te vloeken weet, wordt als meester geëerd. [527] Eerst vloekte men, zegt
Deschamps, overal in Frankrijk op zijn Gasconsch en Engelsch, daarna op
zijn Bretonsch, en nu op zijn Bourgondisch. Hij rijmt twee balladen
aaneen van de gebruikelijke vloeken, om ze tot vromen zin te wenden. En
de Bourgondische vloek: "Je renie Dieu", is de ergste van allen; [528]
men verzacht hem tot: "Je renie de bottes". De Bourgondiërs hadden den
naam van aartsvloekers; trouwens Frankrijk in het algemeen, klaagt
Gerson, lijdt, zoo christelijk als het is, meer dan andere landen onder
die afschuwelijke zonde, die de oorzaak is van pestilentie, oorlogen en
hongersnood. [529] Zelfs de monniken doen met bastaardvloeken mee. [530]
Hij wil, dat alle autoriteiten en alle standen, door scherpe verordeningen
en lichte straffen, die dan ook werkelijk uitgevoerd kunnen worden, het
kwaad helpen uitroeien. En inderdaad verscheen in 1397 een koninklijke
ordonnantie, die de oude verordeningen tegen het vloeken van 1269 en
1347 hernieuwde; niet met lichte en uitvoerbare straffen evenwel, maar
met de oude bedreigingen van lippen kloven en tong afsnijden, waaruit de
heilige verontwaardiging over de godslastering sprak. In het register,
dat de ordonnantie bevat, staat er aan den rand bij aangeteekend: "Al
deze vloeken zijn heden ten dage, 1411, overal in het rijk zeer algemeen
in gebruik, zonder eenige straf." [531] Pierre d'Ailly dringt bij het
concilie van Constanz [532] opnieuw met nadruk aan op de bestrijding van
het kwaad.
Gerson kent de beide uitersten, waartusschen de zonde van het vloeken
zich beweegt. Hij kende uit zijn ervaring als biechtvader de jongelieden,
die onbedorven, eenvoudig en kuisch, gekweld werden door een scherpe
verzoeking, om woorden van godverloochening en godslastering te spreken.
Hij beveelt hun aan, om zich niet geheel aan de beschouwing van God en
zijn heiligen over te geven; zij zijn er niet sterk genoeg toe. [533]
Hij kent ook de gewoontevloekers, zooals de Bourgondiërs, wier daad, hoe
verfoeilijk ook, toch niet de schuld van meineedigheid bevat, daar er in
het geheel geen bedoeling is, om te zweren. [534]
Het punt, waar de gewoonte om de dingen van het geloof lichtvaardig te
behandelen, overgaat in bewuste ongodsdienstigheid, is niet te bepalen.
Er is zonder twijfel in het laatst der Middeleeuwen een sterke neiging,
om de vroomheid en de vromen te bespotten. Men is gaarne esprit fort, en
spreekt tegen het geloof bij wijze van scherts. [535] De novellisten
doen frivool en onverschillig, zooals in het verhaal der _Cent nouvelles
nouvelles_, waar de pastoor zijn hond in gewijde aarde begraaft, en hem
toespreekt: "mon bon chien, a qui Dieu pardoint." De hond gaat dan ook
"tout droit au paradis des chiens." [536] Men heeft een grooten afkeer
van gehuichelde of beuzelachtige vroomheid: het woord "papelard" ligt
hun in den mond bestorven. Het veelgebruikte spreekwoord: "De jeune
angelot vieux diable" of in fraai schoollatijn: "Angelicus juvenis
senibus sathanizat in annis" is Gerson een doorn in het oog. Zoo bederft
men de jeugd, zegt hij: men prijst in de kinderen een onbeschaamd
gelaat, vuile taal en vloeken, onkuischheid in blik en gebaar. Maar,
zegt hij: ik zie niet, wat er van den jongeling, die den duivel speelt,
te hopen valt in de grijsheid. [537]
Onder de geestelijken en godgeleerden zelf onderscheidt Gerson een groep
van onwetende praters en ruziemakers, wien elk gesprek over den
godsdienst een last en een fabel is; alles wat hun wordt meegedeeld van
verschijningen en openbaringen, verwerpen zij met groot gelach en
verontwaardiging. Anderen vallen in het andere uiterste en nemen alle
inbeeldingen van ijlhoofdige menschen, droomen en wonderlijke gedachten
van zieken en krankzinnigen, als openbaringen aan. [538] Het volk weet
tusschen die uitersten het juiste midden niet te bewaren: zij gelooven
alles, wat zieners en waarzeggers voorspellen, maar, komt een ernstig
geestelijke, die dikwijls echte revelaties heeft gehad, eens bedrogen
uit, dan beschimpen de wereldsche lieden allen, die van geestelijken
wandel zijn, noemen hem een bedrieger en een "papelard", en willen
voortaan naar geen geestelijken meer luisteren, die zij voor boosaardige
huichelaars houden. [539]
Het is steeds weer het plotseling uitblijven van de religieuze spanning
in een met godsdienstigen inhoud en vormen oververzadigd gedachtenleven.
Door de heele Middeleeuwen heen vindt men talrijke gevallen van spontaan
ongeloof, waarbij niet te denken valt aan een afwijking van de kerkleer
op grond van theologische bespiegeling, maar enkel aan een onmiddellijke
reactie. Al beteekent het niet veel, wanneer dichters of
geschiedschrijvers, de enorme zonden van hun tijd ziende, uitroepen: men
gelooft niet meer aan hemel en hel, [540] bij meer dan een was het
latente ongeloof bewust en vast geworden, zoo zelfs dat het algemeen
bekend was, en zij er zelf voor uitkwamen. "Beaux seigneurs,--zegt de
kapitein Bétisac tot zijn makkers, [541]--je ay regarde à mes besongnes
et en ma conscience je tiens grandement Dieu avoir courrouchié, car jà
de long temps j'ay erré contre la foy, et ne puis croire qu'il soit
riens de la Trinité, ne que le Fils de Dieu se daignast tant abaissier
que il venist des chieulx descendre en corps humain de femme, et croy et
dy que, quant nous morons, que il n'est riens de âme.... J'ay tenu celle
oppinion depuis que j'eus congnoissance, et la tenray jusques à la
fin."--Hugues Aubriot, prévôt van Parijs, is een allervurigst papenhater;
hij gelooft niet aan het altaarsacrament, spot ermee, houdt geen Paschen,
gaat niet te biecht, [542] Jacques du Clercq verhaalt verschillende
gevallen van edelen, die hun ongeloof toonden en geheel bij kennis de
laatste sacramenten weigerden. [543] Jean de Montreuil, proost van
Rijssel, schrijft aan een zijner geleerde vrienden, meer in den
luchtigen trant van een verlichten humanist dan als een waarlijk vrome:
"Ge kent onzen vriend Ambrosius de Miliis; ge hebt dikwijls gehoord, hoe
hij van den godsdienst, van het geloof, van de heilige schrift en van
alle kerkelijke voorschriften dacht, zóó namelijk, dat Epicurus er
katholiek bij moest heeten. Welnu, deze man is thans geheel bekeerd."
Maar hij werd dan ook tevoren toch geduld in dien kring van vroege
humanisten vol vromen zin. [544]
Aan de eene zijde van deze spontane gevallen van ongeloof staat het
litteraire paganisme der Renaissance en het beschaafde en behoedzame
Epicurisme, dat reeds in de 13e eeuw, naar Averroës genoemd, in zoo
wijde kringen had gebloeid. Aan de andere zijde staat de
hartstochtelijke negatie bij de arme, onwetende ketters, die allen, hoe
zij ook heeten, Turlupins of Broeders van den vrijen geest, de grenzen
van de mystiek naar het pantheïsme hadden overschreden. Doch deze
verschijnselen moeten in een later verband ter sprake komen. Voorloopig
hebben wij nog te blijven in de sfeer van de uiterlijke geloofsverbeelding
en de uiterlijke vormen en gebruiken.
* * * * *
Voor het dagelijksch besef van den grooten hoop maakte de aanwezigheid
van een zichtbaar beeld het intellectueel bewijs van de waarheid van het
afgebeelde volkomen overbodig. Tusschen hetgeen men in kleur en vorm
afgebeeld voor zich zag: de personen der Drieëenheid, de vlammende hel,
de tallooze heiligen, en het gelooven daaraan lag geen vraag: zou het
waar zijn? Al die voorstellingen werden onmiddellijk _als_ verbeeldingen
tot geloof; zij stonden in den geest vast omlijnd en bont gekleurd, met
al de realiteit, die de Kerk in het geloof eischen kon, en nog wat
daarenboven.
Doch waar het geloof direct berust op een beeldvoorstelling, kan het
nauwelijks qualitatieve onderscheidingen maken tusschen den aard en den
graad van heiligheid der verschillende geloofselementen. Het eene beeld
is zoo reëel en zoo ontzagbaar als het andere, en dat men God te
aanbidden heeft en de heiligen slechts te vereeren, leert de afbeelding
zelf niet, als niet de Kerk met haar leering er voortdurend toe
vermaant. Nergens dreigde de overwoekering van de vrome gedachte door de
bonte verbeelding zoo aanhoudend en zoo sterk, als op het gebied der
heiligenvereering.
Het strenge standpunt van de Kerk was zuiver en hoog genoeg. Gegeven de
voorstelling van het persoonlijk voortbestaan, was de vereering der
heiligen natuurlijk en zonder bedenking. Het is geoorloofd, hun lof en
eer toe te kennen "per imitationem et reductionem ad Deum". Op dezelfde
wijze mag men ook vereering schenken aan beelden, relieken, heilige
plaatsen en aan God gewijde dingen, voorzoover het ten slotte leidt tot
vereering van God zelf. [545] Ook de technische onderscheiding van den
heilige en den gewonen gezaligde, en de normeering van het instituut der
heiligheid door de officieele canonisatie hadden, schoon een bedenkelijke
formaliseering, toch niets wat tegen den geest van het christendom streed.
De Kerk bleef zich bewust van de oorspronkelijke gelijkwaardigheid van
heiligheid en zaligheid, en van het ontoereikende der heiligverklaring.
"Het is te gelooven,--zegt Gerson,--dat er oneindig meer heiligen
gestorven zijn en dagelijks sterven, dan zij die gecanoniseerd zijn."
[546] De geoorloofdheid der beelden zelf tegenover de uitdrukkelijke
woorden van het tweede gebod werd betoogd met het beroep, dat vóór de
menschwording van Christus het verbod noodzakelijk was geweest, omdat
God toen enkel geest was, maar dat Christus de oude wet had opgeheven
door en wegens zijn komst op aarde. Aan de rest van het tweede gebod:
"Non adorabis ea neque coles", wenschte de Kerk onvoorwaardelijk vast te
houden. "Wij aanbidden de beelden niet, doch brengen eer en adoratie aan
den afgebeelde, dat wil zeggen aan God, of aan zijn heilige, wiens beeld
het is." [547] De beelden dienen alleen, om aan de eenvoudigen, die de
schrift niet kennen, te toonen, wat zij moeten gelooven. [548] Zij zijn
de boeken der onwetenden: [549] men kent die gedachte uit het gebed aan
Maria, dat Villon voor zijn moeder maakte:
"Femme je suis pourette et ancienne,
Qui riens ne sçai; oncques lettre ne leuz;
Au moustier voy dont suis paroissienne
Paradis paint, où sont harpes et luz,
Et ung enfer où dampnez sont boulluz:
L'ung me fait paour, l'autre joye et liesse".... [550]
Dat door het openleggen van het boek der bonte beelden aan den dolenden
geest evenveel stof tot afwijking van de leer werd geboden, als de
persoonlijke schriftverklaring kon meebrengen, heeft de Kerk nimmer
verontrust. Zij heeft altijd licht geoordeeld over de zonde van hen, die
uit onwetendheid en eenvoudigheid tot aanbidding der beelden vervielen.
Het is hun reeds genoeg, zegt Gerson, als zij maar de bedoeling hebben
om te doen, zooals de Kerk doet in het eeren der beelden. [551]
De zuiver dogmenhistorische vraag, in hoeverre de Kerk haar verbod van
directe vereering of zelfs aanbidding der heiligen, niet als voor
bidders maar als bewerkers van het gevraagde, altijd zuiver heeft weten
te handhaven, kan hier blijven rusten. De cultuurhistorische vraag is,
in hoeverre zij erin slaagde, het volk daarvan af te houden, met andere
woorden welke realiteit, welke voorstellingswaarde de heiligen hadden in
het laat-middeleeuwsche volksbesef. En hier is maar één antwoord mogelijk:
de heiligen waren zoo wezenlijke, zoo materieele en zoo gemeenzame
figuren in het alledaagsche geloofsleven, dat zich aan hen al de meer
oppervlakkige en zinnelijke godsdienstige impulsen verbonden. Terwijl
de innigste gemoedsbewegingen uitstroomden naar Christus en Maria,
kristalliseerde zich in de heiligenvereering een heele schat van
gemoedelijk, naïef en alledaagsch godsdienstig leven. Alles werkte mede,
om aan de populaire heiligen een wezenlijkheid voor den geest te geven,
die hen voortdurend midden in het leven bracht. De volksverbeelding
heeft hen vast: zij hebben hun bekende gedaante en hun attributen, men
kent hun ijselijke martelie en hun verbazende wonderen. Zij gaan gekleed
en uitgerust als het volk zelf. Men kon mijnheer Sint Rochus of Sint
Jacob iederen dag in levende pestlijders of pelgrims ontmoeten. Het zou
van belang zijn, na te gaan, tot hoe lang de kleederdracht der heiligen
de mode van den dag heeft meegemaakt. Zeker die der geheele vijftiende
eeuw. Maar waar is het punt, waarop de kerkelijke kunst hen onttrekt
aan de levende volksverbeelding, door hen te hullen in rhetorische
drapeering? Het is niet alleen een kwestie van Renaissancegevoel voor
historisch costuum; het is, dat de volksverbeelding zelf hen begint los
te laten, of althans zich niet meer kan doen gelden in de kerkelijke
kunst. Tijdens de contrareformatie zijn de heiligen veel treden hooger
geklommen, naar de Kerk het wilde: weg uit de aanraking met het
volksleven.
De lijfelijkheid, die de heiligen reeds hadden door de afbeelding, werd
nog buitengewoon verhoogd doordat de Kerk van oudsher de vereering van
hun lichamelijke overblijfselen had toegestaan en aangemoedigd. Het kon
niet anders, of van dit hechten aan de stof moest een materialiseerende
invloed op het geloof uitgaan, die somtijds tot verbazingwekkende
uitersten leidde. Waar het relieken geldt, vreest het sterke geloof der
Middeleeuwen voor geen ontnuchtering of ontwijding. Het volk in de
bergen van Umbrië omstreeks het jaar 1000 wilde den kluizenaar Sint
Romuald doodslaan, om toch zijn gebeente niet te verliezen. De monniken
van Fossanuova, waar Thomas van Aquino gestorven was, hebben, uit vrees
dat hun de kostbare reliek zou ontgaan, het lijk van den edelen meester
letterlijk ingemaakt: van het hoofd ontdaan, gekookt, geprepareerd.
[552] Toen de heilige Elisabeth van Thüringen boven aarde stond, kwam
een schaar van devoten niet alleen stukken snijden of scheuren van de
doeken, waarmee haar gelaat omwikkeld was; men sneed de haren en nagels
af, ja zelfs stukken van de ooren en de tepels van de borsten. [553] Ter
gelegenheid van een plechtig feest deelt Karel VI ribben uit van zijn
voorvader den heiligen Lodewijk: aan Pierre d'Ailly, aan zijn ooms van
Berry en Bourgondië, en aan de prelaten een been om te verdeelen,
waartoe dezen dan ook overgaan na den maaltijd. [554]
Hoe levend en hoe lijfelijk nu ook de voorstelling der heiligen was,
niettemin treden zij betrekkelijk weinig op in de sfeer van de
bovennatuurlijke beleving. Het geheele gebied van geestenzienerij,
teekenen, verschijningen en spooksels staat grootendeels gescheiden
van de verbeeldingssfeer der heiligenvereering. Er zijn natuurlijk
uitzonderingen. Iedereen denkt terstond aan Sint Michiel, Sint Catharina
en Sint Margareta, die aan Jeanne d'Arc verschenen. Zoo zouden er uit de
visionaire litteratuur nog tal van andere voorbeelden zijn aan te halen.
Maar in den regel heeft men daar te doen met eenigszins litterair
geformeerde of geïnterpreteerde gezichten. Wanneer aan den jongen herder
te Frankenthal bij Bamberg in 1446 de veertien heilige noodhelpers
verschijnen, dan ziet hij dezen, die toch in de iconografie zulke
markante figuren waren, [555] niet met hun sprekende attributen, maar
als veertien engelkindertjes, onderling geheel gelijk; zij _zeggen_,
dat zij de veertien noodhelpers zijn. De fantasmagorie van het directe
volksgeloof is gevuld met engelen en duivelen, geesten van afgestorvenen
en witte wijven, maar niet met heiligen. Slechts bij uitzondering speelt
in het echte, niet litterair of theologisch aangekleede bijgeloof de
heilige een rol. Sint Bertulf doet het te Gent. Als er iets ernstigs
gaat gebeuren, klopt hij tegen zijn kist in de Sint Pieters abdij "moult
dru et moult fort". Het gaat soms gepaard met een lichte aardbeving,
en verschrikt de stad zoo, dat zij met groote ommegangen het onbekende
onheil zoekt te keeren. [556] In het algemeen echter hecht zich de
klamme vrees aan de slechts vaag verbeelde figuren, die niet met vaste
attributen, bekende trekken en gezellig bonte kleedij in de kerken
uitgehouwen en geschilderd stonden, maar met een ongezien schrikgelaat
in een nevelige wade rondwaarden, of in louter hemelglans zich vertoonden,
of in monsterlijk verschietende wanvormen uit de schuilhoeken van het
brein opdoken.
Dit behoeft niet te verbazen. Juist doordat de heilige zoo exacten vorm
had aangenomen, zooveel verbeeldingsstof had aangetrokken en rondom zich
gekristalliseerd, miste hij de huiveringwekkende geheimzinnigheid.
De vrees voor het bovennatuurlijke ligt in de onbepaaldheid der
voorstelling, in de verwachting, dat iets plotseling zich in een nieuwe,
nooit ontwaarde schrikwekkendheid zou kunnen vertoonen. Zoodra de
voorstelling wordt omlijnd en bepaald, ontstaat een gevoel van
verzekerdheid en gemeenzaamheid. De heiligen met hun welbekende figuren
hadden het geruststellende van een politieagent in een groote vreemde
stad. De heiligenvereering en vooral de heiligenverbeelding schiep als
't ware een neutrale zone van gemoedelijk rustig geloof tusschen de
verrukkingen van het God-schouwen en de zoete huiveringen van de
Christusliefde eenerzijds, en anderzijds de gruwelijke fantasmen van de
duivelvrees en den heksenwaan. Men zou de stelling kunnen wagen, dat de
heiligenvereering, door veel zaligheidsgevoel en veel angsten af te
leiden en te herleiden tot gemeenzame verbeelding, een zeer hygiënische
tempering heeft opgeleverd voor den wild uitschietenden geest der
Middeleeuwen.
Door die volkomen ver-beelding heeft de heiligenvereering haar plaats
aan den buitenkant van het geloofsleven. Zij gaat mee op den stroom van
het alledaagsche denken, en verliest daarin soms haar waardigheid.
Karakteristiek is in dit opzicht de laat-middeleeuwsche Joseph-vereering.
Men kan haar beschouwen als een gevolg en een terugslag van de
hartstochtelijke Maria-vereering. De onbescheiden belangstelling voor
den stiefvader is als 't ware de tegenkant van al de liefde en
verheerlijking, die de maagdelijke Moeder gold. Naarmate Maria hooger
steeg, werd Joseph meer caricatuur. De beeldende kunst gaf hem reeds een
type, dat bedenkelijk dicht naderde tot dat van den lompen, bespotten
boer. Zoo ziet men hem op Melchior Broederlam's tweeluik te Dijon. Maar
in de beeldende kunst bleef het ontwijdendste onuitgedrukt. Welk een
naïeve nuchterheid vertoont de Joseph-opvatting van Eustache Deschamps,
die hierin toch volstrekt niet als een onvrome spotter te beschouwen is.
Joseph, die Gods Moeder dienen mocht en haar zoon opvoeden, men zou
meenen, dat geen sterveling hooger begenadigd is geweest. Deschamps
gelieft hem te zien als het type van den slovenden, beklagenswaardigen
huisvader:
"Vous qui servez a femme et a enfans
Aiez Joseph toudis en remembrance;
Femmes servit toujours tristes, dolans.
Et Jhesu Crist garda en son enfance;
A piè trotoit, son fardel sur sa lance;
En plusieurs lieux est figuré ainsi,
Lez un mulet, pour leur faire plaisance,
Et si n'ot oncq feste en ce monde ci." [557]
Was het enkel, om huisvaders in zorgen met een edel voorbeeld te
troosten, dan zou het nog gaan, wat er ook aan waardigheid der
voorstelling ontbrak. Maar Deschamps bedoelt Joseph regelrecht als
afschrikkend voorbeeld, om zich toch niet met een gezin te belasten:
"Qu'ot Joseph de povreté
De durté,
De maleurté,
Quant Dieux nasqui?
Maintefois l'a comporté,
Et monté
Par bonté
Avec sa mère autressi,
Sur sa mule les ravi;
Je le vi
Paint ainsi;
En Egipte en est alé.
Le bonhomme est painturé
Tout lassé,
Et troussé,
D'une cote et d'un barry:
Un baston au coul posé,
Vieil, usé
Et rusé.
Feste n'a en ce monde cy,
Mais de lui
Va le cri:
C'est Joseph le rassoté." [558]
Hier ziet men voor oogen, hoe uit de gemeenzame afbeelding een
gemeenzame opvatting groeide, die elke heiligheid schond. Joseph bleef
in de volksverbeelding een half-komische figuur; nog dr. Johannes Eck
moest erop aandringen, dat men hem in het kerstspel of in het geheel
niet, of althans op betamelijker wijze zou voorstellen, en hem geen
pap zou laten koken, "ne ecclesia Dei irrideatur." [559] Tegen deze
onwaardige woekeringen was de beweging van Gerson voor een passende
Joseph-vereering gericht, die tot zijn opneming in de liturgie met
voorrang boven alle andere heiligen leidde. [560] Wij zagen echter boven
reeds, hoe ook Gerson's ernstig streven hem niet vrijhoudt van die
onbescheiden curiositas, die aan het onderwerp van Joseph's huwelijk
haast onvermijdelijk verbonden scheen. Voor een nuchteren geest (en
Gerson, ondanks zijn voorliefde voor de mystiek, was in veel opzichten
een nuchtere geest) mengden zich altijd weer in de beschouwing van
Maria's huwelijk overwegingen van zeer aardschen inhoud. De ridder de la
Tour-Landry, ook een type van nuchter welmeenend geloof, ziet het geval
onder dit licht. "Dieux voulst que elle espousast le saint homme Joseph,
qui estoit vieulx et preudomme; car Dieu voulst naistre soubz umbre de
mariage pour obéir à la loy qui lors couroit, _pour eschever les paroles
du monde_," [561]--
Een onuitgegeven werk der vijftiende eeuw verbeeldt het mystisch
huwelijk der ziel met den hemelschen bruidegom in de termen van een
burgerlijke vrijaadje. Jezus, de bruidegom, zegt tot God Vader: "S'il te
plaist, je me mariray et auray grant foueson d'enfans et de famille." De
Vader maakt bezwaren, want de keuze des Zoons is gevallen op een zwarte
Ethiopische; hier speelt het woord van het Hooglied onder: "Nigra sum
sed formosa". Het zou een mésalliance zijn en een oneer voor de familie.
De engel, die als hijlikmaker optreedt, doet een goed woord voor de
bruid. "Combien que ceste fille soit noire, neanmoins elle est
gracieuse, et a belle composicion de corps et de membres, et est bien
habile pour porter fouezon d'enfans." De Vader antwoordt: "Mon cher fils
m'a dit qu'elle est noire et brunete. Certes je vueil que son espouse
soit jeune, courtoise, jolye, gracieuse et belle et qu'elle ait beaux
membres." Nu prijst de engel haar aangezicht en al haar leden, dat zijn
de deugden der ziel. De Vader geeft zich gewonnen, en spreekt tot den
Zoon:
"Prens la, car elle est plaisant
Pour bien amer son doulx amant;
Or prens de nos biens largement,
Et luy en donne habondamment." [562]
Aan den ernst en de stichtelijke bedoeling van dit werk valt geen
oogenblik te twijfelen. Het is enkel een bewijs, tot welke triviale
voorstellingen de onbeteugelde uitwerking der verbeelding leiden kon.
Iedere heiligenfiguur had door haar welbepaald, direct sprekend beeld
een individueel karakter, [563] in tegenstelling met de engelen, die met
uitzondering der drie groote aartsengelen volkomen onverbeeld bleven.
De individualiteit der heiligen werd nog versterkt door de speciale
functie, die aan verscheiden hunner toekwam: tot dezen wendde men zich
in een bepaalden nood, tot genen om genezing eener bepaalde ziekte.
Veelal had een trek uit de legende of een attribuut van het beeld de
aanleiding gegeven tot die specialiseering, zooals bij voorbeeld, als
Sinte Apollonia tegen kiespijn werd aangeroepen, wie zelve in haar
martelie de kiezen waren uitgetrokken. Was eenmaal de goedgunstige taak
der heiligen zoo verbijzonderd, dan kon het niet uitblijven, of er kwam
in hun vereering een half mechanisch element. Hoorde eenmaal de genezing
der pest tot het ambtsgebied van Sint Rochus, dan werd bijna
onvermijdelijk de actie van den heilige in dezen te direct opgevat, en
liep de gansche, door de Kerk gevorderde, gedachtenschakel, dat de
heilige door zijn voorbidding bij God de genezing wrocht, gevaar om uit
te vallen. Met name was dit het geval bij de vereering der veertien
(soms ook vijf, acht, tien of vijftien) Noodhelpers, die in het laatst
der Middeleeuwen zoo sterk op den voorgrond kwam. Sint Barbara en Sint
Christophorus, de meest afgebeelde van allen, hooren ertoe. Aan deze
veertien had God naar de voorstelling van het volksgeloof toegestaan,
dat hunne aanroeping iedereen zou vermogen te redden uit onmiddellijk
dreigend gevaar.
"Ilz sont cinq sains, en la genealogie,
Et cinq sainctes, a qui Dieux octria
Benignement a la fin de leur vie.
Que quiconques de cuer les requerra
En tous perilz, que Dieux essaucera
Leurs prieres, pour quelconque mesaise.
Saiges est donc qui ces cinq servira,
Jorges, Denis, Christofle, Gille et Blaise." [564]