de oogenblikkelijkheid der werking elke gedachte aan de louter
voorsprekende functie der heiligen geheel wegvallen; de Noodhelpers
waren de procuratiehouders der godheid geworden. Verschillende missalen
uit het einde der Middeleeuwen, die het officie der veertien Noodhelpers
behelzen, spreken het bindend karakter van hunne tusschenkomst duidelijk
uit: "Deus qui electos sanctos tuos Georgium etc. etc. specialibus
privilegiis prae cunctis aliis decorasti, ut omnes, qui in necessitatibus
suis eorum implorant auxilium, secundum promissionem tuae gratiae
petitionis suae salutarem consequantur effectum." [565] Vandaar dat de
Kerk na Trente de mis der veertien Noodhelpers als zoodanig verboden
heeft, van wege het gevaar, dat het geloof hier zich als aan een talisman
zou hechten. [566] Inderdaad gold reeds het dagelijks aanschouwen van een
geschilderden of gebeeldhouwden Christophorus als genoegzame behoeding
voor een noodlottig einde. [567]
Vraagt men, wat de aanleiding kan zijn geweest, dat juist deze veertien
zulk een compagnie des heils zijn gaan vormen, dan valt het op, dat
allen in hun beeltenis iets sensationeels hadden, dat de verbeelding
prikkelde. Achatius zag men met een doornenkroon, Aegidius met een
hinde, Sint Joris met den draak, Blasius in een hol met wilde dieren,
Christoffel als een reus, Cyriacus met den duivel aan een ketting,
Dionysius met zijn hoofd in den arm, Erasmus in zijn gruwelijke
marteling met de windas, die hem de darmen uittrekt, Eustachius met het
kruisdragend hert, Pantaleon als geneesheer, met een leeuw, Vitus in een
ketel, Sint Barbara met haar toren, Catharina met het rad en het zwaard,
Margareta met een draak. [568] Het zou niet onmogelijk zijn, dat de
bijzondere opmerkzaamheid voor deze veertien van het treffende in hun
beeld haar uitgangspunt had genomen.
Tal van heiligennamen waren verbonden geraakt aan bepaalde ziekten,
zooals Sint Antonie aan verschillende vurige huidziekten, Sint Maurus
aan de jicht, Sint Sebastiaan, Sint Rochus, Sint Aegidius, Sint
Christoffel, Sint Valentijn en Sint Adriaan aan de pest. Hier school nog
een ander gevaar voor ontaarding van het volksgeloof. Het euvel heette
naar den heilige: Sint Antonies vuur, "mal de Saint Maur" en tallooze
dergelijke. De heilige stond dus bij het denken aan de ziekte van
aanvang af op den voorgrond der gedachte. Dat denken was geladen met
heftige gemoedsbeweging; vooral waar het de gevreesde pest gold.
De pestheiligen werden in de vijftiende eeuw druk vereerd: met officiën
in de kerken, met processies, met broederschappen, een geestelijke
ziekteverzekering als 't ware. Hoe licht kon nu het sterke besef van
Gods toorn, dat door iedere epidemie werd gewekt, overslaan op den
heilige, die de voorstelling in beslag nam. Niet Gods ondoorgrondelijke
rechtvaardigheid heeft de ziekte veroorzaakt, maar de toorn van den
heilige is het, die haar zendt en verzoening eischt. Wanneer hij ze
geneest, waarom zal hij haar dan ook niet veroorzaken? Zoo was een
heidensche verplaatsing van het geloof uit de religieus ethische in de
magische sfeer gegeven, waarvoor de Kerk enkel in zooverre aansprakelijk
kon worden gesteld, als zij er niet genoeg rekening mee hield, hoe haar
zuivere leer vertroebelde in een onwetenden geest. Rabelais vertelt van
volkspredikers, die der gemeente Sint Sebastiaan voorhielden als den
veroorzaker der pest, Sint Eutropius (wegens de assonantie met
ydropique?) als dien der waterzucht. [569] De werkelijke aanwezigheid
van zulk een voorstelling wordt gestaafd door meer dan één getuigenis.
Eustache Deschamps laat den door huidziekte geplaagden bedelaar zeggen:
"Saint Anthoine me vent trop chier
Son mal, le feu ou corps me boute", [570]
en den jichtige voegt hij toe: wel, als ge niet loopen kunt, spaart ge
weggeld uit:
"Saint Mor ne te fera fremir." [571]
In zijn hoongedicht _De validorum per Franciam mendicantium varia
astucia_ beschrijft Robert Gaguin de bedelaars aldus: "Deze valt ter
aarde, terwijl hij stinkend speeksel opgeeft, en bazelt, dat dit het
wonderwerk van Sint Jan is. Anderen worden door Sint Fiacrius, den
kluizenaar, met puisten gekweld; gij, o Damianus, belemmert de
waterloozing. Sint Antonie brandt hun de gewrichten met jammerlijk vuur,
Sint Pius maakt hen kreupel en lam." [572]
"Sainct Anthoine arde le tripot! Sainct Anthoine arde la monture!" [573]
In verwenschingen als deze is de heilige geheel een booze vuur-demon
geworden.
Zelfs de bejegening der godheid zelf kan door deze fetichistische
voorstelling aangetast worden. Te Haarlem wordt in 1492 een knaap uit de
Groningsche Ommelanden terechtgesteld, die na zijn geld bij het dobbelen
verloren te hebben, een kerk was binnengeloopen en twee dolksteken had
toegebracht aan het beeld van den Gekruisigde. [574]
De gevoels- en gedachteninhoud van de heiligenvereering was voor zulk
een groot deel vastgelegd in de kleuren en vormen der beelden, dat de
onmiddellijk aesthetische opvatting voortdurend dreigde, de religieuze
gedachte op te heffen. Tusschen het aanschouwen van den glans van het
goud, van de pijnlijk getrouwe weergave van de stoffen der kleedij, van
den vromen blik der oogen, en de levende voorstelling van den heilige in
het bewustzijn, was nauwelijks meer plaats voor de overdenking, wat de
Kerk toestond en wat zij verbood, dien heerlijken wezens aan hulde en
innigheid te bieden. De heiligen leefden in den geest des volks als
goden. Wanneer dat gevaar voor de volksvroomheid gevreesd wordt door de
angstvallig rechtgeloovige kringen der Windesheimers, verbaast het ons
niet. Doch wel sprekend is het, wanneer die gedachte plotseling opgaat
aan een geest als Eustache Deschamps, den oppervlakkigen, banalen
hofdichter, die juist in zijn begrensdheid zulk een voortreffelijke
spiegel is van het gewone geestesleven van zijn tijd.
"Ne faictes pas les dieux d'argent,
D'or, de fust, [575] de pierre ou d'arain,
Qui font ydolatrer la gent....
Car l'ouvrage est forme plaisant;
Leur painture dont je me plain,
La beauté de l'or reluisant,
Font croire à maint peuple incertain
Que ce soient dieu pour certain,
Et servent par pensées foles
Telz ymages qui font caroles [576]
Es moustiers où trop en mettons;
C'est tresmal fait: a brief paroles,
Telz simulacres n'aourons.
* * * * * * * * * * * * *
Prince, un Dieu croions seulement
Et aourons parfaictement
Aux champs, partout, car c'est raisons.
Non pas faulz dieux, fer n'ayment,
Pierres qui n'ont entendement:
Telz simulacres n'aourons." [577]
Zou het niet op te vatten zijn als een onbewuste reactie tegen de
heiligenvereering, wanneer in de late Middeleeuwen zoo sterk geijverd
wordt voor de vereering van den beschermengel? In de heiligenvereering
was het levende geloof veel te veel gekristalliseerd; men had behoefte
aan een meer liquiden staat van het vereeringsgevoel en het
beschermingsbesef. Dat kon zich hechten aan de nauwelijks verbeelde
engelfiguur, terugkeeren tot de onmiddellijkheid van het
bovennatuurlijke. Het is alweer Gerson, de nauwgezette ijveraar voor
zuiverheid in het geloof, die de vereering des beschermengels
herhaaldelijk aanbeveelt. [578] Doch ook hier dreigt alweer die zucht
tot uitwerking der bijzonderheden, die het vrome gehalte der vereering
slechts schaden kon. De "studiositas theologorum" zegt Gerson, stelt
aangaande de engelen allerlei vragen: of zij ons ooit verlaten, of zij
van te voren weten, of wij uitverkoren zijn of verdoemd zullen worden,
of Christus een beschermengel had, en Maria, of de Antichrist er een
hebben zal. Of onze goede engel tot onze ziel kan spreken zonder de
beelden van phantasmen, of zij de aanspoorders zijn tot het goede,
gelijk de duivelen tot het kwade. Of zij onze gedachten zien. Wat hun
getal is. Die studiositas, besluit Gerson, blijve den godgeleerden
overgelaten, maar elke curiositas zij verre van allen, die zich meer
moeten bevlijtigen tot devotie dan tot subtiele speculatie. [579]
De Hervorming heeft een eeuw later de heiligenvereering bijna weerloos
gevonden, terwijl zij tegen het heksen- en duivelgeloof zelfs geen
aanval deed, ja niet doen wilde, daar het haar zelf nog bevangen hield.
Was dit niet, doordat de heiligenvereering voor een groot deel tot caput
mortuum geworden was, doordat bijna alles wat de gedachtensfeer der
heiligenvereering betrof, in het beeld, de legende, het gebed zoo
volkomen was uitgedrukt, dat er geen huiverend ontzag meer achter stond?
De heiligenvereering had haar wortels in het onverbeelde en onzegbare
verloren, die zoo vreeselijk sterk waren in de demonologische
gedachtensfeer. En wanneer de Contrareformatie een gezuiverde
heiligenvereering opnieuw gaat kweeken, moet zij den geest bewerken met
snoeimes en bemesting.
NOTEN:
[458] J. Burckhardt, Weltgeschichtliche Betrachtungen, 1905, S. 97, 147.
[459] Heinrich Seuse, Leben, ed. Bihlmeyer, Deutsche Schriften, 1907,
p. 24, 25.
[460] Gerson, Opera, III p. 309.
[461] Nic. de Clemanges, De novis festivitatibus non instituendis,
Opera, ed. Lydius, Lugd. Bat. 1613, p. 151, 159.
[462] Bij Gerson, Opera, II p. 911.
[463] Acta sanctorum Apr. t. III p. 149.
[464] ac aliis vere pauperibus et miserabilibus indigentibus, quibus
convenit jus et verus titulus mendicandi.
[465] qui ecclesiam suis mendaciis maculant et eam irrisibilem reddunt.
[466] Alanus Redivivus, ed. J. Coppenstein, 1642, p. 77.
[467] Commines, I p. 310; Chastellain, V p. 27; Le Jouvencel, I p. 82;
Jean Lud, in Deutsche Geschichtsblätter, XV p. 248; Journal d'un
bourgeois, p. 384; Paston Letters, II p. 18; J. H. Ramsay, Lancaster and
York, II p. 275; Play of sir John Oldcastle, II p. 2 enz.
[468] Contra superstitionem praesertim Innocentum, Gerson, Opera, I p.
203.
[469] Gerson, Quaedam argumentatio adversus eos qui publice volunt
dogmatizare etc. Opera, II p. 521/522.
[470] Johannis de Varennis Responsiones etc., Gerson, I p. 909.
[471] Journal d'un bourgeois, p. 259. Voor "une hucque vermeille par
dessoubz" zal "par dessus" te lezen zijn.
[472] Contra vanam curiositatem, Opera, I p. 86.
[473] Considérations sur saint Joseph, III p. 842/68. Josephina IV p.
753; Sermo de natalitate beatae Mariae Virginis, III p. 1351; verder IV
p. 729, 731, 732, 735, 736.
[474] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 50.
[475] C. Schmidt, Der Prediger Olivier Maillard, Zeitschr. f. hist.
Theologie, 1856, p. 501.
[476] Zie Thuasne, Rob. Gaguini Ep. et Or., I p. 72ss.
[477] Les cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 75ss. 122ss.
[478] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, ed. de Montaiglon, p. 56.
[479] L.c., p. 257; "Se elles ouyssent sonner la messe ou à veoir Dieu."
[480] Leroux de Lincy, Le livre des Proverbes français(2), Paris, 1859,
2 vol., I p. 21.
[481] Froissart, ed. Luce, V p. 24.
[482] "Cum juramento asseruit non credere in Deum dicti episcopi," Rel.
de S. Denis, I p. 102.
[483] Laborde, II p. 264. no. 4238. Inventaris van 1420; ib. II p. 10
no. 77, Inventaris van Karel den Stoute, waar wel sprake zal zijn van
hetzelfde exemplaar.
[484] Gerson, Opera, III p. 947.
[485] Journal d'un bourgeois, p. 366(2).
[486] Een nederl. aflaatbrief uit de 14e eeuw, ed. J. Verdam, Ned.
Archief voor Kerkgesch. 1900, p. 117-122.
[487] A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke
Nederl., 's Grav. 1909, p. 12.
[488] Chastellain, Ip. 187/89: intocht van Hendrik V en Philips van
Bourgondië te Parijs in 1420; II p. 16: intocht van den laatste te Gent
in 1430.
[489] Doutrepont, p. 379.
[490] Deschamps, III p. 89 no. 357; le roi René, Traicté de la forme et
devise d'un tournoy. Oeuvres, II p. 9.
[491] Olivier de la Marche. II p. 202.
[492] Monstrelet, I p. 285. cf. 306.
[493] Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, p. 13, 16, (Chron.
rel. à l'hist. de la Belgique sous la dom. des ducs de Bourg. II).
[494] Molinet, II p. 84-94, III p. 98, Faictz et Dictz, fo. 47, vgl. I
p. 240, en ook Chastellain, III p. 209, 260, IV p. 48, V p. 301, VII
p. 1ss.
[495] Molinet, III p. 109.
[496] Gerson, Oratio ad regem Franciae, Opera, IV p. 662.
[497] Quinze joyes de Mariage, p. xiii.
[498] Gerson, Opera, III p. 299.
[499] Friedländer, Jahrb. d. K. Preuss. Kunstsammlungen, XVII. 1896,
p. 206.
[500] Wetzer und Welte, Kirchenlexikon, s. v. Musik, col., 2040.
[501] Chastellain, III p. 155.
[502] H. van den Velden, Rod. Agricola, een Nederlandsen humanist der
vijftiende eeuw, 1e dl., Leiden 1911, p. 44.
[503] Deschamps, X no. 33, p. xli. In den voorlaatsten regel staat
"l'ostel", wat natuurlijk geen zin geeft.
[504] Nic. de Clemanges, De novis celebritatibus non instituendis,
Opera, ed. Lydius, 1613, p. 143.
[505] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 66, 70.
[506] Gerson, Sermo de nativitate Domini, Opera, III p. 946, 947.
[507] Nic. de Clemangiis, l.c., p. 147.
[508] O. Winckelmann, Zur Kulturgesch. des Strassburger Münsters,
Zeitschr. f. d. Gesch. des Oberrheins NF XXII 2.
[509] Dionysius Cartusianus, De modo agendi processiones etc., Opera,
XXXVI p. 198s.
[510] Chastellain, V p. 253ss.
[511] Hierboven p. 66. (zie Hoofdstuk II, noot 100)
[512] Michel Menot, Sermones f. 144vs., bij Champion, Villon, I p. 202.
[513] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 65; Olivier de la
Marche, II p. 89; l'Amant rendu cordelier, p. 25, huitain 68; Rel. de S.
Denis. I p. 102.
[514] L.c., p. 144.
[515] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, I p. 172, vgl. p. 60,
l'Epistre au dieu d'Amours, II 3; Deschamps, V p. 51 no. 871, II p. 185
vs. 75; vgl. hierboven p. 207. (= zie Hoofdstuk IV, noot 399)
[516] L'Amant rendu cordelier, l.c.
[517] Menot, l.c.
[518] Gerson, Expostulatio ... adversus corruptionem juventutis per
lascivas imagines et alia hujusmodi, Opera, III p. 291; cf. De parvulis
ad Christum trahendis, ib. p. 281; Contra tentationem blasphemiae, ib.
p. 246.
[519] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 80, 81, vgl. Machaut,
Livre du Voir-Dit, p. 143ss.
[520] Ib. p. 55, 63, 73, 79.
[521] Nic. de Clemangiis, l.c. p. 145.
[522] Quinze joyes de mariage, p. 127, vgl. p. 19, 29. 124.
[523] Froissart, ed. Luce et Raynaud, XI p. 225ss.
[524] Chron. Montis S. Agnetis, p. 341; J. C. Pool, Frederik v. Heilo en
zijne schriften, Amsterdam, 1866, p. 126; vgl. Hendrik Mande bij W. Moll,
Joh. Brugman en het godsd. leven onzer vaderen in de 15e eeuw, 1854, 2 dln.,
I p. 264.
[525] Gerson, Centilogium de impulsibus, Opera, III p. 154.
[526] Deschamps, IV p. 322 no. 807; vgl. I p. 272 no. 146: "Si n'y a Si
meschant qui encor ne die Je regni Dieu...."
[527] Gerson, Adversus lacivas imagines, Op. III p. 292; Sermo de
nativitate Domini, III p. 946.
[528] Deschamps, I p. 271ss. no. 145, 146, p. 217 no. 105, vgl. II p.
lvi en Gerson III p. 85.
[529] Gerson, Considérations sur le peché de blasphème, Op. III p. 889.
[530] Regulae morales, ib. III p. 85.
[531] Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 130, Rel. de S. Denis,
II p. 533.
[532] P. d'Ailly, De reformatione, cap. 6; de reform, laicorum, bij
Gerson, Opera, II p. 914.
[533] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 243.
[534] Gerson, Regulae morales. Opera, III p. 85.
[535] Gerson, Contra foedam tentationem blasphemiae. Opera, III p. 246:
hi qui audacter contra fidem loquuntur in forma joci etc.
[536] Cent nouvelles nouvelles, II p. 205.
[537] Gerson, Sermo de S. Nicolao, Op. III p. 1577; De parvulis ad
Christum trahendis ib. p. 279. Tegen hetzelfde spreekwoord ook Dionysius
Cart., Inter Jesum et puerum dialogus, art. 2, Opera t. XXXVIII p. 190.
[538] Gerson, De distinctione verarum visionum a falsis, Opera, I p. 45.
[539] Ib. p. 58.
[540] Deschamps, VI p. 109, no. 1167, id. no. 1222; Commines, I p. 449.
[541] Froissart, ed Kervyn. XIV p. 67.
[542] Rel. de S. Denis, I p. 102, 104; Jean Juvenal des Ursins, p. 346.
[543] Jacques du Clercq. II p. 277, 340; IV p. 59; vgl. Molinet, IV p.
390, Rel. de S. Denis, I p. 643.
[544] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. Coll. II
p. 1415, vgl. ep. 75, 76, p. 1456 van Ambr. de Miliis aan Gonthier Col,
waar hij zich beklaagt over Jean de Montreuil.
[545] Gerson, Sermo III in die Sancti Ludovici, Opera, III p. 1451.
[546] Gerson, Contra impugnantes ordinem carthusiensium, Opera. II
p. 713.
[547] Gerson, De decem praceptis, Opera, I p. 245.
[548] Gerson, Sermo de nativ. Domini, Opera, III p. 947.
[549] Nic. de Clemanges, De novis celebr. etc. p. 151.
[550] Villon, Testament, vs. 893ss., ed. Longnon, p. 57.
[551] Gerson, Sermo de nativitaté Domini, Opera, III p. 947, Regulae
morales, ib. p. 86, Liber de vita spirituali animae, ib. p. 66.
[552] Hist. translationis corporis sanctissimi ecclesiae doctoris divi
Thom. de Aq., 1368, auct. fr. Raymundo Hugonis O.P., Acta sanctorum
Martii, I p. 725.
[553] Bericht van de pauselijke commissaris-bisschop Konrad van
Hildesheim en abt Hermann van Georgenthal over het getuigenverhoor
aangaande de heilige Elisabeth te Marburg in Januari 1235, uitgegeven
Historisches Jahrbuch der Görres-Gesellschaft XXVIII p. 887.
[554] Rel. de S. Denis, II p. 37.
[555] Zie beneden p. 280. (zie Hoofdstuk VI, noot 565)
[556] Chastellain, III p. 407, IV p. 216.
[557] Deschamps, I p. 277 no. 150.
[558] Ib. II p. 348 no. 314.
[559] Uit Johann Eck's Pfarrbuch für U.L. Frau in Ingolstadt,
aangehaald Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 103.
[560] Joseph Seitz, Die Verehrung des hl. Joseph in ihrer geschichtl.
Entwicklung usw., Freiburg, Herder, 1908.
[561] Le livre du chevalier de la Tour-Landry, p. 212.
[562] B. Nat. Ms. fr. 1875, bij Ch. Oulmont, Le Verger, le Temple et la
Cellule, essai sur la sensualité dans les oeuvres de mystique
religieuse, Paris, 1912, p. 284ss.
[563] Zie over de heiligenfiguren vooral E. Mâle, L'art religieux à la
fin du Moyen âge, chap. IV.
[564] Deschamps, I p. 114 no. 32, VI p. 243 no. 1237.
[565] Bambergsch missaal van 1490, bij Uhrig, Die 14 hl. Nothelfer (XIV
Auxiliatores), Theol. Quartalschrift LXX, 1888, p. 72; vgl. Utrechtsch
missaal van 1514 en Dominicaansch missaal van 1550, Acta sanctorum
Aprilis t. III p. 149.
[566] L.l.c.c.
[567] Erasmus, Ratio seu methodus compendio perveniendi ad veram
theologiam, ed. Bazel, 1520, p. 171.
[568] In de zooeven aangehaalde ballade van Deschamps ook Martha, die de
Tarasque te Tarascon vernietigde.
[569] Gargantua, l.I ch. 45.
[570] ou = au.
[571] Deschamps, no. 1230, VI p. 323.
[572] Rob. Gaguini Epistole et Orationes, ed. Thuasne. II p. 176.
[573] Oeuvres de Coquillart, ed. Ch. d'Héricault (Bibl. elzevirienne)
1857. 2 vol., II p. 281.
[574] Molinet, IV p. 284.
[575] Fust = hout.
[576] font caroles = in 't rond staan.
[577] Deschamps, VIII p. 201, no. 1489.
[578] Gerson, de Angelis, Opera, III p. 1481, De praeceptis decalogi, I
p. 431, Oratio ad bonum angelum suum, III p. 511, Tractatus VIII super
Magnificat, IV p. 370; vgl. III p. 137, 553, 739.
[579] Opera. IV p. 389.
* * * * *
VII
DE GODSDIENSTIGE PERSOONLIJKHEID
Het volk leefde gewoonlijk in de sleur van een geheel veruiterlijkten
godsdienst bij een zeer vast geloof, dat wel angsten en verrukkingen
bracht, maar den ongeleerde geen vragen en geestelijken strijd oplegde,
zooals het Protestantisme zou doen. De gemoedelijke oneerbiedigheid en
nuchterheid van allen dag werd afgewisseld door de innigste ontroeringen
van hartstochtelijke vroomheid, die telkens spasmodisch het volk
aangrijpen. Men moet die voortdurende tegenstelling van sterke en zwakke
religieuze spanning niet willen begrijpen, door de kudde te scheiden in
vromen en wereldlingen, alsof een deel des volks blijvend hoog
godsdienstig leefde, terwijl de anderen slechts uiterlijk vroom waren.
Onze voorstelling van het laat-middeleeuwsche Noord-nederlandsche en
Neder-duitsche piëtisme zou ons licht op een dwaalspoor kunnen brengen.
In de moderne devotie der Fraterhuizen en Windesheimers hadden zich
inderdaad piëtistische kringen uit het wereldsche leven afgezonderd; bij
hen was de religieuze spanning blijvend genormaliseerd; zij vormden als
vromen bij uitstek een tegenstelling tot den grooten hoop. Doch Frankrijk
en de Zuidelijke Nederlanden hebben dat verschijnsel in den vorm van een
georganiseerde beweging nauwelijks gekend. Toch hebben daar de stemmingen,
die aan de moderne devotie ten grondslag lagen, evengoed hun werking gehad
als in het stille land van den IJsel. Doch daar in het Zuiden kwam het
niet tot zulk een afscheiding; de hooge devotie bleef er deel van het
algemeene godsdienstleven; zij openbaarde zich er bij oogenblikken,
heviger en korter. Het is het verschil, dat tot den huidigen dag
Romaansche volken van de Noordelijke scheidt: de Zuidelijken nemen een
tegenstrijdigheid minder zwaar, voelen minder den eisch, er de volle
consequentie uit te trekken, kunnen gemakkelijker de gemeenzaam spottende
houding van het dagelijksch leven verbinden met de hooge exaltatie van het
begenadigde oogenblik.
De geringschatting voor de geestelijkheid, die als onderstrooming door
de heele middeleeuwsche cultuur heenloopt naast de hooge vereering voor
den priesterstand, is ten deele te verklaren uit de verwereldlijking der
hoogere geestelijkheid en de verregaande declasseering der lagere, en
ten deele uit oude heidensche instincten. Het onvolkomen gekerstende
volksgemoed had nooit geheel den afkeer afgelegd van den man, die niet
vechten mocht en kuisch moest leven. De ridderlijke hoogmoed, geworteld
in dapperheid en liefde, stiet evenzeer als het ruwe volksbesef het
geestelijk ideaal van zich. De ontaarding der geestelijken zelf deed de
rest, en zoo hadden hoogere en lagere standen zich reeds eeuwen
verlustigd in de figuur van den onkuischen monnik en den smullenden
vetten paap. Een latente haat tegen de geestelijkheid was altijd
aanwezig. Hoe heftiger een prediker uitvoer tegen de zonden van zijn
eigen stand, hoe liever het volk hem hoorde. [580] Zoodra de preeker,
zegt Bernardinus van Siena, tegen de geestelijken te velde trekt,
vergeten de hoorders de rest; er is geen beter middel, om de aandacht
gaande te houden, als het volk slaperig wordt of het te warm of te koud
krijgt. Dan wordt alles terstond wakker en welgemoed. [581] Terwijl
juist de hevige godsdienstige beroering door de reizende volkspredikers
in de veertiende en vijftiende eeuw uitgaat van een herleving der
bedelorden, zijn het aan den anderen kant juist de bedelmonniken, wier
verbastering hen tot het gewone voorwerp van spot en verachting maakt.
De onwaardige priester der novellenlitteratuur, die als een armzalige
loondienaar voor drie grooten de mis leest, of bij wien men als
biechtvader geabonneerd is "pour absoudre du tout", pleegt een
bedelmonnik te zijn. [582] De vrome Molinet rijmt spottend in een
nieuwjaarswensch:
"Prions Dieu que les Jacobins
Puissent manger les Augustins,
Et les Carmes soient pendus
Des cordes des Frères Menus." [583]
Het dogmatische armoede-begrip, zooals het in de bedelorden belichaamd
was, voldeed den geest niet meer. In plaats van de symbolisch-formeele
Armoede begon men de sociaal-reëele ellende te zien; Pierre d'Ailly
stelt tegenover de mendicanten de "vere pauperes", de echte armen, en
het is geen toeval, dat de verernstiging van het geloof bij de moderne
devoten hen in zekere tegenstelling tot de bedelorden bracht.
De naïeve nuchterheid van den alledaagschen volksgodsdienst spreekt uit
menige bladzijde. Er is in 1437, na den terugkeer van den Franschen
koning in zijn hoofdstad, een zeer plechtige lijkdienst voor de ziel van
den graaf van Armagnac, het slachtoffer, met wiens moord de nu verleden
troebele jaren begonnen waren. Het volk stroomt erheen, maar is zeer
teleurgesteld, toen er geen uitdeeling van geld gehouden wordt. Want wel
vier duizend lieden, zegt de burger van Parijs gemoedelijk, gingen
erheen, die niet gegaan zouden zijn, als zij niet gedacht hadden, dat er
iets gegeven zou worden. "Et le maudirent qui avant prièrent pour lui."
[584] Toch is het dezelfde bevolking van Parijs, die met een vloed van
tranen de talrijke processies aanschouwt en ineenkrimpt onder het woord
van een reizenden prediker. Ghillebert de Lannoy zag te Rotterdam een
oproer stillen door een priester, die het Corpus Domini ophief. [585]