Een groote plaats in de hoofsche conversatie werd sinds de dagen der

troubadours ingenomen door de casuïstiek der liefde. Het was als 't ware

de veredeling van de nieuwsgierigheid en kwaadsprekerij tot een

litterairen vorm. Naast "beaulx livres, dits, ballades" wordt de

maaltijd aan het hof van Lodewijk van Orleans opgeluisterd door

"demandes gracieuses". [388] Men legt ze vooral den dichter ter

beslissing voor. Een gezelschap dames en heeren komt bij Machaut met een

reeks "partures d'amours et de ses aventures." [389] Hij had in zijn

_Jugement d'amour_ de stelling verdedigd, dat de dame, die door den dood

haar minnaar verliest, minder te beklagen is dan de minnaar eener

trouwelooze geliefde. Elk liefdegeval werd op die wijze naar strenge

normen gediscuteerd--"Beau sire, wat zoudt ge liever willen: dat men

kwaad sprak van uw geliefde en gij haar goed bevondt, of dat men goed

van haar sprak en gij haar slecht vondt?"--Waarop overeenkomstig het

hooge formeele eerbegrip en de dure plicht van den minnaar om voor de

uiterlijke eer der geliefde te waken, het antwoord luiden moest: "Dame,

j'aroie plus chier que j'en oïsse bien dire et y trouvasse mal."

--Wanneer een dame door haar eersten minnaar wordt veronachtzaamd,

handelt zij dan trouweloos, door een tweeden te nemen, die oprechter is?

Mag een ridder, die elke hoop heeft opgegeven, zijn dame te zien, daar

een jaloersche echtgenoot haar opgesloten houdt, zich eindelijk tot een

nieuwe liefde wenden? Wanneer een ridder zich van zijn geliefde keert

tot een vrouw van hoog aanzien, en daarop, teruggewezen, opnieuw haar

genade inroept, laat haar eer haar dan toe, hem te vergeven? [390] Van

deze casuïstiek is het maar een schrede naar de behandeling der

liefdevragen geheel in procesvorm, zooals Martial d'Auvergne ze geeft in

de _Arrestz d'amour._

Al deze omgangsvormen der liefde kennen wij slechts uit hun neerslag in

de litteratuur. Zij hoorden thuis in het werkelijk leven. De code van

hoofsche begrippen, regels en vormen diende niet uitsluitend, om er

versjes mee te maken, maar om ze toe te passen in het aristocratische

leven, of althans in de conversatie. Het is evenwel heel moeilijk, om

door de sluiers der poëzie heen het leven van den tijd te zien. Want ook

waar een werkelijke liefde zoo nauwkeurig mogelijk wordt beschreven, is

het toch van uit den waan van het geijkte ideaal, met den technischen

toestel der gangbare liefdesbegrippen, in de styleering van het

litteraire geval. Zoo is het met het, al te lange, relaas van een

dichterliefde tusschen een ouden poëet en een veertiendeëeuwsche

Bettina, _Le livre du Voit-Dit_ (d.w.z. Ware geschiedenis) van Guillaume

de Machaut. [391] Hij moet ongeveer zestig jaar oud zijn geweest, toen

de ongeveer achttienjarige Peronnelle d'Armentières [392], uit een

aanzienlijk geslacht in Champagne, hem in 1362 haar eerste rondel zond,

waarin zij den onbekenden beroemden dichter haar hart aanbood, terwijl

zij hem liet verzoeken, een dichterlijke liefdescorrespondentie met haar

te beginnen. De arme dichter, ziekelijk, aan één oog blind, geplaagd

door de jicht, is onmiddellijk in vlam. Hij beantwoordt haar rondel, en

een wisseling van brieven en gedichten begint. Peronnelle is trotsch op

haar litteraire verbintenis; zij maakt er aanvankelijk geen geheim van.

Zij wil, dat hij hun gansche liefde naar waarheid zal te boek stellen,

met inlassching van hun brieven en gedichten. Hij volbrengt die taak met

vreugde; "je feray, à vostre gloire et loenge, chose dont il sera bon

memoire". [393] "Et, mon très-dous cuer,--schrijft hij haar--, vous

estes courrecié de ce que nous avons si tart commencié? (hoe had zij

eerder gekund?) par Dieu aussi suis-je (met meer reden); mais ves-cy le

remede: menons si bonne vie que nous porrons, en lieu et en temps, que

nous recompensons le temps que nous avons perdu; et qu'on parle de nos

amours jusques à cent ans cy après, en tout bien et en toute honneur;

car s'il y avoit mal, vous le celeriés à Dieu, se vous poviés". [394]

Wat er met een eerbare liefde bestaanbaar was, leert het verhaal,

waarmee Machaut de brieven en gedichten aaneenrijgt. Hij krijgt, op zijn

verzoek, haar geschilderd portret, dat hij eer bewijst als zijn God op

aarde. Vol angst over zijn eigen gebreken gaat hij de eerste samenkomst

tegemoet, en zijn geluk is uitbundig, wanneer zijn voorkomen de jonge

geliefde niet afschrikt. Zij legt zich onder een kerseboom in zijn

schoot te slapen, of kwansuis te slapen. Zij schenkt hem grooter

gunsten. Een pelgrimage naar Saint Denis en de Foire du Lendit geeft de

gelegenheid, om eenige dagen te zamen te zijn. Op een middag is het

gezelschap doodmoe van de drukte en de zomerhitte; het was midden Juni.

Zij vinden in de overvolle stad een onderkomen bij een man, die hun een

kamer met twee bedden afstaat. Op het eene legt zich in de donker

gemaakte kamer ter middagrust Peronnelle's schoonzuster, op het andere

zij zelf met haar kamenier. Zij dringt den schuchteren dichter, om zich

tusschen haar beiden te leggen; hij ligt doodstil uit vrees van haar te

storen, en als zij ontwaakt, beveelt zij hem, haar te omhelzen. Als het

einde van het reisje nadert, en zij zijn droefheid bespeurt, staat zij

hem toe, haar tot afscheid te komen wekken. En ofschoon hij ook bij die

gelegenheid blijft spreken van "onneur" en "onnesté", is het bij zijn

vrij onomwonden verhaal niet duidelijk, wat zij hem nog geweigerd kan

hebben. Zij geeft hem het gouden sleuteltje van haar eer, haar schat, om

die zorgvuldig te behoeden, maar het moet wel opgevat worden als haar

eerbaarheid voor de menschen, wat er nog te bewaren viel. [395]

Meer geluk was den dichter niet weggelegd, en bij gebrek aan verdere

lotgevallen, vult hij de tweede helft van zijn boek met eindelooze

verhalen uit de mythologie. Tenslotte bericht zij hem, dat hun

verhouding een einde moet nemen, blijkbaar wegens haar huwelijk. Maar

hij besluit, haar altijd te blijven liefhebben en vereeren, en na hun

beider dood zal zijn geest aan God verzoeken, om haar ziel in glorie nog

te blijven noemen: Toute-belle. [396]

Zoowel voor de zeden als voor de sentimenten leert ons _Le Voir-Dit_

meer dan de meeste liefdeslitteratuur van den tijd. Vooreerst de

buitengewone vrijheid, die zich dit jonge meisje veroorloven kon, zonder

aanstoot te geven. Dan de naïeve onverstoorbaarheid, waarmee alles, tot

het intiemste, zich afspeelt in tegenwoordigheid van anderen, 't zij de

schoonzuster, de kamenier of den secretaris. Bij het samenzijn onder den

kerseboom verzint deze laatste zelfs een bevallige list: terwijl zij

sluimert, legt hij een groen blad op Peronnelle's mond, en zegt tot

Machaut, dat hij dat blad moet kussen. Als deze het eindelijk waagt,

trekt de secretaris het blad weg, zoodat hij even haar mond aanraakt.

[397] Even opmerkelijk is het samengaan van liefdes- en godsdienstplichten.

Het feit, dat Machaut als kanunnik van de kerk van Reims tot den

geestelijken stand behoorde, moet niet al te zwaar worden opgevat. De

lagere wijdingen, die voor het kanunnikschap voldoende waren, brachten

in dien tijd den eisch van het coelibaat niet gebiedend mede. Ook

Petrarca was kanunnik. Dat een bedevaart gekozen wordt, om elkaar te

ontmoeten, is ook niets buitengewoons. De bedevaarten waren zeer in trek

voor liefdesavonturen. Maar de pelgrimage wordt desondanks met ernst

verricht, "très devotement." [398] Bij een vorig samenzijn hooren zij

samen de mis, hij achter haar gezeten:

"... Quant on dist: Agnus dei,

Foy que je doy à Saint Crepais,

Doucement me donna la pais,

Entre deux pilers du moustier (kerk).

Et j'en avoie bien mestier,

Car mes cuers amoureus estoit

Troublés, quant si tost se partoit." [399]

De paix was het bordje, dat rondging om gekust te worden ter vervanging

van den vredeskus van mond tot mond. [400] Hier is natuurlijk de

bedoeling, dat Peronnelle hem haar eigen lippen bood. Hij wacht haar in

den tuin onder het zeggen van zijn getijden. Bij het aangaan van een

novene (een negendaagsche verrichting van bepaalde gebeden) doet hij,

als hij de kerk binnentreedt, binnensmonds de gelofte, dat hij ieder van

die dagen een nieuw gedicht op de liefste zou maken, wat hem niet belet,

van de groote devotie te spreken, waarmee hij bad. [401]

Men moet bij dit alles niet denken aan een frivole of profane bedoeling;

Guillaume de Machaut is tenslotte een ernstig en hooggestemd dichter.

Het is de ons haast onbegrijpelijke onbevangenheid, waarmee in de dagen

vóór Trente de geloofsverrichtingen door het dagelijksche leven heen

waren gevlochten. Wij zullen er spoedig meer van moeten zeggen.

Het sentiment, dat uit de brieven en de beschrijving van dit historische

liefdegeval spreekt, is week, zoet, een weinig ziekelijk. De uitdrukking

der gevoelens blijft gewikkeld in den langen omhaal van raisonneerende

bespiegeling en de aankleeding met allegorische verbeeldingen en

droomen. Er is iets roerends in de innigheid, waardoor de grijze

dichter, de heerlijkheid van zijn geluk en de voortreffelijkheid van

Toute-belle beschrijvende, zich niet bewust wordt, dat zij toch

eigenlijk met hem en met haar eigen hart maar heeft gespeeld.

Uit ongeveer denzelfden tijd als Machaut's _Voit-Dit_ stamt een ander

werk, dat in zeker opzicht als tegenhanger zou kunnen dienen: _Le livre

du chevalier de la Tour Landry pour l'enseignement de ses filles_. [402]

Het is een geschrift uit adellijken kring evenals de roman van Machaut

en Peronnelle d'Armentières; speelde deze in Champagne en in en om

Parijs, de ridder de la Tour Landry verplaatst ons naar Anjou en Poitou.

Doch hier geen oude dichter, die zelf bemint, maar een vrij prozaïsche

vader, die herinneringen uit zijn jonge jaren, anecdoten en verhalen ten

beste geeft "pour mes filles aprandre à roumancier". Wij zouden zeggen:

om haar de beschaafde vormen in liefdezaken te leeren. Die leering valt

echter in het geheel niet romantisch uit. De strekking der exempelen en

vermaningen, die de zorgvuldige edelman zijn dochters voorhoudt, is

veeleer, haar te waarschuwen voor de gevaren van romantische flirt. Past

op voor die welbespraakte lieden, die altijd klaar staan met "faulx

regars longs et pensifs et petis soupirs et de merveilleuses contenances

affectées (aangedane) et ont plus de paroles à main que autres gens."

[403] Weest niet te toeschietelijk. Hij was als jongeling eens door zijn

vader op een kasteel gebracht, om met het oog op een gewenschte

verloving kennis te maken met de dochter. Het meisje had hem bijzonder

vriendelijk ontvangen. Om te ervaren, wat er in haar was, sprak hij met

haar over allerlei dingen. Het gesprek kwam op gevangenen, en de jonker

maakte een deftig compliment: "Ma demoiselle, il vaudroit mieulx cheoir

à estre vostre prisonnier que à tout plain d'autres, et pense que vostre

prison ne seroit pas si dure comme celle des Angloys."--Si me respondit

qu'elle avoyt veu nagaires cel qu'elle vouldroit bien qu'il feust son

prisonnier. Et lors je luy demanday se elle luy feroit male prison, et

elle ne dit que nennil et qu'elle le tandroit ainsi chier comme son

propre corps, et je lui dis que celui estoit bien eureux d'avoir si

doulce et si noble prison. Que vous dirai-je? Elle avoit assez de

langaige et lui sambloit bien, selon ses parolles, qu'elle savoit assez,

et si avoit l'ueil bien vif et legier." Bij het afscheid vroeg zij hem

wel twee of drie maal, om spoedig weerom te komen, alsof zij hem al lang

gekend had. "Et quant nous fumes partis, monseigneur de père me dist:

'Que te samble de celle que tu as veue. Dy m'en ton avis'." Maar haar al

te gereede aanmoediging had hem elken lust tot een nadere kennismaking

benomen. "'Mon seigneur, elle me samble belle et bonne, maiz je ne luy

seray jà plus de près que je suis, si vous plaist". Van de verloving

kwam niets, en de ridder vond natuurlijk reden, daar later geen berouw

van te hebben. [404] Dergelijke stukjes zóó uit het leven opgeteekende

herinnering, die ons doen zien, hoe de zeden zich paarden aan het

ideaal, zijn ongelukkig in de eeuwen, waarvan hier sprake is, nog

uitermate zeldzaam. Had de ridder de la Tour Landry ons maar wat meer

uit zijn eigen leven verteld. Het meeste zijn ook bij hem bespiegelingen

van algemeenen aard. Hij denkt voor zijn dochters in de eerste plaats

aan een goed huwelijk. En het huwelijk had met de liefde weinig te

maken. Hij geeft een breedvoerig "debat" tusschen hemzelf en zijn vrouw

over het geoorloofde der liefde, "le fait d'amer par amours". Hij meent,

dat een meisje in zekere gevallen wel in eere kan beminnen, bij

voorbeeld "en esperance de mariage". De vrouw is daar tegen. Een meisje

moet liever in het geheel niet verliefd worden, ook niet op haar

verloofde. Het houdt haar maar af van de ware vroomheid. "Car j'ay ouy

dire à plusieurs, qui avoient esté amoureuses en leur juenesce, que,

quant elles estoient à l'eglise, que la pensée et la merencolie [405]

leur faisoit plus souvent penser à ces estrois pensiers et deliz de

leurs amours que ou (au) service de Dieu, [406] et est l'art d'amours de

telle nature que quant l'en (on) est plus au divin office, c'est tant

comme le prestre tient nostre seigneur sur l'autel, lors leur venoit

plus de menus pensiers". [407]--Deze diepe zielkundige observatie

konden Machaut en Peronnelle beamen. Doch overigens welk een verschil

in opvatting tusschen den dichter en den ridder! Hoe nu met deze

austeriteit weer te rijmen, dat de vader zijn dochters ter leering

herhaaldelijk vertelsels opdischt, die om hun scabreuzen inhoud in de

_Cent nouvelles nouvelles_ niet misplaatst zouden zijn geweest?

Juist het gering verband van de schoone vormen van het hoofsche

liefdesideaal met de realiteit van verloving en huwelijk maakte, dat het

element van spel, van conversatie, van litterair vermaak in alles wat

het verfijnde liefdeleven betrof, zich te ongehinderder kon ontplooien.

Het ideaal der liefde, de schoone fictie van trouw en opoffering had

geen plaats in de zeer materieele overleggingen, waarmee een huwelijk,

en bovenal een adellijk huwelijk tot stand kwam. Het kon slechts worden

beleefd in de gedaante van een bekorend of hartverheffend spel. Het

tournooi gaf dat spel der romantische liefde in zijn heroïeken vorm.

De pastorale idee leverde den idyllischen vorm ertoe.

De pastorale is in haar wezenlijkste beteekenis iets meer dan een

litterair genre. Het is niet te doen om de beschrijving van het

herdersleven met zijn eenvoudige en natuurlijke geneuchten, maar om het

naleven ervan. Het is een Imitatio. Er was een fictie, dat in het

herdersleven de ongestoorde natuurlijkheid der liefde verwezenlijkt was.

Daarheen wou men vlieden, zoo niet in werkelijkheid, dan in droom.

Telkens weer heeft het herdersideaal moeten dienen als geneesmiddel,

om de geesten te bevrijden uit de kramp van een opgeschroefde

dogmatiseering en formaliseering der liefde. Men snakte naar verlossing

uit de knellende begrippen van ridderlijke trouw en dienst, uit den

bonten toestel der allegorie. En ook uit de ruwheid, de baatzucht en

de maatschappelijke zonden van het liefdeleven der werkelijkheid. Een

gemakkelijk bevredigde, eenvoudige liefde, temidden van onschuldig

natuurgenot. Dat scheen het deel van Robin en Marion, van Gontier en

Helayne. Zij waren de gelukkigen, de benijdbaren; de veelgesmade dorper

wordt op zijn beurt het ideaal.

De late Middeleeuwen evenwel zijn nog zoo echt aristocratisch en zoo

weerloos tegenover een schoonen waan, dat de cultuur het niet verder

brengt dan het toepassen van een zeer gekunstelde versiering op de

hoofsche zeden. Wanneer de adel der vijftiende eeuw herder en herderin

speelt, dan is het gehalte van echte natuurvereering en bewondering van

eenvoud en arbeid nog heel zwak. Wanneer Marie Antoinette drie eeuwen

later melkt en karnt in Trianon, dan is het ideaal reeds gevuld met den

ernst van de physiocraten: natuur en arbeid zijn reeds de groote

slapende godheden van den tijd geworden; toch maakt de aristocratische

cultuur er nog spel van. Wanneer omstreeks 1870 de Russische

intellectueele jeugd zich onder het volk begeeft, om zelf als boeren

voor de boeren te leven: het narodnitsjestwo, dan is het ideaal bittere

ernst geworden. En ook toen bleek de verwezenlijking een waan.

Er was één poëtische vorm, die den overgang vertegenwoordigt tusschen de

eigenlijke pastorale en de werkelijkheid, namelijk de Pastourelle, het

korte gedicht, dat het gemakkelijk avontuur van den ridder met het

landmeisje bezingt. Daar vond de directe erotiek een frisschen,

eleganten vorm, die haar boven het platte verhief en toch al de bekoring

van het natuurlijke behield. Men moet er sommige schetsen van Guy de

Maupassant mee vergelijken.

Werkelijk pastoraal is echter het sentiment eerst, als ook de minnaar

zelf zich als herder denkt. Daarmee verzinkt elke aanraking met de

werkelijkheid. Alle elementen der hoofsche liefdesopvatting worden

eenvoudig getransponeerd in het herderlijke; een zonnig droomland hult

het verlangen in een waas van fluitspel en vogelgeschal. Het is een blij

geluid; ook de droefheden der liefde: het smachten en klagen, het leed

van de verlatene, worden opgenomen in dien zoeten toon. In de pastorale

vindt telkens weer de erotiek de aanraking terug met het natuurgenot,

dat haar onmisbaar was. Zoo wordt de pastorale het veld, waarop zich de

litteraire uitdrukking van het natuurgevoel ontwikkelt. Aanvankelijk is

het haar nog niet te doen om het beschrijven van natuurschoonheid, maar

om het onmiddellijk welbehagen aan zon en zomer, schaduw en frisch

water, bloemen en vogels. Natuurobservatie en schildering komt eerst

in de tweede plaats; de hoofdbedoeling blijft de liefdedroom; als

bijproduct levert de herderlijke poëzie allerlei bevallig realisme. De

schildering van het landleven in een gedicht als _Le dit de la pastoure_

van Christine de Pisan opent een genre.

Eenmaal als hoofsch ideaal opgenomen wordt de herderij een masker. Alles

laat zich dossen in de herderlijke travesti. De fantaziesferen van de

pastorale en van de ridderlijke romantiek vermengen zich. Een tournooi

wordt opgevoerd in de aankleeding van een herdersspel. Koning René houdt

zijn Pas d'armes de la bergère.

De tijdgenooten schijnen toch werkelijk in deze vertooning iets echts

gezien te hebben; een ongenoemde dichter geeft koning René's herdersleven

een plaats onder de Merveilles du monde:

"J'ay un roi de Cécille

Vu devenir berger

Et sa femme gentille

De ce mesme mestier,

Portant la pannetière,

La houlette et chappeau,

Logeans sur la bruyère

Auprès de leur trouppeau." [408]

Een andermaal moet de pastorale dienen, om de lasterlijkste politieke

satire een dichterlijk kleed te verleenen: een Bourgondisch partijganger

steekt al den haat tegen den vermoorden hertog van Orleans in het gewaad

van een aanminnig herdersdicht: _le Pastoralet._ [409] Bij de hoffeesten

ontbreekt nooit het pastorale element. Het leende zich uitstekend voor

de maskerades, die als entremets de feestmaaltijden opluisterden, en het

was bovendien bijzonder geschikt voor politieke allegorie. Het beeld van

den vorst als herder en het volk als zijn kudde was immers reeds van een

andere zijde den geest binnengekomen: uit de kerkvaderlijke voorstellingen

van den oorspronkelijken staatsvorm: als herders hadden de aartsvaders

geleefd, het rechte overheidsambt, zoo goed het wereldlijke als het

geestelijke, was geen heerschen maar een hoeden.

"Seigneur, tu es de Dieu bergier;

Garde ses bestes loyaument,

Mets les en champ ou en vergier,

Mais ne les perds aucunement,

Pour ta peine auras bon paiement

En bien le gardant, et se non,

A male heure reçus ce nom." [410]

In deze verzen uit Jean Meschinot's _Lunettes des princes_ is geen

sprake van eigenlijk pastorale voorstelling. Maar zoodra men dat ging

verbeelden, vloeide het daarmee van zelf ineen. Een entremets bij het

feest van Brugge in 1468 verheerlijkte de vroegere vorstinnen als de

"nobles bergieres qui par cy devant ont esté pastoures et gardes des

brebis de pardeça." [411] Een spel te Valenciennes bij de terugkomst van

Margareta van Oostenrijk uit Frankrijk in 1493 vertoonde, hoe het land

herstelt van zijn verwoesting "le tout en bergerie". [412] Wij kennen

allen de politieke pastorale in de _Leeuwendalers_. De voorstelling van

den vorst als herder klinkt ook in het _Wilhelmus_:

"Oirlof mijn arme schapen

Die sijt in grooter noot,

Uw herder sal niet slapen,

Al sijt gij nu verstroyt."

Zelfs in den echten oorlog speelt men met de pastorale verbeelding. De

bombardes van Karel den Stoute voor Granson heeten "le berger et la

bergère". Wanneer de Franschen hoonend zeggen, dat de Vlamingen slechts

herders zijn en onbekwaam tot het krijgshandwerk, trekt Philips van

Ravestein met vierentwintig edelen te velde, uitgedost als herders, met

herdersstaf en broodkorfje. [413]

Evenals de trouwe ridderlijke liefde tegenover de opvattingen van den

_Roman de la rose_ de stof leverde tot een eleganten litterairen twist,

zoo werd ook het herdersideaal het onderwerp van zulk een strijd. Ook

hier proefde men de leugen te sterk op de tong, en moest men haar

bespotten. Hoe weinig geleek het hyperbolisch gekunstelde, overdadig

bonte leven van de laat-middeleeuwsche aristocratie op het ideaal van

eenvoud, vrijheid en zorgeloos trouwe liefde te midden der natuur! Op

het thema van Philippe de Vitri's Franc Gontier, type van den gouden-

eeuwschen eenvoud, had men eindeloos gevarieerd. Iedereen verklaarde te

hongeren naar Franc Gontier's maal op het gras onder 't lommer met dame

Helayne, zijn menu van kaas, boter, room, appelen, uien en bruin brood,

zijn lustig houthakkerswerk, zijn vrijheidszin en onbezorgdheid:

"Mon pain est bon; ne faut que nulz me veste;

L'eaue est saine qu'à boire sui enclin,

Je ne doubte ne tirant ne venin." [414]

Soms viel men wel eens even uit de rol. Dezelfde Eustache Deschamps, die

het leven van Robin en Marion en den lof van den natuurlijken eenvoud en

het werkzaam leven herhaaldelijk bezingt, betreurt het, dat het hof

danst bij de cornemuse, "cet instrument des hommes bestiaulx". [415]

Maar het vereischte de veel dieper gevoeligheid en scherpe skepsis van

François Villon, om al de onwaarheid van dien schoonen levensdroom te

zien. Er ligt een onbarmhartige bespotting in de ballade _Les contrediz

Franc Gontier_. Cynisch stelt Villon tegenover de zorgeloosheid van dien

idealen buitenman met zijn maal van uien "qui causent fort alaine" en

zijn liefde onder de rozen, het gemak van den vetten kanunnik, die de

zorgeloosheid en de liefde geniet in een wel behangen kamer met een

haardvuur, goeden wijn en een zacht bed. Het bruine brood en het water

van Franc Gontier? "Tous les oyseaulx d'ici en Babiloine" zouden Villon

geen morgen bij zulk een kost kunnen houden. [416]

Evenals de schoone droom van het ridderideaal moesten ook de andere

vormen, waarin het liefdeleven cultuur wilde worden, als onecht en

leugenachtig worden verzaakt. Noch het dwepende ideaal van edele,

kuische riddertrouw, noch de wreed-verfijnde wellust van den _Roman de

la rose_, noch de zoete, gemakkelijke fantazie der pastorale, konden

bestaan voor den storm van het leven zelf. Die storm blies van alle

kanten. Van het geestelijk leven uit klinkt de vervloeking van alles wat

der liefde is, als de zonde, die de wereld verderft. Onder in den

schitterenden kelk van den _Roman de la rose_ ziet de moralist al den

bitteren droesem. "Vanwaar,--roept Gerson uit--vanwaar de bastaarden,

vanwaar de kindermoorden, de afdrijvingen, vanwaar de haat en de

vergiftiging van echtgenooten?" [417]

Van den kant der vrouwen zelf klinkt een andere aanklacht. Al die

conventioneele vormen der liefde zijn mannenwerk. Ook waar zij in

geïdealiseerde vormen gegoten is, blijft die gansche erotische cultuur

door en door mannelijk-zelfzuchtig. Wat is de altijd herhaalde smaad

tegen het huwelijk en over de zwakheden van de vrouw: haar ontrouw en

haar ijdelheid, anders dan de dekmantel der mannelijke zelfzucht? Op al

dien smaad antwoord ik enkel, zegt Christine de Pisan: het zijn niet de

vrouwen, die de boeken gemaakt hebben. [418]

Er is inderdaad noch in de erotische, noch in de vrome litteratuur der

Middeleeuwen een spoor van echt medelijden met de vrouw, met haar

zwakheid en de gevaren en smarten, die haar de liefde bereidt. Het

medelijden had zich geformaliseerd in het fictieve ridderlijke ideaal

van de bevrijding der maagd, waar het eigenlijk enkel sensueele

prikkeling en zelfvoldoening was. Nadat de schrijver van de _Quinze

joyes de mariage_ al de zwakheden der vrouwen in een mat en fijn

gekleurde satire heeft opgesomd, biedt hij wel aan, om nu ook de

verongelijking der vrouwen te beschrijven, [419] maar hij doet het niet.

Om een teere, vrouwelijke stemming uitgedrukt te vinden, moet men het

Christine zelf vragen, zooals in haar versje, dat begint:

"Doulce chose est que mariage,

Je le puis bien par moy prouver".... [420]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 14 / 38 段