De groote tegenstrijdigheid en de sterke spanningsovergangen vertoonen

zich in het godsdienstig leven van den beschaafden enkele zoo goed als

in dat der onwetende massa. Het is altijd weer met een slag, dat de

godsdienstige verheldering komt, altijd weer de flauwere herhaling van

wat Franciscus onderging, toen hij opeens de woorden van het evangelie

hoorde als een onmiddellijk bevel. Een ridder hoort het doopformulier

lezen, gelijk hij het misschien twintig keer had gehoord; maar

plotseling dringt nu de volle heiligheid en wonderlijke werkdadigheid

van die woorden tot hem door, en hij neemt zich voor, om voortaan alleen

door de herinnering aan den doop den duivel te verjagen, zonder het

kruisteeken te maken. [586]--Le Jouvencel zal een kampgevecht bijwonen;

de partijen staan gereed, om op de hostie hun goed recht te bezweren.

Opeens doorgrondt de ridder de peillooze noodzakelijkheid, dat een dier

beide eeden valsch moet zijn, dat een van beiden zich verdoemen gaat, en

zegt: zweert niet, vecht alleen om den inzet van 500 schilden, zonder

een eed te doen. [587]

De vroomheid van de hoogaanzienlijken met hun zwaren levensballast van

wijdloopige praal en felle geneuchten heeft juist daardoor zeer dikwijls

het spasmodische, dat ook de volksvroomheid kenmerkt. Karel V van

Frankrijk laat dikwijls op het opwindendste oogenblik de jacht in den

steek, om naar de mis te gaan. [588] De jonge Anne de Bourgogne,

Bedford's gemalin, ergert den eenen keer de burgers van Parijs, door in

woesten rit een processie met slijk te bespatten. Maar een andermaal

verlaat zij te middernacht den bonten zwijmel van een hoffeest, om bij

de Celestijnen metten te hooren. En haar droeven jongen dood beloopt zij

door de ziekte, die zij opdeed bij het bezoeken van de arme kranken in

het Hôtel Dieu. [589]

Tot in raadselachtige uitersten voltrekt zich de tegenstelling van

vroomheid en felle zonde in een figuur als Lodewijk van Orleans, onder

al de groote dienaren van weelde en genot de meest gedebaucheerde, de

hartstochtelijkste wereldling. Hij is zelfs overgegeven aan

tooverkunsten, en weigert er zich van te bekeeren. [590] Dezelfde

Orleans is niettemin zoo devoot, dat hij zijn cel heeft bij de

Celestijnen in het gemeene dormter; hij deelt er het kloosterlijk leven,

hoort er metten te middernacht, en soms vijf of zes missen per dag.

[591]--Gruwelijk is die verbinding van godsdienst en misdaad bij Gilles

de Rais, die temidden van zijn kindermoorden te Machecoul een dienst

sticht ter eere der Onnoozele kinderkens, voor het heil van zijn ziel,

en verbaasd is, als zijn rechters hem voorhouden, dat hij een ketter is.

Al is het met minder scharlaken zonden, dat de vroomheid bij anderen

gepaard gaat, het type van den devoten wereldling vertoonen velen: de

barbaarsche Gaston Phébus, graaf van Foix, de frivole koning René, de

verfijnde Charles d'Orléans. Jan van Beieren, de hardvochtige en

heerschzuchtige, komt vermomd Lidwina van Schiedam spreken over den

staat zijner ziel. [592] Jean Coustain, de ontrouwe dienaar van Philips

den Goede, een goddelooze, die nauwelijks mis hoorde en nimmer aalmoes

gaf, keert zich onder beulshanden tot God in zijn ruw Bourgondisch

patois met een hartstochtelijke aanroeping. [593]

Philips de Goede zelf is een der treffendste voorbeelden van die

verbinding van vroomheid met wereldschen zin. De man van de overdadige

feesten en de talrijke bastaarden, van de sluwe politieke berekening,

den geweldigen trots en toorn, is een ernstig devote. Hij pleegt tot

lang na de mis in zijn bidvertrek te blijven. Hij vast vier dagen in de

week met water en brood, en bovendien op alle vigiliën van Onze Lieve

Vrouw en de apostelen. Somtijds heeft hij om vier uur na den middag nog

niets gegeten. Hij geeft veel aalmoezen, en in het geheim. [594] Na de

verrassing van Luxemburg blijft hij zoo lang na de mis verdiept in zijn

getijden en daarna in bijzondere dankgebeden, dat zijn gevolg, dat hem

te paard afwacht, want de strijd was nog niet afgeloopen, ongeduldig

wordt: de hertog kon het een andermaal wel inhalen, om al die

paternosters te zeggen. Men waarschuwt hem, dat er gevaar dreigt, als

hij langer toeft. Maar Philips antwoordt enkel: "Si Dieu m'a donné

victoire, il la me gardera." [595]

Er is in dat alles geen schijnheiligheid of ijdele bigotterie te zoeken,

maar een spanning tusschen twee geestelijke polen, die in den modernen

geest nauwelijks meer bestaanbaar is. Het is het volstrekte dualisme in

de opvatting van de zondige wereld tegenover het rijk Gods, dat deze

mogelijkheid toelaat. In den middeleeuwschen geest zijn alle hoogere en

zuiverder sentimenten geabsorbeerd in religie, terwijl de natuurlijke,

zinnelijke aandriften, bewust verworpen, zinken moeten tot een niveau

van zondig geachten wereldzin. In het middeleeuwsche bewustzijn vormen

zich als 't ware twee levensopvattingen naast elkander: de vrome,

ascetische opvatting heeft alle zedelijke gevoelens tot zich getrokken:

des te bandeloozer wreekt zich de wereldzin, geheel aan den duivel

overgelaten. Overheerscht een van beide geheel, dan ziet men den heilige

of den teugelloozen zondaar; maar in den regel houden zij elkaar in

wankel evenwicht met wijden doorslag, en ziet men de felle menschen,

wier rood bloeiende zonden bij wijlen hun overstortende vroomheid des te

heviger doen uitbarsten.

Wanneer men een middeleeuwsch dichter de vroomste lofdichten ziet maken

naast allerlei profaneering en obsceniteit, zooals het zoovelen doen:

Deschamps, Antoine de la Salle, Jean Molinet, dan is er nog minder

aanleiding dan bij een modernen dichter, om die producten over

hypothetische tijdperken van wereldzin en inkeer te verdeelen. De

tegenstrijdigheid, die ons bijna onbegrijpelijk is, moet worden

aanvaard.

Er komen zonderlinge vermengingen voor van de bizarre prachtliefde van

den tijd met strenge devotie. Het is niet alleen in de overlading van

het geloof met schilderkunst, edelsmeedkunst en sculptuur, dat zich de

ongebreidelde behoefte uit, om alles van het leven en van de gedachte

bont te versieren en te verbeelden. In de aankleeding van het geestelijk

leven zelf dringt somtijds die honger naar kleur en schittering door.

Broeder Thomas vaart heftig uit tegen alle weelde en overdaad, maar het

eigen getimmerte, vanwaar hij spreekt, is door het volk behangen met de

rijkste tapisserieën, die men krijgen kon. [596] Philippe de Mézières is

het volkomenste type van die prachtlievende vroomheid. Hij heeft voor de

orde van de Passie, die hij stichten wilde, alles wat kleedij betreft,

haarfijn vastgesteld. Het is als een feest van kleuren, dat hij zich

droomt. De ridders zullen al naar hun rang in 't rood, in 't groen,

scharlaken of hemelsblauw gaan; de grootmeester in 't wit; wit zullen

ook de feestgewaden zijn. Het kruis zal rood zijn, de gordels van leer

of van zijde met hoornen gesp en verguld koperen versiering. De laarzen

zullen zwart zijn en de kaproen rood. Ook het ordekleed der broeders,

servanten, klerken en vrouwen wordt nauwkeurig beschreven. [597]--Van

die orde kwam niets, Philippe de Mézières bleef zijn leven lang de

groote kruistochtfantast en plannenmaker. Maar hij vond te Parijs in het

klooster der Celestijnen de plaats, die hem bevredigen kon: zoo streng

de orde was, zoo schitterend van goud en edele steenen waren kerk en

klooster, een mausoleum van vorsten en vorstinnen. [598] Christine de

Pisan achtte de kerk volmaakt van schoonheid. Mézières vertoefde er als

leek, deelde in het strenge leven der kloosterlingen en bleef toch in

het verkeer met de groote heeren en schoone geesten van zijn dagen, een

mondain-artistieke tegenhanger van Gerard Groote. Hierheen trok hij ook

zijn vorstelijken vriend Orleans, die er den inkeer van zijn woeste

leven en ook zijn vroege rustplaats vond.

De oude koning René ontdekte op de jacht in de buurt van Angers een

kluizenaar: een priester, die zijn prebende had opgegeven en van zwart

brood en veldvruchten leefde. De koning was getroffen door zijn strenge

deugd, en liet voor hem een kluis en een kapelletje bouwen. Voor zich

zelf voegde hij daar een tuin en een bescheiden buitenhuis aan toe, dat

hij met schilderwerk en allegorieën versieren liet. Dikwijls wandelde

hij daarheen, om in "son cher ermitage de Reculée" met zijn kunstenaars

en geleerden te keuvelen. [599] Is het middeleeuwsch, is het renaissance,

of is het niet achttiende-eeuwsch?

Een hertog van Savoie wordt kluizenaar met vergulde ceintuur, roode

muts, gouden kruis en goeden wijn. [600]

Het is maar één stap van die pracht in devotie tot de uitingen van

hyperbolische nederigheid, die zelf ook vol vertoon zijn. Olivier de la

Marche bewaarde uit zijn jongensjaren de herinnering van den intocht van

koning Jacques de Bourbon van Napels, die op aandrang van Sainte Colette

de wereld had vaarwel gezegd. De koning, armzalig gekleed, liet zich

dragen in een mestbak, "telle sans aultre difference que les civieres en

quoy l'on porte les fiens et les ordures communement". Daar achteraan

volgde een keurige hofstoet. "Et ouys racompter et dire,--zegt La Marche

vol bewondering,--que en toutes les villes où il venoit, il faisoit

semblables entrees par humilité." [601]

Van een niet zóo schilderachtige nederigheid zijn de door veel heilige

voorbeelden aanbevolen voorschriften voor een begrafenis, die al het

nietswaardige van den gestorvene treffend verbeelden moet. De heilige

Pierre Thomas, de boezemvriend en geestelijke meester van Philippe de

Mézières, laat, als hij den dood voelt naderen, zich hullen in een zak,

een touw om den hals binden en op den grond leggen. Hij werkt daarmee

het voorbeeld uit van Sint Franciscus, die zich immers ook in het

sterven op den grond liet leggen. Begraaft mij, zegt Pierre Thomas, in

den ingang van het koor, opdat alle menschen moeten trappen op mijn

lijk, ja zelfs de geiten en de honden, als het kan. [602]--Mézières, de

bewonderende leerling, wil weer den meester overtreffen in fantastische

nederigheid. Hem zal men in de laatste ure een zware ijzeren keten om

den hals leggen. Zoodra hij den geest heeft gegeven, zal men hem naakt

bij de voeten naar het koor sleuren; daar zal hij blijven liggen, tot

men hem in het graf legt, de armen in kruisvorm uitgestrekt, met drie

touwen aan een plank gebonden, die de plaats inneemt van de kostbaar

versierde kist, waarop men misschien zijn ijdele wereldsche wapen zou

hebben geschilderd, "se Dieu l'eust tant hay qu'il fust mors ès cours

des princes de ce monde." De plank, bedekt met twee ellen canevas of ruw

zwart linnen, zal op dezelfde wijze naar de groeve gesleept worden,

waarin "het kreng van den armen pelgrim" naakt als het is, in gestort

zal worden. Er zal een klein grafteeken worden opgericht. En men moet

niemand waarschuwen dan zijn goeden vriend in God, Martin, en de

uitvoerders van zijn laatsten wil.

Het spreekt bijna vanzelf, dat deze geest van protocol en ceremonie,

plannenmaker en uitwerker van bijzonderheden, ook een maker van vele

testamenten is geweest. In de latere is van deze beschikking van 1392

geen sprake meer, en toen Mézières in 1405 stierf, kreeg hij een gewone

begrafenis in het ordekleed van zijn geliefde Celestijnen, en twee

grafschriften, waarschijnlijk van hem zelf. [603]

In het ideaal van heiligheid, men zou bijna kunnen zeggen: het

romantisme der heiligheid, heeft de vijftiende eeuw nog niets gebracht,

wat den nieuwen tijd aankondigt. De Renaissance zelf heeft het ideaal

der heiligheid niet veranderd. Terzijde van de groote stroomingen, die

de beschaving in nieuwe beddingen stortten, blijft het heiligenideaal

zoo na als vóór de groote crisis, wat het altijd geweest was. De heilige

is tijdloos als de mysticus. De heiligentypen der Contrareformatie zijn

dezelfde als die der late Middeleeuwen, en deze verschillen door geen

essentieelen trek van die der vroegere Middeleeuwen. In het eene als in

het andere tijdperk zijn het de groote heiligen van het brandende woord

en de gloeiend gesmede daad: hier Ignatius de Loyola, Franciscus

Naverius, Karel Borromeus, daar Bernardino van Siena, Vincentius Ferrer,

Johannes Capistrano. Daarnaast de stille in godsliefde verdwaasden, die

naderen tot het moslimsche en boeddhistische heiligentype, als Aloysius

Gonzaga in de zestiende eeuw, Franciscus de Paula, Colette, Pieter van

Luxemburg in de vijftiende en veertiende. Tusschen die beide typen in al

de figuren, die van beide uitersten wat hebben, ja zelfs somtijds de

eigenschappen ervan in de hoogste macht vereenigen.

Het romantisme der heiligheid zou men gelijkwaardig naast het romantisme

der ridderschap kunnen stellen, ermee bedoelende: de behoefte, om zekere

ideale verbeeldingen van een bepaalden levensvorm in menschen

verwezenlijkt te zien of te scheppen in litteratuur. Het is opmerkelijk,

dat dit romantisme der heiligheid zich te allen tijde veel meer vermeit

in de fantastisch prikkelende uitersten van nederigheid en onthouding

dan in de groote daden ter verheffing van godsdienstige cultuur. Men

wordt niet heilig om zijn kerkelijk-sociale verdiensten, al zijn die nog

zoo groot, maar om zijn wonderlijke vroomheid. De groote energeten

erlangen enkel dan den roep van heiligheid, wanneer hun daden gedrenkt

zijn in den schijn van een bovennatuurlijk leven; niet Nicolaas van

Cusa, wel zijn medestander Dionysius de Kartuizer. [604]

Het is hier nu vooral van belang, op te merken, hoe de kringen der

verfijnde pronkcultuur, dezelfde, die het ridderideaal bleven huldigen

en kweeken tot over de grens der Middeleeuwen heen, tegenover het

heiligenideaal hebben gestaan. Hun aanrakingen daarmee zijn uit den aard

niet zoo talrijk, maar zij ontbreken niet. Nog enkele malen hebben de

vorstelijke kringen zelf in dezen tijd een heilige opgeleverd. Een van

hen is Charles de Blois, oom van den ons bekenden Jan van Blois van

Gouda en Schoonhoven. Hij was door zijn moeder uit het huis van Valois

gesproten, en door zijn huwelijk met de erfgename van Bretagne, Jeanne

de Penthièvre, belast met een troonstrijd, die het beste deel van zijn

leven heeft gevuld. Hem was als huwelijksvoorwaarde gesteld, dat hij het

wapen en den kreet van het hertogdom zou aannemen. Hij vindt een anderen

pretendent, Jean de Montfort, tegenover zich, en de strijd om Bretagne

valt samen met het begin van den honderdjarigen oorlog; de verdediging

van Montfort's aanspraken is een der verwikkelingen, die Eduard III in

Frankrijk brengen. De graaf van Blois aanvaardt zijn strijd ridderlijk,

en vecht als de beste aanvoerders van zijn tijd. Gevangengenomen in

1347, kort voor het beleg van Calais, blijft hij tot 1356 in Engeland.

Eerst in 1362 kan hij den strijd om het hertogdom hervatten, om daarin

den dood te vinden bij Aurai in 1364, dapper vechtende naast Bertrand du

Guesclin en Beaumanoir.

Deze krijgsheld, wiens uiterlijke levensloop in niets afwijkt van dien

van zoovele vorstelijke pretendenten en aanvoerders uit dien tijd, had

van der jeugd af een leven van strenge askese geleid. Zijn vader moest

hem als knaap uit de stichtelijke boekjes houden. Hij slaapt naast het

bed van zijn gemalin op den vloer op stroo. Men vindt bij zijn

krijgsmansdood het haren kleed onder zijn wapenrusting. Hij biecht

iederen avond, eêr hij te bed gaat, zeggend, dat geen christen in zonde

moest inslapen. Tijdens zijn gevangenschap te Londen pleegt hij de

kerkhoven binnen te gaan, om er geknield den psalm de profundis op te

zeggen. De Bretonsche schildknaap, dien hij verzoekt, de responsen te

zeggen, weigert het: neen, zegt hij, daar liggen zij, die mijn ouders en

vrienden gedood en hun huizen verbrand hebben.

Na zijn bevrijding wil hij barrevoets over het besneeuwde land van La

Roche-Derrien, waar hij indertijd gevangen was gemaakt, naar den schrijn

van Sint Yves, den vereerden beschermheilige van Bretagne, wiens leven

hij in zijn gevangenschap beschreven had, te Tréguier. Het volk verneemt

het en bestrooit zijn weg met stroo en dekens, maar de graaf van Blois

kiest een anderen weg, en loopt zich de voeten stuk, zoodat hij in

vijftien weken niet gaan kon. [605] Terstond na zijn dood stellen zijn

vorstelijke verwanten, onder wie zijn schoonzoon Lodewijk van Anjou, een

poging in het werk, om hem heilig te doen verklaren. Te Angers heeft in

1371 het proces plaats, dat tot zijn zaligspreking leidt.

Het vreemde nu is, dat deze Charles de Blois, als men Froissart mag

vertrouwen, een bastaard heeft gehad. "Là fu occis en bon couvenant li

dis messires Charles de Blois, le viaire sus ses ennemis (met het

aangezicht naar den vijand), et uns siens filz bastars qui s'appeloit

messires Jehans de Blois, et pluiseur aultre chevalier et escuier de

Bretagne". [606] Moet men het als evidente onwaarheid verwerpen? [607]

Of zal men aannemen, dat hier de bestaanbare tegenstrijdigheid, die op

te merken viel bij Louis d'Orléans, bij Philips den Goede en zooveel

anderen, haar toppunt heeft bereikt?

Zulk een vraag stelt het leven van een anderen hoog-adellijken heilige

uit dien tijd, Pierre de Luxembourg, niet. Deze telg van het

Luxemburgsche gravengeslacht, dat in de veertiende eeuw zoowel in het

Duitsche rijk als aan de hoven van Frankrijk en Bourgondië zulk een

aanzienlijke plaats innam, is een treffend voorbeeld van wat William

James "the under-witted saint" noemt: [608] den engen geest, die slechts

in een angstvallig afgesloten wereldje van vrome gedachten kan leven.

Hij was in 1369 geboren, niet lang dus vóór zijn vader Guy in den strijd

tusschen Brabant en Gelre bij Baesweiler (1371) sneuvelde. Zijn

geestelijke geschiedenis voert al weer naar het klooster der Celestijnen

te Parijs, waar hij reeds als achtjarige knaap verkeert met Philippe de

Mézières. Hij wordt als kind reeds overladen met kerkelijke waardigheden,

verscheiden kanunnikschappen; als hij vijftien jaar is, het bisdom Metz,

daarna het kardinaalschap. Nog geen achttien jaar oud, sterft hij in

1387, en terstond wordt te Avignon moeite gedaan voor zijn canonizatie.

De gewichtigste autoriteiten worden er voor gespannen: de koning van

Frankrijk doet er het verzoek toe, het wordt gesteund door het

domkapittel van Parijs en de Universiteit. In het proces, dat in 1389

plaats heeft, treden de grootste heeren van Frankrijk als getuigen op:

Pierre's broeder André de Luxembourg, Louis de Bourbon, Enguerrand de

Coucy. Door de nalatigheid van den Avignonschen paus bleef weliswaar de

heiligverklaring achterwege (in 1527 had de zaligverklaring plaats),

maar de vereering, die het aanzoek kon rechtvaardigen, was reeds lang

erkend, en ging ongestoord voort. Op de plek te Avignon, waar het

lichaam van Pieter van Luxemburg begraven lag, en vanwaar dagelijks de

treffendste wonderen werden gemeld, stichtte de koning een klooster

der Celestijnen, in navolging van dat te Parijs, in die dagen het

geliefkoosde heiligdom der vorstelijke kringen. De hertogen van Orleans,

Berry en Bourgondië kwamen er voor den koning den eersten steen leggen.

[609] Pierre Salmon vertelt, hoe hij eenige jaren later in de kapel van

den heilige de mis hoorde. [610]

Het beeld, dat de getuigen in het canonizatieproces van dezen

vroeggestorven prinselijken asceet geven, heeft iets jammerlijks. Pieter

van Luxemburg is een uit zijn kracht gegroeide, teringachtige jongen,

die als kind reeds niet anders kent dan den ernst van een angstvallig

streng geloof. Hij berispt zijn broertje, als deze lacht, want men leest

wel, dat onze Heer geweend heeft, maar niet, dat hij ooit gelachen

heeft. "Douls, courtois et debonnaire--noemt Froissart hem--vierge de

son corps, moult large aumosnier. Le plus du jour et de la nuit il

estoit en oroisons. En toute sa vye il n'y ot fors humilité." [611] In

den beginne tracht zijn adellijke omgeving hem van zijn plannen van

wereldverzaking af te brengen. Wanneer hij ervan spreekt, om te gaan

zwerven en prediken, krijgt hij ten antwoord: je bent veel te lang;

iedereen zou je terstond herkennen. En je zoudt niet tegen de kou

kunnen. En preeken voor den kruistocht, hoe zou je dat kunnen?--Een

oogenblik is het, alsof wij even den ondergrond van dien kleinen starren

geest zien. "Je vois bien--zegt Pieter--qu'on me veut faire venir de

bonne voye à la malvaise: certes, certes, si je m'y mets, je feray tant

que tout le monde parlera de moy."--Heer, antwoordt meester Jean de

Marche, zijn biechtvader, er is niemand, die wil, dat ge kwaad zult

doen, enkel goed.

Het is duidelijk, dat de hooge verwanten, toen de ascetische neigingen

van den knaap onuitroeibaar bleken, bewondering en trots over het geval

zijn gaan voelen. Een heilige, en zulk een jonge heilige, uit en in hun

midden! Denk u den armen ziekelijken jongen, onder het gewicht van zijn

kerkelijke hoogwaardigheid, te midden van de overdadige praal en het

hoogmoedig hofleven van Berry en Bourgondië, hijzelf ontoonbaar van vuil

en ongedierte, altijd bezig met zijn armzalige kleine zonden. Het

biechten zelf was bij hem als tot een slechte gewoonte geworden. Iederen

dag schreef hij zijn zonden op een lijstje, en als hij het op een reis

of tocht niet had kunnen doen, haalde hij het achterna met uren lang

schrijven in. Men zag hem er 's nachts aan schrijven, of bij de kaars

zijn lijstjes lezen. Dan stond hij midden in den nacht op, om bij een

zijner kapelaans te biechten. Soms klopte hij vergeefs aan hun

slaapvertrekken; zij hielden zich doof. Vond hij gehoor, dan las hij de

zonden van zijn papiertjes af. Van twee of driemaal per week werd het in

zijn laatste dagen tweemaal per dag; de biechtvader mocht niet meer van

zijn zijde weg. En toen hij aan de tering eindelijk gestorven was, na te

hebben verzocht om van den arme begraven te worden, vond men een heele

kist vol van de ceêltjes, waarop de zonden van dit kleine leven dag aan

dag waren neergekrabbeld. [612]

Er is nog een geval, dat ons de verhouding van hofkringen en heiligheid

eenigermate doet kennen: het verblijf van Saint François de Paule aan

het hof van Lodewijk XI. Het zonderlinge vroomheidstype van den koning

is zoo bekend, dat het hier niet uitvoerig behoeft te worden behandeld.

Lodewijk, "qui achetoit la grace de Dieu et de la Vierge Marie à plus

grans deniers que oncques ne fist roy", [613] vertoont al de

hoedanigheden van het onmiddellijkste en nuchterste fetichisme. In zijn

reliekenvereering, zijn hartstocht voor pelgrimages en processies

schijnt elke hoogere wijding, elke zweem van eerbiedige reserve, te

ontbreken. Hij solt met de heilige voorwerpen, als waren het enkel dure

huismiddeltjes. Het kruis van Saint Laud te Angers moet expresselijk

naar Nantes komen, om er een eed op te laten doen, [614] want een eed op

het kruis van Saint Laud gold Lodewijk meer dan eenige andere eed.

Wanneer de connétable de Saint Pol, in 's konings tegenwoordigheid

geroepen, hem verzoekt, op het kruis van Saint Laud hem zijn veiligheid

te bezweren, antwoordt de koning: ieder anderen eed, maar dezen niet.

[615] Bij het naderen van het zoo buitensporig door hem gevreesde einde

worden hem van alle kanten de kostbaarste relieken toegezonden: de paus

zendt onder meer het corporale van Sint Pieter zelf; zelfs de Groote

Turk biedt een verzameling relieken, die nog te Constantinopel waren. Op

het buffet naast 's konings ziekbed staat la Sainte Ampoule zelf, uit

Reims gehaald, waar zij nimmer vandaan was geweest; sommigen zeiden, dat

de koning de wonderdadigheid van het heilige zalfvat zelfs wilde

beproeven tot een zalving van zijn gansche lichaam. [616] Het zijn

godsdienstige trekken, zooals men ze vindt bij de Merowingische

koningen.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 20 / 38 段