werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten
staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door
ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan
toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den
hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en
den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens
voort uit de chevalereske gedachte. Ligt niet het motief voor de
schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die
Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het
ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon,
die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte.
Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek
voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor
Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat
alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar
dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit
van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed,
vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing
is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening.
Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds
in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans
peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon
verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflittérateurs,
om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal. [277]
Daar was één groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was
aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo
heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen
vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen
dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het reëele politieke
belang en de politieke idee. Er bestond voor de Christenheid der
veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste
urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378)
en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het
gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog
niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts
zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders
waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem.
Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier
kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers
het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste
belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig,
edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal
zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed
gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding
worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en
geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een
hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het
bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon
zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had
getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer
strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier
ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood
te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers
als Philippe de Mézières, die er zijn leven aan wijdde, de politieke
fantasten, zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was.
Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een
obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De
jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het
werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren
hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de
biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen
worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona
voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem, [278] laat de koning
stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het
herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se
ce eust esté le plaisir de Dieu son créateur de le laisser vivre son
aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft
weldra. [279]
De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere
opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid
ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij
hem het plan toch niet zijn geweest. [280] Het schijnt een mengeling van
ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens
bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een
glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van
Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die
niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te
doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren
gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke
lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een
gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie
zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips
met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid,
terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize
verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens
onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde
en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er
reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch
een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan. [281] Des hertogen
eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou
gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in
vrede en veiligheid zijn. [282]
Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities,
waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het
kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn
geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in
1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de
prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI
tegen Italië in 1391.
Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van
politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer
verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de
staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een
persoonlijke querelle werden opgevat. [283] Men dient "la querelle des
Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen
uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt
verzucht?--Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief
rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de
orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die
vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles
enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een
schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk
den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van
dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf.
Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime
plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk
van Orleans. [284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans,
waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen
van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche, cynisme en
tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk
voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest
van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de
middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was
Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de
uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de
sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay
compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menée à
fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains
gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs
jours piteusement." [285] Alles werd voor den strijd in gereedheid
gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog
dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden
en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid
met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint
Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche
comme en prenant painne pour luy mettre en alainne." [286] In zijn park
te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren
vechtmeesters. [287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles
besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid
vervaardigd, te Rijssel te zien. [288] Maar van het gevecht kwam niets.
Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen
over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van
Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte
inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te
bestrijden, als deze dat verkoos. [289] Men vindt den weerklank van die
hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van
Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van
een eereduel met een zijner edelen. [290]
De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance.
Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil
hij Italië van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den
koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een
roerende verzoening besluit het geval. [291] Zelfs Karel V heeft nog in
allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk
tweegevecht te beslechten.
De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische
landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in
zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing
bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf
weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe
wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie.
Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling,
door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een
gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455. [292]
Het was een groote zeldzaamheid; in geen honderd jaar was zoo iets
voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten
doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege,
maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips'
afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van
maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en
Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog
van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de
strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien;
daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over
Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La
Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders
en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een
realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld.
Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de
prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn.
Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij
beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme
slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager
treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel
bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit één
stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting
van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de
kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede
stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun
opmerkingen over de kansen: alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt
aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en
wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij
Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou
dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen
suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop
heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de
schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand "une bannerolle de
devocion", een strook met een vrome spreuk.
Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn
schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een
woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander
werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar
Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich
te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn
geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den
rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen
biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si
bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous
prie mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van
Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de
halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd.
Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke
bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben
verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch
achterna den adel beving, dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de
onverbeterlijke hofpoëet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen,
dat onschadelijk afliep.
Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het
duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden
van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht
moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op
de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen
der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk
stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de
gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven
in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen. [293]
De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in
den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben
zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel
volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte. [294]
Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat vóór
den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp,
dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had
de koning, "comme celuy qui gardoit le plus les cérimonies d'honneur
très loable", juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit,
hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven
te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij
niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de
voorhoede dienovereenkomstig opschikken. [295]
Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in
1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous
querons autres chemins que le droit,--voert men aan tegen de adviezen
van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te
dringen,--"nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes."
[296] Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust
bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Châtel, wil de
Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het
strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een
troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit
den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord
treft Du Châtel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van
een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik eêr den dood
voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven." Hij voegt er de
gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en
sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen. [297] Bij
den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede
te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt
hardnekkig tegen. [298]
De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog
bestond in de afgesproken aristieën, 't zij van twee strijders of van
gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van.
Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan;
"Li aucun le tenoient à proèce, et li aucun à outrage et grant
outrecuidance." [299] Een tweegevecht van Guy de la Trémoïlle en den
Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de
superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de
Fransche regenten Bourgondië en Berry verboden en nog op 't laatste
oogenblik verhinderd. [300] De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van
dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij
reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt
voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt
van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van _Le Jouvencel_ den
Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat
men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om
hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de
uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn
officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij
overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou
geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil
aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele
glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen
den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost. [301]
Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de
gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de
Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den
strijd van Breauté en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van
Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor
Deventer in 1591.
Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen
naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet
anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens
naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het
krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun
gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan
bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais
te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld
te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den
Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten
einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen
bereiken om slag te leveren. [302] In al die gevallen wordt het
ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de
overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te
voeren had met zijn riddereer, omdat hem op één dag driemaal de veldslag
is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard. [303]
Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal
zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden.
Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het
bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht vóór Azincourt
sterken de beide legers, in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun
moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig
beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr",
en daardoor in lager stemming bleven. [304] In het laatst der vijftiende
eeuw komen de landsknechten met de groote trommels, [305] een ontleening
aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking
beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het
modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg.
Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van
persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door
helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een
individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort
men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van
hoogmoed. [306] Vóór en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de
rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door
het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes. [307] Het beroemde kamp
van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken
praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen "par
plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen
eromheen. [308]
De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam
van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden
onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was, want elk gevecht
moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo
zegt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellée la
rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu déclairée à estre bataille, pour ce
que les parties rencontrèrent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y
avoit comme nulles bannières desploiées". [309] Hendrik V van Engeland
doopt zijn groote overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent
porter le nom de la prochaine forteresse où elles sont faictes",
plechtig als den slag van Azincourt. [310] Het overnachten op het
slagveld gold als het erkende teeken der overwinning. [311]
De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een
bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van
Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden
doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "Là se combati li rois à
monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse à lui, et tant
que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman
zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning
zijn gevangene aanbiedt. [312]--In het gevecht van Saint Richier laat
Philips van Bourgondië wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting
door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon
krijgsman zichzelf beter te beproeven. [313] Wanneer de jonge hertogen
van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien
public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van
satijn met vergulde spijkertjes. [314]
Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed.
De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het
steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel:
daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te
handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die
sentimenten enkel gelding hebben.