Doch hoe zwak klinkt het geluid van een enkele vrouw tegen dat koor van

hoon, waarin de platte bandeloosheid instemt met de zedepreek. Want er

is maar een geringe afstand tusschen de homiletische vrouwenverachting

en de ruwe ontkenning der ideale liefde door de prozaïsche zinnelijkheid,

door de wijsheid van de bittertafel.

Het schoone spel van de liefde als levensvorm bleef gespeeld in den

ridderlijken trant, in den herderlijken en in den kunstigen opzet van de

rozen-allegorie, en al klonk van alle kanten de verloochening van al die

conventie, toch behielden die vormen hun levens- en cultuurwaarde tot

lang na de Middeleeuwen. Want de vormen, waarin het ideaal der liefde

zich nu eenmaal hullen moet, zijn maar enkele voor alle tijden.

NOTEN:

[358] Aldus wil de nieuwste uitgever van den Roman de la rose,

E. Langlois, den naam herstellen.

[359] Chastellain, IV p. 165.

[360] Basin, II p. 224.

[361] La Marche, II p. 350(2).

[362] Froissart, IX p. 223-236; Deschamps, VII no. 1282.

[363] Cent nouvelles nouvelles, ed. Wright, II p. 15, vgl. I p. 277, II

p. 20, 168 etc. en Quinze joyes de mariage, passim.

[364] Petit de Julleville, Jean Regnier, bailli d'Auxerre, Revue d'hist.

litt. de la France, 1895 p. 157, bij Doutrepont, p. 383; vgl. Deschamps,

VIII p. 43.

[365] H.F. Wirth, Der Untergang des niederländischen Volksliedes, Haag,

1911.

[366] Deschamps, VI p. 112, no. 1169, La leçon de musique.

[367] Charles d'Orléans, Poésies complètes, Paris 1874, 2 vol., I p. 12.

42.

[368] ib. p. 88.

[369] Deschamps, VI p. 82, no 1151; zie b.v. V p. 132, no. 926, IX p.

94, c. 31, VI p. 138, no. 1184, XI 18, no. 1438, en XI p. 269, 286(1).

[370] Christine de Pisan, l'Epistre au dieu d'amours, Oeuvres poétiques,

ed. M. Roy, II p. 1.

[371] Martène et Durand, Amplissima Collectio, II col. 1421.

[372] Joh. de Monasteriolo, Epistolae, Martène et Durand, Ampl. coll.,

II p. 1409, 1421, 1422.

[373] Piaget, Etudes romanes dédiées à Gaston Paris, p. 119.

[374] Gerson, Opera, III p. 297; id. Considérations sur St. Joseph, III

p. 866; Sermo contra luxuriem, III p. 923, 925, 930, 968.

[375] Volgens Gerson. De brief van Pierre Col, bewaard in een hs. der

Bibl. nationale, mss. français 1563 f. 183, was mij niet toegankelijk.

[376] Bibl. de l'école des chartes LX 1899. p. 569.

[377] E. Langlois, Le Roman de la rose (Société des anciens textes

français) 1914, t. I Introduction, p. 36.

[378] A. Piaget, La cour amoureuse dite de Charles VI, Romania, XX p.

417, XXXI p. 599, Doutrepont, p. 367.

[379] Leroux de Lincy, Tentative de rapt etc. en 1405, Bibl. de l'école

des chartes, 2e serie, III 1846, p. 316.

[380] Piaget, Romania. XX p. 447.

[381] Rabelais, Gargantua, 1. I. ch. 9.

[382] Guillaume de Machaut, Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris. (Société

des bibliophiles françois 1875), p. 82, 213, 214, 240, 299, 309, 313,

347, 351.

[383] Juvenal des Ursins, p. 496.

[384] Rabelais, Gargantua, 1. I ch. 9.

[385] Coquillart, Droits nouveaux, I p. 111.

[386] Christine de Pisan, I p. 187ss.

[387] E. Hoepffner, Frage- und Antwortspiele in der franz. Literatur des

14. Jahrh., Zeitschr. f. roman. Philologie, XXXIII 1909, p. 695, 703.

[388] Christine de Pisan, Le dit de la rose vs. 75, Oeuvres poétiques,

II p. 31.

[389] Machaut, Remede de fortune vs. 3879ss., Oeuvres, ed. E. Hoepffner

(Soc. des anc. textes français) 1908/11, 2 vol., II p. 142.

[390] Christine de Pisan, Le livre des trois jugements, Oeuvres

poétiques II p. 111.

[391] Le livre du Voir-Dit, ed. P. Paris, Société des bibliophiles

françois, 1875. De hypothese, dat er geen reëele liefdesgeschiedenis aan

het werk van Machaut ten grondslag zou liggen (aldus Hanf, Zeitschr. f.

Rom. Phil. XXII p. 145), mist elken grond.

[392] Een kasteel bij Château Thierry.

[393] Voir-Dit, lettre II p. 20.

[394] Voir-Dit, lettre XXVII p. 203.

[395] Voir-Dit, p. 20, 96, 146, 154, 162.

[396] Voir-Dit, p. 371.

[397] De kus met een blad ter isoleering komt meer voor: vgl. Le grand

garde derrière, str. 6, W.G.C. Bijvanck, Un poète inconnu de la société

de François Villon, Paris, Champion, 1891, p. 27.

[398] Voir-Dit, p. 143, 144.

[399] Voir-Dit, p. 110.

[400] Zie hierboven p. 66. (zie par. die begint met: "Wanneer eindelijk

de aanzienlijkste is voorgegaan ..., M.D.)

[401] Voir-Dit, p. 98, 70.

[402] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon

(Bibl. elzevirienne) 1854.

[403] p. 245 (zie Hoofdstuk IV, noot 464)

[404] p. 28 (tekst volgend op noot 44, hoofdstuk I.)

[405] p.45 (zie Hoofdstuk II noot 71)

[406] De zin is geheel onlogisch (pensée ... fait penser ... à pensiers)

en loopt niet rond; vat op: nergens zoo dikwijls, als in de kerk.

[407] p. 249, p. 252 (zie hoofdstuk IV, noot 481)

[408] Recollection des merveilles, bij Chastellain VII p. 200; vergelijk

de beschrijving der Joutes de Saint Ingelevert in een gedicht, vermeld

bij Froissart ed. Kervyn, XIV p. 406.

[409] Le Pastoralet, ed. Kervyn de Lettenhove, (Chron. rel. à l'hist. de

Belg. sous la dom. des ducs de Bourg.) II p. 573.

[410] Meschinot, Les Lunettes des princes, bij La Borderie l.c., p. 606.

[411] La Marche, III p. 135, 137.

[412] Molinet, IV p. 389.

[413] Molinet, I p. 190, 194; III p. 138; vgl. Juvenal des Ursins, p.

382.

[414] Deschamps, II p. 213. Lay de franchise; vgl. Chr. de Pisan, Le dit

de la Pastoure, Le Pastoralet, roi René, Regnault et Jehanneton, Martial

d'Auvergne, Vigilles du roi Charles VII, etc., etc.

[415] Deschamps, no. 923, vgl. XI p. 322.

[416] Villon, ed. Longnon, p. 83.

[417] Gerson, Opera, III p. 302.

[418] L'epistre au dieu d'amours, II p. 14.

[419] Quinze joyes de mariage, p. 222.

[420] Oeuvres poétiques, I p. 237, no. 26.

* * * * *

V

HET BEELD VAN DEN DOOD

Geen tijd heeft de doodsgedachte met zooveel nadruk voortdurend aan

allen opgedrongen als de vijftiende eeuw. Zonder ophouden klinkt door

het leven de roep van het memento mori. In zijn Levensrichtsnoer voor

den edelman vermaant Dionysius de Kartuizer: "En wanneer hij zich te bed

legt, bedenke hij, dat, gelijk hij nu zichzelven neerlegt in het bed,

spoedig zoo zijn lichaam door anderen in het graf zal worden gelegd."

[421] Het geloof had ook vroeger de bestendige gedachte aan den dood met

ernst ingeprent, doch de vrome tractaten der eerdere Middeleeuwen

bereikten enkel de toch reeds van de wereld gescheidenen. Eerst sedert

door de opkomst der bedelorden de volksprediking groot was geworden,

zwol die vermaning aan tot een dreigend koor, dat met fugatische

hevigheid door de wereld klonk. Tegen het laatst der Middeleeuwen voegde

zich bij het woord van den prediker de afbeelding voor allen, de

houtsnee in het bijzonder. Deze beide massale uitdrukkingsmiddelen, de

preek en de afbeelding, konden de doodsgedachte slechts weergeven in een

zeer eenvoudige, directe en levendige voorstelling, scherp en fel. Alles

wat de kloosterling van vroeger tijden over den dood gemediteerd had,

verdichtte zich nu tot een uiterst primitief, populair en lapidair

doodsbeeld, en in die gedaante wordt in woord en figuur de gedachte aan

de menigte voorgehouden. Dat doodsbeeld heeft uit het groote

gedachtencomplex, dat zich om het sterven weeft, eigenlijk slechts één

element kunnen opnemen: het besef der vergankelijkheid. Het is, alsof de

laat-middeleeuwsche geest den dood onder geen ander aspect heeft weten

te zien dan enkel dat der vergankelijkheid.

Drie thema's waren het, die de melodie leverden voor die nooit volzongen

klacht over het einde van alle aardsche heerlijkheid. Daar was vooreerst

het motief: waar zijn allen gebleven, die vroeger de wereld vulden met

hun heerlijkheid? Dan was er het motief van de huiverende aanschouwing

der verrotting van al wat eenmaal menschelijke schoonheid was. Tenslotte

het motief van den doodendans, de dood de menschen met zich sleurende

uit elk bedrijf, uit elken leeftijd.

Vergeleken bij de twee laatste motieven met hun beklemmend afgrijzen was

het eerste der drie slechts een lichte, elegische verzuchting. Men vindt

het reeds aangeheven in de zware leoninische verzen van den Cluniacenser

monnik Bernard van Morlay omstreeks 1140:

"Est ubi gloria nunc Babylonia? nunc ubi dirus

Nabugodonosor, et Darii vigor, illeque Cyrus?

Qualiter orbita viribus inscita (?) praeterierunt,

Fama relinquitur, illaque figitur, hi putruerunt.

Nunc ubi curia, pompaque Julia? Caesar abisti!

Te truculentior, orbe potentior ipse fuisti.

Nunc ubi Marius atque Fabricius inscius auri?

Mors ubi nobilis et memorabilis actio Pauli?

Diva philippica vox ubi coelica nunc Ciceronis?

Pax ubi civibus atque rebellibus ira Catonis?

Nunc ubi Regulus? aut ubi Romulus, aut ubi Remus?

Stat rosa pristina nomine, nomina nuda tenemus." [422]

Het klinkt opnieuw, minder schoolsch, in verzen, die ondanks hun

korteren bouw toch nog den dreun van den leoninischen hexameter behouden

hebben: in de Franciscaansche poëzie der dertiende eeuw. Jacopone van

Todi, de joculator Domini, is naar alle waarschijnlijkheid de dichter

geweest van de strofen, die onder den titel _Cur mundus militat sub vana

gloria_ de regels bevatten:

"Dic ubi Salomon, olim tam nobilis

Vel Sampson ubi est, dux invincibilis,

Et pulcher Absalon, vultu mirabilis,

Aut dulcis Jonathas, multum amabilis?

Quo Cesar abiit, celsus imperio?

Quo Dives splendidus totus in prandio?

Die ubi Tullius, clarus eloquio,

Vel Aristoteles, summus ingenio"? [423]

Deschamps heeft hetzelfde thema verscheiden malen berijmd; Gerson brengt

het te pas in een preek, Dionysius de Kartuizer in het tractaat over de

Vier uitersten. Chastellain spint het uit in een lang gedicht _Le Pas de

la mort,_ om van anderen te zwijgen. [426] Villon weet er een nieuw

accent in te leggen: dat van zachten weemoed, in de _Ballade des dames

du temps jadis_ met het refrein:

"Mais où sont les neiges d'antan"? [425]

En vervolgens sprenkelt hij het met ironie in de ballade der heeren,

waar tusschen de koningen, pausen, vorsten van zijn tijd hem invalt:

"Helas! et le bon roy d'Espaigne

Duquel je ne sçay pas le nom"? [426]

Dat zou de brave hoveling Olivier de la Marche zich niet veroorloofd

hebben, waar hij in zijn _Parement et triumphe des dames_ al de

gestorven vorstinnen van zijn tijd op het bekende thema beklaagt.

Wat is er over van al die menschelijke schoonheid en heerlijkheid?

Herinnering, een naam. Maar de weemoed van die gedachte is niet genoeg,

om de behoefte aan felle huivering voor den dood te bevredigen. Dus

houdt de tijd zich den spiegel voor van een zichtbaarder verschrikking,

de vergankelijkheid op korten termijn: de verrotting van het lijk.

De geest van den wereldverzakenden Middeleeuwer had altijd reeds gaarne

verwijld bij stof en wormen: in de kerkelijke tractaten over de

verachting der wereld waren al de verschrikkingen der ontbinding reeds

opgeroepen. Maar de uitwerking van de détails dier voorstelling komt

later. Eerst tegen het einde der veertiende eeuw maakt de beeldende

kunst zich van dit motief meester; [427] er was een zekere graad van

realistische uitdrukking noodig, om het in sculptuur of schilderij

treffend te verwerken, en dat vermogen was omstreeks 1400 bereikt.

Tegelijk verbreidt zich het motief van de kerkelijke litteratuur naar

die van het volk. Tot diep in de zestiende eeuw ziet men aan de

grafteekens de afschuwelijk gevarieerde voorstellingen van het naakte

lijk, rottend of verschrompeld, met de krampachtige handen en voeten en

den gapenden mond, met de kronkelende wormen in het ingewand. Bij die

vreeselijkheid wil de gedachte altijd weer stilstaan. Is het niet vreemd,

dat zij zich nooit één schrede verder waagt, om te zien, hoe ook die

rottenis zelve weer vergaat, en aarde en bloemen wordt?

Is het een werkelijk vrome gedachte, die zich zoo verstrikt in den

afkeer van de aardsche zijde des doods? Of is het de reactie van een

allerfelste zinnelijkheid, die slechts zóo uit haar bedwelming van

levensdrift ontwaken kan? Is het de levensbangheid, die den tijd zoo

sterk doortrekt, de stemming van teleurgesteldheid en ontmoediging, die

neigen wil naar de ware overgave van wie volstreden en gewonnen heeft,

maar die toch nog zoo dicht staat bij al wat aardsche hartstocht is? Al

die gevoelsmomenten zijn in deze uiting van de doodsgedachte ongescheiden

vereenigd.

Levensbangheid: het verloochenen van de schoonheid en het geluk, omdat

er rampen en smart mee verbonden zijn. Er is een buitengewone gelijkenis

tusschen de Oud-indische, met name de boeddhistische, en de

christelijk-middeleeuwsche uitdrukking van dat sentiment. Ook daar

altijd weer die afschuw van ouderdom, ziekte en dood, ook daar de dik

opgelegde kleuren der verrotting. De naïeve Indische aesthetici hadden

er zelfs een eigen poëtisch genre, _bîbhatsa-rasa_ of de stemming van

het walgelijke, van gemaakt, onderscheiden in drie onderafdeelingen, al

naar de afschuw wordt gewekt door het afzichtelijke, het gruwelijke of

het wellustige, gelijk vrouwenborsten den asceet doen walgen, [428] De

monnik meende het zoo goed te hebben gezegd, als hij de oppervlakkigheid

van het lichamelijk schoon aanwees. "Corporea pulchritudo in pelle

solummodo constat. Nam si viderent homines hoc quod subtus pellem est,

sicut lynces in Boeotia cernere interiora dicuntur, mulieres videre

nausearent. Iste decor in flegmate et sanguine et humore ac felle

consistit. Si quis enim considerat quae intra nares, et quae intra

fauces et quae intra ventrem lateant, sordes utique reperiet. Et si nec

extremis digitis flegma vel stercus tangere patimur, quomodo ipsum

stercoris saccum amplecti desideramus?" [429]

Het moedelooze refrein van de verachting der wereld was voor de latere

Middeleeuwen vastgelegd in het tractaat van dien naam van Innocentius

III. Wonderlijk, die machtigste en voorspoedigste staatsman op den stoel

van Petrus, in zooveel aardsche zaken en belangen gemengd en opgaand, en

die in deze levensverguizing als 't ware meent zijn hoogheid te boeten.

"Concipit mulier cum immunditia et fetore, parit cum tristitia et

dolore, nutrit cum angustia et labore, custodit cum instantia et

timore." [430] O al de lachende vreugden van het moederschap!--"Quis

unquam vel unicam diem totam duxit in sua delectatione jucundam ... quem

denique visus vel auditus vel aliquis ictus non offenderit?" [431] Was

het christelijke wijsheid of het pruilen van een bedorven kind?

Er is zonder twijfel in dat alles een geest van ontzaglijk materialisme,

die de gedachte aan het einde van schoonheid niet kon verdragen zonder

aan die schoonheid zelf te vertwijfelen. En let wel, hoe (althans in de

litteratuur, niet zoozeer in de beeldende kunst) in het bijzonder het

vrouwenschoon beklaagd wordt. Er is hier nauwelijks een grens tusschen

de godsdienstige vermaning, om aan den dood en aan de vergankelijkheid

van het aardsche te denken, en de spijt van de oude minnares over het

verval der schoonheid, die zij niet meer geven kan.

Ziehier eerst een voorbeeld, waar de stichtelijke vermaning nog op den

voorgrond staat. In het Celestijnen-klooster te Avignon bevond zich vóór

de Revolutie een schildering, die de overlevering aan den kunstrijken

stichter koning René zelf toeschreef. Zij stelde een rechtopstaand

vrouwenlijk voor, met een sierlijk kapsel, gehuld in haar lijkwade; de

wormen verteerden het lichaam. De eerste strofen van het onderschrift

luidden:

"Une fois sur toute femme belle

Mais par la mort suis devenue telle.

Ma chair estoit très belle, fraische et tendre,

Or, est-elle toute tournée en cendre.

Mon corps estoit très plaisant et très gent,

Je me souloye souvent vestir de soye,

Or en droict fault que toute nue je soye.

Fourrée estois de gris et de menu vair,

En grand palais me logeois à mon vueil,

Or suis logiée en ce petit cercueil.

Ma chambre estoit de beaux tapis ornée,

Or est d'aragnes ma fosse environnée." [432]

Dat deze vermaningen hun werking niet misten, bewijst de legende, die

zich daaraan verder gesponnen had, hoe de koninklijke kunstenaar zelf,

die levens- en schoonheidsminnaar bij uitnemendheid, zijn geliefde drie

dagen na de teraardebestelling in het graf zou hebben gezien, en toen

geschilderd.

De stemming verandert reeds een weinig in de richting van wereldsche

zinnelijkheid, wanneer de waarschuwing voor de vergankelijkheid niet aan

het gruwelijk lijk van een ander wordt gedemonstreerd, maar de levenden

gewezen worden op hun eigen lichaam, nu nog schoon, maar spoedig voor de

wormen. Olivier de la Marche besluit zijn stichtelijk allegorisch

gedicht over de vrouwenkleeding _Le parement et triumphe des dames_ met

den Dood, die aan alle schoonheid en ijdelheid den spiegel voorhoudt:

"Ces doulx regards, ces yeulx faiz pour plaisance,

Pensez y bien, ilz perdront leur clarté,

Nez et sourcilz, la bouche d'eloquence

Se pourriront...." [433]

Toch is dit nog een eerlijk memento mori. Maar het

gaat onmerkbaar over in een spijtig, wereldsch en zelfzuchtig

beklag over de nadeelen van den ouderdom:

"Se vous vivez le droit cours de nature

Dont LX ans est pour ung bien grant nombre,

Vostre beaulté changera en laydure,

Vostre santé en maladie obscure,

Et ne ferez en ce monde que encombre.

Se fille avez, vous luy serez ung umbre,

Celle sera requise et demandée,

Et de chascun la mère habandonnée." [434]

Alle vrome, stichtelijke zin is verre, als Villon de balladen dicht,

waarin "la belle heaulmière", eens een befaamde Parijsche courtisane,

haar vroeger onweerstaanbare bekoorlijkheden vergelijkt met al de

leelijkheden van haar vervallen lichaam.

"Qu'est devenu ce front poly,

Ces cheveulx blons, sourcils voultiz,

Grant entroeil, le regart joly,

Dont prenoie les plus soubtilz;

Ce beau nez droit, grant ne petiz,

Ces petites joinctes oreilles,

Menton fourchu, cler vis traictiz

Et ces belles levres vermeilles?

* * * * * * * * * * * *

Le front ridé, les cheveux gris,

Les sourcilz cheuz [435], les yeuls estains...." [436]

In een der poëtische boeken van de heilige schrift der zuidelijke

Boeddhisten heeft men het lied eener vrome oude non Ambapâlî, van

eenzelfde verleden als "la belle heaulmière". Ook zij vergelijkt haar

schoonheid van eertijds met haar weerzinwekkenden ouderdom, hier met

dankbaren lof voor het verdwijnen van dat nietswaardig schoon. [437]

Maar is de afstand van het sentiment wel zoo groot, als hij schijnen

wil?

De felle afschuw van de ontbinding van het aardsche lichaam heeft haar

tegenkant in de hooge waarde, die men toekent aan het onbedorven blijven

van de lijken van sommige heiligen, zooals Sint Rosa van Viterbo. Het is

een van de kostbaarste heerlijkheden van Maria, dat haar lichaam voor de

ontbinding op aarde gespaard is gebleven door haar hemelvaart. [438]

Weer op een andere wijze spreekt de materialistische geest, die zich

niet kon losmaken van de gedachte aan het lichaam, uit de bijzondere

zorg, waarmee sommige lijken behandeld worden. Er bestond een gewoonte,

om terstond na den dood de trekken van het aangezicht van een

aanzienlijken gestorvene bij te schilderen, opdat vóór de begrafenis

geen bederf zichtbaar zou zijn. [439] Het lijk van een prediker van de

kettersche secte der Turlupins, die te Parijs in de gevangenis vóór het

vonnis gestorven was, wordt veertien dagen in een vat met kalk bewaard,

om het te zamen met een levende kettersche te kunnen verbranden. [440]

Van de Engelschen, die in Frankrijk gesneuveld of gestorven zijn, wordt

veelal het lijk in stukken gesneden, gekookt, tot het vleesch loslaat

van de beenderen, die gereinigd en in een koffer naar Engeland gezonden

worden, terwijl de rest begraven wordt. Zoo geschiedt met Hendrik V, met

de lords York en Oxford, bij Azincourt gesneuveld, met Glasdale, bekend

uit de geschiedenis van Jeanne d'Arc, met een neef van Sir John

Fastolfe. [441]

In de veertiende eeuw komt het wonderlijke woord macabre op, als om de

geheele laat-middeleeuwsche visie van den dood te markeeren. Het woord

(tot in de 17e eeuw luidde het macabré) is onvoldoende verklaard, wat

zijn oorsprong betreft, maar de beteekenisnuance, die het uit zijn

gebruik verworven heeft, is zoo scherp en eigen, dat zij geen

omschrijving behoeft. De macabere opvatting van den dood is in onzen

tijd nog voornamelijk te vinden op dorpskerkhoven, waar men er in rijm

en figuur den nagalm van hoort. In het einde der Middeleeuwen is zij een

groote cultuurgedachte geweest. Er raakte in de voorstelling van den

dood een nieuw, aangrijpend fantastisch element gemengd, een rilling,

die opkwam uit het ijzige bewustzijnsgebied van spokenvrees en klammen

schrik. De alles-beheerschende godsdienstige gedachte zette haar

aanstonds om in moraal, herleidde haar tot memento mori, maar maakte

gaarne gebruik van al de huiveringwekkende suggestie, die het spectrale

karakter der voorstelling meebracht.

Rondom den Doodendans groepeeren zich de verwante voorstellingen van het

sterven, die tot verschrikking en vermaning dienen moesten. De sproke

van de Drie dooden en de drie levenden gaat aan den Doodendans vooraf.

[442] Reeds in de dertiende eeuw komt zij op in de Fransche litteratuur:

drie jonge edellieden ontmoeten plotseling drie afzichtelijke dooden,

die hen wijzen op hun eigen voormalige aardsche grootheid en op het

spoedig einde, dat hun, den levenden, wacht. De aangrijpende figuren, in

het Campo santo van Pisa zijn wel de oudste voorstelling van het thema

in de groote kunst; het beeldhouwwerk aan het portaal van de kerk der

Innocents te Parijs, waar de hertog van Berry in 1408 het onderwerp liet

afbeelden, is verloren. Maar miniatuur en houtsnee maken het in de

vijftiende eeuw tot gemeen goed, en ook als muurschildering is het zeer

verbreid.

De voorstelling van de drie dooden en de drie levenden vormt de schakel

tusschen het afzichtelijke beeld der verrotting en de gedachte door den

Doodendans verbeeld, hoe voor den dood allen gelijk zijn. De

kunsthistorische ontwikkeling van het gegeven kome hier slechts even ter

sprake. Ook van den Doodendans schijnt Frankrijk het land van herkomst.

Doch hoe is hij ontstaan? als een werkelijk gespeelde vertooning, of

als afbeelding? Het is bekend, dat de these van Emile Mâle, die de

uitwerking der motieven in de beeldende kunst der vijftiende eeuw

beschouwt als in den regel ontleend aan het zien van dramatische

vertooningen, in haar algemeenheid niet voor de kritiek bestand is

gebleken. Maar ten opzichte van den Doodendans zou het kunnen zijn, dat

men op die verwerping een uitzondering moest maken; dat hier inderdaad

de vertooning aan de afbeelding is voorafgegaan. In ieder geval, 't zij

vroeger of later, de Doodendans werd gespeeld evengoed als geschilderd

of in prent gebracht. De hertog van Bourgondië laat hem in 1449 opvoeren

in zijn hôtel te Brugge. [443] Hadden wij eenig denkbeeld van de

uitmonstering van zulk een spel: de kleuren, de bewegingen, het glijden

van licht en schaduwen over de dansenden, wij zouden nog beter de

ernstige verschrikking begrijpen, die de Doodendans over de gemoederen

bracht, dan het ons de houtsneden van Guyot Marchant en van Holbein

doen.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 15 / 38 段