De houtsneden, waarmee de Parijsche drukker Guyot Marchant in 1485 de

eerste uitgave van de _Danse macabre_ versierde, waren zoo goed als

zeker, evenals de verzen, ontleend aan den beroemdsten en oudsten aller

Doodendansen, die welke in het jaar 1424 als muurschildering in de

galerij van het kerkhof der Innocents te Parijs was aangebracht. [444]

Zij is in de zeventiende eeuw door afbraak van de galerij verdwenen.

Het is de meest populaire verbeelding van den dood geweest, die de

Middeleeuwen hebben gekend: duizenden hebben dag in dag uit op die

zonderlinge en macabere plaats van samenkomst, die het kerkhof der

Innocents was, de eenvoudige figuren aanschouwd en de bevattelijke

verzen, waarvan elk couplet met een bekend spreekwoord eindigde,

gelezen, zich getroost over de gelijkheid in den dood en gehuiverd voor

het einde. Nergens kon die aapachtige dood zoo op zijn plaats zijn, die

grinnikend, met de passen van een ouden stijven dansmeester, den paus,

den keizer, den edelman, den daglooner, den monnik, het kleine kind, den

zot en al de andere beroepen en standen uitnoodigend meetrekt. Geven de

houtsneden van 1485, die blijkens de kleederdracht geen getrouwe copie

zijn, nog eenigszins den indruk weer van de vermaarde muurschildering?

Misschien zal men daarvoor nog eêr moeten zien naar den Doodendans uit

de kerk van La Chaise-Dieu, [445] waar het spookachtige van de

voorstelling nog verhoogd wordt door den half-voltooiden staat der

schildering.

Het lijk, dat veertig maal terugkeert, om den levende te halen, is

eigenlijk nog niet de Dood, maar de doode. De verzen noemen de figuur

Le mort (bij den doodendans der vrouwen La morte); het is een danse des

morts, niet de la Mort. Het is ook hier niet een geraamte, maar een nog

niet geheel ontvleescht lichaam met den gespleten hollen buik. Eerst

omstreeks 1500 wordt de figuur van den grooten danser een geraamte,

zooals wij het van Holbein kennen. Dan heeft zich de voorstelling van

een vagen dooden dubbelganger gecondenseerd tot die van den Dood als

actieven, persoonlijken levenseindiger. Zoo was hij in de Middeleeuwen

nog niet verbeeld. In den ouderen doodendans is de onvermoeide danser

nog de levende zelf, zooals hij zijn zal in de naaste toekomst, een

angstwekkende verdubbeling van zijn persoon, het beeld, dat hij in den

spiegel ziet; niet, zooals sommigen willen, een vroeger gestorvene van

gelijken stand of waardigheid. Juist dit: gij zijt het zelf, gaf aan den

doodendans zijn huiveringwekkendste kracht.

Ook in het fresco, dat de gewelfde overhuiving sierde van het

grafmonument van koning René en zijn gemalin Isabella in de kathedraal

van Angers, was het feitelijk nog de koning zelf, die was voorgesteld.

Men zag er een skelet (of zal ook dit eêr een lijk zijn geweest?) in een

langen mantel, zittend op een gouden troon, dat met de voeten mijters,

kronen, wereldbol en boeken wegschopt. Het hoofd was op de dorre hand

geleund, die een wankelende kroon zocht te steunen. [446]

De oorspronkelijke doodendans gaf enkel mannen te zien. De bedoeling, om

aan de vermaning over de vergankelijkheid en ijdelheid van het aardsche

tegelijk de les der maatschappelijke gelijkheid te verbinden, bracht uit

den aard der zaak de mannen, als de dragers der maatschappelijke

beroepen en waardigheden, op den voorgrond. De doodendans was niet

alleen een vroom vermaan, maar ook een sociale satire, en er is in de

begeleidende verzen een zwakke ironie. Nu gaf echter dezelfde Guyot

Marchant als vervolg op zijn uitgave een doodendans der vrouwen,

waarvoor Martial d'Auvergne de verzen maakte. De onbekende teekenaar der

houtsneden bleef achter bij het model, dat hem de eerdere uitgave

leverde: hij vond enkel de hideuse figuur van het rif, om welks schedel

nog schaarsche vrouwenharen zwieren. In den doodendans der vrouwen nu

treedt terstond dat sensueele element weer op, dat ook het thema

doortrok van het beklag over schoonheid, die verrotting wordt. Hoe kon

het ook anders? Er waren geen veertig beroepen en waardigheden van

vrouwen te vermelden; met de voornaamste standen, koningin, edelvrouw

enz., enkele geestelijke functies of staten, en een paar bedrijven als

koopvrouw, baker enz. was de voorraad uitgeput. De rest kon slechts

worden aangevuld, door de vrouw te beschouwen in de verschillende staten

van haar vrouwenleven zelf: als maagd, geliefde, bruid, jonggetrouwde,

zwangere. En zoo is het ook hier weer de klacht om verdwenen of nooit

genoten vreugde en schoonheid, die den toon van het memento mori

schriller doet klinken.

Eén beeld ontbrak nog in de verschrikkende verbeelding van het sterven:

dat van het doodsuur zelf. De schrik voor die stonde kon den geest niet

levendiger worden ingeprent dan door te herinneren aan Lazarus: deze had

na zijn herrijzenis, heette het, niet anders gekend dan jammerlijk

afgrijzen voor den dood, dien hij reeds eens geleden had. En als de

rechtvaardige zoo moest vreezen, hoe dan de zondaar? [447] De

voorstelling van den doodsstrijd was de eerste der Vier uitersten,

Quattuor hominum novissima, die het den mensch goed was staâg te

overdenken: dood, jongste gericht, hel en hemel. Als zoodanig reikt zij

in het gebied van de hiernamaalsvoorstellingen. Hier komt voorloopig

alleen de voorstelling van het lichamelijke sterven zelf ter sprake.

Nauw verwant met het thema der Vier uitersten is de Ars moriendi, een

schepping der vijftiende eeuw, die evenals de Doodendans door boekdruk

en houtsnede verder werkte dan eenige vrome gedachte tevoren. Zij

behandelt de verzoekingen, vijf in getal, waarmee de duivel den

stervende belaagt: den twijfel aan het geloof, de wanhoop over zijn

zonden, de gehechtheid aan zijn aardsche goederen, vertwijfeling over

zijn eigen lijden, eindelijk den hoogmoed over eigen deugd. Telkens komt

een engel de lagen van Satan afweren met zijn troost. De beschrijving

van den doodsstrijd zelf was oude stof; men herkent er steeds weer

hetzelfde kerkelijke model in. [448]

Chastellain heeft in een uitvoerig gedicht _Le Pas de la Mort_ [449] al

de hier besproken motieven saamgevat. Hij begint met het aangrijpende

verhaal, dat zelfs in de deftige wijdloopigheid, dezen schrijver eigen,

zijn werking niet mist, hoe zijn stervende geliefde hem bij zich riep en

met gebroken stem zeide:

"Mon amy, regardez ma face.

Voyez que fait dolante mort

Et ne l'oubliez désormais;

C'est celle qu'aimiez si fort;

Et ce corps vostre, vil et ort,

Vous perderez pour un jamais;

Ce sera puant entremais

A la terre et à la vermine:

Dure mort, toute beauté fine."

Daarop maakt de dichter een Spiegel des doods. Eerst werkt hij het thema

Waar zijn nu de grooten der aarde? uit: veel te lang, eenigszins

schoolmeesterachtig, zonder iets van den luchtigen weemoed van Villon.

Dan volgt iets als een eerste opzet van een doodendans, maar zonder

kracht of verbeelding. Tenslotte berijmt hij de Ars moriendi. Hier is

zijn beschrijving van den doodsstrijd:

"Il n'a membre ne facture

Qui ne sente sa pourreture.

Avant que l'esperit soit hors,

Le coeur gui veult crevier au corps

Haulce et souliève la poitrine

Qui se veult joindre à son eschine.

--La face est tainte et apalie,

Et les yeux treilliés en la teste.

La parolle luy est faillie,

Car la langue au palais se lie.

Le poulx tressault et sy halette.

* * * * * * * * * * * *

Les os desjoindent à tous lez;

Il n'a nerf qu'au rompre ne tende." [450]

Villon besluit dat alles in een half couplet, veel aangrijpender. [451]

Toch herkent men het gemeenschappelijk voorbeeld.

"La mort le fait fremir, pallir,

Le nez courber, les vaines tendre,

Le col enfler, la chair mollir,

Joinctes et nerfs croistre et estendre."

En dan weer die sensueele gedachte, die telkens door al deze

voorstellingen van verschrikking heen loopt:

"Corps femenin, qui tant est tendre,

Poly, souef, si precieux,

Te fauldra il ces maulx attendre?

Oy, ou tout vif aller es cieulx."

--Nergens was alles wat den dood voor oogen riep, zoo treffend bijeen

als op het kerkhof der Innocents te Parijs. Daar genoot de geest de

huivering van het macabere in haar volste maat. Alles werkte mee, om aan

deze plek de sombere heiligheid en bonte griezeligheid te geven, die de

late Middeleeuwen zoo hevig begeerden. Reeds de heiligen, aan wie de

kerk en het kerkhof gewijd waren, de Onnoozele kinderen, die in de

plaats van Christus geslacht waren, brachten door hun martelie die

wreede roering en bloedige verteedering aan, waarin de tijd zwelgde.

Juist in deze eeuw kwam hun vereering sterk op den voorgrond. Men bezat

meer dan één reliek van de knaapjes van Bethlehem: Lodewijk XI schonk

aan de hun gewijde kerk te Parijs "un Innocent entier", besloten in een

grooten kristallen schrijn. [452] Het kerkhof was de plaats, waar men

liever rustte dan ergens anders. Een bisschop van Parijs liet een weinig

aarde van het kerkhof der Innocents in zijn graf leggen, daar hij er

niet begraven kon worden. [453] Arm en rijk lag er dooreen, en niet voor

lang, want zoo druk was het gebruik der begraafplaats, waarop twintig

parochiën het recht van begraven hadden, dat na verloop van eenigen tijd

de beenderen werden opgegraven en de steenen verkocht. Het heette, dat

een lichaam er in negen dagen tot op de beenderen verging. [454]

Schedels en beenderen werden dan opgestapeld in de knekelzolders boven

de zuilengang, die het kerkhof aan drie zijden omringde: bij duizenden

lagen zij daar open en bloot voor het gezicht, en preekten de les van

gelijkheid. Onder de arcaden was in de schildering en de verzen van den

Doodendans diezelfde les te zien en te lezen. Voor het maken van de

"beaux charniers" had onder anderen de edele Boucicaut geld gegeven.

[455] Aan het portaal der kerk had de hertog van Berry, die daar rusten

wilde, de voorstelling van de drie dooden en de drie levenden laten

beeldhouwen. Later, in de zestiende eeuw, verrees op het kerkhof nog de

groote Dood, die in het Louvre eenzaam de eenige rest uitmaakt van al

wat daar bijeen was.

Deze plek nu was voor de Parijzenaars der vijftiende eeuw als een luguber

Palais royal van 1789. Te midden van het voortdurende begraven en weer

opgraven was het er een wandelplaats en een vereenigingspunt. Men vond

er winkeltjes bij de knekelhuizen en lichte vrouwen onder de arcaden.

Een ingemetselde kluizenares aan de zijde der kerk verhoogde de

bezienswaardigheid. Soms kwam een bedelmonnik preeken op de plaats, die

zelf een preek in middeleeuwschen stijl was. Soms verzamelde er zich een

processie van kinderen: 12500, zegt de burger van Parijs, allen met

kaarsen, die een Innocent naar de Notre Dame en weer terug droegen.

Zelfs feesten werden er gegeven. [456] Zoo was het huiveringwekkende

weer alledaagsch geworden.

In de zucht tot directe verbeelding van den dood, waarbij al het

onverbeeldbare moest worden prijsgegeven, werden alleen de grovere

aspecten van den dood in het bewustzijn gedrongen. In de macabere visie

van den dood ontbreekt zoo goed als al het teere, al het elegische. En

in den grond is het een zeer deeszijdig, zelfzuchtig gezicht op den

dood. Het is niet de rouw om het gemis van geliefden, maar de spijt om

den eigen komenden dood, enkel gezien als onheil en verschrikking. Daar

is geen gedachte in aan den dood als trooster, aan het einde van lijden,

aan de begeerde rust, de vervulde of de afgebroken taak, geen teedere

herinnering, geen berusting. Niets van de "divine depth of sorrow".

Slechts een enkele maal klinkt er een weeker accent. In den doodendans

spreekt de doode den daglooner aan:

"Laboureur qui en soing et painne

Avez vescu tout vostre temps,

Morir fault, c'est chose certainne,

Reculler n'y vault ne contens (tegenstribbeling).

De mort devez estre contens

Car de grant soussy vous delivre...."

Maar de daglooner beklaagt toch het leven, waarvan hij dikwijls het eind

heeft gewenscht.

Martial d'Auvergne laat in zijn doodendans der vrouwen het kleine meisje

tot haar moeder roepen: bewaar toch goed mijn pop, mijn bikkels en mijn

mooie jurk. De aandoenlijke accenten van het kinderleven zijn in de

litteratuur der late Middeleeuwen uitermate zeldzaam; er was geen plaats

voor in de gewichtige stijfheid van den grooten stijl. Noch de kerkelijke

noch de wereldlijke litteratuur kennen eigenlijk het kind. Wanneer

Antoine de la Salle in _Le Reconfort_ [457] een edelvrouw wil troosten

over het verlies van haar zoontje, weet hij niet anders te geven dan het

verhaal van een knaap, die nog wreeder zijn jonge leven verloor, als

gijzelaar omgebracht. Als overwinning der smart kan hij haar niet anders

bieden dan de leer, om aan niets wat aardsch is te hechten. Maar dan

laat hij volgen, wat wij kennen als het volkssprookje van het doodshemdje:

het gestorven kindje, dat zijn moeder komt vragen om niet langer te

schreien, opdat zijn doodshemdje kan drogen. En het is opeens een veel

inniger geluid dan het in duizend tonen gezongen memento mori. Zouden niet

volksverhaal en volkslied in die eeuwen allerlei sentimenten hebben

bewaard, die de litteratuur nauwelijks kent?

De kerkelijke gedachte der late Middeleeuwen kent alleen de twee uitersten:

de klacht om de vergankelijkheid, om het einde van macht, eer en genot,

om het vergaan van schoonheid, en den jubel om de geredde ziel in haar

zaligheid. Alles wat daartusschen ligt, blijft onuitgesproken. In de

doorgevoerde verbeelding van den doodendans en het ijselijke rif versteent

de levende aandoening.

NOTEN:

[421] Directorium vitae nobilium, Dionysii Opera, t. XXXVII, p. 550;

t. XXXVIII p. 358.

[422] Bernardi Morlanensis De contemptu mundi, ed. Th. Wright, The

Anglo-latin satirical poets and epigrammatists of the twelfth century

(Rerum Britannicarum medii aevi scriptores), London, 1872, 2 vol., II p.

37.

[423] Vroeger toegeschreven aan Bernard van Clairvaux, door sommigen voor

het werk van Walter Mapes gehouden; vgl. H.L. Daniel, Thesaurus

hymnologicus, Lipsiae 1841-1856, IV p. 288.

[424] Deschamps, III no. 330, 345, 368, 399.--Gerson, Sermo III de

defunctis, Opera, III p. 1568; Dion. Cart. De quatuor hominum

novissimis, Opera, t. XLI p. 511; Chastellain, VI p. 52.

[425] Villon, ed. Longnon, p. 33.

[426] Ib. p. 34.

[427] Emile Mâle, l'Art religieux à la fin du moyen âge, Paris, 1908,

p. 376.

[428] Zie mijn De Vidûshaka in het Indisch tooneel, Groningen, 1897,

p. 77.

[429] Odo van Cluny, Collationum lib. III, Migne t. CXXXIII, p. 556.

[430] Innocentius III, de contemptu mundi sive de miseria conditionis

humanae libri tres, Migne t. CCXVII p. 702. Het tractaat is overigens

uit den tijd vóór zijn pausschap.

[431] Ib. p. 713.

[432] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes I p. cl. Na den 5en den

8en regel schijnt een vers te ontbreken; waarschijnlijk rijmde op

"menu vair" "mangé des vers" of iets dergelijks.

[433] Olivier de la Marche, Le Parement et triumphe des dames, Paris,

Michel le Noir, 1520, aan het slot.

[434] Ib.

[435] Uitgevallen.

[436] Villon, Testament, vs. 453 ss., ed. Longnon, p. 39.

[437] H. Kern, Het lied van Ambapâlî uit de Therîgâthâ, Versl. en Meded.

der Kon. Akad. v. wetenschappen (6) III p. 153, 1917.

[438] Molinet, Faictz et dictz, fo. 4, fo. 42v.

[439] Proces over de zaligverklaring van Pieter van Luxemburg, 1390,

Acta sanctorum Julii, I p. 562.

[440] Les Grandes chroniques de France, ed. Paulin Paris, Paris

1836-'38, 6 vol., VI p. 334.

[441] Juvenal des Ursins, p. 567; Journal d'un bourgeois, p. 237, 307,

671; Lefèvre de S. Remy, I p. 260.

[442] Zie over dit alles Emile Male, l'Art religieux à la fin du

moyen-age, II, 2 La Mort.

[443] Laborde, II. I, 393.

[444] Journal d'un bourgeois, p. 203.

[445] Eenige reproducties bij Mâle t.a.p. en in Gazette des beaux arts

1918, avril-juin p. 167.

[446] Oeuvres du roi René, I p. clii.

[447] Chastellain, Le pas de la mort, VI p. 59.

[448] Vgl. Innocentius III, de contemptu mundi, II c. 42; Dion. Cart. de

IV hominum novissimis, t. XLI p. 496.

[449] Oeuvres, VI p. 49.

[450] T.a. p. 60.

[451] Villon, Testament, XLI, vs.321-328, ed. Longnon, p. 33.

[452] Champion, Villon, 1 p. 303.

[453] Mâle l.c. p. 389.

[454] Leroux de Lincy, Livre des légendes, p. 95.

[455] Le livre des faits etc., II p. 184.

[456] Journal d'un bourgeois, I p. 233/4, 392, 276. Zie verder Champion,

Villon, I p. 306.

[457] A. de la Salle, Le Reconfort de Madame du Fresne, ed. J. Nève,

Paris. 1903.

* * * * *

VI

DE TEUGELLOOZE VERBEELDING VAN HET HEILIGE

De doodsvoorstelling kan gelden als voorbeeld van het laat-middeleeuwsche

denkleven in het algemeen: het is als een uitvloeien, een verzanden van

de gedachte in het beeld. De gansche inhoud van het gedachtenleven wil

uitgedrukt worden in verbeeldingen; al het goud wordt aangemunt in

kleine, dunne schijven. Door die teugellooze behoefte aan verbeelding

was het heilige voortdurend blootgesteld aan veruiterlijking en

verstarring.

Het geheele proces van de ontwikkeling der volksvroomheid in de latere

Middeleeuwen kan niet bondiger worden uitgedrukt dan in de volgende

woorden van Jakob Burckhardt uit zijn _Weltgeschichtliche Betrachtungen_.

"Eine mächtige Religion entfaltet sich in alle Dinge des Lebens hinein

und färbt auf jede Regung des Geistes, auf jedes Element der Kultur ab.

Freilich reagieren dann diese Dinge mit der Zeit wieder auf die

Religion; ja deren eigentlicher Kern kann erstickt werden von den

Vorstellungs- und Bilderkreisen, die sie einst in ihren Bereich gezogen

hat. Das 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' had seine schicksalsvolle

Seite." En verderop: "Nun ist aber keine Religion jemals ganz unabhängig

von der Kultur der betreffenden Völker und Zeiten gewesen. Gerade, wenn

sie sehr souverän mit Hilfe buchstäblich gefasster heiliger Urkunden

herrscht und scheinbar Alles sich nach ihr richtet, wenn sie sich 'mit

dem ganzen Leben verflicht', wird dieses Leben am unfehlbarsten auch auf

sie einwirken, sich auch mit ihr verflechten. Sie hat dann später an

solchen innigen Verflechtungen mit der Kultur keinen Nutzen mehr,

sondern lauter Gefahren; aber gleichwohl wird eine Religion immer so

handeln, so lange sie wirklich lebenskräftig ist." [458]

Het leven der middeleeuwsche christenheid is in al zijn betrekkingen

doortrokken, geheel verzadigd met godsdienstige voorstellingen. Daar is

geen ding en geen handeling, waarin niet voortdurend de betrekking tot

Christus en het geloof wordt gelegd. Maar in die oververzadigde

atmosfeer is de religieuze spanning, de daadwerkelijke transcendentie,

het uittreden uit het hier-en-dit niet steeds aanwezig. Blijft die

spanning uit, dan verdooft alles tot schrikwekkende alledaagsche

onheiligheid, een verbazende deeszijdigheid in geenzijdige vormen. Zelfs

bij een subliemen heilige als Heinrich Suso, bij wien de religieuze

spanning misschien geen oogenblik te kort schoot, blijft toch de val

naar het ridicule niet uit. Subliem, wanneer hij, gelijk de ridder

Boucicaut het om der wille van een aardsche geliefde deed, allen vrouwen

eer bewijst om Maria, en voor een arme terzijde in het slijk treedt. Hij

volgt de gebruiken der aardsche min, en viert den jaarsdag en den Meidag

zijn liefde voor de Wijsheid, zijn bruid, met een krans en een liedje.

Hoort hij een minneliedje, dan past hij het terstond toe op zijne

Wijsheid. Maar wat van het volgende? Aan tafel placht Suso, als hij een

appel at, dien in vieren te snijden: drie partjes at hij in naam der

Drieëenheid en het vierde at hij "in der minne, als diu himelsch muter

irem zarten kindlein Jesus ein epfelli gab ze essen", en daarom at hij

dat vierde partje met de schil, want kleine jongens eten appels

ongeschild. En eenige dagen na Kerstmis,--dus als het Jezuskind nog te

klein was om appels te eten, zal de bedoeling zijn,--at hij dat vierde

partje niet, maar offerde het aan Maria, om het aan haar zoon te geven.

Zijn dronk nam hij in vijf teugen, om de vijf wonden des Heeren, maar

omdat uit Christus' zijde bloed en water vloeide, nam hij den vijfden

teug dubbel. [459]--Ziedaar het 'Heiligen aller Lebensbeziehungen' in

zijn uiterste doorvoering.

Afgezien voorloopig van den graad van innigheid, en enkel beschouwd als

godsdienstige vormen, is er in de vroomheid der late Middeleeuwen zeer

veel, wat zich voordoet als woekeringen van het godsdienstig leven, mits

men dat begrip niet opvat van een protestantsch-dogmatisch standpunt. Er

was, afgezien van de qualitatieve veranderingen, die zij meebrachten, in

de Kerk een quantitatieve vermeerdering van gebruiken en begrippen

ontstaan, die de ernstige godgeleerden met schrik vervulde. Het is niet

zoozeer tegen de onvroomheid of bijgeloovigheid van al het nieuwe, dat

zich opdrong, als tegen de overlading van het geloof op zich zelf, dat

de reformgeest der vijftiende eeuw zich keert. De teekens der altijd

bereide goddelijke genade waren altijd meer geworden; naast de

sacramenten bloeiden aan alle zijden de benedicties; van de relieken

kwam men tot de amuletten, de kracht van het gebed werd geformaliseerd

in de rozenkransen, de bonte galerij der heiligen kreeg altijd meer

kleur en leven. En al ijverde de theologie voor een goede onderscheiding

van sacramenten en sacramentaliën, welk middel was er, om het volk te

weerhouden, op al dat magische en bonte hun hoop en geloof te vestigen?

Gerson had te Auxerre iemand ontmoet, die beweerde, dat het Dwazenfeest,

waarmee in kerken en kloosters de wintermaand gevierd werd, even

geheiligd was als dat van Mariae ontvangenis. [460] Nicolas de Clemanges

schreef een tractaat tegen het instellen en vieren van nieuwe feesten;

er waren er van die nieuwe, verklaarde hij, waarbij ongeveer de geheele

liturgie van apocryphen aard was, en met instemming gewaagt hij van den

bisschop van Auxerre, die de meeste feestdagen had afgeschaft. [461]

Pierre d'Ailly richt zich in zijn geschrift _De reformatione_ [462]

tegen de voortdurende vermeerdering van kerken, feesten, heiligen,

rustdagen, tegen den overvloed van beelden en schilderijen, de al te

groote uitvoerigheid van den dienst, het opnemen van apocryphe

geschriften in de liturgie der feesten, tegen de invoering van nieuwe

hymnen en gebeden of andere willekeurige nieuwigheden, tegen de al te

strenge vermeerdering van vigiliën, gebeden, vasten, onthoudingen. Er

was een neiging, om aan elk punt uit de vereering van de Moeder Gods een

specialen dienst te verbinden. Er waren bijzondere missen, later door de

Kerk afgeschaft, van Maria's vroomheid, van haar zeven smarten, van alle

Mariafeesten te zamen, van haar zusteren Maria Jacobi en Maria Salome,

van den engel Gabriel, van al de heiligen, die den geslachtsboom des

Heeren uitmaakten. [463] Verder zijn er te veel kloosterorden, zegt

d'Ailly, en dit leidt tot verscheidenheid van gebruiken, tot afzondering

en hoogmoed, tot ijdele verheffing van den éénen geestelijken staat

boven den anderen. Vooral de bedelorden wil hij beperken. Hun toestand

is schadelijk voor de leprozenhuizen en hospitalen en voor de andere

echte armen en ellendige behoeftigen, wien het recht en de ware titel

des bedelens toekomt. [464] Hij wil de preekende questierders van den

aflaat uit de kerk verbannen, die haar bezoedelen met hun leugens en

haar belachelijk maken. [465] Waar moet het heen met de voortdurende

stichting van nieuwe vrouwenconventen zonder voldoende middelen?

Men ziet, het is meer tegen het quantitatieve euvel, dat Pierre d'Ailly

te velde trekt, dan tegen het qualitatieve. Hij trekt, met uitzondering

van zijn schimp tegen den aflaatpreek, niet uitdrukkelijk de vroomheid

en heiligheid van al die praktijken in twijfel; hem bezwaart hun

ongebreideld aangroeien als zoodanig; hij ziet de Kerk verstikken onder

dien last van bijzonderheden. Toen Alanus de Rupe zijn nieuwe broederschap

van den rozenkrans propageert, richt zich het verzet ook meer tegen de

nieuwigheid op zich zelf dan tegen den inhoud ervan. Vertrouwend op de

werking van zulk een grootsche gebedsgemeenschap, als Alanus zich

voorstelde, zou het volk de voorgeschreven penitenties, de geestelijkheid

de canonieke getijden verwaarloozen. De parochiekerken zouden leegloopen,

als de broederschap enkel in de kerken der Franciscanen en Dominicanen

vergaderde. Uit de bijeenkomsten konden licht partijzucht en samenzweringen

voortkomen. En ten slotte verwijt men hem ook: het zijn droombeelden,

phantasieën en oudewijvenpraatjes, die de broederschap voor groote en

wonderlijke openbaringen verkoopt. [466]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 16 / 38 段