet enkel ziet door de klaarheid, die de goddelijke essentie is,
maar dat zij zelve de goddelijke klaarheid is. [675]
Het gevoel van de volstrekte vernietiging der individualiteit, dat de
mystieken van alle tijden gesmaakt hebben, kon de voorstander van een
matige, ouderwetsche, Bernardijnsche mystiek, die Gerson was, niet
gedoogen. Een zieneres had hem verteld, dat haar geest in het schouwen
Gods vernietigd was geworden met een werkelijke vernietiging en daarna
opnieuw geschapen. Hoe weet ge dat? had hij haar gevraagd. Zij had het
zelf ondervonden, was haar antwoord. De logische absurditeit dier
verklaring is voor den intellectueelen kanselier het triomfantelijk
bewijs, hoe verwerpelijk zulk een gevoelen was. [676] Het was
gevaarlijk, zulke gewaarwordingen in een gedachte uit te drukken; de
Kerk kon ze enkel dulden in den vorm van een beeld: het hart van
Catharina van Siena was veranderd in het hart van Christus. Maar
Marguerite Porete uit Henegouwen, van de Broeders van den vrijen geest,
die ook haar ziel in God vernietigd waande, was in 1310 te Parijs
verbrand. [677]
Het groote gevaar van het zelfvernietigingsgevoel lag in de conclusie,
waartoe evenzeer de Indische als sommige christelijke mystieken kwamen,
dat de volmaakte schouwende en minnende ziel niet meer zondigen kan.
Immers, opgegaan in God, heeft zij geen wil meer; slechts het goddelijk
willen is gebleven, en waarin zij ook de vleeschelijke neigingen volgen,
daarin is geen zonde meer. [678] Tal van armen en onwetenden waren door
zulke leeringen verleid tot een leven van de vreeselijkste
ongebondenheid, zooals de secten der Begarden, de Broeders van den
vrijen geest, de Turlupijnen te zien hadden gegeven. Telkens als Gerson
van de gevaren der uitgelaten godsminne spreekt, komt hem het
waarschuwend voorbeeld van die secten in de gedachte. [679] Toch is men
hier voortdurend vlak bij de kringen der devoten. De Windesheimer
Hendrik van Herp beschuldigt zijn eigen geestverwanten van geestelijk
overspel. [680] Er lagen in deze sfeer duivelsche valstrikken tot de
meest perverse goddeloosheid. Gerson vertelt van een aanzienlijk man,
die aan een Kartuizer had bekend, dat hem een doodzonde, en hij noemde
met name die der onkuischheid, de minne Gods niet belemmerde, maar hem
integendeel ontvlamde om de goddelijke zoetheid nog inniger te prijzen
en te begeeren. [681]
De Kerk waakte, zoodra de smeltende aandoeningen van de mystiek zich
omzetten in geformuleerde overtuigingen of in toepassing op het
maatschappelijk leven. Zoolang het bleef bij louter hartstochtelijke
verbeeldingen van symbolischen aard, liet zij ook het meest exuberante
toe. Johannes Brugman kon ongestraft al de eigenschappen van den
dronkaard, die zich zelf vergeet, geen gevaar ziet, niet toornig wordt
om bespotting, alles weggeeft, toepassen op Jezus' menschwording: "O en
was hi niet wael droncken, doe hem die mynne dwanck, dat hi quam van den
oversten hemel in dit nederste dal der eerden?" In den hemel gaat hij
rond, "schyncken ende tappen mit vollen toyten" aan de profeten, "ende
sij droncken, dat sij borsten, ende daer spranck David mit sijnre herpen
voer der tafelen, recht of hij mijns heren dwaes waer." [682]
De groteske Brugman niet alleen, ook de zuivere Ruusbroec geniet de
godsminne onder het beeld der dronkenschap. Naast dat der dronkenschap
staat het beeld van den honger. Mogelijk lag voor beide de aanleiding in
het bijbelwoord: "qui edunt me, adhuc esurient, et qui bibunt me, adhuc
sitient," [683] dat, door Sapientia gesproken, als woord des Heeren werd
geduid. De voorstelling van des menschen geest, geteisterd door een
eeuwigen honger naar God, was dus gegeven. "Hier beghint een ewich
honger, die nemmermeer vervult en wert, dat es een inwendich ghieren
ende crighen der minnender cracht ende dies ghescapens geestes in een
ongescapen goet.... Dit sijn die armste liede die leven; want si sijn
ghierich ende gulsich ende si hebben den mengherael (verklaring: "dat is
die vraet of den ghier of den heeten onversadeliken hongher"). Wat si
eten ende drinken, si en werden nemmermeer sat in deser wijs, want dese
hongher es ewich.... Al gave God desen mensche alle die gaven die alle
heylighen hebben ... sonder hem selven, nochtan bleve die gapende ghier
des gheests hongherich ende onghesaedt."--Doch evenals het beeld der
dronkenschap is ook dat van den honger voor omkeering vatbaar: "Sijn
(Christus') hongher is sonder mate groet; hi verteert ons al uut te
gronde; want hi is een ghierich slockaert ende heeft den mengerael: hi
verteert dat merch uut onsen benen. Nochtan gonnen wijs hem wale, ende
soe wijs hem meer ghonnen, soe wij hem bat smaken. Ende wat hi op ons
teert, hi en mach niet vervult werden, want hi heeft den mengerael ende
sijn hongher is sonder mate: ende al sijn wi arm, hi en achtes niet,
want hi en wilt ons niet laten. Ierstwerf bereyt hi sine spise, ende
verbernt in minnen al onse sonden ende ghebreken. Ende alse wi dan
ghesuvert sijn ende in minnen ghebraden, soe gaept hi alse die ghier
diet al verslocken wilt.... Mochten wi sien die ghierighe ghelost (lust)
die Christus heeft tote onser salicheit, wi en mochten ons niet
onthouden wi en souden hem in die kele vlieghen. Al verteert ons Jhesus
te male in hem, daer vore gheeft hi ons hem selven, ende hi gheeft ons
gheesteliken hongher ende dorst sijns te ghesmaken met ewigher lost. Hi
gheeft ons gheesteliken hongher, ende onser herteliker liefde sijn
lichame in spisen. Ende alse wi dien in ons eten ende teren met ynnigher
devocien, soe vloyet uut sinen lichame sijn gloriose heete bloet in onse
nature ende in alle onse aderen.... Siet, aldus selen wi altoes eten
ende werden gheten, ende met minnen op ende nedergaen, ende dit is onse
leven in der ewicheit". [684]
Een kleine schrede, en men is van deze hoogste vervoeringen der mystiek
weer bij een plat symbolisme. "Vous le mangerés,--zegt van de
eucharistie _Le livre de crainte amoureuse_ van Jean Berthelemy--, rôti
au feu, bien cuit, non point ars ou brulé. Car ainsi l'aigneau de
Pasques entre deux feux de bois ou de charbon estoit cuit convenablement
et roty, ainsi ledoulx Jésus, le jour du Vendredi sacré, fut en la
broche de la digne croix mis, attachié, et lié entre les deux feux de
tres angoisseuse mort et passion, et de tres ardentes charité et amour
qu'il avoit à nos ames et à nostre salut, il fut comme roty et
langoureusement cuit pour nous saulver." [685]
Het beeld van de dronkenschap en den honger weerspreekt reeds de
meening, dat elk godsdienstig zaligheidsgevoel erotisch geïnterpreteerd
zou moeten worden. [686] Het instroomen van den goddelijken invloed
wordt evengoed als een drinken of een gebaad worden ondergaan. Een
Diepenveensche devote voelt zich geheel overstort met het bloed van
Christus en bezwijmt. [687] De bloedfantazie, voortdurend door het
geloof aan de transsubstantiatie levend gehouden en geprikkeld, uit zich
in de bedwelmendste uitersten van rooden gloed. De wonden van Jezus,
zegt Bonaventura, zijn de bloedroode bloemen van ons zoete en bloeiende
paradijs, waarover de ziel als een vlinder zweven moet, dan aan deze dan
aan gene drinkende. Door de zijwond moet zij binnendringen tot het hart
zelf. Tegelijk stroomt het bloed als beken in het paradijs. Al het roode
en warme bloed van alle wonden is door Suso's mond in zijn hart en ziel
gevloeid. [688] Catharina van Siena is een der heiligen, die uit de
zijwond van Christus gedronken hebben, gelijk het anderen ten deel viel,
de melk van Maria's borsten te proeven: Sint Bernard, Heinrich Suso,
Alain de la Roche.
Alain de la Roche, in het latijn Alanus de Rupe, bij zijn Nederlandsche
vrienden Van der Klip geheeten, kan als een der meest markante typen
gelden van de Fransche, meer fantastische devotie en van de
ultra-concrete geloofsverbeelding der laatste Middeleeuwen. Omstreeks
1428 in Bretagne geboren, heeft hij als Dominicaan hoofdzakelijk in het
Noorden van Frankrijk en in de Nederlanden gewerkt. Hij is te Zwolle bij
de Fraters, met wie hij levendige betrekkingen onderhield, in 1475
gestorven. Zijn voornaamste werk was het ijveren voor het gebruik van
den rozenkrans, waartoe hij een gebedsbroederschap over de geheele
wereld stichtte, aan welke hij het bidden voorschreef van vaste stelsels
van Ave's, door Pater's afgewisseld. In het werk van dezen visionair,
hoofdzakelijk preeken en beschrijvingen van zijn gezichten, [689] treft
het sterk sexueele van zijn verbeeldingen, doch tegelijk het ontbreken
van dien toon van gloeiende passie, die de sexueele verbeelding van het
heilige rechtvaardigen kon. De zinnelijke uitdrukking der smeltende
godsminne is hier louter procédé geworden. Er is niets van de
overstroomende innigheid, die de honger-, dorst-, bloed- en
liefde-fantazieën van de groote mystieken verheft. In de meditaties over
elk van Maria's lichaamsdeelen, die hij aanbeveelt, in de nauwkeurige
beschrijving van zijn herhaalde laving met de melk van Maria, in de
symbolische systematiek, waarbij hij elk der woorden van het Onze Vader
het bruidsbed van een der deugden noemt, spreekt een geest op zijn
laatst, het verval van de hooggekleurde vroomheid der latere
Middeleeuwen tot een uitgebloeiden vorm.
Ook in de duivelenfantazie had het sexueele element een plaats: Alain de
la Roche ziet de beesten der zonde met afschuwelijke teeldeelen, waaruit
een vurige en zwavelige stortvloed breekt, die met zijn smook de aarde
verduistert; hij ziet de meretrix apostasiae, die de afvalligen
verslindt, weer uitbraakt en uitscheidt, weer verslindt, hen als een
moeder kust en koestert, hen telkens opnieuw baart uit haren schoot.
[690]
Daar lag de tegenkant van de "zueticheit" der devoten. Als
onvermijdelijk complement van de zoete hemelsche fantazie borg de geest
een zwarten poel van hellevoorstellingen, die eveneens hun uitdrukking
vonden in de gloeiende taal der aardsche zinnelijkheid. Het is zoo
vreemd niet, dat er verbindingen zijn aan te wijzen tusschen de stille
kringen der Windesheimers en het duisterste wat de Middeleeuwen tegen
haar einde hebben voortgebracht: de heksenwaan, thans uitgegroeid tot
dat noodlottig sluitende systeem van theologischen ijver en rechterlijke
strengheid. Alanus de Rupe vormt zulk een schakel. Hij, de gaarne
geziene gast van de Zwolsche fraters, was ook de leermeester van zijn
ordebroeder Jakob Sprenger, die niet alleen met Heinrich Institoris den
Heksenhamer geschreven heeft, maar ook in Duitschland de ijverige
bevorderaar is geweest van Alanus' broederschap van den rozenkrans.
NOTEN:
[637] Gerson, Tractatus VIII super Magnificat, Opera, IV p. 386.
[638] Acta Sanctorum Martii, t. I p. 561, vgl. 540, 601.
[639] K. Hefele, Der bl. Berhardin voor Siena und die franziskanische
Wanderpredigt in Italien während des XV. Jahrhunderts, Freiburg, 1912,
p. 79.
[640] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 74, 86.
[641] Zie boven blz. 255. (zie Hoofdstuk VI, noot 495)
[642] Zie boven blz. 6 vgg. (zie Hoofdstuk I, tekst volgend op noot 7)
[643] Acta Sanctorum Aprilis, t. I p. 195.--Noch van Vincent Ferrer,
noch van Olivier Maillard en Clement Menot heb ik de Sermones in
Nederland kunnen vinden. Het beeld, dat Hefele t.a.p. van de prediking
in Italië geeft, kan echter in veel opzichten ook op de fransch-sprekende
landen toepasselijk worden geacht.
[644] Leven van S. Petrus Thomasius, Carmeliet, door Philippe de
Mézières, Acta sanctorum Jan., t. II p. 997; Dionysius Cartus over
Brugman's preektrant: De vita etc. christ.
[645] Acta Sanctorum Apr., t. I p. 513.
[646] James, l.c., p. 348: "For sensitiveness and narrowness, when they
occur together, as they often do, require above all things a simplified
world to dwell in"; cf. p. 353(1).
[647] Moll, Brugman, I p. 52.
[648] Dionys. Cartus. De quotidiano baptismate lacrimarum, t. XXIX,
p. 84; Deoratione. t. XLI p. 31-55; Expositio hymni Audi benigne conditor,
t. XXXV p. 34.
[649] Acta sanctorum Apr., t. I p. 485, 494.
[650] Chastellain, III p. 119; Antonio de Beatis (1517), L. Pastor, Die
Reise des Kardinals Luigi d'Aragona, Freiburg 1905, p. 51(3), 52;
Polydorus Vergilius, Anglicae historiae libri XXVI, Basileae, 1546,
p. 15.
[651] Gerson, Epistola contra libellum Johannis de Schonhavia, Opera, I
p. 79.
[652] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 44.
[653] Ib. p. 48.
[654] Gerson, De examinatione doctrinarum. Opera, I p. 19.
[655] Ib. p. 16, 17.
[656] Gerson, De distinctione etc., I p. 44.
[657] Gerson, Tractatus II super Magnificat, Opera, IV p. 248.
[658] 65 nutte artikelen van der passien ons Heren, Moll, Brugman, II
p. 75.