vult en bedwelmt, groeit en woekert als een welige plant. Het eerste
eenvoudige thema heeft spoedig uitgewerkt; de geest vraagt nieuwe
verbeeldingen op hetzelfde thema. En de passie zelf dringt sterker
kleuren op aan den droom van lijden en verzaking. De heldendaad moet
bestaan in de bevrijding of redding van de vrouw zelf uit het
dreigendste gevaar. Daarmee is een feller prikkel aan het
oorspronkelijke motief toegevoegd. Eerst is het het subject zelf, dat
lijden wil voor de vrouw; maar spoedig paart zich daaraan de wensch,
om de begeerde zelf uit lijden te redden. Of in den grond die redding
altijd is te herleiden tot de redding der maagdelijkheid, het weren van
den andere dus, de bewaring van de vrouw voor zich? In ieder geval is
daarmee het ridderlijk-erotische motief bij uitnemendheid gegeven: de
jonge held, die de maagd bevrijdt. De belager moge bij wijlen een
argelooze draak zijn, het sexueele moment ligt toch steeds onmiddellijk
eronder. Hoe naïef-oprecht spreekt het bij voorbeeld in de bekende
schilderij van Burne Jones, waar de moderne damesfiguur van het meisje
juist door haar kuischheid de onmiddellijkste sensualiteit verraadt.
De bevrijding van de maagd is het meest oorspronkelijke en altijd jonge
romantische motief. Hoe is het mogelijk, dat een thans verouderde
mythenverklaring er de weergave van een natuurphenomeen in heeft gezien,
terwijl de onmiddellijkheid van de gedachte dagelijks door ieder kan
worden beproefd! In de litteratuur moge het bij wijlen wegens overmatige
herhaling een tijdlang worden vermeden, telkens komt het motief weer in
nieuwe vormen op, bij voorbeeld in de bioscoop-cowboy-romantiek. En in
het persoonlijke liefdedenken buiten de litteratuur blijft het
ongetwijfeld altijd even sterk.
Het is moeilijk te bepalen, in hoeverre in de voorstelling van den
held-minnaar het mannelijk en in hoeverre het vrouwelijk aspect der
liefde zich openbaart. In het algemeen komt in de verbeelding der liefde
tot cultuurvorm bijna uitsluitend de mannelijke opvatting tot
uitdrukking, althans tot in zeer jongen tijd. Het gezicht der vrouw op
de liefde blijft altijd omsluierd en verborgen; het is teerder en dieper
geheim. En het behoeft niet de romantische sublimeering tot het
heldhaftige, want door zijn karakter van overgave en zijn onverbrekelijken
samenhang met het moederschap verheft het zich van zelf reeds zonder
fantazie van dapperheid en opoffering boven het zelfzuchtig-erotische.
Niet alleen omdat de mannen de litteratuur gemaakt hebben, ontbreekt de
vrouwelijke liefdesuitdrukking grootendeels, maar ook omdat voor de
vrouw in de liefde het litteraire veel minder onmisbaar is.
De figuur van den edelen redder, die om der wille van de geliefde lijdt,
is de voorstelling van den man, zooals hij zich zelf zien wil. De
spanning van zijn bevrijdersdroom wordt verhoogd, doordat hij onbekend
optreedt, en eerst na de heldendaad wordt herkend. In deze onbekendheid
van den held ligt voorzeker ook een van de vrouwelijke liefdeverbeelding
uitgegaan romantisch motief. In de geheele apotheose van mannelijke
kracht en moed in den vorm van den strijder te paard vloeien de
vrouwelijke behoefte aan krachtvereering en de mannelijke physieke
hoogmoed samen.
De middeleeuwsche samenleving heeft met een jongensachtige
onverzadelijkheid deze primitief-romantische motieven gecultiveerd.
Terwijl de hoogere litteratuurvormen zich hebben verfijnd tot ijler en
soberder, of geestiger en nog prikkelender uitdrukking van het
verlangen, blijft de ridderroman zich altijd weer verjongen en behoudt
met zijn eindeloos herhaalde uitwerking van het romantische geval een
bekoring, die ons schier onbegrijpelijk is. Wij wanen den tijd lang
ontgroeid aan die kinderlijke fantazieën, en noemen Froissart's
_Méliador_ of de _Perceforest_, de nabloeiers der ridderlijke
avontuurverhalen, anachronismen in hun tijd. Zij zijn het evenmin als de
sensatieroman het heden ten dage is; alleen dit alles is geen zuivere
litteratuur, maar om zoo te zeggen toegepaste kunst. Het is de behoefte
aan modellen voor de erotische verbeelding, die steeds weer die
litteratuur levend houdt en vernieuwt. Midden in de Renaissance herleven
ze immers in de Amadis-romans. Wanneer nog na het midden der zestiende
eeuw De la Noue ons kan verzekeren, dat de Amadis-romans een "esprit de
vertige" teweegbrachten onder het geslacht, dat toch de staling van
Renaissance en Humanisme had ondergaan, hoe groot moet dan de romantische
ontvankelijkheid zijn geweest in het bij uitstek ongeëquilibreerde
geslacht van 1400!
De zinsverrukking van de liefdesromantiek was niet in de eerste plaats
om lezende ondergaan te worden, maar om gespeeld en aanschouwd te
worden. Er zijn twee vormen, waarin dat spel kan gebeuren: de
dramatische vertooning en de sport. In de Middeleeuwen is de laatste
verreweg het voornaamste. Het drama was nog grootendeels gevuld met
andere, heilige stof; bij uitzondering behandelt het nog het romantische
geval. De middeleeuwsche sport daarentegen, en dat is in de eerste
plaats het tournooi, was zelf in hooge mate dramatisch en tegelijk van
een sterk erotisch gehalte. De sport behoudt te allen tijde zulk een
dramatisch en een erotisch element: in een hedendaagschen roei- of
voetbalwedstrijd zit veel meer van de gevoelswaarden van een
middeleeuwsch tournooi, dan den athleten en toeschouwers zelf misschien
bewust is. Maar terwijl de moderne sport teruggekeerd is tot
natuurlijken, bijna Griekschen eenvoud en schoonheid, is het
middeleeuwsche, althans het laat-middeleeuwsche tournooi, een met
versiering overladen, zwaar gedrapeerde sport, waarin het dramatisch en
romantisch element zóo opzettelijk is uitgewerkt, dat het de functie van
het drama zelf regelrecht vervult.
De latere Middeleeuwen zijn een van die eindperioden, waarin het
cultuurleven der hoogere kringen bijna geheel tot gezelschapsspel is
geworden. De werkelijkheid is hevig, hard en wreed; men herleidt haar
tot den schoonen droom van het ridderideaal en bouwt daarop het
levensspel. Men speelt met het masker van Lancelot voor; het is een
reusachtig zelfbedrog, maar de schrijnende onwaarheid ervan kan gedragen
worden, doordat een vleug van spot de eigen leugen verzaakt. In de
geheele ridderlijke cultuur der vijftiende eeuw is een labiel evenwicht
tusschen sentimenteelen ernst en luchtigen spot, dat eerst omslaat naar
de parodie in dien blij en hoog levenden kring van Lorenzo's hof: in
Pulci's _Morgante_.
Bij de Franschen van een halve eeuw vroeger overweegt nog de ernst.
In den edelen Boucicaut, litterair type van den modelridder, is de
romantische grond van het ridderlijke levensideaal nog zoo sterk als
bij wien ook. De liefde, zegt hij, is het, die het sterkst in de jonge
harten de begeerte naar het edele ridderlijke strijdbejag doet groeien.
Hij zelf dient zijn dame in de oude hoofsche vormen: "toutes servoit,
toutes honnoroit pour l'amour d'une. Son parler estoit gracieux,
courtois et craintif devant sa dame." [213]
Er is voor ons een bijna onbegrijpelijk contrast tusschen de litteraire
levenshouding van een man als Boucicaut en de bittere werkelijkheid van
zijn loopbaan. Hij was als handelende en leidende figuur voortdurend
werkzaam in de hardste staatkunde van zijn tijd. In 1388 doet hij een
eerste politieke reis naar het Oosten. Op dien tocht kort hij zich den
tijd, door met twee of drie wapenbroeders: Philippe d'Artois, diens
seneschalk en een zekeren Cresecque, een dichterlijke verdediging te
geven van de edele, trouwe minne, zooals zij den volmaakten ridder
betaamt: _Le livre des Cent ballades_. [214] Goed, waarom niet? Maar
zeven jaren later, wanneer hij als mentor van den jongen hertog van
Nevers (later Jan zonder Vrees) het roekelooze ridderavontuur heeft
meegemaakt van den krijgstocht tegen sultan Bajazid: wanneer hij de
ontzettende ramp van Nicopolis heeft beleefd, waar al zijn drie vroegere
dichtgezellen het leven verloren, wanneer hij de krijgsgevangen
adellijke jeugd van Frankrijk voor zijn oogen heeft zien slachten, zou
men dan een ernstig krijgsman niet bekoeld wanen voor dat hoofsche spel
en dien ridderlijken waan? Het moest hem leeren, dunkt ons, de wereld
niet langer door dat gekleurde glaasje te zien. Doch neen, ook verder
blijft zijn zin aan het cultiveeren van de ouderwetsche ridderlijkheid
gewijd, getuige zijn stichting van de orde "de la dame blanche a l'escu
verd", ter verdediging van verdrukte vrouwen, waarmee hij partij koos in
het fraaie tijdverdrijf van den litterairen strijd tusschen het strenge
en het frivole liefdesideaal, die sedert 1400 de Fransche hofkringen
opwond.
De gansche aankleeding van de edele liefde in litteratuur en
gezelschapsleven schijnt ons dikwijls ondragelijk fade en louter
belachelijk. Het is het lot van elken romantischen vorm, die als
instrument der passie versleten is. In het werk der velen, de
gekunstelde versjes, de kostbaar gearrangeerde tournooien, heeft de
passie uitgeklonken; zij klinkt enkel nog door de stem van de zeer
enkelen. Maar welke beteekenis al dat werk, als litteratuur of kunst
minderwaardig, gehad heeft als levenstooi, als gevoelsuitdrukking, kan
men enkel beseffen door de levende passie zelf er weer in te blazen.
Wat helpt bij het lezen der minnedichten en tournooibeschrijvingen alle
kennis en levendige voorstelling der historische détails, zonder het
zien van de oogen, licht en duister, onder de meeuwenvlucht der
wenkbrauwen en de smalle voorhoofden, die al eeuwen tot stof zijn
geworden, en die eenmaal belangrijker zijn geweest dan al de
litteratuur, die als puin blijft opgehoopt?
Thans kan slechts meer een toevallig glimplicht ons even de
gepassioneerde beteekenis van die cultuurvormen duidelijk doen zien.
In het gedicht _Les voeux du héron_ spreekt Jan van Beaumont, tot het
afleggen van zijn ridderlijke strijdgelofte aangespoord:
"Quant sommes ès tavernes, de ces fors vins buvant,
Et ces dames delès (naast ons) qui nous vont regardant,
A ces gorgues polies, ces coliés tirant,
Chil oeil vair resplendissent de biauté souriant.
Nature nous semont d'avoir coeur désirant,
... Adonc conquerons-nous Yaumont et Agoulant [215]
Et li autre conquierrent Olivier et Rollant.
Mais, quant sommes as camps sus nos destriers courans,
Nos escus à no col et nos lansses bais(s)ans,
Et le froidure grande nous va tout engelant,
Li membres nous effondrent, et derrière et devant.
Et nos ennemis sont envers nous approchant,
Adonc vorrièmes estre en un chélier (kelder) si grant
Que jamais ne fussions veu tant ne quant." [216]
"Hélas--schrijft Philippe de Croy uit Karel de Stoute's kamp voor
Neuss--, où sont dames pour nous entretenir, pour nous amonester de bien
faire, ne pour nous enchargier emprinses, devises, volets ne guimpes!"
[217]
In het dragen van den sluier of het kleed van de geliefde vrouw, die den
geur van het haar en het lichaam overbrengt, openbaart zich het
erotische moment van het ridderlijke tournooi zoo onmiddellijk mogelijk.
In de opwinding van het gevecht schenken de vrouwen den eenen tooi na
den anderen weg: als het spel is afgeloopen, zitten zij blootshoofds,
zonder mouwen. [218] Het is tot een motief van scherpe prikkeling
uitgewerkt in een sproke uit de tweede helft der dertiende eeuw, _Van de
drie ridders en het hemd_. [219] Een dame, wier echtgenoot niet tot den
strijd geneigd maar overigens vol edele largesse is, zendt aan de drie
ridders, die haar in minne dienen, haar hemd, om in het steekspel, dat
haar man geven zal, het als wapenrok te dragen, zonder pantser of andere
bedekking dan alleen helm en beenstukken. De eerste en tweede ridder
schrikken ervoor terug. De derde, die arm is, neemt het hemd 's nachts
in zijn armen en kust het hartstochtelijk. In het steekspel verschijnt
hij met het hemd als wapenrok, zonder pantser daaronder; het wordt
verscheurd en met zijn bloed bevlekt; hij wordt zwaar gewond. Men
bemerkt zijn buitengewone dapperheid en schenkt hem den prijs; de dame
schenkt hem haar hart. Nu eischt de minnaar de tegendaad. Hij zendt haar
het bloedige hemd terug, om het zóo als het is over haar kleederen te
dragen bij het feestmaal, dat het tournooi besluit. Zij omhelst het
teeder en verschijnt in het bloedige kleedingstuk; de meesten laken
haar, de echtgenoot is verlegen, en de verteller vraagt: wie van de
beide minnenden deed het meest voor den ander?
De sfeer van passie, waarin het tournooi enkel zijn beteekenis had,
verklaart ook de beslistheid, waarmee de kerk sedert lang het gebruik
bestreed. Dat zij inderdaad aanleiding werden tot geruchtmakend
overspel, getuigt bij voorbeeld van een tournooi van 1389 de monnik
van Saint Denis en op zijn gezag Jean Juvenal des Ursins. [220] Het
kerkelijke recht had ze sinds lang verboden: aanvankelijk ingesteld
voor oefening in den strijd, heette het, waren ze wegens misbruiken
onduldbaar geworden. [221] De moralisten misprezen ze. [222] Petrarca
vroeg pedant: waar leest men, dat Cicero en Scipio tournooien gehouden
hebben? En de burger haalde de schouders op: "prindrent par ne sçay
quelle folle entreprinse champ de bataille" zegt de burger van Parijs
[223] van een befaamd tournooi.
De adellijke wereld daarentegen vat alles, wat tournooi en ridderlijke
wedkamp is, op met een gewichtigheid, die door geen modern sportbedrijf
wordt geëvenaard. Zooals nog kort geleden vorstelijke wansmaak
gedenksteenen oprichtte op de plek, waar de hooge jager zijn duizendste
slachtoffer had neergelegd, zoo stichtte de vijftiende eeuw
gedenkteekens aan beroemde ridderlijke tweegevechten. Bij Saint Omer
herinnerde "la Croix Pélerine" aan den kamp van Hautbourdin, den
bastaard van Saint Pol, met een Spaanschen ridder tijdens den verwaarden
Pas d'armes de la Pélerine. Nog een halve eeuw later ging Bayard vóór
een tournooi dat kruis als in bedevaart vromelijk bezoeken. [224] De
decors en de plunje, die gediend hadden bij den Pas d'armes de la
Fontaine des Pleurs werden na afloop van het feest plechtig opgedragen
aan Onze Lieve Vrouw van Boulogne en in de kerk opgehangen. [225]
De middeleeuwsche vechtsport onderscheidt zich, gelijk zooeven reeds
aangeduid werd, van de Grieksche en de moderne athletiek door haar veel
geringer natuurlijkheid. Zij heeft tot verhooging van den prikkel van
den kamp dien van aristocratische trots en eer, dien van het
romantisch-erotische en dien van den kunstvaardigen pronk. Zij is
overladen met praal en versiering, gevuld met bonte fantazie. Het is
behalve spel en lichaamsoefening nog bovendien toegepaste litteratuur.
De wensch en de droom van het dichtende hart zoeken een dramatische
voorstelling, een gespeelde vervulling in het leven zelf. Het werkelijke
leven was niet schoon genoeg, het was hard, wreed en valsch; er was in
de hof- en militaire carrière luttel plaats voor de sentimenten van
moed-om-liefde, maar de ziel is er vol van, men wil ze beleven en schept
zich een schooner leven van kostbaar spel. Het element van echten moed
is voorzeker in het ridderlijk tournooi niet van geringer waarde dan in
het pentathlon. Juist het uitgesproken erotisch karakter eischte
bloedige felheid. In zijn motieven is het tournooi het naast verwant aan
de wedstrijden van het oud-indische epos; ook in het Mahâbhârata is de
strijd om de vrouw de centrale gedachte.
De fantazie, waarmee het vechtspel werd aangekleed, was die van de
Artur-romans, dat wil zeggen de kinderlijke verbeeldingen van het
sprookje: het droomavontuur met zijn verschuiving der afmetingen in
reuzen en dwergen, verbonden aan het sentimentalisme der hoofsche
liefde.
Voor een Pas d'armes der vijftiende eeuw wordt een fictief romantisch
geval kunstig opgebouwd. Het middelpunt is een romandécor met een
treffenden naam: la fontaine des pleurs, l'arbre Charlemagne. De bron
wordt opzettelijk gebouwd. [226] Gedurende een geheel jaar zal een
ongenoemde ridder ieder eersten van de maand voor de bron een tent
spannen, waarin een dame zit (het is een beeld), die een eenhoorn houdt,
welke drie schilden draagt. Elke ridder, die een der schilden aanraakt
of door zijn heraut laat aanraken, verbindt zich tot een bepaalden
tweekamp, waarvan de voorwaarden nauwkeurig worden omschreven in de
uitvoerige "chapitres", die tegelijk oproepingsbrief en reglement van
den wedstrijd zijn. [227] Het aanraken der schilden moet te paard
geschieden, waartoe de ridders steeds paarden ter beschikking zullen
vinden.
Of wel: bij de Emprise du dragon houden vier ridders zich op een kruisweg
op; geen dame mag dien kruisweg voorbij zonder ridder, die voor haar twee
lansen breekt, of zij moet pand geven. [228] Inderdaad is het kinderlijke
pandverbeuren niet anders dan een lager vorm van hetzelfde overoude strijd-
en minnespel. Hoe duidelijk getuigt van die verwantschap niet een
voorschrift als dit artikel van de Chapitres de la Fontaine des pleurs:
wie in den kamp ter aarde wordt geworpen, moet een heel jaar een gouden
armband dragen met een slot, totdat hij de dame vindt, die er het
sleuteltje van heeft, en hem kan bevrijden, als hij haar zijn dienst
opdraagt. Elders weer is het geval gebaseerd op een reus, dien een dwerg
gevangen leidt, met een gouden boom erbij en een "dame de l'isle celée",
of op een "noble chevalier esclave et serviteur à la belle géande a la
blonde perruque, la plus grande du monde." [229] De onbekendheid van den
ridder is een vaste fictie; hij heet "le blanc chevalier", "le chevalier
mesconnu", "le chevalier à la pélerine", of wel hij treedt op als een held
uit den roman en heet zwaanridder, of draagt het wapen van Lancelot,
Tristan of Palamedes. [230]
Meestal wordt over het geval een uiterlijk waas van melancholie
gespreid; la Fontaine des pleurs zegt het al in den naam; de schilden
zijn wit, violet en zwart, alle bezaaid met witte tranen; men raakt ze
aan uit medelijden met de "Dame de pleurs". Bij de Emprise du dragon
komt koning René in rouwend zwart (wel mocht hij), om het afscheid van
zijn dochter Margareta, die koningin van Engeland werd. Het paard is
zwart, met een rouwdekkleed, de lans is zwart, het schild is sabel met
zilveren tranen. Ook bij de Arbre Charlemagne zijn de schilden zwart
en violet met gouden en zwarte tranen. [231] Niet altijd echter is het
in den somberen toon gezet: een andermaal houdt de onverzadelijke
schoonheidsvriend koning René de Joyeuse garde bij Saumur. Veertig dagen
viert hij feest in het houten kasteel "de la joyeuse garde" met zijn
gemalin en dochter en met Jeanne de Laval, die zijn tweede echtgenoot
zou worden. Voor haar is heimelijk het feest bereid. Het kasteel is
opzettelijk gebouwd, geschilderd en getapisseerd; alles is in rood en
wit. Bij zijn Pas d'armes de la bergère is alles gestoffeerd in
herderstrant, de ridders en dames als herders en herderinnen met staf
en doedelzak, allen in grijs met goud en zilver. [232]
Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw
had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm,
even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een
regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins
bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn,
dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun
sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De
ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het
aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als
zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De
ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde
volken.
Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling
vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische
hypothese te staven, maar om de ideeënwaarde van het vol-ontwikkelde
ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die
primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen?
Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling
zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische,
zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen
zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen
als verklaringsgrond daarachter stonden.
De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie
Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest
ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in
den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was
geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische
instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten.
Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het
ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische
verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en
de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had
het ridderwezen een reëele politische functie vervuld, en waren de
ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest.
Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer
hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van
edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen.
Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd
vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom,
ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mézières
ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de
Ordre de la passion heeft genoemd. [233] Hij wil er alle standen in
opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich
reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den
grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en
zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en
handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der
standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier
geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders
deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat
stelt Philippe de Mézières de echtelijke kuischheid in de plaats; hij
wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het
Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn.
De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de
hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte
beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke
plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe.
In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste
heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het
beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en
ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog
iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er
ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de
kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une
religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd
van in den toon van een heilig mysterie. [234] Olivier de la Marche
spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de Avys."
[235] En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen
Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden
Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een
overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige
cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer.
Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt
als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan
II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo
mogelijk prijs te geven. [236] De hertog van Bedford wil aan den jongen
Philips van Bourgondië de orde van den kouseband opdringen, om hem
daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondiër begrijpt,
dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en
weet de eer beleefd te ontgaan. [237] Wanneer dan ook later Karel de
Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk
XI dit als een breuk van het verdrag van Péronne, dat den hertog
verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te
gaan. [238] Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet
aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat
de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt.