VIII p. 217, 246.
[231] La Marche, II p. 173, I p. 285; Oeuvres du roi René, I p. lxxv.
[232] Oeuvres du roi René, I p. lxxxvi, II p. 57.
[233] N. Jorga, Phil. de Mézières. p. 348.
[234] Chastellain, II p. 7, IV p. 233 cf. 269, VI p. 154.
[235] La Marche, I p. 109.
[236] Statuten der orde, bij Luc d'Achéry, Spicilegium, III p. 730.
[237] Chastellain. II p. 10.
[238] Chronique scandaleuse, I p. 236.
[239] Le songe de la thoison d'or, bij Doutrepont, p. 154.
[240] Fillastre. Le premier volume de la toison dor, Paris 1515, fol. 2.
[241] Boucicaut, I p, 504; Jorga, Ph. de Mézières, p. 83, 463(8);
Romania, XXVI p. 395(1), 396(2); Deschamps, XI p. 28; Oeuvres du roi
René, I p. xi; Monstrelet, V p. 449.
[242] Deschamps, no. 908/10, XI p. 232, 14, 68.
[243] Froissart. Poésies, ed. A. Scheler, (Acad. royale de Belgique)
1870-'72, 3 vol., II p. 341.
[244] Alain Chartier, La ballade de Fougères, p. 718.
[245] Richteren 6.
[246] La Marche, IV p. 164; Jacques du Clercq, II p. 6.
[247] Liber Karoleidos vs. 88 (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous la
dom. des ducs de Bourg. III).
[248] Gen. 30.32; 4 Reg. (2 Kon.) 3.4; Job 31.20; Psalm 71.6.
(Statenvert. 72.6: "nagras", waar Vulg. "vellus" heeft).
[249] Guillaume Fillastre, Le Second volume de la toison dor, Paris,
Franc. Regnault, 1516. fol. 1, 2.
[250] La Marche, III p. 201, IV p. 67; Lefèvre de S. Remy, II p. 292;
het ceremonieel van zulk een doop bij Humphrey van Glocester's heraut
Nicolas Upton, De officio militari, ed. E. Bysshe (Bissaeus) London,
1654, lib. I, c. XI, p. 19.
[251] Le livre du chevalier de la Tour Landry, ed. A. de Montaiglon,
(Bibl. elzevirienne) Paris, 1854, p. 241 ss.
[252] Voeu du héron, ed. Soc. des bibl. de Mons, p. 17.
[253] Froissart, ed. Luce, I p. 124.
[254] Sedert eenigen tijd.
[255] Zal uitgaan.
[256] Rel. de S. Denis, III p. 72. Harald Harfagri doet de gelofte, zijn
haar niet te laten afsnijden, eêr hij heel Noorwegen veroverd heeft,
Haraldarsaga Harfagra, cap. 4; vgl. Voluspa 33.
[257] Jorga, Ph. de Mézières, p. 76.
[258] Claude Menard, Hist. de Bertrand du Guesclin, p. 39, 55, 410, 488,
La Curne, I p. 240.
[259] Douet d'Arcq, Choix de Pièces inédites rel. au règne de Charles
VI. (Soc. de l'hist. de France 1863) I p. 370.
[260] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, chap. XVI ss.,
Chastellain, VIII p. 70.
[261] Le petit Jehan de Saintré, chap. 48.
[262] Germania cap. 31; La Curne, I p. 236.
[263] Heimskringla, Olafssaga Tryggvasonar, cap. 35; Weinhold,
Altnordisches Leben, p. 462.
[264] La Marche, II p. 366.
[265] La Marche. II p. 381-387.
[266] La Marche, l.c.; d'Escouchy, II p. 166, 218.
[267] d'Escouchy, II p. 189.
[268] Doutrepont, p. 513.
[269] ib. p. 110, 112.
[270] Chastellain, III p. 376.
[271] Hierboven blz. 123. [Zie alinea die begint met: "Quant sommes ès
..., M.D.]
[272] Chronique de Berne (Molinier no. 3103) bij Kervyn, Froissart, II
p. 531.
[273] d'Escouchy, II p. 220.
[274] Froissart, ed. Luce, X p. 240, 243.
[275] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, Chastellain, VIII p.
158-161.
[276] La Marche, IV Estat de la maison p. 34, 47.
[277] Zie mijn verhandeling Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal
besef, de Gids 1912, 1.
[278] Ps. 50, 19 (51, 20).
[279] Monstrelet, IV p. 112; Pierre de Fenin, p. 363; Lefèvre de Saint
Remy, II p. 63; Chastellain, I p. 331.
[280] Zie J.D. Hintzen, De kruistochtplannen van Philips den Goede,
Leidsche dissertatie 1918.
[281] Chastellain, III p. 6, 10, 34, 77, 118, 119, 178, 334; IV p. 125,
128, 171, 431, 437, 451, 470; V p. 49.
[282] La Marche, II p. 382.
[283] Uit de voorgeschiedenis van ons nat. besef, de Gids 1912, I.
[284] Monstrelet, I p. 43ss.
[285] Monstrelet, IV p. 219.
[286] Pierre de Fenin, p. 626/7; Monstrelet, IV p. 244; Liber de
Virtutibus, p. 27.
[287] Lefèvre de Saint Remy, II p. 107.
[288] Laborde, I p. 201s.
[289] La Marche, II p. 27, 382.
[290] Bandello, I nov. 39: Filippo duca di Burgogna si mette fuor di
proposito a grandissimo periglio.
[291] F. von Bezold, Aus dem Briefwechsel der Markgräfin Isabella von
Este-Gonzaga, Archiv f. Kulturgesch. VIII p. 396.
[292] Chastellain. III p. 38-49; La Marche, II p. 400ss.; d'Escouchy, II
p. 300ss.; Corp. chron. Flandr., III p. 525; Petit Dutaillis, Documents
nouveaux, p. 113, 137.--Over een blijkbaar ongevaarlijken vorm van
gerechtelijk tweegevecht: Deschamps IX p. 21.
[293] Froissart, ed. Luce, IV p. 89/94.
[294] Froissart, IV p. 127/8.
[295] Lefèvre de S. Remy, I p. 241.
[296] Froissart, XI p. 3.
[297] Rel. de S. Denis, III p. 175.
[298] Froissart, XI p. 24ss., VI p. 156.
[299] Ib., IV p. 110, 115. Andere soortgelijke gevechten b.v. Molinier,
Sources, IV no. 3707; Molinet, IV p. 294.
[300] Rel. de S. Denis, I p. 392.
[301] Le Jouvencel, I p. 209, II p. 99, 103.
[302] Froissart, I p. 65. IV p. 49, II p. 32.
[303] Chastellain, II p. 140.
[304] Monstrelet, III p. 101; Lefèvre de S. Remy, I p. 247.
[305] Molinet, II p. 36, 48, III p. 98, 453. IV p. 372.
[306] Froissart. III p. 187, XI p. 22.
[307] Chastellain, II p. 374.
[308] Molinet, I p. 65.
[309] Monstrelet, IV p. 65.
[310] ib., III p. 111, Lefèvre de S. Remy, I p. 259.
[311] Basin, III p. 57.
[312] Froissart, IV p. 80.
[313] Chastellain, I p. 260; La Marche, I p. 89.
[314] Commines, I p. 55.
[315] Chastellain, III p. 82ss.
[316] Froissart, XI p. 58.
[317] Ms. Kroniek van Oudenaarde, bij Rel. de S. Denis, I p.229(1).
[318] Froissart, IX p. 220, XI p. 202.
[319] Chastellain, II p. 259.
[320] La Marche, II p. 324.
[321] Chastellain, I p. 28, Commines, I p. 31; vgl. Petit Dutaillis in
Lavisse, Histoire de France, IV(2) p. 33.
[322] Deschamps, IX p. 80, vgl. vs. 2228, 2295, XI p. 173.
[323] Froissart, II p. 37.
[324] La Débat des hérauts d'armes § 86, 87, p. 33.
[325] Livre des faits, bij Chastellain, VIII p. 252(2) en xix.
[326] Froissart, ed. Kervyn, XI p. 24.
[327] Froissart, IV p.83, ed. Kerv., XIp. 4.
[328] Deschamps, IV no. 785, p. 289.
[329] Chastellain, V p. 217.
[330] Le Songe véritable, Mém. de la soc. de l'hist. de Paris, t. XVII
p. 325, bij Raynaud, Les cent ballades, p. 1v(1).
[331] Commines, I, p. 295.
[332] Livre messires Geoffroi de Charny, Romania XXVI.
[333] Commines, I p. 36-42, 86, 164.
[334] Froissart, IV p. 70, 302; vgl. ed. Kervyn de Lettenhove, Bruxelles
1869-1877, 26 vol., V p. 513.
[335] Froissart, ed. Kervya, XV p. 227.
[336] Doutrepont, p. 112.
[337] Emerson, Nature, ed. Routledge, 1881, p. 230/1.
[338] A. Piaget, Romania, XXVII 1898, p. 63.
[339] Lez ru = bij een beek, o = met, bij, matton = roomkaas, aulx =
knoflook, escaillongne = sjalot.
[340] Jame = gemme.
[341] Deschamps, no. 315, III p. 1.
[342] Deschamps, I p. 161, no.65, vgl. I p. 78 no. 7, p. 175 no. 75.
[343] Deschamps, no. 1287, 1288, 1289. VII p. 33, vgl. no. 178, I p. 313.
[344] Deschamps, no. 240, II p. 71, vgl., no. 196, II p. 15.
[345] Deschamps, no. 184, I p. 320. Chartons = voerman, ouvrant = werkende.
[346] Deschamps no. 1124, no. 307, VI p. 41, II p. 213, Lai de
franchise.
[347] Vgl. verder Deschamps, no. 199, 200, 201, 258, 291, 970, 973,
1017, 1018, 1021, 1201, 1258.
[348] Deschamps, XI p. 94.
[349] Romania XXVII 1898, p. 64.
[350] N. de Clemanges, Opera ed. 1613, Epistolae no. 14, p. 57, no. 18,
p. 72, no. 104, p. 296.
[351] Joh. de Monasteriolo. Epistolae, Martène & Durand, Ampl.
Collectio. II. c. 1398.
[352] Ib. c. 1459.
[353] Alain Chartier, Oeuvres ed. Duchesne, 1617, p. 391.
[354] Zie Thuasne. I p. 37, II p. 202.
[355] Oeuvres du roi René, ed. Quatrebarbes, IV p. 73, vgl. Thuasne, II
p. 204.
[356] Meschinot, ed. 1522, f. 94, bij La Borderie, Bibl. de l'Ec. des
Chartes, LVI, 1895, p. 313.
[357] Vgl. Thuasne, 1. c., p. 205.
* * * * *
IV
DE VORMEN DER LIEFDE
Sedert de Provençaalsche troubadours der twaalfde eeuw het eerst de
melodie van het onbevredigd verlangen hadden aangeheven, hadden de
violen van het liefdelied al hooger en hooger gezongen, totdat alleen
Dante het instrument meer zuiver bespelen kon.
Het was een der gewichtigste wendingen van den middeleeuwschen geest
geweest, toen hij voor het eerst een liefdesideaal ontwikkelde met een
negatieven grondtoon. De Oudheid had voorzeker ook het smachten en de
smarten der liefde bezongen; maar was toch eigenlijk daar het smachten
niet enkel gezien als het uitstel en de prikkel der zekere vervulling?
En in het droef-eindend liefdeverhaal der Oudheid was niet de
verijdeling van het verlangen het stemmingsmoment, maar het dramatisch
door den dood afbreken der reeds vervulde min, zooals van Cephalus en
Procris, van Pyramus en Thisbe. De aandoening van droefheid lag er niet
in de erotische onbevredigdheid, maar in het treurig lotgeval. Eerst in
de hoofsche minne der troubadours is de onbevredigdheid zelf hoofdzaak
geworden. Er was een erotische gedachtenvorm geschapen, die vatbaar was
om een overvloed van ethisch gehalte in zich op te nemen, zonder daarom
ooit het verband met de natuurlijke vrouwenliefde geheel op te geven.
Uit de zinnelijke liefde zelf was de edele vrouwendienst zonder
aanspraak op vervulling voortgesproten. De liefde moest nu het veld
zijn, waarop alle aesthetische en zedelijke volmaking des menschen
bloeien moest. Zuiver vergeestelijkt "vulde zij zich met de heiligste
vroomheid: la vita nuova.
Toen moest een nieuwe wending komen. In den dolce stil nuovo van Dante
en zijn tijdgenooten was een uiterste bereikt. Petrarca staat alweer
weifelend tusschen het ideaal der vergeestelijkte hoofsche liefde en de
nieuwe inspiratie der Oudheid. En van Petrarca naar Lorenzo de Medici
neemt in Italië het minnelied den weg terug naar de natuurlijke
zinnelijkheid, die ook de bewonderde antieke modellen doordrong. Het
kunstig uitgewerkte systeem der hoofsche min was weder prijsgegeven.
In Frankrijk en de landen, die onder den ban van Frankrijk's geest
stonden, was de wending anders gekomen. De ontwikkeling der erotische
gedachte sedert den hoogsten bloei der hoofsche lyriek is er minder
eenvoudig. De vormen van het systeem blijven van kracht, maar vullen
zich met anderen geest. Daar had, nog voordat de _Vita nova_ de eeuwige
harmonie vond van een vergeestelijkte passie, de _Roman de la rose_
nieuwen inhoud gegoten in de vormen der hoofsche min. Ongeveer twee
eeuwen lang heeft het werk van Guillaume de Lorris en Jean Clopinel (of
Chopinel) [358] de Meun, begonnen vóór 1240 en vóór 1280 voltooid, niet
alleen de vormen der aristocratische liefde volkomen beheerscht, maar
bovendien door zijn encyclopaedischen rijkdom aan uitweidingen op alle
mogelijke gebieden de schatkamer opgeleverd, waaruit de beschaafde
leeken het levendste van hun geestelijke ontwikkeling putten. Het kan
niet gewichtig genoeg worden geschat, dat aldus de heerschende klasse
van een gansch tijdperk haar levenskennis en haar eruditie kreeg in het
raam van een ars amandi. In geen anderen tijd heeft zich het ideaal van
wereldlijke beschaving zoodanig geamalgameerd met dat der vrouwenliefde
als in de twaalfde tot vijftiende eeuw. Alle christelijke en
maatschappelijke deugden, alle volmaking van levensvormen waren in het
systeem der min geschikt in het kader der trouwe liefde. De erotische
levensbeschouwing, 't zij in haar ouderen zuiver hoofschen vorm, 't zij
in haar belichaming in den _Roman de la rose_, kan op één lijn gesteld
worden met de gelijktijdige scholastiek. Beide vertegenwoordigen een
grootsche poging van den middeleeuwschen geest, om onder één
gezichtspunt alles wat des levens is te begrijpen.
In de bonte uitbeelding van de vormen der liefde concentreerde zich al
het streven naar levensschoonheid. Wie die schoonheid zocht in eer en
rang, zijn leven wilde tooien met praal en staatsie, kortom wie de
schoonheid des levens in den hoogmoed zocht, zag zich altijd weer
geplaatst voor het inzicht in de ijdelheid dier dingen. Maar in de
liefde scheen, tenzij men afscheid had genomen van alle aardsch geluk,
het doel en het wezen de genieting der schoonheid zelve. Hier was geen
levensschoonheid te scheppen uit edele vormen ter begeleiding van een
hoogen staat, hier woonde de diepste schoonheid en het hoogste geluk
zelf, en wachtte slechts om versierd te worden met kleur en stijl. Elk
ding van schoonheid, elke bloem en elke klank, kon dienst doen om den
levensvorm der liefde op te bouwen.
Het streven naar de styleering der liefde was meer dan een ijdel spel.
Het was de geweldigheid van den hartstocht zelf, die aan deze felle
samenleving der late Middeleeuwen gebood, het liefdeleven te verheffen
tot een schoon spel van edele regels. Hier bovenal was op straffe van
barbaarschheid de behoefte, om de aandoeningen te encadreeren in vaste
vormen. Onder de lagere standen was de beteugeling der ongebondenheid
aan de Kerk overgelaten, die daarin slaagde zoo goed en zoo kwaad als
een kerk dat vermag. In de aristocratie, die zich onafhankelijker voelde
van de Kerk, omdat zij een stuk cultuur had buiten het kerkelijke,
vormde zich in de veredele erotiek zelf een rem op de teugelloosheid;
litteratuur, mode en omgangsvormen oefenden er een normeerenden invloed
op het liefdeleven uit.
Of althans, zij schiepen een schoonen schijn, waarnaar men waande te
leven. Want in den grond bleef ook onder de hoogere standen het
liefdeleven bijster ruw. De dagelijksche zeden waren daarbij nog van een
vrijmoedige onbeschaamdheid, die latere tijden verloren hebben. De
hertog van Bourgondië laat voor het Engelsche gezantschap, dat hij te
Valenciennes verwacht, de badstoven der stad in orde maken "pour eux et
pour quiconque avoient de famille, voire bains estorés de tout ce qu'il
faut au mestier de Vénus, à prendre par choix et par élection ce que on
désiroit mieux, et tout aux frais du duc." [359] De ingetogenheid van
zijn zoon Karel den Stoute wordt hem door velen euvel geduid als voor
een vorst niet passend. [360] Onder de mechanieke vermakelijkheden van
den lusthof te Hesdin vermelden de rekeningen "ung engien pour moullier
les dames en marchant par dessoubz." [361]
Doch het is geen tekortschieten aan het ideaal alleen. Naast den stijl
der veredele liefde had ook de ongebondenheid zelf haar stijl, en wel
een zeer ouden. Men kan hem den epithalamischen stijl noemen. Op het
gebied van de verbeeldingen der liefde erft een verfijnde samenleving
als die der laatste Middeleeuwen zooveel overoude motieven, dat de
erotische stijlen met elkaar wedijveren of zich onderling vermengen.
Veel ouder wortels en een even vitale beteekenis als de stijl der
hoofsche min had die primitieve vorm der erotiek, die de
geslachtsgemeenschap zelf verheerlijkt, door de christelijke cultuur
verdrongen uit zijn waarde van heilig mysterie, maar niettemin altijd
even levend.
De geheele epithalamische toestel, met zijn onbeschaamden lach en zijn
phallische symboliek, had eens deel uitgemaakt van de heilige riten zelf
der bruiloftsviering. Huwelijksplechtigheid en bruiloftsfeest waren
éénmaal ongescheiden geweest: één groot mysterie, dat zich concentreerde
op de copulatie. Toen was de Kerk gekomen en had de heiligheid en het
mysterie voor zich genomen, door ze te verleggen naar het sacrament der
plechtige verbintenis. De accessoires van het mysterie, de stoet en het
lied en de juichkreet, had zij overgelaten aan het bruiloftsfeest. Maar
daar leefden zij nu, ontdaan van hun sacraal karakter, in des te
wulpscher ongebondenheid voort, en de Kerk was machteloos gebleven, die
daar te keeren. Geen kerkelijke zedigheid kon den heftigen levenskreet
van het Hymen o Hymenaee! dempen. Geen puriteinsche zin heeft de
schaamtelooze publiciteit van den huwelijksnacht uit de zeden doen
verdwijnen, immers onze zeventiende eeuw kent haar nog in vollen fleur.
Eerst het moderne individueele sentiment, dat in stilte en duister
hullen wilde, wat van twee alleen was, heeft die zede gebroken.
Wanneer men zich herinnert, dat nog in 1641 bij de bruiloft van den
jongen prins van Oranje met Maria van Engeland de practical jokes niet
ontbraken, om den bruidegom, een knaap nog, de consummatie van het
huwelijk quasi te beletten, dan verbaast men zich niet over de
onbeschaamde uitgelatenheid, waarmee vorstelijke en adellijke huwelijken
omstreeks 1400 plachten gevierd te worden. Het obsceen gegrinnik,
waarmee Froissart de bruiloft van Karel VI met Isabeau van Beieren,
oorsprong van groote tragediën, verhaalt, of het epithalamium, dat
Deschamps aan Antonie van Bourgondië wijdde, kunnen als voorbeelden
strekken. [362] De _Cent nouvelles nouvelles_ vertellen als iets heel
gewoons van een bruidspaar, dat met de vroegmis trouwt, en na een
lichten maaltijd terstond te bed gaat. [363] Al de grappen, die hetzij
bij de bruiloft of bij het liefdeleven in 't algemeen hoorden, werden
ook voor het gezelschap van dames passend geacht. De _Cent nouvelles
nouvelles_ dienen zich aan, zij het met eenige ironie, als "glorieuse et
édifiant euvre", als verhalen "moult plaisants à raconter en toute bonne
compagnie". Een adellijke rijmer maakt een lascive ballade op verzoek
van Madame de Bourgogne en al de dames en jufferen van haar hof. [364]
Het is duidelijk, dat al deze dingen niet gevoeld zijn als tekortkomingen
aan het hooge en stijve ideaal van eer en welvoegelijkheid. Er is hier
een tegenstrijdigheid, die niet mag worden verklaard door de edele vormen
en de groote mate van preutschheid, die de Middeleeuwen op ander gebied
vertoonen, als hypocrisie te beschouwen. Evenmin is de schaamteloosheid
een saturnalisch uit den band springen. Nog onjuister is het, om de
epithalamische obsceniteiten als een teeken van décadence, van
aristocratische overbeschaving te beschouwen, zooals ten opzichte van
onze zeventiende eeuw is geschied. [365] De dubbelzinnigheden, de obscene
woordspelingen, de lascive verzwijgingen hooren in den epithalamischen
stijl thuis, ze zijn er overoud. Ze worden begrijpelijk, als men ze
beschouwt tegen hun ethnologischen achtergrond: als de tot omgangsvormen
verzwakte resten van het phallische symbolisme der primitieve cultuur.
Als ontmunt mysterie derhalve. Wat eenmaal, toen de grenzen van spel en
ernst nog niet door de cultuur heen waren getrokken, de heiligheid van
het ritueele verbond met de uitgelatenheid der levensvreugde, kon in een
christelijke samenleving slechts meer gangbaarheid hebben als prikkelende
luim en spot. Dwars tegen vroomheid en courtoisie in handhaafden zich in
de bruiloftsgebruiken de sexueele verbeeldingen met al hun levende kracht.
Men kan, als men wil, het geheele komisch-erotische genre beschouwen als
wilde loten uit den stam van het epithalamium: de vertelling, de klucht,
het liedje. Doch het verband met dien mogelijken oorsprong is lang
verloren; het is een litteratuurgenre op zich zelf geworden; de komische
werking is het zelfstandig doel geworden. Alleen de aard der komiek is
nog altijd dezelfde als die van het epithalamium: zij berust doorgaans
op de symbolische aanduiding der sexueele dingen, of de travesti der
geslachtsliefde in de begrippen van eenig maatschappelijk bedrijf. Bijna
elk werk of ambacht leende zijn termen tot erotische allegorie, toen als
altijd. Het ligt voor de hand, dat in de veertiende en vijftiende eeuw
vooral het tournooi, de jacht en de muziek [366] er de stof toe leverden.
De behandeling van liefdegevallen in de vormen van het rechtsgeding,
zooals de _Arrestz d'amour_, hoort feitelijk niet onder de categorie der
travesti. Doch er was een ander gebied, dat voor de inkleeding van het
erotische bijzonder geliefd was, en wel het kerkelijke. De uitdrukking
van het sexueele in kerkelijke termen werd in de Middeleeuwen toegepast
met een buitengewone vrijmoedigheid. In de _Cent nouvelles nouvelles_ is
het enkel het gebruik van woorden als bénir of confesser in obscenen
zin, of de woordspeling van saints en seins, die men niet moede werd te
herhalen. Doch in gekuischter opvatting ontwikkelt zich de kerkelijk-
erotische allegorie tot een litterairen vorm op zich zelf. Het is de
dichterkring van den fijnen Charles d'Orléans, die de droeve liefde
verbeeldt onder de gedaante der kloosterlijke askese, der liturgie en
van het martelaarschap. In navolging van de strenge hervorming van het
Franciscaansche kloosterleven omstreeks 1400 noemen zij zich Les
amoureux de l'observance. Het is als een ironische pendant van den
strakken ernst van den dolce stil nuovo. De heiligschennende strekking
wordt half geboet door de innigheid van het amoureuze sentiment.
"Ce sont ici les dix commandemens,
Vray Dieu d'amours....
Lors m'appella, et me fist les mains mettre
Sur ung livre, en me faisant promettre
Que feroye loyaument mon devoir
Des points d'amour". [367]
Hij zegt van een gestorven minnaar:
"Et j'ay espoir que brief ou (au) paradis
Des amoureux sera moult hault assis,
Comme martir et très honnoré saint."
En van de eigen doode geliefde:
"J'ay fait l'obseque de ma dame
Dedens le moustier amoureux,
Et le service pour son ame
A chanté Penser doloreux.
Mains sierges de soupirs piteux
Ont esté en son luminaire,
Aussi j'ay fait la tombe faire
De regrets...." [368]
In het zuivere gedicht _L'amant rendu cordelier de l'observance
d'amour_, dat de opneming van een troosteloozen minnaar in het klooster
van de martelaars der liefde in den breede beschrijft, is al het
zacht-komische effekt, dat de kerkelijke travesti beloofde, tot het
uiterste uitgewerkt. Is het niet, alsof de erotiek telkens weer, zelfs
op perverse wijze, met het heilige een aanraking moest zoeken, die zij
lang te voren verloren had?
De erotiek moest, om cultuur te zijn, tot elken prijs een stijl zoeken,
een vorm die haar bond, een uitdrukking, die haar bedekte. En zelfs waar
zij dien vorm versmaadde en afdaalde van scabreuze allegorie tot de
regelrechte en ongesluierde behandeling van het geslachtsleven, blijft
zij haars ondanks toch nog gestyleerd. Het geheele genre, dat door een
groven geest licht voor erotisch naturalisme gehouden wordt, dat, waar
de mannen nimmer uitgeput en de vrouwen altijd willig zijn, is evengoed
als de edelste hoofsche min een romantische fictie. Wat anders dan
romantiek is de laffe verwaarloozing van alle natuurlijke en
maatschappelijke complicaties der liefde, de bemanteling van al het
leugenachtige, het zelfzuchtige en het tragische in het geslachtsleven
met den schoonen schijn van een ongestoord jolijt? Ook hier is het de
groote cultuuraandrift: de zucht naar het schoone leven, de behoefte om
het leven schooner te zien dan de werkelijkheid het bood, de forceering
van het liefdeleven in den vorm van een fantastischen wensch, maar thans
door overdrijving naar den dierlijken kant. Ook hier een levensideaal:
het ideaal der onkuischheid.
De werkelijkheid is te allen tijde slechter en ruwer geweest dan het
verfijnd litteraire liefdesideaal haar zag, maar ook zuiverder en
ingetogener dan de platte erotiek, die veelal als naturalistisch geldt,
haar voorstelde. Eustache Deschamps, de brooddichter, pleegt in tal
van komische balladen, waarin hij sprekend optreedt, zich tot de
liederlijkste gemeenheid te verlagen. Maar hij is niet de werkelijke
held van die obscene gevallen, en te midden ervan treft een teer versje,
waarin hij zijn dochter op de voortreffelijkheid van haar gestorven
moeder wijst. [369]