De bijna mechanische wijze, waarop de heilige gebruiken zich neigden te

vermenigvuldigen, wanneer geen strenge autoriteit besnoeiend ingreep,

heeft een karakteristiek voorbeeld in de wekelijksche vereering der

Onnoozele kinderen. Aan de herdenking van den Bethlehemschen kindermoord

op 28 December verbond zich evenzeer allerlei half-heidensch midwinter-

bijgeloof als sentimenteele aandoening over den gruwel van dit

martelaarschap; de dag gold als een ongeluksdag. En nu plachten velen

gedurende het heele jaar den weekdag, waarop het laatst Onnoozele

kinderen gevallen was, als een ongeluksdag te ontzien. Men mocht dien

dag geen werk beginnen, geen tocht aanvaarden. De dag heette eenvoudig

"les Innocents" evenals het feest zelf. Lodewijk XI nam dit gebruik

nauwgezet in acht. De kroning van Eduard IV werd nog eens overgedaan,

omdat men haar eerst op den ongelukkigen dag der week had verricht. René

van Lotharingen moest van een gevecht afzien, omdat zijn landsknechten

weigerden, op grond dat het de weekdag van Onnoozele kinderen was. [467]

Johannes Gerson neemt uit dit gebruik de aanleiding tot een tractaat

tegen het bijgeloof in het algemeen en dit in het bijzonder. [468] Hij

is een dergenen geweest, die het gevaar van die woekering der

godsdienstige denkbeelden voor het kerkelijk leven duidelijk hebben

gezien. Met zijn scherpen, ietwat nuchteren geest ziet hij ook iets van

den zielkundigen grond voor het opkomen van al die denkbeelden. Zij

spruiten voort "ex sola hominum phantasiatione et melancholica

imaginatione"; het is een bederf van de verbeeldingskracht; deze berust

op een inwendig hersenletsel, en dit weer op duivelsche begoocheling.

Zoo krijgt de duivel toch nog zijn deel.

Het is een proces van voortdurende herleiding van het oneindige tot

eindigheden, een uiteenvalling van het wonder in atomen. Aan elk

heiligste mysterie hecht zich, als een korst van schelpen aan een schip,

een aangroeisel van uiterlijke geloofselementen, die het ontwijden. De

ontzaglijke doordrongenheid van het wonder der eucharistie plant zich

aan de oppervlakte voort in het nuchterste en materieelste bijgeloof:

bij voorbeeld dat men op den dag, waarop men mis gehoord heeft, niet

blind kan worden of een beroerte krijgen, dat men gedurende den tijd,

dat men de mis hoort, niet ouder wordt. [469] De Kerk heeft er

voortdurend tegen te waken, dat God niet al te zeer op aarde wordt

gebracht. Zij verklaart het kettersch, te beweren, dat Petrus, Johannes

en Jacobus bij Christus' transfiguratie het goddelijk wezen even klaar

hadden gezien, als zij het nu doen in den hemel. [470] Het was

godslastering, dat een der navolgsters van Jeanne d'Arc beweerde, God

gezien te hebben in een lang wit kleed met een rood overkleed. [471]

Doch kon het volk het helpen, dat het niet de fijne onderscheidingen

wist te maken, die de theologie voorschreef, waar de Kerk zooveel bonte

stof aan de verbeelding bood?

Gerson zelf hield zich niet vrij van het euvel, dat hij bestreed. Hij

verheft zijn stem tegen de ijdele nieuwsgierigheid, [472] en bedoelt

daarmee den geest van onderzoek, die de natuur wil leeren kennen in haar

uiterste geheimen. Maar hij zelf wroet met onbescheiden nieuwsgierigheid

in de kleinste uiterlijke bijzonderheden der heilige dingen. Zijn

bijzondere vereering voor den heiligen Joseph, voor wiens feest hij op

allerlei wijzen werkt, maakt hem benieuwd, om alles van Joseph te weten.

Hij verdiept zich in al de bijzonderheden van diens huwelijk met Maria,

hun samenleven, zijn onthouding, hoe hij haar zwangerschap leerde kennen,

hoe oud hij was. Van de caricatuur, die de kunst van Joseph dreigde te

maken: den ouden slovenden man, zooals Deschamps hem beklaagde, wil

Gerson niet weten: Joseph was nog geen vijftig jaar, zegt hij. [473]

Elders veroorlooft hij zich een bespiegeling over de lichamelijke

samenstelling van Johannes den Dooper: "semen igitur materiale ex qua

corpus compaginandum erat, nec durum nimis nec rursus fluidum

abundantius fuit". [474] De beroemde volksprediker Olivier Maillard

pleegt zijn gehoor na de inleiding te onthalen op "une belle question

théologale", bij voorbeeld, of de Maagd zoo actief had meegewerkt tot de

ontvangenis van Christus, dat zij waarlijk Moeder Gods mocht heeten; of

het lichaam van Christus asch zou zijn geworden, indien de opstanding

niet tusschenbeide gekomen ware. [475] De strijdvraag over Maria's

onbevlekte ontvangenis, waarin de Dominicanen tegen de wassende

volksbehoefte in, die de Maagd van aanvang af vrij van de erfzonde wilde

zien, de ontkennende partij hielden, veroorzaakte een vermenging van

theologische en embryologische bespiegeling, die ons weinig stichtelijk

voorkomt. En zoo hardnekkig overtuigd waren de ernstigste godgeleerden

van het gewicht hunner argumenten, dat zij zich niet ontzagen, het

dispuut in preeken voor het groote publiek te brengen. [476] Als zoo de

geest van de ernstigsten was gericht, hoe kon het dan anders, of over

een groot levensgebied moest zich door die voortgezette uitwerking in

bijzonderheden al het heilige oplossen in een alledaagschheid, waaruit

men zich slechts bij vlagen tot de ontzaglijke huivering over het wonder

verhief?

De gemeenzaamheid, waarmee men in het dagelijksch leven met God handelde,

moet van twee kanten worden bezien: het is even goed de volstrekte

vastheid en onmiddellijkheid van het geloof, die daaruit spreken, als de

schade, die dat geloof leed door zijn volkomen afvloeiing in alle dingen

van het gewone leven. Juist het innigste mysterie, de eucharistie, lijdt

voortdurend het gevaar der profanatie. Zoo ongeschokt was het geloof aan

het miswonder en de rechtgeloovige vereenzelviging der drie personen van

de Drieëenheid, dat men de gewijde hostie eenvoudig God noemde. Zoo

ontstaat een spraakgebruik, dat ons profaner schijnt dan het voor den

middeleeuwschen geest was. Een reiziger stijgt even af, en gaat een

dorpskerk binnen "pour veoir Dieu en passant". Van den priester heet

het: "quand il eut levé Dieu et calice"; gaat hij met de hostie op een

ezel zijns weegs, dan spreekt men van "un Dieu sur un asne". [477]

Wekken deze voorbeelden door de bron, waaraan zij zijn ontleend: de

_Cent nouvelles nouvelles_, wellicht de verdenking van een onvrome

bedoeling (ik zie er enkel het gemeenzame spraakgebruik in), deze is

uitgesloten bij het volgende uit _Le livre du chevalier de la Tour-Landry

pour l'enseignement de ses filles_, waar van een dame gezegd wordt: "Sy

cuidoit transir de la mort, et se fist apporter beau sire Dieux." [478]

"Veoir Dieu" was een gangbare term voor het zien heffen van de hostie. [479]

--Zoodra nu de smaak van het wonder even uitbleef, welk een ontwijding

bracht dan zulk een spraakgebruik mede! Dan was het maar een kleine val

tot gedachtenlooze gemeenzaamheden als het spreekwoord: "Laissez faire

à Dieu, qui est homme d'aage", [480] of Froissart's: "et li prie à mains

jointes, pour si hault homme que Diex est." [481]

Hoe zulk een spraakgebruik "Dieu" voor de hostie het godsgeloof zelf

contamineeren kon, bewijst een geval als het volgende. De bisschop van

Coutances draagt een mis op in de kerk van Saint Denis. Toen hij het

lichaam des Heeren gaat heffen, vermaant men Hugues Aubriot, den prévôt

van Parijs, die de kapel rondwandelde, waar de mis gevierd werd, om te

aanbidden. Maar Hugues, een bekend esprit fort, antwoordt met een vloek,

dat hij niet geloofde in den God van zoo'n bisschop, die aan het hof

woonde. [482]

Een treffend voorbeeld van bijna onbeschaamde gemeenzaamheid met het

heilige, waar toch aan een spottende bedoeling niet valt te denken, zijn

de Mariabeeldjes, zooals de Bourgondische hertogen er een bezaten, die

een variant opleveren van het oud-hollandsche drinkvaatwerk, dat Hansje

in den kelder genoemd werd. Het was een klein gouden beeldje, rijk met

edelsteenen versierd, waarvan de buik open kon, waarbinnen men de

Drieëenheid zag. [483] Gerson zag er een bij de Carmelieten te Parijs,

en keurt het af, maar niet wegens de onvroomheid doch om de ketterij,

die erin gelegen was, de geheele Drieëenheid als de vrucht van Maria's

schoot voor te stellen. [484]

Het geheele leven was zoo doortrokken van godsdienst, dat de afstand

tusschen het aardsche en het geestelijke ieder oogenblik dreigt te loor

te gaan. Wordt aan den eenen kant alles van het gewone leven in de

heilige oogenblikken opgetrokken in wijding, aan den anderen kant wordt

het heilige voortdurend in de sfeer van het alledaagsche gehouden door

zijn onoplosbare vermenging met het dagelijksch leven. Hierboven werd

gesproken van het kerkhof der Innocents te Parijs, die afzichtelijke

kermis des doods met de doodsbeenderen al rondom opgetast en uitgestald.

Kan men zich iets vreeselijkers denken dan het leven van de kluizenares,

ingemetseld tegen den kerkmuur op die plaats der verschrikking? Maar

lees nu, hoe de tijdgenooten erover spreken: de recluses woonden er in

een keurig nieuw huisje, zij werden ingemetseld met een mooie preek, zij

kregen van den koning een bezoldiging van acht pond 's jaars in acht

termijnen. [485] Alles alsof het gewone hofjesjuffrouwen waren. Waar

blijft het religieuze pathos? Waar blijft het, als er een aflaat wordt

verbonden aan de gewoonste huiselijke werkzaamheden: het aanmaken van

den oven, het melken van een koe, het uitboenen van een pot. [486] Bij

een verloting te Bergen-op-Zoom in 1518 waren naast elkaar "costelijcke

prijsen" en aflaten te winnen. [487] Bij de vorstelijke intochten

prijkten op de hoeken der straten afwisselend met de zinrijke

vertooningen, dikwijls van heidensche naaktheid, de kostbare

reliekschrijnen der stad op altaren, bediend door prelaten en den vorst

om eerbiedig te kussen aangeboden. [488]

Die oogenschijnlijke ongescheidenheid van de religieuze en de

wereldlijke sfeer wordt het levendigst uitgedrukt door het overbekende

feit, dat de wereldlijke melodie steeds onveranderd dienen kan voor den

kerkelijken zang en omgekeerd. Guillaume Dufay componeert zijn missen op

thema's van wereldlijke liederen als "Tant je me déduis, Se la face ay

pale, L'omme armé."

Er is een voortdurend wisselverkeer tusschen de godsdienstige en

wereldlijke terminologie. Zonder aanstoot ontleent men de uitdrukking

voor aardsche dingen aan den godsdienst en omgekeerd. Boven den ingang

van de Rekenkamer te Rijssel prijkte een vers, dat aan iedereen

herinnerde, hoe hij eenmaal rekenschap zou hebben af te leggen van zijn

hemelsche gaven, voor God:

"Lors ouvrira, au son de buysine

Sa générale et grant chambre des comptes." [489]

Omgekeerd heette het in den plechtigen oproep tot een tournooi, alsof

het een plechtigheid met aflaat was:

"Oez, oez, l'oneur et la louenge

Et des armes grantdisime pardon." [490]

Het was toeval, dat in het woord "mistère" mysterium en ministerium

waren dooreengeloopen, maar deze homonymie kon niet anders dan de

verzwakking van het mysteriebesef in het dagelijksch spraakgebruik

bevorderen: alles heette mistère, bij voorbeeld de eenhoren, de schilden

en de pop, die bij den Pas d'armes de la fontaine des pleurs gebruikt

waren. [491]

Als directe tegenkant van de godsdienstige symboliek: het duiden van

alle aardsche dingen en aardsche geschiedenis als zinnebeeld en

praefiguratie van het goddelijke, vindt men omgekeerd vorstenhulde

gebracht in godsdienstige metafoor. Zoodra het ontzag voor aardsche

majesteit den middeleeuwer aanvat, dient hem de taal der heilige

aanbidding voor de uitdrukking van zijn gevoel. De vorstendienaars der

vijftiende eeuw staan hier voor geen profanatie. In het pleidooi om den

moord van Lodewijk van Orleans laat de pleiter den geest van den

vermoorden vorst tot zijn zoon spreken: aanschouw mijn wonden, waarvan

er vijf in het bijzonder wreed en doodelijk waren. [492] Hij ziet het

slachtoffer dus als Christus. De bisschop van Chalons schroomt op zijn

beurt niet, Jan zonder Vrees, die door de wraak om Orleans viel, met het

Lam Gods te vergelijken. [493] Molinet vergelijkt keizer Frederik, die

zijn zoon Maximiliaan zendt, om met Maria van Bourgondië te trouwen, met

God Vader, die den Zoon op aarde zendt, en spaart geen vrome taal tot

uitwerking van het geval. Wanneer later Frederik en Maximiliaan met den

jongen Philips den Schoone te Brussel binnenkomen, laat Molinet de

Brusselaars weenend zeggen: "Véez-ci figure de la Trinité, le Père, le

Fils et Sainct Esprit." Of wel hij biedt zijn bloemkrans aan Maria van

Bourgondië als waardig beeld van Onze Lieve Vrouw, "behoudens de

maagdelijkheid." [494]

"Niet dat ik de vorsten wil vergoden", zegt deze aartshoveling. [495]

Misschien is het inderdaad meer holheid en phrase dan werkelijk gevoelde

adulatie, maar het bewijst daarom niet minder de depreciatie van de

heilige voorstellingen door hun dagelijksch gebruik. Trouwens wat zal

men den hofpoëtaster verwijten, als Gerson zelf aan de vorstelijke

hoorders van zijn preeken speciale beschermengelen toekent van een

hooger hiërarchie en ambt dan die van andere menschen? [496]

In de toepassing van godsdienstige termen op het erotische, waarvan hier

boven reeds sprake was, heeft men natuurlijk met heel iets anders te

doen. Hier is een element van werkelijke onvroomheid en spot, dat in het

zooeven behandelde spraakgebruik niet aanwezig was; beide zijn slechts

verwant, in zooverre zij voortspruiten uit de groote gemeenzaamheid met

het heilige. De vertellers der _Cent nouvelles nouvelles_ verlustigen

zich onvermoeid in woordspeling op "saints" en "seins", en het gebruik

van "dévotion, confesser, bénir" in obscenen zin. De schrijver van _Les

Quinze joyes de mariage_ kiest dien titel in navolging der vreugden van

Maria. [497] Van de voorstelling der liefde als een vrome observantie is

hierboven gesproken. Van ernstiger beteekenis nog is het, wanneer de

verdediger van den _Roman de la rose_ met heilige termen noemt "partes

corporis inhonestas et peccata immunda atque turpia." [498] Hier is wel

degelijk iets van die gevaarlijke toenadering van het godsdienstige en

het erotische voelen, die de Kerk in dezen vorm hevig vreesde. Niets

geeft wellicht die toenadering zoo levendig te zien als de Antwerpsche

Madonna, aan Fouquet toegeschreven, voorheen in het koor der Lieve

Vrouwenkerk te Melun als diptiek vereenigd met het luik, dat den

stichter Etienne Chevalier, tresorier des konings, met den heiligen

Stephanus vertoont, thans te Berlijn. Een oude traditie, in de 17e eeuw

door den oudheidkundige Denis Godefroy opgeteekend, wil, dat de Madonna

de trekken van Agnes Sorel weergeeft, de koninklijke maîtresse, voor wie

Chevalier zijn hartstocht niet verborg. Het is inderdaad, bij al de

groote hoedanigheden der schildering, een modepop, die wij voor ons

zien, met het gebombeerde kaalgeschoren voorhoofd, de wijd

uiteenstaande, kogelronde borsten, het hooge dunne middel. De bizarrerie

van de hermetische gelaatsuitdrukking, de stijve roode en blauwe

engelen, alles werkt mee, om aan het schilderij een waas van décadente

goddeloosheid te geven, waarbij de forsche, slichte voorstelling van den

stichter en zijn heilige op het andere luik wonderlijk afsteekt.

Godefroy zag op het blauw fluweel eener breede lijst de naamletter E in

parelen, telkens verbonden door liefdestrikken (lacs d'amour) uit goud-

en zilverdraad. [499] Ligt in het geheel niet een blasphemische

vrijmoedigheid met het heilige, die door geen Renaissance-geest te

overtreffen was?

De oneerbiedigheid van het dagelijksche kerkelijk leven was schier

zonder grenzen. Men beweert, dat bij de missen, op wereldlijke thema's

gecomponeerd, in den dienst zelfs de teksten dier profane liederen:

_baisez-moi, rouges nez_, tusschen den liturgischen tekst door werden

gezongen. [500] David van Bourgondië, de bastaard van Philips den Goede,

houdt zijn intrede als bisschop van Utrecht te midden van een

krijgsgevolg van enkel edelen, waarmee zijn broeder de bastaard van

Bourgondië hem uit Amersfoort is komen afhalen. De nieuwe bisschop zelf

is geheel geharnast, alsof hij een veroverend wereldlijk vorst ware; zoo

rijdt hij naar den dom, en gaat er binnen in een processie met vanen en

kruisen, om voor het hoogaltaar te bidden. [501] Leg naast die

Bourgondische onbeschaamde hoovaardij de gemoedelijke onbeschaamdheid

van Rudolf Agricola's vader, den pastoor van Baflo, die op den dag, dat

hij tot abt van Selwert was gekozen, het bericht kreeg, dat hem uit zijn

bijzit een zoon geboren was, en zeide: "Heden ben ik tweemaal vader

geworden; moge Gods zegen er op rusten." [502]

De tijdgenooten beschouwen de toenemende oneerbiedigheid jegens de kerk

als een achteruitgang der zeden van den jongsten tijd.

"On souloit estre ou temps passé

En l'église benignement

A genoux en humilité

Delez l'autel moult closement,

Tout nu le chief piteusement,

Maiz au jour d'uy, si come beste,

On vient à l'autel bien souvent

Chaperon et chapel en teste." [503]

Op de feestdagen, klaagt Nicolaas van Clemanges, gaan maar weinigen naar

de mis. Zij hooren die niet tot het einde aan, en vergenoegen zich, even

het wijwater aan te raken, door een kniebuiging Onze Lieve Vrouw te

groeten, of een heiligenbeeld te kussen. Hebben zij de hostie zien

heffen, dan beroemen zij er zich op als een groote weldaad aan Christus.

De metten en den vesper viert de priester meestal met zijn helper

alleen. [504]--De heer van het dorp en patronaatsheer der kerk laat den

priester kalm wachten met de mis, tot hij en zijn vrouw zijn opgestaan

en zich gekleed hebben. [505]

De heiligste feesten, de Kerstnacht zelf, worden in ongebondenheid

doorgebracht, met kaartspelen, vloeken en schandelijke taal; vermaant

men het volk, dan beroept het er zich op, dat de groote heeren, de

klerken en prelaten het ongestraft doen. [506] Op de vigiliën der

feestdagen wordt in de kerken zelf met losbandige liederen gedanst;

priesters geven het voorbeeld, om die nachtwaken door te brengen met

dobbelspel en vloeken. [507] De raad van Straatsburg schonk jaarlijks

1100 liter wijn voor hen, die in het Munster den Sint Adolfsnacht

"wakend en in gebed" doorbrachten. [508] Een stedelijk magistraat

beklaagt zich bij Dionysius den Kartuizer, dat de jaarlijksche

processie, in zijn stad met een heilige reliquie verricht, de aanleiding

was tot tal van onbetamelijkheden en drinkgelagen. Hoe daar een einde

aan te maken? De magistraat zelf zou er niet gemakkelijk van te

overtuigen zijn, want de processie bracht de stad voordeel aan; zij

bracht volk in de stad, dat er moest overnachten, eten en drinken. En

het was nu eenmaal zoo gewoonte. Dionysius kende het euvel; hij wist,

hoe tuchteloos men bij processies optrad, pratende, lachende,

onbeschaamd rondkijkende, belust op drinken en ruw vermaak. [509] Het

past wonderwel bij den optocht der Gentenaren naar de kermis van Houthem

met den schrijn van Sint Lieven. Vroeger, zegt Chastellain, plachten de

notabelen het heilig lichaam te dragen "en grande et haute solempnité et

révérence", maar nu is het "une multitude de respaille et de

garçonnaille mauvaise"; zij dragen hem schreeuwend en joelend, zingend

en dansend, onder honderd potsen, en allen zijn dronken. Zij zijn

gewapend bovendien, en veroorloven zich overal waar zij langs komen de

grootste losbandigheid; alles schijnt dien dag aan hen overgeleverd

onder voorwendsel van hun heiligen last. [510]

De kerkgang is een belangrijk element in het gezelschapsleven. Men komt

er pronken in zijn fraaisten dos, men komt er wedijveren in rang en

deftigheid, en in hoofsche vormen en beleefdheid. Vroeger is al vermeld,

[511] hoe het kussen van het "paesbord", "la paix", de vaste aanleiding

was tot den meest stotenden beleefdheidsstrijd. Als er een jonkertje

binnenkomt, staat mevrouw op en kust hem op den mond, terwijl de

priester de hostie wijdt en het volk te bidden ligt. [512] Praten en

rondwandelen onder de mis moeten zeer gewoon zijn geweest. [513] Het

gebruik van de kerk als plaats van samenkomst, waar de jongelieden naar

de meisjes komen kijken, is zoo algemeen, dat enkel de moralisten er

zich over ergeren. De jeugd komt zelden in de kerk, roept Nicolaas van

Clemanges uit, [514] dan om de vrouwen te zien, die er haar hoovaardige

kapsels en haar décolleté komen vertoonen. De eerbare Christine de Pisan

dicht zonder ergernis:

"Se souvent vais ou moustier,

C'est tout pour veoir la belle

Fresche com rose nouvelle." [515]

Het bleef niet bij de kleine liefdediensten, waartoe de dienst den

vrijer gelegenheid gaf: de beminde het wijwater te geven, haar de "paix"

te reiken, een kaarsje voor haar aan te steken en naast haar te knielen,

niet bij wat teekens en lonkjes. [516] In de kerk zelf komen de

lichtekooien haar afspraken zoeken. [517] In de kerken zelf en op

heiligendagen zijn ontuchtige prentjes te koop, die de jeugd bederven;

en geen preeken helpt tegen het kwaad. [518] Meer dan eens wordt de kerk

en het altaar door ontuchtige daden bezoedeld. [519]

Evenzeer als het gewone kerkbezoek was de bedevaart de aanleiding tot

allerlei vermaak en vooral tot verliefde besognes. Zij worden in de

litteratuur dikwijls als gewone pleizierreisjes behandeld. De ridder

de la Tour-Landry, die het ernstig meent met zijn onderricht aan zijn

dochters in goede en deugdzame manieren, spreekt van vermaaklievende

dames, die gaarne naar tournooien en pelgrimages gaan, en vertelt

waarschuwende exempelen van vrouwen, die een bedevaart ondernamen als

voorwendsel tot een samenkomst met den geliefde. "Et pour ce a cy bon

exemple comment l'on ne doit pas aler aux sains voiaiges pour nulle

folie plaisance." [520] Juist zoo beschouwt ze Nicolaas van Clemanges:

men gaat op feestdagen naar verafgelegen kerken van heiligen ter

beevaart, minder om zijn gelofte te lossen dan om des te vrijer af te

dwalen. Het is een bron van velerlei misdrijven; daar bij de heilige

plaatsen zijn steeds de verfoeilijke koppelaarsters aanwezig, om de

meisjes te verlokken. [521] Het is het gewone geval in de _Quinze joyes

de mariage_: de jonge vrouw wil wel eens een verzetje en bepraat haar

man, dat het kind ziek is, omdat zij de bedevaart nog niet heeft

volbracht, waartoe zij in 't kraambed de gelofte deed. [522] De

voorbereiding tot het huwelijk van Karel VI met Isabella van Beieren

wordt ingeleid met een pelgrimage. [523] Geen wonder, dat de ernstige

mannen der moderne devotie in de bedevaarten weinig nut zien. Die vele

bedevaarten doen, worden zelden heilig, zegt Thomas a Kempis, en

Frederik van Heilo wijdt aan de zaak een afzonderlijk tractaat _Contra

peregrinantes_. [524]

In al deze ontwijdingen van het geloof door de onbeschaamde vermenging

met het zondige leven ligt meer naïeve gemeenzaamheid met den godsdienst

dan regelrechte onvroomheid. Enkel een samenleving, die geheel

doortrokken is van het godsdienstige, en die het geloof als iets

vanzelfsprekends aanvaardt, kent al deze excessen en ontaarding. Het

waren dezelfde menschen, die de dagelijksche sleur van een half

verliederlijkte godsdienstpraktijk volgden, en die dan plotseling onder

het vlammende woord van een preekenden bedelmonnik vatbaar waren voor de

uitersten van heilige ontroering.

Zelfs een botte zonde als het vloeken komt enkel op uit een sterk

geloof. Want in zijn oorsprong als bewuste eed is de vloek het teeken

van een tot in de nietigste dingen aanwezig besef van de

tegenwoordigheid van het goddelijke. Alleen het besef van waarlijk den

hemel te tarten geeft aan den vloek zijn zondige bekoring. Eerst waar

elk besef van te zweren en elke vrees voor de vervulling van den vloek

geweken is, verslapt het vloeken tot de eentonige ruwheid van later

tijden. In het laatst der Middeleeuwen heeft het nog dien prikkel van

driestheid en hoogmoed, die het maakt tot een adellijke sport.

"Wat,--zegt de edelman tot den boer--: je geeft je ziel aan den duivel,

en je verloochent God, terwijl je geen edelman bent?" [525] Deschamps

constateert, dat het vloeken reeds afdaalt tot de geringe lieden:

"Si chetif n'y a qui ne die:

Je renie Dieu et sa mère." [526]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 17 / 38 段