Er is nauwelijks een grens waar te nemen tusschen Lodewijk's

verzamelwoede, waar het vreemde dieren geldt: rendieren, elanden, en

waar het kostbare relieken geldt. Hij correspondeert met Lorenzo

de'Medici over den ring van Sint Zanobi, een plaatselijk-florentijnschen

heilige, en over een "agnus Dei", dat wil zeggen het plantaardige

groeisel, ook wel agnus scythicus genoemd, dat als een wonderdadige

rariteit werd aangezien. [617] In de wonderlijke huishouding van het

kasteel Plessis les Tours in Lodewijk's laatste dagen vond men vrome

voorbidders en muzikanten bont dooreen. "Oudit temps le roy fist venir

grant nombre et grant quantité de joueurs de bas et doulx instrumens,

qu'il fist loger à Saint-Cosme près Tours, où illec ilz se assemblerent

jusques au nombre de six vingtz, entre lesquelz y vint pluseurs bergiers

du pays de Poictou. Qui souvent jouerent devant le logis du roy, mais

ilz ne le veoyent pas, affin que ausdiz instrumens le roy y prensist

plaisir et passetemps et pour le garder de dormir. Et d'un autre costé y

fist aussy venir grant nombre de bigotz, bigottes et gens de devocion

comme hermites et sainctes créatures, pour sans cesser prier à Dieu

qu'il permist qu'il ne mourust point et qu'il le laissast encores

vivre." [618]

Ook Saint François de Paule, de Calabrische heremiet, die de nederigheid

der Minderbroeders overtroefde door de stichting der Minimen, is in

letterlijken zin het voorwerp van Lodewijk's verzamelwoede. Het was met

de uitgesproken bedoeling, dat de heilige door zijn voorbidding 's

konings leven zal verlengen, dat deze in zijn laatste ziekte diens

tegenwoordigheid begeerde. [619] Nadat verschillende zendingen aan den

koning van Napels niet hebben gebaat, weet de koning zich door een

diplomatiek optreden bij den paus de overkomst van den wonderman, zeer

tegen diens zin, te verzekeren. Een adellijk geleide haalt hem af uit

Italië. [620] Is hij eenmaal aangekomen, dan voelt Lodewijk zich toch

nog niet zeker, "omdat hij reeds door verscheidenen onder de schaduw van

heiligheid bedrogen was", en laat op aanstoken van zijn lijfarts Frans

bespieden en op allerlei wijzen de deugd van den man Gods beproeven.

[621] De heilige bestaat al die proeven voortreffelijk. Zijn askese is

van de meest barbaarsche soort, herinnerend aan zijn tiende-eeuwsche

landgenooten Sint Nilus en Sint Romuald. Hij vlucht, als hij vrouwen

ziet. Hij had sedert zijn jongelingsjaren nooit een geldstuk aangeraakt.

Hij slaapt meest staande of leunende; hij scheert nimmer haar noch

baard. Hij eet nimmer eenig dierlijk voedsel, en laat zich enkel wortels

geven. [622] Nog in zijn laatste maanden schrijft de koning persoonlijk,

om de geschikte kost voor zijn zeldzamen heilige te bekomen: "Monsieur

de Genas, je vous prie de m'envoyer des citrons et des oranges douces et

des poires muscadelles et des pastenargues, et c'est pour le saint homme

qui ne mange ny chair ny poisson; et vous me ferés ung fort grant

plaisir." [623] Hij noemt hem nooit anders dan "le saint homme", zoodat

zelfs Commines, die den heilige herhaaldelijk zag, diens naam nooit

schijnt te hebben geweten. [624] Maar "saint homme" noemden hem ook

degenen, die spotten over de komst van dezen zonderlingen gast, of die

zijn heiligheid niet vertrouwden, zooals 's konings lijfarts Jacques

Coitier. Uit de mededeelingen van Commines spreekt een nuchter voorbehoud.

"Il est encores vif--besluit hij--par quoy se pourroit bien changer ou en

myeulx ou en pis, par quoy me tays, pour ce que plusieurs se mocquoient

de la venue de ce hermite, qu'ilz appelloient sainct homme." [625] Toch

getuigt Commines zelf, nooit iemand te hebben gezien "de si saincte vie,

ne où il semblast myeulx que le Sainct Esperit parlast par sa bouche".

En de geleerde theologen uit Parijs, Jean Standonck en Jean Quentin,

uitgezonden om met den heiligen man te spreken naar aanleiding van het

verzoek tot stichting van een convent der Minimen te Parijs, komen onder

den diepsten indruk van zijn persoon, en keeren genezen van hun

tegenkanting terug. [626]

De belangstelling van de Bourgondische hertogen voor de heiligen van hun

dagen is van een minder zelfzuchtigen aard dan die van Lodewijk XI voor

Sint Franciscus de Paula. Het is opmerkelijk, hoe meer dan een van de

groote visionairen en buitensporige asceten geregeld optreedt als

bemiddelaar en raadgever in politieke zaken. Het is het geval met Sint

Colette en met den zaligen Dionysius van Ryckel of den Kartuizer.

Colette werd door het huis van Bourgondië met bijzondere onderscheiding

behandeld; Philips de Goede en zijn moeder Margareta van Beieren kenden

haar persoonlijk, en wonnen haar raad in. Zij geeft haar bemiddeling in

verwikkelingen tusschen de huizen van Frankrijk, Savoie en Bourgondië.

Het zijn Karel de Stoute, Maria en Maximiliaan, Margareta van

Oostenrijk, die steeds blijven aandringen op haar heiligverklaring.

[627] Veel belangrijker nog is de rol, die Dionysius de Kartuizer

gespeeld heeft in het openbare leven van zijn tijd. Ook hij is in

herhaalde relaties met het huis van Bourgondië, en treedt op als

raadgever van Philips den Goede. Samen met den kardinaal Nicolaas van

Cusa, dien hij op diens beroemde reis door het Duitsche rijk begeleidt

en ter zijde staat, wordt hij in 1451 te Brussel door den hertog

ontvangen. Dionysius, altijd beklemd door het gevoel, dat het der Kerk

en christenheid slecht gaat, en groote onheilen naderen, vraagt in een

vizioen: Heer, zullen de Turken in Rome komen? Hij maant den hertog tot

den kruistocht. [628] De "inclytus devotus ac optimus princeps et dux",

aan wien hij zijn tractaat over het vorstelijk leven en bestuur opdraagt,

kan haast niemand anders wezen dan Philips. Karel de Stoute werkte met

Dionysius samen voor de stichting van de Kartuize te 's Hertogenbosch,

ter eere van Sinte Sophia van Constantinopel, door den hertog niet

onbegrijpelijk voor een vrouwelijke heilige gehouden, terwijl het de

Eeuwige Wijsheid was. [629] Hertog Arnold van Gelre vraagt Dionysius

raad in den strijd met zijn zoon Adolf. [630]

Niet enkel vorsten, ook tal van edelen, geestelijken en burgers

bestormen zonder ophouden zijn cel te Roermond om raad; hij geeft

voortdurend tallooze oplossingen van moeilijkheden, twijfelingen en

gewetensvragen.

Dionysius de Kartuizer is het volledigste type van den machtigen

godsdienstigen enthousiast, dat de laatste Middeleeuwen hebben

opgeleverd. Het is een onbegrijpelijk energisch leven; hij vereenigt de

vervoeringen van de groote mystieken, de wildste askese, de voortdurende

gezichten en revelaties van den geestenziener met een schier onafzienbare

werkzaamheid als theologisch schrijver en praktisch geestelijk raadsman.

Hij staat even na aan de groote mystici als aan de praktische

Windesheimers, aan Brugman, voor wien hij zijn beroemde handleiding voor

het christelijk leven schrijft, [631] als aan Nicolaas van Cusa, aan de

heksenvervolgers [632] als aan de geestdriftigen voor een zuivering der

Kerk. Zijn arbeidskracht moet onverwoestbaar zijn geweest. Zijn

geschriften vullen 45 quarto deelen. Het is alsof de geheele

middeleeuwsche theologie nog eens uit hem terugstroomt. "Qui Dionysium

legit, nihil non legit", heette het onder de theologen der 16e eeuw.

Hij behandelt evengoed de diepste vragen van wijsgeerigen aard, als dat

hij voor een ouden leek, broer Willem, op diens verzoek schrijft over de

wederkeerige herkenning der zielen in het hiernamaals. Hij zal het zoo

eenvoudig mogelijk zeggen, belooft hij, en broer Willem kan het in het

Dietsch laten overbrengen. [633] In een eindeloozen vloed van eenvoudig

uitgedrukte gedachten geeft hij alles, wat de groote voorgangers gedacht

hadden, terug. Het is echt laat werk: samenvattend, concludeerend, niet

nieuw scheppend. De citaten van Bernard van Clairvaux of Hugo van Sint

Victor schitteren als juweelen op het slichte eenkleurige kleed van

Dionysius' proza. Al zijn werken werden door hem zelf geschreven,

nagezien, verbeterd, gerubriceerd en geïllumineerd, totdat hij in het

eind zijns levens welbedacht met schrijven ophoudt: "Ad securae

taciturnitatis portum me transferre intendo". [634]

Rust kent hij niet. Hij zegt dagelijks bijna het geheele souter op;

minstens de helft is noodzakelijk, verklaart hij. Onder alle bezigheid,

bij het aan- en uitkleeden, bidt hij. Na de metten; als de anderen weer

ter ruste gaan, blijft hij wakker. Hij is sterk en groot, en kan alles

van zijn lichaam vergen: Ik heb een ijzeren hoofd en een koperen maag,

zegt hij. Zonder walging, ja bij voorkeur, gebruikt hij bedorven

spijzen: boter met wurmen, kersen door slakken aangevreten; dit soort

ongedierte heeft niets van doodelijk venijn, zegt hij, men kan ze gerust

eten. Te zoute haring hangt hij op, tot ze rot: ik eet liever stinkende

dan zoute dingen. [635]

Al den denkarbeid van de diepste theologische beschouwing en uitdrukking

verricht hij, niet in een onbewogen evenwichtig geleerdenleven, maar

onder de voortdurende schokken van een geest, die vatbaar is voor elke

heftige aandoening van het bovennatuurlijke. Als jongen staat hij 's

nachts in het maanlicht op, meenend, dat het tijd is, om naar school te

gaan. [636] Hij is een stotteraar: "Taterbek" scheldt hem een duivel,

dien hij uitdrijven wil. Hij ziet de kamer van de stervende vrouwe van

Vlodrop vol duivelen; zij slaan hem den stok uit de hand. Niemand heeft

de vreeselijke benauwing der "vier utersten" zoo ondergaan als hij; de

hevige aanval der duivelen bij het sterven zijn een herhaald onderwerp

van zijn preeken. Hij verkeert voortdurend met afgestorvenen. Of hem

dikwijls geesten van afgestorvenen verschijnen, vraagt hem een broeder.

O, honderden en honderden malen, antwoordt hij. Hij herkent zijn vader

in het vagevuur en verwerft diens bevrijding. Zijn verschijningen,

openbaringen en gezichten vervullen hem zonder ophouden, maar hij

spreekt er niet dan met tegenzin van. Hij schaamt zich voor de ekstasen,

die hem door allerlei uiterlijke aanleidingen geworden: vooral door

muziek, soms te midden van een adellijk gezelschap, dat naar zijn

wijsheid en vermaningen luistert. Onder de eernamen der groote theologen

is de zijne die van Doctor ecstaticus.

Men meene niet, dat een groote figuur als Dionysius de Kartuizer aan de

verdenking en spot ontkwam, die den zonderlingen wonderman van Lodewijk

XI troffen; ook hij heeft voortdurend te kampen met den smaad en de

verguizing der wereld. De geest der vijftiende eeuw staat in een wankel

evenwicht tegenover de opperste uitingen van het middeleeuwsch geloof.

NOTEN:

[580] Monstrelet, IV p. 304.

[581] Bernh. v. Siena, Opera, I p. 100 bij Hefele l.c. p. 36.

[582] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 157; Les quinze joyes de

mariage, p. 111, 215.

[583] Molinet, Faictz et dictz, f. 188vso.

[584] Journal d'un bourgeois, p. 336, vgl. p. 242 no. 514.

[585] Ghillebert de Lannoy, Oeuvres, ed. Ch. Potvin, Louvain, 1878,

p. 163.

[586] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 101.

[587] Le Jouvencel, II p. 107.

[588] Songe du viel pelerin, bij Jorga, Phil. de Mézières. p. 423(6).

[589] Journal d'un bourgeois, p. 214, 289(2).

[590] Gerson, Opera, I p. 206.

[591] Jorga, Phil. de Mézières, p. 506.

[592] W. Moll, Johannes Brugman, II p. 125.

[593] Chastellain, IV p. 263/5.

[594] Chastellain, II p. 300; VII p. 222. Jean Germain, Liber de

Virtutibus, p. 10 (de hier vermelde minder strenge vastenpraktijk kan op

een anderen tijd slaan); Jean Jouffroy, De Philippo duce oratio (Chron.

rel. à l'hist. de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. III) p. 118.

[595] La Marche, II p. 40.

[596] Monstrelet, IV p. 302.

[597] Jorga, Phil. de Mézières, p. 350.

[598] Vgl. Jorga, l.c. p. 444, Champion, Villon, I p. 17.

[599] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, I p. cx.

[600] Monstrelet, V p. 112.

[601] La Marche, I p. 194.

[602] Acta Sanctorum Jan., t. II p. 1018.

[603] Jorga, l.c. p. 509, 512.

[604] Het is in dit verband van geen belang, of de Kerk de personen in

kwestie heilig of slechts zalig heeft verklaard.

[605] André Du Chesne, Hist. de la maison de Chastillon sur Marne,

Paris, 1621, Preuves, p. 126-131, Extraict de l'enqueste faite pour la

canonization de Charles de Blois, p. 223, 234.

[606] Froissart, ed. Luce, VI p. 168.

[607] De gronden, waarop Dom Plaine, Revue des questions historiques, XI

p. 41, Froissart's getuigenis wraakt, schijnen mij niet afdoende.

[608] W. James, The varieties of religious experience, p. 370s.

[609] Ordonnances des rois de France, t. VIII, p. 398, Nov. 1400, 426,

18 Maart 1401.

[610] Mémoires de Pierre Salmon, ed. Buchon, Coll. de chron. nationales,

3e Supplément de Froissart, t. XV p. 49.

[611] Froissart, ed. Kervyn, XIII p. 40.

[612] Acta Sanctorum Julii, t. I p. 486-628.

[613] La Marche, I p. 180.

[614] Lettres de Louis XI, t. VI p. 514, cf. V p. 86, X p. 65.

[615] Commines, I p. 291.

[616] Commines, II p. 67, 68.

[617] Commines, II p. 57; Lettres, X p. 16, IX p. 260. Er was indertijd

zulk een agnus scythicus in het Koloniaal Museum te Haarlem.

[618] Chron. scand., II p. 122.

[619] Commines, II p. 55, 77.

[620] Acta sanctorum Apr., t. I p. 115.--Lettres de Louis XI, t. X

p. 76, 90.

[621] Sed volens caute atque astute agere, propterea quod a pluribus

fuisset sub umbra sanctitatis deceptus, decrevit variis modis experiri

virtutem servi Dei, Acta Sanctorum, l.c.

[622] Acta Sanctorum, l.c.p. 108; Commines, II p. 55.

[623] Lettres, X p. 124. 29 Juni 1483.

[624] Lettres, X p. 4 etc., Commines, II p. 54.

[625] Commines, II p. 56, Acta Sanctorum, l.c.p. 115.

[626] A. Renaudet, Préréforme et Humanisme à Paris, p. 172.

[627] Doutrepont, p. 226.

[628] Vita Dionysii auct. Theod. Loer, Dion. Opera, I. p. xlii ss., id.

De vita et regimine principum, t. XXXVII p. 497.

[629] Opera, t. XLI p. 621; D. A. Mougel, Denys le chartreux, sa vie

etc., Montreuil, 1896, p. 63.

[630] Opera. t. XLI, p. 617; Vita, I p. xxxi; Mougel, p. 51; Bijdr. en

mededeel. v. h. hist. genootschap te Utrecht, XVIII p. 331.

[631] Opera, t. XXXIX p. 496, Mougel, p. 54; Moll, Johannes Brugman, I

p. 74; Kerkgesch., II 2 p. 124; K. Krogh-Tonning, Der letzte

Scholastiker Eine Apologie, Freiburg 1904, p. 175.

[632] Mougel, p. 58.

[633] Opera, t. XXXVI p. 178: De mutua cognitione.

[634] Vita, Opera, t. I p. xxiv, xxxviii.

[635] Vita, Opera, t. I p. xxvi.

[636] De munificentia et beneficiis Dei, Opera, t. XXXIV, art. 26 p. 319.

* * * * *

VIII

AANDOENING EN VERBEELDING

Van den tijd af, dat de zoet-lyrische mystiek van Bernard van Clairvaux

in de twaalfde eeuw de fuga geopend had van bloeiende verteedering over

het lijden Christi, was de geest in steeds stijgende mate vervuld van de

smeltende aandoening over de passie; hij was doortrokken en verzadigd

geworden van Christus en het kruis. In de vroegste kindsheid werd het

beeld van den gekruisigde in het teer gemoed geplant zoo groot en zoo

donker, dat het alle aandoeningen overschaduwde met zijn ernst. Toen

Jean Gerson een kind was, ging zijn vader met uitgestrekte armen tegen

den muur staan, en zeide: "'zie, mijn jongen, zoo is uw God gekruisigd

en gestorven, die u gemaakt heeft en verlost heeft'. Dit beeld bleef

den knaap tot in zijn grijsheid, groeiende met het groeien der jaren,

en hij zegende er nog dien vromen vader om, nadat deze juist op

kruisverheffingsdag gestorven was." [637]--Colette hoorde als kind van

vier jaar haar moeder iederen dag schreien en zuchten in gebed over het

lijden, mee lijdende over den smaad, de slagen en de pijnigingen. Met

zulk een hevigheid zette zich die herinnering in haar overgevoelig

gemoed, dat zij haar leven lang iederen dag op het uur der kruisiging

een allerheftigste benauwing en hartepijn voelde, en bij het lezen van

het lijden meer leed dan eenige vrouw in barensnood. [638]--Een prediker

bleef somtijds voor zijn gehoor een kwartier lang zwijgend in

kruishouding staan. [639]

Zoo overvuld van Christus was de geest, dat bij de geringste uiterlijke

overeenkomst van eenige handeling of gedachte met 's Heeren leven of

lijden de Christustoon onmiddellijk ging klinken. Een arme non, die

brandhout aandraagt voor de keuken, verbeeldt zich, dat zij daarmee het

kruis draagt: enkel de voorstelling hout dragen is genoeg, om de

handeling te drenken in den lichtschijn van de opperste daad van liefde.

Het blinde vrouwtje, dat de wasch doet, neemt tobbe en waschhok voor

kribbe en stal. [640] Maar evengoed een uitwerking van die overvolheid

met godsdienstigen inhoud is het profaneerende overvloeien van

vorstenhulde in religieuze verbeelding: de vergelijking van Lodewijk XI

met Jezus, van Maximiliaan met zijn vader en zijn zoon met de

Drieëenheid. [641]

De vijftiende eeuw vertoont de sterke godsdienstige aandoenlijkheid in

een dubbelen vorm. Zij openbaart zich eensdeels in de heftige

beroeringen, die van tijd tot tijd het geheele volk aangrepen, als een

reizend prediker met zijn woord alle geestelijke brandstof ontvlammen

deed als takkenbossen. Dat is de krampachtige uiting, hartstochtelijk,

geweldig, doch spoedig weer uitgesnikt. Daarnaast is door sommigen de

aandoenlijkheid blijvend in een stille bedding geleid, genormaliseerd

tot een nieuwen levensvorm, dien der innigheid. Het is de piëtistische

kring van hen, die zichzelven in het bewustzijn van vernieuwers te zijn,

moderne devoten hebben genoemd. Als gereglementeerde beweging beperkt

zich de moderne devotie tot de Noordelijke Nederlanden en het

Nederduitsche gebied, doch den geest, die haar het aanzijn gaf, vindt

men in Frankrijk even goed.

Van de geweldige werking der predikatie is maar weinig als blijvend

element in de geestelijke cultuur overgegaan. Wij weten, welk een

ontzaglijken indruk de predikers maakten, [642] maar de ontroering, die

van hen uitging, na te voelen, is ons niet gegeven. Uit de geschreven

overlevering der preeken komt zij niet tot ons; en hoe kon het ook?

Reeds tot de tijdgenooten sprak de geschreven preek niet meer. Velen,

die Vincent Ferrer hoorden, en nu zijn preeken lezen, zegt diens

levensbeschrijver, verzekeren, dat zij nauwelijks een schaduw krijgen

van dat wat uit zijn eigen mond weerklonk. [643] Wij kennen de stof der

preeken: de aangrijpende schildering van de verschrikkingen der hel, het

dreunend dreigen met de straf der zonde, al de lyrische uitstortingen

over de passie en de godsliefde. Wij weten, met welke middelen de

predikers werkten: geen effekt was te grof, geen overgang van lachen

naar weenen te groot, geen onmatige uitzetting der stem te kras. [644]

Maar wij kunnen de schokken, die zij daarmee teweegbrachten, toch

eigenlijk alleen bevroeden uit het altijd weer gelijksoortig verhaal,

hoe stad met stad streed om de toezegging van een preekbeurt, hoe

magistraat en volk de predikers inhaalden met een staatsie, zooals men

ze een vorst gaf, hoe de prediker soms moest ophouden om het luid geween

der schare. Terwijl Vincent Ferrer preekte, werden eens twee

terdoodveroordeelden voorbij gebracht, een man en een vrouw, op weg naar

de terechtstelling. Vincent verzocht, het beulswerk op te schorten; hij

borg de slachtoffers zoolang onder zijn spreekgestoelte, en preekte over

hun zonden. Na de preek vond men hen er niet meer, doch enkel wat

beenderen, en het volk geloofde niet anders, dan dat het woord van den

heiligen man de zondaars had verbrand en tevens gered. [645]

De krampachtige aandoening der massa onder het woord van de predikers is

telkens weer vervlogen zonder in de geschreven overlevering zich te

hebben kunnen vastleggen. Des te beter kennen wij de "innicheit" der

moderne devoten. Als in elken piëtistischen kring gaf hier de godsdienst

niet enkel den levensvorm maar ook den gezelligheidsvorm: het knusse

geestelijk verkeer in stille intimiteit van eenvoudige mannetjes en

vrouwtjes, wier groote hemel zich welfde boven een minuskuul wereldje,

waar al het sterke ruischen van den tijd aan voorbij streek. De vrienden

bewonderden in Thomas a Kempis zijn onkunde van de gewone wereldsche

dingen; een prior van Windesheim droeg als eervollen bijnaam Jan

Ik-weet-niet. Zij kunnen geen andere wereld gebruiken dan een

vereenvoudigde; zij zuiveren haar door het slechte buiten hun sfeer te

sluiten. [646] Binnen die enge sfeer leven zij in de vreugde van een

sentimenteele genegenheid voor elkander: de blik van den een is zonder

ophouden op den ander geslagen, om alle teekens van genade op te merken;

elkaar bezoeken is hun vermaak. [647] Vandaar hun bijzondere neiging tot

de levensbeschrijving, waaraan wij de nauwkeurige kennis van dezen

geestelijken staat te danken hebben.

In haar Nederlandschen, gereglementeerden vorm had de moderne devotie

een vaste conventie van vroom leven geschapen. Men kende de devoten aan

hun afgemeten stille bewegingen, hun gebogen gang, sommigen aan de tot

een lach geplooide gezichten of de opzettelijk gelapte nieuwe kleeren.

En niet het minst aan hun overvloedige tranen. "Devotio est quaedam

cordis teneritudo, qua quis in pias faciliter resolvitur lacrimas". Men

moet God bidden om "den dagelijkschen doop der tranen", zij zijn de

vleugelen van het gebed, of naar Sint Bernard's woord de wijn der

engelen. Men moet zich aan de genade der loffelijke tranen geven, zich

er toe voorbereiden en aanzetten, het geheele jaar door, maar vooral in

de Vasten, opdat men met den psalmist zeggen moge: "Fuerunt mihi

lacrimae meae panes die ac nocte". Soms komen zij zoo gewillig, dat wij

bidden met snikken en huilen ("ita ut suspiriose ac cum rugitu oremus"),

maar wanneer zij niet vanzelve komen, moet men ze niet bovenmatig

uitpersen, en zich vergenoegen met de tranen des harten. En in

tegenwoordigheid van anderen moet men de teekenen van een buitengewone

geestelijke devotie naar vermogen vermijden. [648]

Vincent Ferrer stortte, zoo dikwijls hij de hostie wijdde, zooveel

tranen, dat bijna allen mee weenden, en er soms een weeklagen ontstond

als van een doodenklacht. Het weenen was hem zoo zoet, dat hij noode

zijn tranen staakte. [649]

In Frankrijk ontbreekt de bijzondere normaliseering der nieuwe vroomheid

in een bepaalden nieuwen vorm als de Nederlandsche Fraterhuizen en de

congregatie van Windesheim. De verwante geesten in Frankrijk blijven of

geheel in de wereld, of zij treden in bestaande orden, waar dan de

nieuwe devotie de doorvoering van een strenger observantie teweegbrengt.

Als algemeene houding van wijde burgerkringen is het verschijnsel er

niet bekend. Misschien droeg daartoe bij, dat de Fransche vroomheid een

hartstochtelijker, spasmodischer karakter had dan de Nederlandsche,

lichter tot geëxaspereerde vormen verviel en ook lichter weer vervaagde.

Tegen het einde der Middeleeuwen worden bezoekers der Noordelijke

Nederlanden uit Zuidelijker landen meer dan eens getroffen door de

ernstige en algemeene vroomheid, die zij er onder het volk als iets

bijzonders opmerken. [650]

De Nederlandsche devoten hadden in het algemeen de aanrakingen laten

varen met de intensieve mystiek, uit welker voorbereidende stadiën hun

levensvorm was opgebloeid. Daarmee hadden zij ook het gevaar voor

fantastische afdwalingen tot ketterij grootendeels bezworen. De

Nederlandsche moderne devotie was gehoorzaam en rechtgeloovig, praktisch

zedelijk en soms zelfs nuchter. Het Fransche devote type daarentegen

schijnt een veel grootere slingerwijdte te hebben gehad: het raakt

telkens de extravagante geloofsverschijnselen.

Toen de Groningsche Dominicaan Mattheus Grabow naar Constanz was

getogen, om daar op het Concilie al de grieven van de bedelorden tegen

de nieuwe broeders des gemeenen levens te luchten, en zoo mogelijk hun

veroordeeling te verwerven, is het de groote leider der algemeene

kerkelijke politiek, Johannes Gerson, zelf geweest, in wien de belaagde

volgelingen van Geert Groote hun verdediger vonden. Gerson was alleszins

bevoegd, om te beoordeelen, of men hier te doen had met een uiting van

echte vroomheid en een geoorloofden vorm van organisatie daarvan. Want

het onderscheiden van echte vroomheid van overdreven geloofsuitingen is

een der onderwerpen, die zijn geest voortdurend hebben beziggehouden.

Gerson was een voorzichtige, nauwgezette academische geest, eerlijk,

zuiver en welmeenend, met die ietwat angstvallige zorg voor den goeden

vorm, die in een fijnen geest, uit bescheiden omstandigheden tot een

werkelijk aristocratische houding gegroeid, dikwijls nog de afkomst

verraadt. Daarbij was hij een psycholoog en iemand met stijlgevoel.

Stijlgevoel en rechtzinnigheid nu zijn ten nauwste verwant. Geen wonder

dus, dat de uitingen van het geloofsleven van zijn dagen herhaaldelijk

zijn argwaan en bezorgdheid wekten. Nu is het merkwaardig, hoe de typen

van vroomheid, die hij afkeurt als overdreven en gevaarlijk, ons

levendig herinneren aan de moderne devoten, die hij verdedigd had. Toch

is dit zeer verklaarbaar. Zijn Fransche schapen misten de veilige

schaapskooi, de discipline en organisatie, die de al te vurigen van

zelve binnen de perken hield van hetgeen de Kerk dulden kon.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 21 / 38 段