Het is alsof de geest van deze schrijvers,--een ondiepe geest, moet men

zeggen--, de ridderlijke fictie aanwendt als een correctief op de

onbegrijpelijkheid, die hun tijd voor hen had. Het was de eenige vorm,

waarin zij de gebeurtenissen konden begrijpen. In de werkelijkheid waren

zoowel de oorlogen als de staatkunde van hun tijd uiterst vormloos,

schijnbaar onsamenhangend. De krijg doorgaans een chronisch proces van

geïsoleerde strooptochten over een groot gebied verspreid, de diplomatie

een zeer omslachtig en gebrekkig instrument, voor een deel beheerscht

door zeer algemeene traditioneele ideeën en voor een deel door een

onontwarbaar complex van afzonderlijke, kleine rechtskwesties. Niet

in staat om in dat alles een reëele maatschappelijke ontwikkeling te

erkennen, nam de historie de fictie van het ridderideaal te baat, en

herleidde daarmee alles tot een schoon beeld van vorsteneer en

ridderdeugd, een fraai spel van edele regels, en schiep de illusie van

orde. Vergelijkt men dezen historischen maatstaf met bijvoorbeeld het

inzicht van Thucydides, dan is het een buitengewoon laag standpunt.

De geschiedenis verdort tot een relaas van schoone of schijnschoone

wapenfeiten en solemneele staatshandelingen. Wie zijn dan ook van dit

gezichtspunt beschouwd de rechte geschiedgetuigen? De herauten en

wapenkoningen, meent Froissart; zij wonen immers die edele verrichtingen

bij, en hebben ze officieel te beoordeelen; zij zijn experts in zaken

van roem en eer, en roem en eer zijn het motief der geschiedschrijving.

[176] De statuten van het Gulden Vlies geboden het opteekenen van

ridderlijke wapenfeiten; Lefèvre de Saint Remy, genaamd Toison d'or,

of de heraut Berry kunnen als voorbeelden van den wapenkoning-

geschiedschrijver genoemd worden.

* * * * *

Als ideaal van schoon leven is de ridderlijke gedachte van zeer

bijzondere gedaante. Het is een in zijn wezen aesthetisch ideaal,

opgebouwd uit bonte fantazie en verheffende aandoening. Maar het wil

zijn een ethisch ideaal: het middeleeuwsche denken kon aan een

levensideaal slechts een edele plaats geven, door het in betrekking

te stellen tot vroomheid en deugd. In die ethische functie schiet het

ridder wezen steeds te kort; het wordt omlaaggetrokken door zijn

zondigen oorsprong. Want de kern van het ideaal blijft de tot schoonheid

verheven hoogmoed. Dit heeft Chastellain volkomen begrepen, wanneer hij

zegt: "La gloire des princes pend en orguel et en haut péril emprendre;

toutes principales puissances conviengnent en un point estroit qui se

dit orgueil." [177] Uit den hoogmoed, gestyleerd en verheven, is de

eer geboren, die de pool is van het adellijk leven. Terwijl in de

middelmatige of ondergeschikte maatschappelijke verhoudingen--zegt Taine

[178]--de voornaamste drijfveer het belang is, is de groote beweger bij

de aristocratie de hoogmoed: "or, parmi les sentiments profonds de

l'homme, il n'en est pas qui soit plus propre a se transformer en

probité, patriotisme et conscience, car l'homme fier a besoin de son

propre respect, et, pour l'obtenir, il est tenté de le mériter." Taine

heeft zonder twijfel de neiging, om de aristocratie te fraai te zien.

De werkelijke geschiedenis der aristocratieën geeft overal een beeld,

waarin de hoogmoed gedoubleerd is met onbeschaamd eigenbelang. Des

ondanks blijft--als omschrijving van het aristocratisch levensideaal

--Taine's woord treffend. Het is verwant aan Burckhardt's bepaling van

het Renaissance-eergevoel. "Es ist die rätselhafte Mischung aus Gewissen

und Selbstsucht, welche dem modernen Menschen noch übrig bleibt, auch

wenn er durch oder ohne seine Schuld alles übrige, Glauben, Liebe und

Hoffnung eingebüsst hat. Dieses Ehrgefühl verträgt sich mit vielem

Egoismus und grossen Lastern und ist ungeheurer Täuschungen fähig; aber

auch alles Edle, das in einer Persönlichkeit übrig geblieben, kann sich

daran anschliessen und aus diesem Quell neue Kräfte schöpfen". [179]

De persoonlijke eerzucht en roemzucht, die dan eens uitingen van een

hoog eergevoel, dan weer veel meer uit onveredelden hoogmoed gesproten

schijnen, zijn door Burckhardt in beeld gebracht als de kenmerkende

eigenschappen van den Renaissance-mensch. [180] In tegenstelling met de

afzonderlijke standseer en standenroem, zooals zij de echt-middeleeuwsche

samenleving buiten Italië nog bezielden, beschrijft hij de algemeen-

menschelijke eer en roem, waarnaar, onder sterken invloed van antieke

voorstellingen, de Italiaansche geest sedert Dante streeft. Het schijnt

mij toe, dat dit een der punten is, waarop Burckhardt den afstand

tusschen Middeleeuwen en Renaissance, tusschen West-Europa en Italië te

groot gezien heeft. Die roemliefde en eerzucht der Renaissance is in

haar kern de ridderlijke eerzucht van vroeger tijd en Fransche herkomst,

de standseer uitgebreid tot wijder gelding, ontdaan van het feodale

sentiment en bevrucht met antieke gedachte. Het hartstochtelijk

verlangen, om door het nageslacht geprezen te worden, is den hoofschen

ridder der twaalfde eeuw, den onverfijnden Franschen of Duitschen

soudenier der veertiende eeuw even weinig vreemd als den schoonen geest

van het quattrocento. De afspraak voor het Combat des trente tusschen

messires Robert de Beaumanoir en den kapitein Brandebourch wordt door

den laatste besloten met de woorden: "en zoo zullen wij maken, dat men

ervan spreken zal in komende tijden in zaal en paleis, in pleinen en

andere plaatsen over de wereld." [181] Chastellain, in zijn waardeering

van het ridderideaal toch volkomen middeleeuwsch, drukt niettemin

volkomen den geest der Renaissance uit, als hij zegt:

"Honneur semont toute noble nature

D'aimer tout ce qui noble est en son estre.

Noblesse aussi y adjoint sa droiture". [182]

Elders zegt hij, dat bij joden en heidenen de eer dierbaarder was en

nauwer werd gehouden, omdat zij enkel werd betracht om haars zelfs wil

en in verwachting van aardschen lof, terwijl de christenen de eer

ontvangen hebben door het geloof en het licht, in verwachting van

hemelsch loon. [183]

Reeds bij Froissart wordt de dapperheid aanbevolen zonder eenige

religieuze of direct moreele motiveering, om roem en eer, en--enfant

terrible als hij is--om carrière. [184]

Het streven naar ridderlijken roem en eer is onafscheidelijk verbonden

aan een heldenvereering, waarin middeleeuwsche en renaissance-elementen

ineenvloeien. Het ridderlijke leven is een navolging. Of het de helden

van den Artur-kring zijn of de antieke helden, maakt weinig verschil.

Alexander was immers reeds in den bloeitijd van den ridderroman volkomen

in de ideeënsfeer van het ridderwezen opgenomen. De antieke

fantaziesfeer was nog niet gescheiden van die der tafelronde. Koning

René ziet bont dooreen de met hun blazoenen versierde grafteekens van

Lancelot, Caesar, David, Hercules, Paris, Troïlus. [185] Het ridderwezen

zelf gold voor Romeinsch. "Et bien entretenoit--heet het van Hendrik V

van Engeland--la discipline de chevalerie, comme jadis faisoient les

Rommains". [186] Het toenemende classicisme brengt eenige zuivering in

het historische beeld der Oudheid; de Portugeesche edelman Vasco de

Lucena, die voor Karel den Stoute Quintus Curtius vertaalt, verklaart,

gelijk Maerlant het reeds anderhalve eeuw eerder had gedaan, hem daarin

te bieden een authentieken Alexander, ontdaan van de leugens, waarmee

al de gangbare historiën diens geschiedenis ontsierden. [187] Doch de

bedoeling is sterker dan ooit, den vorst een voorbeeld ter navolging

te bieden, en bij weinig vorsten is de zucht, om door groote en

schitterende daden de Ouden te evenaren, zoo bewust als bij Karel den

Stoute. Van jongsaf had hij zich de heldendaden van Walewein en Lancelot

laten voorlezen; later wonnen het de Ouden. Voor het slapen gaan werd er

geregeld een paar uur gelezen in "les haultes histoires de Romme". [188]

Zijn hoogste behagen gold den helden der oudheid: Caesar, Hannibal en

Alexander, "lesquelz il vouloit ensuyre et contrefaire". [189] Alle

tijdgenooten hebben aan die opzettelijke navolging als drijfveer van

zijn daden groot gewicht gehecht. "Il désiroit grand gloire,--zegt

Commines--qui estoit ce qui plus le mettoit en ses guerres que nulle

autre chose; et eust bien voulu ressembler à ses anciens princes dont

il a esté tant parlé après leur mort." [190] Chastellain zag hem dien

hoogen zin voor groote daden en voor het schoone antieke gebaar de

eerste maal in praktijk brengen. Het was bij zijn eerste komst als

hertog binnen Mechelen in 1467. Hij had er een oproer te straffen; de

zaak werd in alle vormen onderzocht en berecht, een der leiders ter dood

veroordeeld, anderen voor eeuwig verbannen. Het schavot wordt op de

markt opgericht, de hertog zit er tegenover; de schuldige ligt reeds

geknield, de beul ontbloot het zwaard; toen roept Karel, die tot dusver

zijn bedoeling verborgen had: "Houd op! Doe hem den blinddoek af en laat

hem opstaan."

"Et me pareus de lors--zegt Chastellain--que le coeur luy estoit en haut

singulier propos pour le temps à venir, et pour acquérir gloire et

renommée en singulière oeuvre." [191]

Het voorbeeld van Karel den Stoute is geschikt, om te doen zien, hoe de

geest der Renaissance, de zucht naar het schoone antieke leven, direct

wortelt in het ridderideaal. Het is, als men hem met den Italiaanschen

virtuoso vergelijkt, slechts een verschil van belezenheid en van smaak.

Karel las zijn klassieken nog in vertaling, en zijn levensvorm is nog

flamboyant-gothiek.

Dezelfde onscheidbaarheid van het ridderlijke en het renaissance-element

vertoont de cultus der negen dapperen, "les neuf preux". Die groep van

negen helden, drie heidenen, drie joden, drie christenen, komt op in de

ridderlijke litteratuur; zij wordt het eerst aangetroffen in de _Voeux

du paon_ van Jacques de Longuyon omstreeks 1312. [192] De keus der

helden verraadt den nauwen samenhang met de ridderlijke romantiek:

Hector, Caesar, Alexander--Jozua, David, Judas Maccabaeus--Artur, Karel

de Groote en Godfried van Bouillon. Van zijn leermeester Guillaume de

Machaut neemt Eustache Deschamps de gedachte over; hij wijdt er tal van

gedichten aan. [193] Waarschijnlijk is hij het geweest, die aan de

behoefte aan symmetrie, welke den laat-middeleeuwschen geest zoo sterk

eigen is, voldeed, door aan de 9 preux 9 preuses toe te voegen. Hij

zocht er eenige, ten deele vrij zonderlinge, klassieke figuren voor

bijeen uit Justinus en andere litteratuur: o.a. Penthesilea, Tomyris,

Semiramis, en verhaspelde de meeste namen geducht. Dit belette het

denkbeeld niet, om opgang te maken, en zoo vindt men preux en preuses

bij de lateren, zooals in _Le Jouvencel,_ terug. Zij staan afgebeeld op

tapijten, men verzint hun blazoenen; bij den intocht van Hendrik VI van

Engeland te Parijs in 1431 gaan alle achttien hem voorop. [194]

Hoe levend de voorstelling gedurende de 15e eeuw en nog daarna gebleven

is, bewijst het feit, dat men haar parodieerde: Molinet beproeft zijn

luim aan een negental "preux de gourmandise". [195] Nog Frans I kleedde

zich af en toe "à l'antique" om een der preux voor te stellen. [196]

Deschamps heeft evenwel nog op een andere wijze dan door de aanvulling

met vrouwelijke pendanten de voorstelling uitgebreid. Hij verbond die

vereering van oude heldendeugd aan het heden, plaatste haar in de sfeer

van het opkomende Fransche militaire nationalisme, door aan de negen een

tijd- en landgenoot als tienden preux toe te voegen: Bertrand du

Guesclin. [197] Ook dat denkbeeld had succes; Lodewijk van Orleans liet

in de groote zaal van Coucy het beeld van den dapperen connétable als

tiende der preux opnemen. [198] Het was met reden, dat Orleans de

gedachtenis van du Guesclin een bijzondere zorg wijdde; hij zelf was

door den connétable ten doop gehouden, en deze had hem daarbij een

zwaard in de hand gegeven. Van de figuur van den dapperen en

berekenenden Bretonschen krijgsman neemt een nationaal-militaire

heldenvereering haar uitgang. Het valt op te merken, dat deze in de

15e eeuw nog niet in de eerste plaats Jeanne Darc geldt. Allerlei

veldoversten, die naast of tegen haar hadden gestreden, nemen in de

verbeelding der tijdgenooten veel grooter en eervoller plaats in dan het

boerenmeisje uit Domrémy. Velen spreken van haar nog zonder aandoening

of vereering, meer als een curiositeit. Chastellain, die zijn

Bourgondische gevoelens, als het pas gaf, merkwaardig op zij wist te

zetten voor een pathetisch Fransch loyalisme, dicht een "mystère" op den

dood van Karel VII, waarin al de aanvoerders, die voor hem de Engelschen

bestreden hebben, als een eeregalerij van dapperen, een strofe zeggen,

die hun daden vermeldt: Dunois, Jean de Bueil, Xaintrailles, La Hire

zijn er bij, en tal van minder bekenden. [199] Het doet even aan als een

reeks van Napoleontische generaals. Maar la Pucelle ontbreekt.

De Bourgondische vorsten bewaarden in hun schatkamer een aantal

heldenrelieken van romantischen aard: een zwaard van Sint Joris, met

diens wapen versierd, een zwaard, dat behoord had aan "messire Bertran

de Claiquin" (du Guesclin), een tand van het everzwijn van Garin le

Loherain, het souter, waaruit de heilige Lodewijk leerde in zijn

kindsheid. [200] Hoe loopen de fantaziesferen van het ridderlijke en het

religieuze hier ineen! Nog een schrede, en men is bij het armbeen van

Livius, dat, plechtig als gold het een reliek, in ontvangst genomen werd

door paus Leo X. [201]

De laat-middeleeuwsche heldenvereering heeft haar litterairen vorm in de

biografie van den volmaakten ridder. Soms zijn het reeds legendaire

figuren geworden, zooals Gilles de Trazegnies. De belangrijkste evenwel

zijn die van tijdgenooten, zooals Boucicaut, Jean de Bueil, Jacques de

Lalaing.

Jean le Meingre, gewoonlijk genoemd le maréchal Boucicaut, heeft zijn

land gediend in groote rampen. Hij was met Jan zonder Vrees in 1396 bij

Nicopolis geweest, waar het Fransche ridderleger, roekeloos uitgetrokken

om den Turk weer uit Europa te drijven, door Sultan Bajazid vernietigd

werd. Hij is opnieuw gevangen gemaakt bij Azincourt in 1415, en zes

jaren later in gevangenschap gestorven. Een bewonderaar heeft nog bij

zijn leven in 1409 zijn daden te boek gesteld, op grond van zeer goede

inlichting en documenten, [202] doch niet als een stuk tijdsgeschiedenis

maar als het beeld van den idealen ridder. De realiteit van dit

veelbewogen leven verdwijnt achter den schoonen schijn van het

ridderbeeld. De vreeselijke katastrofe van Nicopolis heeft in _Le Livre

des faicts_ maar een flauwe kleur. Boucicaut wordt geschilderd als het

type van den soberen, vromen en tegelijk hoofschen en geletterden

ridder. De afkeer van rijkdommen, die den waren ridder eigen moest zijn,

spreekt uit het woord van Boucicaut's vader, die zijn erfgoed had willen

vergrooten noch verkleinen, zeggende: als mijn kinderen rechtschapen en

dapper zijn, zullen zij genoeg hebben; en als zij niets waard zijn, zou

het jammer wezen, dat hun zooveel bleef nagelaten. [203] Boucicaut's

vroomheid is van een streng puriteinsch karakter. Hij staat vroeg op,

en blijft wel drie uren in gebeden. Hoe gehaast of bezig ook, hoort hij

iederen dag geknield twee missen. Vrijdags kleedt hij zich in het zwart,

op Zon- en feestdagen doet hij te voet een bedevaart of laat zich

voorlezen uit het leven der heiligen, of uit de geschiedenissen "des

vaillans trespassez, soit Romains ou autres", of hij spreekt met anderen

van devote dingen. Hij is matig en sober, spreekt weinig en meest over

God, de heiligen, de deugd of de ridderlijkheid. Ook al zijn dienaren

heeft hij gewend aan devotie en betamelijkheid, en hun het vloeken

afgeleerd. [204] Hij is een ijverig voorstander van den edelen, kuischen

vrouwendienst; hij eert allen om eene, en sticht de orde "de l'écu verd

à la dame blanche", ter verdediging der vrouwen, wat hem den lof schonk

van Christine de Pisan. [205] Te Genua, waar hij in 1401 het bestuur

kwam voeren voor Karel VI, beantwoordde hij eens hoffelijk de révérences

van twee dames, die hij ontmoette. "Monseigneur," zei zijn schildknaap,

"qui sont ces deux femmes à qui vous avez si grans reverences

faictes?"--"Huguenin, dit-il, je ne sçay". Lors luy dist: "Monseigneur,

elles sont filles communes".--"Filles communes, dist-il, Huguenin,

j'ayme trop mieulx faire reverence à dix filles communes que avoir

failly à une femme de bien." [206]--In zijn devies "Ce que vous

vouldrez" kan men evengoed den dolenden ridder hooren, die zijn trouw

aan zijn dame wijdt, als den renaissance-mensch, die zich overgeeft aan

het leven, zooals het tot hem komt.

Zoo is het schoone beeld van den ridder. Weliswaar blijkt uit andere

gegevens, dat de werkelijke Boucicaut er niet in alle opzichten aan kan

hebben beantwoord: hij deelde de gewelddadigheid en de geldzucht, in

zijn stand zoo gewoon. [207]

In een geheel andere nuance ziet men den modelridder in den

biografischen roman over Jean de Bueil, _Le Jouvencel_. Deze kapitein,

die onder het vaandel van Jeanne Darc gestreden had, later gemengd was

in den opstand der Praguerie en den oorlog "du bien public", en in 1477

stierf, heeft, in ongenade bij den koning, omstreeks 1465 aan drie van

zijn dienaren een verhaal van zijn leven geïnspireerd, getiteld _Le

Jouvencel_. [208] In tegenstelling met het leven van Boucicaut, waarin

de historische vorm een romantischen geest bergt, draagt _Le Jouvencel_

bij een gefingeerden vorm een sterk reëel karakter, althans in het

eerste gedeelte. Het staat misschien in verband met het veelvoudig

auteurschap, dat het werk verderop verloopt in een bloemzoete romantiek.

Daar is de gruwelijke tocht van de Fransche krijgsbenden op Zwitsersch

gebied in 1444, en de slag bij Sankt Jakob an der Birs, waar de boeren

van het Bazelsche land hun Thermopylae vonden, vermomd in den ijdelen

opschik van een afgezaagd bedenksel van herderlijke min.

In sterk contrast daarmee geeft het eerdere gedeelte van _Le Jouvencel_

van de werkelijkheid van den toenmaligen krijg een beeld zoo sober en

echt, als nauwelijks elders te vinden is. Ook deze auteurs spreken

overigens niet van Jeanne Darc, met wie hun meester toch in

wapenbroederschap had gestaan; het zijn zijn eigen heldendaden, die zij

verheerlijken. Doch hoe goed moet deze hun zijn krijgsbedrijf verteld

hebben. Hier kondigt zich de geest van het militaire Frankrijk aan, dat

later de figuren van den mousquetaire, den grognard en den poilu zal

opleveren. Den ridderlijken opzet verraadt alleen de aanhef, die de

jonge lieden aanspoort, uit dit geschrift het leven in de wapenen te

leeren, dat hen waarschuwt tegen hoogmoed, nijd en hebzucht. Zoowel het

vrome als het amoureuze element van Boucicaut ontbreken in het eerste

gedeelte van _Le Jouvencel_. Wat ons hier tegen komt, is de armzaligheid

van den oorlog, zijn ontberingen en de frissche moed om gebrek te lijden

en gevaren te bestaan. Een slotvoogd verzamelt zijn garnizoen en telt

maar vijftien paarden, magere beestjes, de meesten zijn onbeslagen. Hij

zet twee mannen op elk, maar ook van de mannen zijn de meesten eenoogig

of kreupel. Om de kleeren van den kapitein te kunnen verstellen, gaat

men de wasch van den vijand buitmaken. Een geroofde koe wordt den

vijandelijken kapitein op zijn verzoek hoffelijk teruggegeven. In de

beschrijving van een nachtelijken tocht over de velden ademt de

nachtlucht en de stilte u tegen. [209] In _Le Jouvencel_ ziet men het

riddertype overgaan in dat van den nationalen militair: de held van het

boek laat de arme gevangenen vrij, mits zij goed-fransch worden. Tot

hooge waardigheden gekomen, verlangt hij terug naar dat leven van

avontuur en vrijheid.

Zulk een realistisch riddertype (overigens, gelijk gezegd, in het werk

zelf niet ten einde toe volgehouden) kon de Bourgondische litteratuur,

veel ouderwetscher, veel solemneeler en meer in de feodale vormen bekneld

dan de zuiver Fransche, nog niet opleveren. Jacques de Lalaing is naast

le Jouvencel een antieke curiositeit, naar het cliché van oudere dolende

ridders als Gillon de Trazegnies beschreven. Het boek van de daden van

dezen vereerden held der Bourgondiërs spreekt meer van romantische

tournooien dan van den echten krijg. [210]

De psychologie van den oorlogsmoed is wellicht vroeger noch later zoo

eenvoudig en treffend uitgedrukt als in de volgende woorden van _Le

Jouvencel_: [211] "C'est joyeuse chose que la guerre.... On s'entr'ayme

tant à la guerre. Quant on voit sa querelle bonne et son sang bien

combatre, la larme en vient à l'ueil. Il vient une doulceur au cueur de

loyaulté et de pitié de veoir son amy, qui si vaillamment expose son

corps pour faire et acomplir le commandement de nostre createur. Et

puis on se dispose d'aller mourir ou vivre avec luy, et pour amour ne

l'abandonner point. En cela vient une délectation telle que, qui ne l'a

essaiié, il n'est homme qui sceust dire quel bien c'est. Pensez-vous

que homme qui face cela craingne la mort? Nennil; car il est tant

reconforté, il est si ravi, qu'il ne scet où il est. Vraiement il n'a

paour de rien."

Dit kon evengoed gezegd zijn door den modernen soldaat als door een

ridder der vijftiende eeuw. Het heeft met het ridderlijk ideaal als

zoodanig niets te maken. Het vertoont den gevoelsgrond van den zuiveren

strijdmoed zelf: de huiverende uittreding uit het enge egoïsme in de

aandoening van het levensgevaar, de ontzaglijke verteedering over de

dapperheid van den makker, den wellust van de trouw en de

zelfopoffering. Deze primitieve ascetische aandoening is de basis,

waarop het ridderideaal is opgebouwd tot een edele verbeelding van

mannelijke volmaaktheid, nauw verwant aan de Grieksche kalokagathia,

een hevige aspiratie naar schoon leven, de energische bezieling van

een reeks van eeuwen ... en ook het masker, waarachter een wereld van

baatzucht en geweld zich hullen kon.

Overal waar het ridderideaal het zuiverst beleden wordt, valt de nadruk

op het ascetische element ervan. In zijn eersten opbloei paarde het zich

ongedwongen, noodwendig zelfs, aan het monniksideaal: in de geestelijke

ridderorden uit den kruistochtentijd. En waar de werkelijkheid steeds

het ideaal gruwelijk logenstrafte, week het naar de sferen der

verbeelding: de dolende ridder is evenals de Tempelier vrij van aardsche

banden en arm. Dat ideaal van den edelen strijder zonder bezittingen,

zegt William James, beheerscht nog "sentimentally if not practically,

the military and aristocratic view of life. We glorify the soldier as

the man absolutely unincumbered. Owning nothing but his bare life, and

willing to toss that up at any moment when the cause commands him, he is

the representative of unhampered freedom in ideal directions." [212]

De verbindingen van het ridderideaal met hooge elementen van het

godsdienstig bewustzijn: medelijden, rechtvaardigheid, trouw, zijn dus

geenszins kunstmatig of oppervlakkig. Toch zijn het niet deze, die de

ridderschap tot den schoonen levensvorm bij uitnemendheid maken. En ook

haar onmiddellijke wortels in den mannelijken strijdmoed hadden haar

daartoe niet kunnen verheffen, als niet vrouwenliefde de brandende gloed

was geweest, die aan dat complex van gevoel en idee de levenswarmte gaf.

De diepe trek van askese, van moedige zelfopoffering, die het

ridderideaal eigen is, hangt met den erotischen grond van die

levenshouding ten nauwste samen, is misschien slechts de ethische

verwerking van onbevredigd verlangen. De vormgeving, de styleering van

het liefdeverlangen beperkt zich volstrekt niet tot de litteratuur. Zij

vindt evengoed een ruim veld om zich te ontplooien in de levensvormen

zelf: hoofschen omgang, gezelschapsspel, scherts en sport. Ook daar

wordt de liefde voortdurend gesublimeerd en geromantiseerd; het leven

volgt daarin de litteratuur na, maar deze leert tenslotte toch alles van

het leven. Het ridderlijke aspect der liefde is in den grond niet in de

litteratuur maar in het leven opgekomen. In de werkelijke

levensverhoudingen was het motief van den ridder en de geliefde gegeven.

De ridder en de geliefde, de held om liefde, is het meest primaire,

onveranderlijke romantische motief, dat overal opnieuw weer ontspringt

en ontspringen zal. Het is de meest onmiddellijke omzetting van de

zinnelijke drift in een ethische of quasi-ethische zelfverloochening.

Zij ontspringt direct uit de behoefte, om ten aanschouwe van de vrouw

zijn moed te toonen, gevaar te loopen en sterk te zijn, te lijden en

te bloeden, die iedere jongen van zestien jaar kent. De uiting en de

vervulling van het verlangen, die onbereikbaar schijnen, worden

vervangen en opgeheven door de heldendaad uit liefde. Daarmee is

terstond de dood als alternatief der vervulling gesteld, de bevrediging

om zoo te zeggen naar beide zijden verzekerd.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 7 / 38 段