Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke

blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra

het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke

hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de

koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's

hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog

te weerstreven. [315] Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied,

hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on

l'eust regardé une espasse on le osta de là et fu pendus à un arbre.

Velà le darraine fin de che Philippe d'Artevelle." [316] De koning zou

zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de

vilain". [317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers

van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers

verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen

Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij. [318]

Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en

zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden

Gentschen knaap, die alleen op Lalaing aanviel. [319] La Marche zegt

althans naïef van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk

verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de

bien" geweest was. [320]

Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het

ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang

de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende

eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids.

De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag

ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen. [321] Eustache

Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten.

[322] Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan

men niet wijken en vluchten. [323] Buitengewoon naïef komt de

ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit

in het _Debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre,_ een

tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de

voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut

heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote

scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de

Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche

adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende

redenen: "car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle

pitié quant il fait une tourmente (storm), et si est la malladie de la

mer forte à endurer à plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault

vivre, qui n'est pas bien consonante à noblesse." [324] Hoe gering van

uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen

van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der

dolende ridders "à la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing, gedood werd

door een kanonschot. [325]

Er was aan de adellijk-militaire carrière een financieele kant, die

dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der

laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het

daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van

den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver

van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende. [3286 Maar

behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en

renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol.

Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs

qui desire mon avancement", zegt Eustache de Ribeumont. Froissart

vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere

tot voorbeeld van de dapperen, "qui se désirent à avanchier par armes."

[327] Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en

sergianten van het hof van Bourgondië staan te hunkeren naar den

betaaldag, met het refrein:

"Et quant venra le tresorier?" [328]

Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar

aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et

entendant à grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes,

soit en gouvernemens ou en pratiques." [329] En inderdaad schijnt zelfs

de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van

bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest. [330] De nuchtere

Commines begroot een edelman naar zijn salaris als "ung gentilhomme de

vingt escuz." [331]

Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den

ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het

ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen

de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en

tournooien.[332] Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische

geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden,

elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De

beschrijving van den slag bij Montlhéry bij Commines is in haar nuchter

realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief

dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en

gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme.

Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan

vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is.

Hij gebruikt weinig het woord "honneur", en behandelt de eer bijna als

een noodzakelijk kwaad. "Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller

ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, là où il avoit de

l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise". Zelfs waar

hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie

der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet.

[333]

Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest,

van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat

in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier,

de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist

Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den

ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan

Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren

van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000

kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van

dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en

een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze

Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er

grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was,

en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land,

waar men ridderlijke faam beter waardeerde. [334]

Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te

ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog

Albrecht van Beieren, den graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, tot

zijn zoon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulenté de

voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et quérir les armes sur gens

et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison

tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse

Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay

la tienne à par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre héritage."

[335]

Van al de landen van Bourgondië was de adel van Holland bij de

kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst

vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de

verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit

Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog

zeer voorwaardelijk en voorzichtig. [336]

* * * * *

De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien

daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling

der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch

noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal

de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest

in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het

ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de

ridderlijke gedachte. "Without this violence of direction, which men and

women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no

efficiency. We aim above the mark to hit the mark. Every act hath some

falsehood of exaggeration in it." [337]

Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de

hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid

grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon

slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke

realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte

illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden

levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat

over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der

17e eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie

schijnt een hulsel van leugen af te vallen.

De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van

schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren

werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde

chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een

belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden

handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er

buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst

zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische

zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een

waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter

zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt

bezweek het ideaal: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle

kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers

begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en

onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo

bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst

naar veiligen eenvoud en rust.

Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het

werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die

naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y

van Pythagoras in tweeën: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk

leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De

zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en

verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg

open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en

lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd

als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds

Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder

strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele

eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van

den wreeden, gevaarlijken krijg.

De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche

litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet

volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een

negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de

laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van

het aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen.

Op het thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde

eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten _De nugis

curialum_ geschreven. In het veertiendeëeuwsche Frankrijk had het zijn

klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri,

bisschop van Meaux, musicus en poëet beide, door Petrarca geprezen: _Le

Dit de Franc Gontier_. [338] De versmelting met de pastorale is hier

volkomen.

"Soubz feuille vert, sur herbe delitable

Lez ru bruiant et prez clere fontaine

Trouvay fichee une borde portable,

Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne

Fromage frais, laict, burre fromaigee,

Craime, matton, pomme, nois, prune, poire,

Aulx et oignons, escaillongne froyee

Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire." [339]

Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien

barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl

dame Helayne aan het wasschen gaat.

"J'oy Gontier en abatant son arbre

Dieu mercier de sa vie seüre:

"Ne sçay--dit-il--que sont pilliers de marbre,

Pommeaux luisans, murs vestus de paincture;

Je n'ay paour de traïson tissue

Soubz beau semblant, ne qu'empoisonné soye

En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue

Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye.

Verge d'uissier jamais ne me deboute,

Car jusques la ne m'esprent convoitise,

Ambicion, ne lescherie gloute.

Labour me paist en joieuse franchise;

Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille,

Et c'est assez. De tombel n'avons cure."

Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille,

Mais Franc Gontier vault en or jame pure." [340]

Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het

ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid,

met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke,

onverwikkelde liefde in het huwelijk.

Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer

van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere één trouwe

nabootsing van _Franc Gontier:_

"En retournant d'une court souveraine

Où j'avoie longuement sejourné,

En un bosquet, dessus une fontaine

Trouvay Robin le franc, enchapelé,

Chapeauls de flours avoit cilz afublé

Dessus son chief, et Marion sa drue...." [341]

Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en

ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van

den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven

hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht

zijn het wezen van den krijg.

... "Je vueil mener d'or en avant

Estat moien, c'est mon oppinion,

Guerre laissier et vivre en labourant:

Guerre mener n'est que dampnacion." [342]

Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of

laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt,

uitdrukkelijk verbieden. [343] Doch meestal is het het thema der aurea

mediocritas op zich zelf.

"Je ne requier à Dieu fors qu'il me doint

En ce monde lui servir et loer,

Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint,

Aucun cheval pour mon labour porter,

Et que je puisse mon estat gouverner

Moiennement, en grace, sanz envie,

Sanz trop avoir et sanz pain demander,

Car au jour d'ui est la plus seure vie." [344]

Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden

en gelukkig, en leeft ongestoord en lang:

... "Un ouvrier et uns povres chartons

Va mauvestuz, deschirez et deschaulx

Mais en ouvrant prant en gré ses travaulx

Et liement fait son euvre fenir.

Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx

Voit quatre roys et leur regne fenir." [345]

De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel

den dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht. [346]

De uitgever van Deschamps' poëzie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de

gedichten van deze strekking, [347] veelal onder de beste, die Deschamps

maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet

van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het

hofleven zou hebben begrepen. [348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het

niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf,

midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik

mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die

een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te

bevredigen.

Omstreeks 1400 is het de kring van vroegste Fransche humanisten,

tendeele samenvallend met de reformpartij der groote conciliën, die op

het thema der misprijzing van het hofleven voortwerkt. Pierre d'Ailly

zelf, de groote theoloog en kerkpoliticus, dicht een pendant bij _Franc

Gontier_, het beeld van den tiran in zijn slavenleven vol van vreezen.

[349] Zijn geestverwanten gebruiken den nieuw opgefrischten Latijnschen

briefvorm ertoe: zoo Nicolaas de Clemanges, [350] zoo zijn correspondent

Jean de Montreuil. [351] Tot dien kring behoorde de Milanees Ambrosius

de Miliis, secretaris van den hertog van Orleans, die aan Gontier Col

een litterairen brief schreef, waarin een hoveling zijn vriend

waarschuwt voor de intrede in den hofdienst. [352] Deze brief, zelf in

vergetelheid geraakt, werd vertaald door, of kwam althans in vertaling

onder den titel _Le Curial_ op naam van Alain Chartier, den befaamden

hofdichter. [353] _Le Curial_ werd weer in het latijn overgebracht door

den humanist Robert Gaguin. [354]

In den vorm van een allegorisch gedicht, trant _Roman de la rose_,

behandelde zekere Charles de Rochefort het thema. Zijn _L'abuzé en

court_ kwam op naam van koning René. [355] Jean Meschinot dicht als al

zijn voorgangers:

"La cour est une mer, dont sourt

Vagues d'orgueil, d'envie orages....

Ire esmeut debats et outrages,

Qui les nefs jettent souvent bas;

Traison y fait son personnage.

Nage aultre part pour tes ebats." [356]

Nog in de zestiende eeuw had het oude thema zijn bekoring niet verloren.

[357]

Veiligheid, rust en onafhankelijkheid, dat zijn de goede dingen, waarom

men het hof wil ontvlieden voor het eenvoudig leven in arbeid en

matigheid, temidden der natuur. Dat is de negatieve kant van het ideaal.

Doch de positieve kant is niet zoo zeer de vreugde aan arbeid en eenvoud

zelf als wel het welbehagen aan de natuurlijke liefde. Het herdersideaal

leidt ons onmiddellijk over tot de vormen der erotische cultuur.

NOTEN:

[143] Deschamps, II p. 226.

[144] Chastellain, Le miroer des nobles hommes en France, VI p. 204,

Exposition sur vérité mal prise, VI p. 416, L'entrée du roy Loys en

nouveau règne, VII p. 10.

[145] Froissart, ed. Kervyn, XIII, p. 22; Jean Germain, Liber de

virtutibus ducis Burg., p. 109; Molinet, I p. 83, III p. 100.

[146] Monstrelet, II p. 241.

[147] Chastellain. VII p. 13-16.

[148] Chastellain. III p. 82, IV p. 170, V p. 279, 309.

[149] Jacques du Clercq. II p. 245. vgl. p. 339.

[150] Zie hierboven blz. 15**.

[151] Chastellain, III p. 82-89.

[152] Chastellain, VII p. 90ss.

[153] Chastellain, II p. 345.

[154] Deschamps no. 113, t. I p. 230.

[155] N. de Clemanges, Opera ed. Lydius. Leiden 1613, p. 48, cap. IX.

[156] Gerson, Opera, IV p. 583-622, zie Denifle & Chatelain,

Chartularium Univ. Paris. IV no. 1819.

[157] Bij H. Denifle, La désolation des églises etc. en France. Paris

1897-'99, 2 vol., I p. 497-513.

[158] Alain Chartier, Oeuvres, ed. Duchesne, p. 402.

[159] Rob. Gaguini Epistole et orationes, ed. L. Thuasne (Bibl. litt. de

la Renaissance t. II) Paris 1903, 2 vol., II p. 321, 350.

[160] Froissart. ed. Kervyn, XII p. 4; Le livre des trahisons p. 19, 26;

Chastellain, I p. XXX, III p. 325, V p. 260. 275, 325, VII p. 466-480;

Thomas Basin, passim, vooral I p. 44, 56, 59, 115; vgl. La complainte du

povre commun et des povres laboureurs de France (Monstrelet, VI p. 176-190.)

[161] Les Faictz et Dictz de messire Jehan Molinet, Paris, Jehan Petit,

1537, f. 87vso.

[162] Ballade 19, bij A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses

oeuvres, Bibl. de l'école des chartes LVI, 1895, p. 296; vgl. Les

Lunettes des princes ib. p. 607, 613.

[163] Masselin, Journal des Etats Généraux de France tenus à Tours en

1484, ed. A. Bernier, (Coll. des documents inédits) p. 672.

[164] Deschamps, VI no. 1140, p. 67.

[165] Deschamps, VI p. 124 no. 1176.

[166] Molinet, II p. 104-107; Jean le Maire de Belges, Les chansons de

Namur 1507.

[167] Chastellain. Le miroir des nobles hommes de France, VI p. 203,

211, 214.

[168] Le Jouvencel, ed. C. Favre et L. Lecestre (Soc. de l'hist. de

France) 1887-'89, 2 vol., I p. 13.

[169] Livre des faicts du mareschal de Boucicaut, Petitot. Coll. de

mém., VI p. 375.

[170] Philippe de Vitri, Le chapel des fleurs de lis (1335), ed. A.

Piaget, Romania XXVII 1898, p. 80ss.

[171] Zie daarover La Curne de Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne

chevalerie, 1781, II p. 94-96.

[172] Molinet, I p. 16/17.

[173] N. Jorga, Philippe de Mézières, p. 469.

[174] l.c., p. 506.

[175] Froissart, ed. Luce, I p. 2/3; Monstrelet, I p. 2; d'Escouchy,

I p. I; Chastellain, I prologue, II p. 116. VI p. 266; La Marche, I p.

187; Molinet, I p. 17, II p. 54.

[176] Lefèvre de S. Remy, II p. 249; Froissart. ed. Luce, I p. I; vgl.

Le debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre, ed. L. Pannier

et P. Meyer, (Soc. des anciens textes francais) 1887, p. 1.

[177] Chastellain, V p. 443.

[178] Les origines de la France contemporaine. La Révolution, I p. 190.

[179] Die Kultur der Renaissance in Italien,(10) II p. 155.

[180] l.c., I p. 152-165.

[181] Froissart, ed. Luce, IV p. 112.

[182] Le Dit de Vérité, Chastellain, VI p. 221.

[183] Le livre de la paix, Chastellain, VII p. 367.

[184] Froissart, ed. Luce, I p. 3.

[185] Le cuer d'amours épris, Oeuvres du roi René, ed. De Quatrebarbes,

Angers 1845, 4 vol., t. III p. 112.

[186] Lefèvre de S. Remy, II p. 68.

[187] Doutrepont, p. 183.

[188] La Marche, II p. 216, 334.

[189] Ph. Wielant, Antiquités de Flandre, ed. De Smet (Corp. chron.

Flandriae IV) p. 56.

[190] Commines, I p. 390, vgl. de anecdote bij Doutrepont, p. 185.

[191] Chastellain, V p. 316-319.

[192] P. Meyer, Bull. de la soc. des anc. textes français 1883, p.

45-54.

[193] Deschamps. nos. 12, 93, 207, 239, 362, 403, 432, 652. I p. 86,

199, II p. 29, 69, X p. xxxv. Ixxviss.

[194] Journal d'un bourgeois, p. 274. Een gedicht van 9 strofen over de

9 dapperen in verschillende handschriften van Haarlemsche keuren uit de

XVe eeuw, zie mijn Rechtsbronnen van Haarlem, p. xlvi vg. In het midden

der 16e eeuw kent John Coke hen nog als The Nyne Worthyes, The debate

betwene the Heraldes, ed. L. Pannier et P. Meyer, Le debat des hérauts

d'armes, p. 108 § 171.

[195] Molinet, faictz et dictz, f. 151(v).

[196] La Curne de Sainte Palaye, II p. 88.

[197] Deschamps, no. 206, 239, II p. 27, 69, no. 312, II p. 324, Le lay

du tres bon connestable B. du Guesclin.

[198] S. Luce, La France pendant la guerre de cent ans, p. 231: Du

Guesclin, dixième preux.

[199] La mort du roy Charles VII. Chastellain, VI p. 440.

[200] Laborde, II p. 242, no. 4091; 138, no. 242, id. p. 146, no. 3343,

p. 260, no. 4220, p. 266, no. 4255. Het souter is tijdens den Spaanschen

successieoorlog verworven door Joan van den Berg, commissaris der Staten

in België, en berust thans in de Leidsche Universiteitsbibliotheek.

[201] Burckhardt, Kultur der Ren. I(14) p. 246.

[202] Le livre des faicts du mareschal Boucicaut, ed. Petitot, Coll. de

mémoires 1e série, t. VI, VII.

[203] Le livre des faicts, VI p. 379.

[204] Ib. VII. p. 214, 185. 200/1.

[205] Chr. de Pisan, Le débat des deux amants, Oeuvres poétiques, II p. 96.

[206] Antoine de la Sale, La salade, chap. 3, Paris, M. Le Noir, 1521,

f. 4vso.

[207] Le livre des cent ballades, ed. G. Raynaud (Soc. des anciens

textes français), p. Iv.

[208] Ed. C. Favre et L. Lecestre, Soc. de l'hist. de France, 1887/9.

[209] Le Jouvencel, I p. 25.

[210] Le livre des faits du bon chevalier Messire Jacques de Lalaing,

ed. Kervyn de Lettenhove. Chastellain, Oeuvres VIII.

[211] II p. 20.

[212] W. James, The varieties of religious experience, Gifford lectures

1901/2, London 1903, p. 318.

[213] Le livre des faicts, p. 398.

[214] ed. G. Raynaud, Société des anciens textes francais, 1905.

[215] Twee heidenen uit den roman van Aspremont.

[216] Les Voeux du héron vs. 354-371, ed. Soc. des bibliophiles de Mons,

no. 8, 1839.

[217] Brief van den graaf van Chimay aan Chastellain, Oeuvres, VIII p. 266.

[218] Perceforest, bij Quatrebarbes, Oeuvres du roi René II p. xciv.

[219] Des trois chevaliers et del chainse, van Jakes de Baisieux, ed.

Scheler, Trouvères belges I, 1876, p. 162.

[220] Rel. de S. Denis, I p. 594ss.; Juvenal des Ursins, p. 379.

[221] Dionysii Cartusiani Opera t. XXXVI p. 206.

[222] Deschamps, I p. 222, no. 108, I p. 223, no. 109.

[223] Journal d'un bourgeois de Paris, p. 59, 56.

[224] La Marche, II p. 119, 144; d'Escouchy, I p. 245(1), 247(8);

Molinet, III p. 460.

[225] Chastellain, VIII p. 238.

[226] La Marche. I p. 292.

[227] Le livre des faits de Jacques de Lalaing, bij Chastellain, VIII

p. 188 s.

[228] Oeuvres du roi René, I p. lxxv.

[229] La Marche, III p. 123; Molinet, V p. 18.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 11 / 38 段