Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al

die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke

verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden?

Philips van Bourgondië, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht,

zegt de rijmer Michault:

"Non point pour jeu ne pour esbatement

Mais à la fin que soit attribuée

Loenge à Dieu trestout premierement

Et aux bons gloire et haulte renommée." [239]

Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het

Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men

bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht.

Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en

vain instituée ycelle ordre." [240]

Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden

Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde.

Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder

vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet

achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche à l'escu

verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen.

Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison

(1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het

Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur",

waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste

prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste

ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het

Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk

symbool omhing van een gouden keten, waarvan de letter S de schakels

vormde, en zij beduidde "silence". Daar was Amadeus van Savoie met de

Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een

keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen

van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje,

dat op sommige portretten de aandacht trekt. [241]

Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre

des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de

strop. [242]

De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is

niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiërs, die er achter

zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde

was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was

bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling

van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle

door een herder verhalen. [243] Maar aan Jason als fabelheld was een

luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot

onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondiërs jegens

Frankrijk. Alain Chartier dichtte:

"A Dieu et aux gens detestable

Est menterie et trahison,

Pour ce n'est point mis à la table

Des preux l'image de Jason,

Qui pour emporter la toison

De Colcos se veult parjurer.

Larrecin ne se peult celer." [244]

Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier

der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar

des hemels dauw op viel. [245] Het was een bijzonder gelukkige gedachte,

want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de

bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den

heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs

kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze

zijn trouw brak. [246] "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel

den Stoute de orde, [247] maar anderen zooals de kroniekschrijver

Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van

Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre,

overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen

daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David. [248] Elk

daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een

boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre liet de

gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren; [249]

hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord

"vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der

allegorie. Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft

gemaakt.

De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg

beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat

hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een

enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat

hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert.

Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den

tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van

herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder

belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische

namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefèvre de Saint

Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in

1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zélande. De eerste der

poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem

van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank

als Montreal, of van deugden als Persévérance, of namen ontleend aan de

allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensée,

Léal Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig

door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den

grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot

hoogeren rang. [250]

De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste,

collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of

ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de

grondslagen van het ridder-ideaal het best in hun samenhang ziet. Wie

geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde

met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de

ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte,

dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de

parallellen te vinden zijn in het oud-indische _vratam_, in het

Nazireeërschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de

gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd.

Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de

vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche

geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig-

ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie

zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen

de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den

ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde

en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de

geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch

worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen:

den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips

den Goede.

Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten

als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en

leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan". Tenzij ook hier ons de

passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van

het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het

Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest.

Daar in Italië is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn

betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden.

De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de

fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het

kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en

bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder

De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een

zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in

Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en

hielden "une ordonnance moult sauvaige", waarvan het voornaamste was,

dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde

kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter

niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere

beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor.

's Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den

schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne

deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,--zoo zonderling, dat

de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben--, moeilijk iets anders

zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon

het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en

Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den

Galois, die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest

overlaten, om zelf naar zíjn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan

strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den

ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte moult que ces

Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes

furent martirs d'amours." [251]

Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de

ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften

beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard

III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te

beginnen: _Le Voeu du Héron_. Het is een verhaal van geringe historische

waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is

wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen.

De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn

dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij

de geliefde, om één vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee,

antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder

toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement."

"Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan God almachtig en zijn

zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling,

eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de

mannen van koning Philips bestreden":

"Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement.

--Adonc osta son doit la puchelle au cors gent,

Et li iex clos demeure, si que virent la gent." [252]

De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij

zag inderdaad Engelsche heeren, die één oog met een lap bedekt hielden

ter voldoening aan de gelofte, om slechts met één oog te zien, totdat

zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht. [253]

De bijzondere wildheid spreekt in _Le Voeu du Héron_ nog sterker uit de

gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw

noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen.

Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal,

ook een gelofte te mogen doen.

"Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha [254]

Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a.

Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna.

Et je voue et prometh a Dieu qui me créa....

Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera, [255]

Si m'en arès menée ou païs par de-là

Pour avanchier le veu que vo corps voué a;

Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera,

D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira;

Serai m'asme perdue et li fruis perira!"

Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter

zegt enkel:

"Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa,

Et dist: certainement, nuls plus ne vouera."

Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben

nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis.

Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten,

zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer

hij de vrijheid herkregen heeft. [256] Als Lumey dezelfde gelofte doet

met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een

laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige

beteekenis had gehad.

De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt

als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is

het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de

Mézières als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een

Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had. [257]

Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal

geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart,

slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige

Drieëenheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is

het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij

Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met

de Engelschen tot een treffen gekomen is. [258]

De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was

natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust. Voor ons

spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig

gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet

hertog Jean de Bourbon, "désirant eschiver oisiveté, pensant y acquérir

bonne renommée et la grâce de la très-belle de qui nous sommes

serviteurs", de gelofte om met zestien andere ridders en knapen

gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een

gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij

zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een

gevecht te voet "à outrance". [259] Jacques de Lalaing ontmoet te

Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als

"chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt

aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan

een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou. [260] In

den roman van den _Petit Jehan de Saintré_ draagt de ridder Loiselench

twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij

een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise. [261] Want zoo

heet het: "délivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour

chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.--Reeds La Curne

de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus

volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen [262]. Ook de kluisters,

die boetelingen op hun bedevaart droegen, of die vrome asceten zich zelf

aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te

scheiden.

Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de

Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in

1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien

geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de

spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te

doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe

psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is.

Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi

verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het

Bourgondische hof haar laatste phase.

Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude.

Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die

opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met

elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der

vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt.

[263] De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende

te zijn geweest. [264] De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve

Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te

veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger

der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den

vogel. [265] In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig

afwisseling. De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder

zal Zaterdags niet in een bed slapen, eêr hij een Saraceen bevochten

heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven.

Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, eêr hij den banier

van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op

askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn

drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige

pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde

heldendaad zal uitvoeren. [266]

Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet,

op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige

wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde)

gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon très redoubté

seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint

voyage qu'il a voué, le bras désarmé; mais il est content qu'il voist

aveuc lui armé bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient." [267]

Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte

van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening. [268]

Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk

getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den

schoonen schijn. [269] Soms naderen de geloften reeds tot de

"philippine", die er een bleeke rest van is. [270] Een spottend element

ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du héron; immers Robert van

Artois biedt den koning, hier voorgesteld als minder belust op den

krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn

gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de _Voeu du

héron_ de vroeger reeds vermelde woorden [271] in den mond legt, die met

fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij

den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander

verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou

dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop

de Engelsche heeren lachten. [272]--Hoe moet, ondanks alle pompeuze

gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de

tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte

kon doen, om, als hij niet vóór den krijgstocht de gunsten van zijn dame

deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of

jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle

veult". [273] Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als

"povre escuier" avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada

tegen de Mooren.

Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met

alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar

hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en

tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch

eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die

ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel!

De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus,

die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft met

die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud

vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten,

waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden

en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers.

Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft

evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen

levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker,

die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en

verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van

zijn studiën kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt,

die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend.

Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen

uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou

het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als

het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen

toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich

gewoonlijk voorstelt.

De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de

burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's

voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid

en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken

staat, hij liet alle dagen voor zijn hôtel de speellieden blazen, als

hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de

graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als

een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen, reed uit als een vorst,

het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met

drie zilveren hoeden. [274] Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat

der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van

Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag

gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het

ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held. [275]

Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd

berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood

in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den

middeleeuwschen hofstaat, [276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden

afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur-

historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou

men het moeten volgen in Shakespeare's en Molière's tijd tot aan den

modernen gentleman.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 9 / 38 段