Als bron van litteratuur en cultuur moest het gansche epithalamische

genre met al zijn uitloopers en vertakkingen steeds op de tweede plaats

blijven. Het heeft tot thema de uiterste en volledige bevrediging zelve,

het is directe erotiek. Maar datgene, wat tot levensvorm en

levensversiering dienen kan, is de indirecte erotiek, die tot thema

heeft de mogelijkheid der bevrediging, de belofte, het verlangen, het

ontberen, de nadering van het geluk. Hier wordt de opperste bevrediging

verschoven in het onuitgesprokene, omhuld met al de lichte sluiers der

verwachting. De indirecte erotiek is daardoor alleen reeds van veel

langer adem, bedekt een veel wijder levensveld. En zij kent de liefde

niet alleen en majeur of met het lachende masker, maar is ook in staat,

de smarten der liefde te verwerken tot schoonheid, en heeft daardoor

een oneindig hooger levenswaarde. Zij kan in zich opnemen de ethische

elementen van de trouw, den moed, de edele zachtmoedigheid, en zich

zoodoende verbinden met andere strevingen naar het ideale dan naar dat

der liefde alleen.

Geheel in overeenstemming met den algemeenen geest der latere

Middeleeuwen, die al het denken tot het uitvoerigste wilde verbeelden en

in systeem brengen, had nu de _Roman de la rose_ aan de gansche erotische

cultuur een vorm gegeven, zoo bont, zoo wel-sluitend en zoo rijk, dat

hij was als een schat van profane liturgie, leer en legende. En juist

het tweeslachtige van den _Roman de la rose_, werk van twee dichters van

geheel verschillenden aard en opvatting, maakte hem nog bruikbaarder als

bijbelboek der erotische cultuur: men vond er teksten in voor verschillend

gebruik.

Guillaume de Lorris, de eerste dichter, had nog het oude hoofsche ideaal

gehuldigd. Van hem was de bekorende opzet en de blijde, zoete verbeelding

van het onderwerp. Het is het steeds gebruikte thema van een droom. De

dichter ziet zich vroeg in een meimorgen uitgegaan, om den nachtegaal en

den leeuwerik te hooren. Zijn pad brengt hem langs een rivier tot den

muur van den geheimzinnigen tuin der liefde. Op dien muur ziet hij de

beeltenissen geschilderd van Haat, Verraad, Dorperheid, Hebzucht,

Gierigheid, Nijd, Droefgeestigheid, Ouderdom, Kwezelarij (Papelardie) en

Armoede: de anti-hoofsche eigenschappen. Maar Dame Oiseuse (Ledigheid),

de vriendin van Déduit (Vermaak), opent hem de poort. Daarbinnen leidt

Liesse (Blijheid) den dans. De Liefdegod danst er met Schoonheid in de

rei, waarin Rijkdom, Mildheid, Vrijmoedigheid (Franchise), Hoofschheid

(Courtoisie) en Jeugd deelen. Terwijl de dichter bij de Narcissusfontein

verzonken is in bewondering van den rozeknop, die hij daar ontwaart,

schiet de Liefdegod hem met zijn pijlen: Beauté, Simplesse, Courtoisie,

Compagnie en Beau-Semblant. De dichter verklaart zich Liefde's dienstman

(homme lige), Amour sluit hem het hart met een sleutel, en ontvouwt hem

liefde's geboden, liefde's kwaden (maux) en haar goed (biens).

Esperance, Doux-Penser, Doux-Parler, Doux-Regard heeten de laatste.

Bel-Accueil, de zoon van Courtoisie, noodt hem tot de rozen, maar dan

komen de bewakers van de roos: Danger, Male-Bouche, Peur en Honte, en

verdrijven hem. Nu begint de verwikkeling. Raison daalt van haar hoogen

toren, om den minnaar te belezen, Ami troost hem, Venus spant haar

kunsten tegen Chasteté, Franchise en Pitié brengen hem naar Bel-Accueil

terug, die hem toestaat, de roos te kussen. Maar Male-Bouche vertelt

het, Jalousie komt aanloopen, en nu wordt om de rozen een sterke muur

gebouwd. Bel-Accueil wordt in een toren opgesloten. Danger en zijn

gezellen bewaken de poorten. Met een klacht van den minnaar eindigde het

werk van Guillaume de Lorris.

Toen is Jean de Meun gekomen, vrij wat later waarschijnlijk, en heeft

het voortgezet met een veel omvangrijker vervolg en slot. Het verder

verloop van de handeling, de aanval en vermeestering van het kasteel der

rozen door Amour met al zijn bondgenooten, de hoofsche deugden, maar ook

Bien Celer, Faux-Semblant, verdrinkt bijna in den vloed van uitweidingen,

beschouwingen, verhalen, waarmee de tweede dichter het werk tot een ware

encyclopaedie heeft gemaakt. Maar wat vooral van gewicht is: hier sprak

een geest, zoo onbevangen, zoo sceptisch-koel en cynisch-wreed, als de

Middeleeuwen zelden hebben opgeleverd, daarbij een hanteerder der

Fransche taal als weinigen. De naïeve, lichte idealiteit van Guillaume

de Lorris werd overschaduwd door den ontkennenden geest van Jean de

Meun, die niet aan spoken en toovenaars en ook niet aan trouwe liefde en

vrouwelijke eerbaarheid geloofde, die voor pathologische problemen oog

had, die aan Venus, Nature en Genius de stoutste verdediging van

zinnelijken levensdrang in den mond legde.

Wanneer Amor vreest, met zijn leger de nederlaag te zullen lijden, zendt

hij Franchise en Doux-Regard naar Venus, zijn moeder, die aan den oproep

gehoor geeft, en op haar duivenwagen te hulp komt. Als Amor haar den

staat van zaken meedeelt, zweert zij, geen kuischheid ooit meer bij

eenige vrouw te zullen laten, en spoort Amor aan, denzelfden eed ten

aanzien der mannen te doen, en het gansche leger zweert mede.

Intusschen is Nature in haar smidse bezig met haar werk, het onderhouden

der soorten, haar eeuwige worsteling tegen den Dood. Zij beklaagt zich

bitter, dat van al de schepselen alleen de mensch haar geboden

overtreedt, en zich onthoudt van de voortteling. Op haar last begeeft

zich Genius, haar priester, na de lange biecht, waarin Nature hem haar

werken ontvouwt, naar het leger der Liefde, om daar Nature's vloek te

slingeren over de versmaders van haar geboden. Amor dost Genius uit met

een kazuifel, een ring, een staf en een mijter; Venus geeft hem

schaterlachende een brandende kaars in de hand,

"Qui ne fu pas de cire vierge".

De excommunicatie wordt ingeleid door de verwerping der maagdelijkheid

in een drieste symboliek, die uitloopt op een wonderlijk mysticisme.

De hel voor hen, die de geboden der natuur en der liefde niet in acht

nemen, voor de anderen de bebloemde weide, waar de Zoon der Maagd zijn

blanke schaapjes hoedt, die daar in eeuwige geneuchte de bloemen en het

kruid grazen, dat daar onverderfelijk bloeit.

Wanneer Genius in de veste de kaars geslingerd heeft, wier vlam de

gansche wereld ontsteekt, begint de eindstrijd om den toren. Ook Venus

zelf slingert haar fakkel, dan vluchten Honte en Peur, en Bel-Accueil

staat den minnaar toe, de roos te plukken.

Hier was derhalve met volle bewustheid het sexueele motief opnieuw in

het middelpunt geplaatst, en het was omkleed met zulk een kunstig

mysterie, ja met zooveel heiligheid, dat een grooter uitdaging aan het

kerkelijk levensideaal niet mogelijk was. In zijn volkomen heidensche

strekking kan men den _Roman de la rose_ als een schrede naar de

Renaissance beschouwen. In den uiterlijken vorm is hij schijnbaar echt

middeleeuwsch. Immers wat is middeleeuwscher dan de tot het uiterste

doorgevoerde personificatie der gemoedsaandoeningen en omstandigheden

der liefde? De figuren van den _Roman de la rose_: Bel accueil,

Doux-Regard, Faux Semblant, Male Bouche, Danger, Honte, Peur, staan op

één lijn met de echt-middeleeuwsche verbeeldingen van de deugden en

zonden in menschelijke gedaante: allegorieën of iets meer dan dat,

half-geloofde mythologemen. Doch waar is de de grens tusschen deze

voorstellingen en de herleefde nimfen, saters en geesten der

Renaissance? Ze zijn aan een andere sfeer ontleend, maar hun

verbeeldingswaarde is dezelfde, en de aankleeding van de figuren der

_Rose_ doet dikwijls denken aan de fantastisch bebloemde gestalten van

Botticelli.

Hier was dan de liefdedroom verbeeld in een vorm, tegelijk gekunsteld en

gepassioneerd. De uitvoerige allegorie bevredigde alle eischen der

middeleeuwsche verbeelding. Zonder de personificaties had de geest de

gemoedsbewegingen niet kunnen uitdrukken en navoelen. Al de bonte kleur

en elegante lijn van dat onvergelijkelijke poppenspel was noodig, om een

begrippenstelsel der liefde te vormen, waarmee men elkander begreep. Men

hanteerde de figuren van Danger, Nouvel Penser, Male Bouche als de

gangbare termen van een wetenschappelijke psychologie. Het grondthema

hield den hartstocht levend. Want voor den bleeken dienst van een

getrouwde dame, die door de troubadours als onbereikbaar voorwerp van

smachtende vereering in de wolken was geschoven, was nu weer het

natuurlijkste erotische motief in de plaats gesteld: de hevige prikkel

van het geheim der maagdelijkheid, gesymboliseerd als de roos, en die te

winnen met kunst en volharding.

In theorie was de liefde van den _Roman de la rose_ hoofsch en edel

gebleven. De tuin der levensvreugde is slechts voor uitverkorenen, en

door liefde toegankelijk. Wie hem betreden wil, moet vrij zijn van haat,

trouweloosheid, dorperheid, hebzucht, gierigheid, nijd, ouderdom,

huichelarij. Doch de positieve deugden, die hij daartegenover moet

stellen, toonen, dat het ideaal niet meer ethisch, als in de hoofsche

minne, maar enkel aristocratisch is. Het zijn: onbezorgdheid,

vatbaarheid voor vermaak, blijde zin, liefde, schoonheid, rijkdom,

mildheid, vrije zin (franchise) en courtoisie. Het zijn niet meer

evenzooveel veredelingen van den persoon door de afstraling der

geliefde, maar deugdelijke middelen om haar te winnen. En het is niet

meer de, zij het ook valsche, vereering der vrouw, die het werk bezielt,

maar, althans bij den tweeden dichter Jean Clopinel, de wreede

verachting voor haar zwakheid, de verachting, die in het zinnelijk

karakter dezer liefde zelf haar oorsprong heeft.

Ondanks zijn groote heerschappij over de geesten had de _Roman de la

rose_ toch de oudere opvatting der liefde niet geheel kunnen verdringen.

Naast de verheerlijking van de flirt handhaafde zich ook de voorstelling

van de zuivere, ridderlijke, trouwe en zelfverzakende liefde, want deze

was een essentieel onderdeel van het ridderlijke levensideaal. Het was

een hoofsche twistvraag geworden in dien bonten kring van weelderig-

aristocratisch leven rondom den Franschen koning en zijn ooms van Berry

en Bourgondië, welke opvatting der liefde voor den waren edelman de

voorkeur verdiende; die van de echte courtoisie met haar smachtende

trouw en eerbaren dienst aan één dame, of die van den _Roman de la

rose_, waar de trouw slechts het middel was in dienst der jacht op de

vrouw. De edele ridder Boucicaut had zich met zijn tochtgenooten op een

reis naar het Oosten in 1388 tot den pleitbezorger der ridderlijke trouw

gemaakt, en met het dichten van het _Livre des cent ballades_ zich den

tijd gekort. De beslissing tusschen flirt en trouw wordt er den

beaux-esprits van het hof voorgelegd.

Uit een dieper ernst welde het woord, waarmee eenige jaren later

Christine de Pisan zich in den strijd waagde. Deze moedige verdedigster

van vrouweneer en vrouwenrechten wendde zich tot den liefdegod met een

dichterlijken brief, die de klacht der vrouwen behelsde tegen al het

bedrog en al den smaad der mannen. [370] Zij wees de leer van den _Roman

de la rose_ met verontwaardiging van de hand. Sommigen vielen haar bij,

maar het werk van Jean de Meun had nog altijd een schaar van

hartstochtelijke vereerders en verdedigers. Er volgde een litteraire

strijd, waarin tal van voor- en tegenstanders het woord namen. En geen

geringe voorstanders waren het, die de _Rose_ hoog hielden. Vele knappe,

wetenschappelijke, doorgeleerde mannen,--verzekerde de proost van

Rijssel, Jean de Montreuil--, stelden den _Roman de la rose_ zoo hoog,

dat zij hem bijna vereerden (paene ut colerent), en dat zij liever hun

hemd zouden missen dan dat boek. [371]

Het is voor ons niet gemakkelijk, de geestes- en gemoedssfeer te

begrijpen, waaruit de verdediging voortkwam. Want het waren geen wufte

hofjonkers, maar ernstige hooge ambtenaren, geestelijken zelfs tendeele,

zooals de genoemde proost van Rijssel Jean de Montreuil, secretaris van

den dauphin, later van den hertog van Bourgondië, die er met zijn

vrienden Gontier en Pierre Col in dichterlijke of latijnsche brieven

over correspondeerde, en anderen aanspoorde, om toch de verdediging van

Jean de Meun op zich te nemen. Het eigenaardigste is, dat deze kring,

die zich aldus kampioen stelde voor dat bonte, wulpsche, middeleeuwsche

werk, dezelfde is, waar de eerste kiemen van het Fransche humanisme

gekweekt werden. Jean de Montreuil is de schrijver van een groot aantal

Ciceroniaansche brieven vol humanistenwendingen, humanistenrhetoriek en

humanistenijdelheid. Hij en zijn vrienden Gontier en Pierre Col staan in

briefwisseling met den ernstigen reformgezinden theoloog Nicolaas de

Clemanges.

Het was Jean de Montreuil zeker ernst met zijn litterair standpunt. Hoe

meer ik,--schrijft hij aan een ongenoemd rechtsgeleerde, die den Roman

bestreden had,--het gewicht der mysteriën en de mysteriën van het

gewicht van dat diepe en beroemde werk van meester Jean de Meun

doorvorsch, hoe meer ik mij verbaas over uwe afkeuring. Tot zijn

laatsten snik zal hij het verdedigen, en er zijn er velen, zooals hij,

die met geschrift, met stem en hand die zaak zullen dienen. [372]

En als om te bewijzen, dat er in dien strijd over den _Roman de la rose_

toch meer stak dan een stuk uit het groote gezelschapsspel van het

hofleven, nam tenslotte een man het woord, die wat hij sprak, terwille

van de hoogste zedelijkheid en zuiverste leer sprak, de beroemde

theoloog en kanselier der Parijsche universiteit Jean Gerson. Uit zijn

boekvertrek, des avonds 18 Mei 1402, dateerde hij een tractaat tegen den

_Roman de la rose_. Het is een antwoord op de bestrijding van een vorig

schrijven van Gerson door Pierre Col, [373] en ook dit was niet het

eerste geschrift, dat Gerson aan den Roman wijdde; het boek scheen hem

de gevaarlijkste pest, de bron van alle onzedelijkheid; hij wilde het

bij elke gelegenheid bestrijden. Herhaaldelijk trekt hij te velde tegen

den verderfelijken invloed "du vicieux romant de la rose." [374] Als hij

er een exemplaar van had,--zegt hij--, dat het eenige was, en duizend

pond waard, dan zou hij het liever verbranden, dan het te verkoopen om

in het licht te worden gegeven.

Gerson ontleende den vorm van zijn betoog aan den tegenstander zelf: een

allegorisch vizioen. Op een morgen ontwakende voelt hij zijn hart hem

ontvlieden, "moyennant les plumes et les eles de diverses pensees, d'un

lieu en autre jusques a la court saincte de crestienté." Daar ontmoet

het Justice, Conscience en Sapience, en hoort, hoe Chasteté den Fol

amoureux, dat is Jean de Meun, aanklaagt, die haar van de aarde met al

haar volgelingen verbannen heeft. Haar "bonnes gardes" zijn juist de

booze figuren van den roman: "Honte, Paour et Dangier le bon portier,

qui ne oseroit ne daigneroit ottroyer neïs (pas même) un vilain baisier

ou dissolu regart ou ris attraiant ou parole legiere." Een reeks van

verwijten slingert Kuischheid den Fol amoureux tegen: hij laat door de

vermaledijde oude vrouw leeren, "comment toutes jeunes filles doivent

vendre leurs corps tost et chierement sans paour et sans vergoigne, et

qu'elles ne tiengnent compte de decevoir ou parjurer." Hij hoont het

huwelijk en het kloosterleven; hij richt al de fantazie op de

vleeschelijke lusten, en wat het ergste is, hij laat door Venus, door

Nature, zelfs door Dame Raison de begrippen van het Paradijs en de

christelijke mysteriën vermengen met die van het zingenot.

Inderdaad, daar school het gevaar. Het groote werk met zijn vereeniging

van felle zinnelijkheid, hoonend cynisme en elegant symbolisme wekte in

de geesten een sensueel mysticisme, dat den ernstigen theoloog een

afgrond van zondigheid moest schijnen. Wat had niet Gerson's

tegenstander, Pierre Col, durven beweren! [375] Alleen de fol amoureux

zelf kan over de waarde van die dolle passie oordeelen; wie haar niet

kent, ziet haar slechts in een spiegel en een raadsel. Hij leende dus

voor de aardsche liefde het heilige woord van den brief aan de

Corinthen, om van haar te spreken, zooals de mysticus het van zijn

ekstase doet! Hij waagde het, te verklaren, dat Salomo's hoogheid tot

lof van Pharao's dochter is gedicht. Zij die het boek van de _Rose_

hebben gesmaad, hebben voor Baal hun knieën gebogen. De Natuur wil niet,

dat één man één vrouw genoeg zij, en de Genius der Natuur is God. Ja,

hij durft Lucas II 23 misbruiken, om uit het evangelie zelf te bewijzen,

dat eertijds de vrouwelijke geslachtsorganen, de roos van den roman,

heilig zijn geweest. En vol vertrouwen in al die blasphemie roept hij de

verdedigers van het werk op, een turbe van getuigen, en dreigt Gerson,

dat deze zelf vervallen zal in een zinnelooze liefde, zooals het anderen

godgeleerden vóór hem is gebeurd.

Het gezag van den _Roman de la rose_ is door Gerson's aanval niet

getaand. In 1444 biedt een kanunnik van Lisieux, Estienne Legris, aan

Jean Lebègue, griffier van de rekenkamer te Parijs, een _Répertoire du

roman de la rose_ van zijn hand. [376] Nog in het laatst der vijftiende

eeuw kan Jean Molinet verklaren, dat de uitspraken van de _Rose_

gangbaar waren als algemeene spreekwoorden. [377] Hij voelt zich

geroepen, om van den geheelen roman een moraliseerenden commentaar te

geven, waar de bron uit het begin van het gedicht tot symbool van den

doop wordt, de nachtegaal, die tot de liefde roept, de stem van

predikers en godgeleerden, en de roos Jezus zelf. Zelfs Clément Marot

heeft nog een moderniseering van het werk gegeven.

Terwijl de deftige geletterden hun pennestrijd voerden, vond de

aristocratie in den strijd een welkome aanleiding tot feestelijke

conversatie en pompeus vermaak. Boucicaut, geprezen door Christine de

Pisan om zijn hooghouden van het oude ideaal van ridderlijke trouw in de

liefde, vond wellicht in haar woord weer de aanleiding tot het stichten

van zijn Ordre de l'écu verd à la dame blanche, ter verdediging van

verdrukte vrouwen. Maar hij kon niet wedijveren met den hertog van

Bourgondië, en zijn orde werd terstond in de schaduw gesteld door de

grootsch opgezette Cour d'amours, die op 14 Februari 1401 werd opgericht

in het hôtel d'Artois te Parijs. Het was een luisterrijk aangekleed

litterair salon. Philips de Stoute, hertog van Bourgondië, de oude

berekenende staatsman, had met Lodewijk van Bourbon den koning verzocht,

het liefdehof in te stellen tot afleiding tijdens de pestepidemie, die

er heerschte, "pour passer partie du tempz plus gracieusement et affin

de trouver esveil de nouvelle joye." [378] Het liefdehof was gegrond

op de deugden van nederigheid en trouw, "à l'onneur, loenge et

recommandacion et service de toutes dames et damoiselles." De talrijke

leden waren getooid met de wijdluftigste titels: de beide oprichters en

Karel VI waren Grands conservateurs, onder de Conservateurs waren Jan

zonder Vrees, zijn broeder Antonie van Brabant, zijn jonge zoon Philips.

Er is een Prince d'amour: Pierre de Hauteville, een Henegouwer; er zijn

Ministres, Auditeurs, Chevaliers d'honneur conseillers, Chevaliers

trésoriers, Grands Veneurs, Ecuyers d'amour, Maîtres des requêtes,

Secrétaires, kortom de geheele toestel van hofhouding en regeering is er

nagebootst. Men vindt er naast prinsen en prelaten ook burgers en lagere

geestelijken. Werkzaamheid en ceremonieel waren nauwkeurig geregeld: er

werden refreinen opgegeven om te behandelen, en "ballades couronnées ou

chapelées", en "amoureuses chansons de cinq couplets", en "sirventois,

distiers, complaintes, rondeaux, lais, virelais." Er zouden debatten

worden gehouden "en forme d'amoureux procès, pour différentes opinions

soustenir." De dames zouden de prijzen uitreiken, en het was verboden om

verzen te maken, die de eer van het vrouwelijk geslacht aantastten.

Hoe geweldig Bourgondisch is die pompeuze en statige opzet, die ernstige

vormen voor een gracieus vermaak. Het is opmerkelijk, doch verklaarbaar,

dat het hof het strenge ideaal van de edele trouw beleed. Doch als men

zou verwachten, dat nu ook de 700 leden, die bekend zijn uit de ongeveer

vijftien jaren, dat men van het bestaan van het gezelschap verneemt,

allen als Boucicaut de oprechte medestanders van Christine de Pisan, de

vijanden dus van den _Roman de la rose_ zijn geweest, komt men in strijd

met de feiten. Wat men van de zeden van Antonie van Brabant en andere

hooge heeren weet, maakt hen weinig geschikt tot verdedigers van

vrouweneer. Een der leden, een zekere Regnault d'Azincourt, is de

aanlegger van een mislukte schaking in grooten stijl, met twintig

paarden en een priester, van een jonge kramersweduwe. [379] Een ander

lid, de graaf van Tonnerre, staat schuldig aan een dergelijk vergrijp.

En als om afdoende te bewijzen, dat het alles slechts een schoon

gezelschapsspel was: de bestrijders van Christine de Pisan zelf in den

letterkundigen twist over den _Roman de la rose_ vindt men onder de

leden: Jean de Montreuil, Gontier en Pierre Col. [380]

* * * * *

Het is uit de litteratuur, dat men de liefdevormen van den tijd moet

leeren kennen, maar het is in het leven zelf, dat men ze zich moet

voorstellen. Daar was een heel stelsel van geijkte vormen, om een jong

leven van aristocratischen omgang mee te vullen. Wat al teekens en

figuren der liefde, die de latere eeuwen gaandeweg hebben prijsgegeven.

In plaats van Amor alleen had men de gansche zonderling persoonlijke

mythologie van den _Roman de la rose_. Zonder twijfel immers hebben Bel

accueil, Doux-penser, Faux semblant en de rest ook buiten de directe

litteratuurproducten in de verbeelding geleefd. Dan was er al de teedere

beteekenis der kleuren in kleeding, bloemen en sieraad. Voor Rabelais

was het een voorwerp van spot geworden, dat men naar de symbolische

beteekenis der kleuren vroeger zijn pages kleedde, zijn handschoen

borduurde en wat niet al. [381] In de veertiende en vijftiende eeuw nam

die kleurensymboliek in het amoureuze leven een gewichtige plaats in.

Wanneer Guillaume de Machaut voor het eerst zijn onbekende geliefde

ziet, is hij verrukt, dat zij bij een wit kleed een kaproen draagt van

hemelsblauwe stof met groene papegaaien, want groen is de kleur der

nieuwe liefde en blauw van de trouw. Later als het hooggetij van zijn

dichterliefde voorbij is, droomt hij, dat haar beeltenis, die boven zijn

bed hangt, het hoofd afwendt, en geheel in het groen gekleed is, "qui

nouvelleté signifie". Hij dicht een verwijtende ballade:

"En lieu de bleu, dame, vous vestez vert." [382]

De ringen, de sluiers, al de kleinooden en geschenken der liefde hadden

hun bijzondere functie, met hun geheimzinnige deviezen en emblemen,

dikwijls in de gekunsteldste rebussen ontaard. De dauphin trekt in 1414

ten strijde met een standaard, waarop in goud een K, een zwaan (cygne)

en een L, dat beduidde den naam van een hofdame zijner moeder Isabeau,

die la Cassinelle werd genoemd. [383] Rabelais bespot nog een eeuw later

de "glorieux de court et transporteurs de noms," die in hun deviezen

"espoir" door een "sphere", "peine" door "pennes d'oiseaux",

"melancholie" door een akelei (ancholie) aanduiden. [384] Coquillart

spreekt van een

"Mignonne de haulte entreprise,

Qui porte des devises à tas." [385]

Dan waren er de amoureuze vernuftspelletjes, zooals Le Roi qui ne ment,

Le chastel d'amours, Ventes d'amour, Jeux à vendre. Het meisje noemt den

naam van een bloem of iets anders; de jongeling moet er op rijmen met

een compliment:

"Je vous vensla passerose.

--Belle, dire ne vous ose

Comment Amours vers vous me tire,

Si l'apercevez tout sanz dire". [386]

Het Chastel d'amours was zulk een vraag- en antwoordspel, gebaseerd op

de figuren van den _Roman de la rose_:

"Du chastel d'Amours vous demant:

Dites le premier fondement!

--Amer loyaument.

Or me nommez le mestre mur

Qui joli le font, fort et seur!

--Celer sagement.

Dites moy qui sont li crenel,

Les fenestres et li carrel!

--Regart atraiant.

Amis, nommez moy le portier!

--Dangier mauparlant.

Qui est la clef qui le puet deffermer?

--Prier courtoisement." [387]

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 13 / 38 段