Toen men tegen het einde der achttiende eeuw begon middeleeuwsche

cultuurvormen als eigen nieuwe levenswaarden op te nemen, met andere

woorden bij den aanvang der romantiek, heeft men in de Middeleeuwen

allereerst het ridderwezen ontwaard. De romantiek was geneigd

Middeleeuwen en riddertijd kortweg te vereenzelvigen. Zij zag overal

slechts wuivende vederbossen. En hoe paradoxaal het thans klinkt, zij

had in zeker opzicht gelijk. Een grondiger studie heeft ons geleerd,

dat het ridderwezen slechts een onderdeel is van de cultuur van dat

tijdperk, dat de staatkundige en maatschappelijke ontwikkeling

grootendeels buiten dien vorm om gaat. Het tijdperk van echte

feodaliteit en bloeiend ridderwezen loopt reeds in de dertiende eeuw

ten einde; wat daarna komt is de stedelijk-vorstelijke periode der

Middeleeuwen, waarin de beheerschende factoren van staat en maatschappij

de handelsmacht der burgerijen en de daarop berustende geldmacht der

vorsten zijn. Wij lateren hebben ons gewend, en terecht, om veel meer

naar Gent en Augsburg te zien, veel meer naar het opkomende kapitalisme

en de nieuwe staatsvormen dan naar den adel, die immers, hier meer daar

minder, overal reeds "gefnuikt" was. De geschiedvorsching zelf heeft

zich sedert de dagen der romantiek gedemocratiseerd. Het moet evenwel

hem, die gewoon is, de latere Middeleeuwen te zien in hun staatkundig-

economisch aspect, zooals wij dat begrijpen, telkens opvallen, dat de

bronnen zelf, met name de verhalende bronnen, aan den adel en zijn

bedrijf een zooveel ruimer plaats geven, dan bij onze voorstelling past.

Dit geldt zelfs niet enkel van de late Middeleeuwen, maar ook nog van de

zeventiende eeuw.

De reden daarvan is, dat de adellijke levensvorm zijn heerschappij over

de samenleving heeft behouden lang nadat de adel als maatschappelijke

structuur zijn overheerschende beteekenis verloren had. In den geest der

vijftiende eeuw neemt de adel als maatschappelijk element nog onbetwist

de eerste plaats in; zijn beteekenis wordt door den tijdgenoot veel te

hoog, die van de burgerij veel te laag geschat. Zij zelf zien niet, dat

de werkelijke beweegkrachten der maatschappelijke ontwikkeling elders

lagen dan in het leven en bedrijf van een oorlogvoerenden adel. Dus, zal

men zeggen: de fout zit bij de tijdgenooten zelf en bij de romantiek,

die hun voorstelling zonder kritiek volgde, terwijl de moderne

geschiedvorsching de ware verhoudingen van het laat-middeleeuwsche leven

aan het licht heeft gebracht. Van het staatkundige en economische leven,

ja. Maar voor het kennen van het cultuurleven behoudt de waan zelf,

waarin de tijdgenooten leefden, de waarde van een waarheid. Ook al was

de adellijke levensvorm niet anders dan een vernis over het leven

geweest, dan nog zou het noodzakelijk zijn, dat de geschiedenis dat

leven mèt den glans van dat vernis wist te zien.

Het is overigens veel meer geweest dan een vernis. Het begrip van de

geleding der maatschappij in standen doordringt in de Middeleeuwen alle

theologische en politische beschouwingen tot in haar vezelen. Het

bepaalt zich volstrekt niet tot de geijkte drie: geestelijkheid, adel en

derde stand. Het begrip stand heeft niet alleen een veel sterker waarde

maar ook een veel verder strekking. In het algemeen wordt iedere

groepeering, iedere functie, ieder beroep gezien als een stand, zoodat

naast de indeeling der maatschappij in drie standen een in twaalf kan

voorkomen. [143] Want stand is staat, "estat", of "ordo"; er ligt de

gedachte in van een door God gewilde wezenlijkheid. De woorden "estat"

en "ordre" dekken in de Middeleeuwen een groot aantal van menschelijke

groepeeringen, die voor ons begrip zeer ongelijksoortig zijn: de standen

in onzen zin, de beroepen, den huwelijken staat naast den maagdelijken,

den staat van zondigheid "estat de péchié", de vier "estats de corps et

de bouche" aan het hof: panetiers, schenkers, voorsnijders en

keukenmeesters, de geestelijke wijdingen: priester, diaken, subdiaken

enz., de kloosterorden, de ridderorden. In de middeleeuwsche gedachte

wordt het begrip "staat" of "orde" in al die gevallen bijeengehouden

door het besef, dat elk dezer groepen een goddelijke inzetting

vertegenwoordigt, een orgaan is in den wereldbouw, even wezenlijk en

even hierarchisch-eerbiedwaardig als de hemelsche tronen en machten der

engelenhierarchie.

In het schoone beeld, dat men zich maakte van staat en maatschappij,

werd aan elk der standen zijn functie aangewezen niet overeenkomstig

zijn beproefde nuttigheid, maar overeenkomstig zijn heiligheid of zijn

schitterenden glans. Men kon daarbij de ontaarding der geestelijkheid,

het verval van de ridderlijke deugden bejammeren, zonder daarom het

ideale beeld ook maar eenigszins prijs te geven; de zonden der menschen

mogen de verwezenlijking van het ideaal beletten, toch blijft het

grondslag en richtsnoer der maatschappelijke gedachte. Het

middeleeuwsche beeld der maatschappij is statisch, niet dynamisch.

Het is een wonderlijke schijn, waarin Chastellain, de hofhistoriograaf

van Philips den Goede en Karel den Stoute, wiens rijke werk ook hier

weer de beste spiegel is van de tijdsgedachte, de maatschappij van zijn

dagen ziet. Hier is een man, in de velden van Vlaanderen getogen, die in

zijn Nederlanden de schitterendste ontplooiing van burgermacht voor

oogen had, en die niettemin, verblind door den uiterlijksten glans van

het Bourgondische prachtleven, in den staat slechts riddermoed en

ridderdeugd als de bron van kracht ziet.

God heeft het volk doen geboren worden om te arbeiden, om den grond te

bewerken, om door den handel duurzaam levensonderhoud te verschaffen, de

geestelijkheid voor de werken des geloofs, maar den adel, om de deugd te

verheffen en de gerechtigheid te handhaven, om met de daden en de zeden

van hun schoone personen den anderen een spiegel te zijn. De hoogste

taak in den staat, de bescherming der kerk, de vermeerdering van het

geloof, de bewaring van het volk voor verdrukking, de handhaving van het

gemeen welzijn, bestrijding van geweld en tirannie, versterking van den

vrede, Chastellain wijst ze alle den adel toe. Waarheid, dapperheid,

zedelijkheid en mildheid zijn zijn eigenschappen. En de adel van

Frankrijk, zegt deze hoogdravende lofredenaar, beantwoordt aan dat

ideale beeld. [144] Door het geheele werk van Chastellain heen bemerkt

men, dat hij ook werkelijk de gebeurtenissen van zijn tijd door dat

gekleurde glaasje ziet.

De onderschatting van de burgerij spruit hieruit voort, dat het type,

waaronder men zich den derden stand voorstelde, zich nog geenszins

gecorrigeerd had naar de werkelijkheid. Dat type was eenvoudig en

beknopt als zulk een kalenderplaatje of bas-relief, dat de werken des

jaars afbeeldde: de zwoegende veldarbeider, de vlijtige handwerker of de

bedrijvige koopman. De figuur van den machtigen patriciër, die den adel

zelf van zijn plaats drong, het feit, dat de adel zich voortdurend

aanvulde met het bloed en de kracht der burgerij, vond in dat lapidaire

type evenmin plaats als de figuur van den strijdbaren gildebroeder en

zijn vrijheidsideaal. In het begrip van den derden stand bleven, immers

zelf tot de Revolutie toe, burgerij en arbeiders ongescheiden;

afwisselend dringt in de voorstelling de figuur van den armen boer of

van den vadsigen rijken burger [145] naar voren, maar een omlijning

volgens zijn werkelijke economisch-politische functie kreeg dat begrip

derde stand niet. Een reformprogram van een Augustijner monnik in 1412

kan in ernst verlangen, dat ieder niet-edele in Frankrijk gedwongen zou

worden, hand- of veldarbeid te doen, of uit het land gejaagd worden. [146]

Zoo is het te begrijpen, dat iemand als Chastellain, wiens vatbaarheid

voor ethische illusie geëvenaard wordt door zijn politische naïveteit,

naast de hooge eigenschappen van den adel den derden stand slechts lage

en slaafsche deugden toekent. "Pour venir au tiers membre qui fait le

royaume entier, c'est l'estat des bonnes villes, des marchans et des

gens de labeur, desquels il ne convient faire si longue exposition que

des autres, pour cause que de soy il n'est gaires capable de hautes

attributions, parce qu'il est au degré servile". (O kerels van

Vlaanderen!) Zijn deugd is nederigheid en vlijt, gehoorzaamheid aan hun

koning en gewilligheid, om genoegen te verschaffen aan de heeren. [147]

Werkte wellicht ook dat volslagen gemis aan het gezicht op een komenden

tijd van burgervrijheid en macht er toe mee, dat Chastellain en

gelijkgezinden, die enkel van den adel heil verwachtten, het met de

tijden duister inzagen?

Ook de rijke stedelingen heeten bij Chastellain nog kortweg "vilains".

[148] Hij heeft niet het geringste begrip voor burgereer. Philips de

Goede had de gewoonte, zijn macht te misbruiken, om zijn "archers",

lagere edelen veelal, of andere dienaren van zijn huis te huwen aan

rijke poortersweduwen of dochters. De ouders huwelijkten hun dochters

zoo vroeg mogelijk uit, om die aanzoeken te ontgaan; een weduwe

hertrouwde erom twee dagen na haars mans begrafenis. [149] Eens stuitte

de hertog daarbij op het hardnekkig verzet van een rijken bierbrouwer te

Rijsel, die zijn dochter niet voor een dergelijke verbintenis wil geven.

De hertog laat het meisje in verzekerde bewaring stellen; de gekrenkte

vader verhuist met zijn hebben en houden naar Doornik, om daar buiten

's hertogen gebied te zijn, en ongehinderd de zaak voor het Parlement

van Parijs te kunnen brengen. Het brengt hem niet dan zorg en moeite;

hij wordt ziek van verdriet, en het eind van het geval, dat in hooge mate

kenschetsend is voor Philips' impulsief karakter [150] en hem naar onze

begrippen niet tot eer strekt, is, dat de hertog de moeder, die als

smeekelinge tot hem komt, haar dochter teruggeeft, maar aan de

vergiffenis hoon en vernedering toevoegt. Chastellain, die anders

volstrekt niet vreest, zijn heer te misprijzen, staat met zijn sympathie

geheel aan de zijde van den hertog; voor den beleedigden vader heeft hij

geen andere woorden dan "ce rebelle brasseur rustique", "et encore si

meschant vilain." [151]

In zijn _Temple de Bocace_, een hol galmende hal van adellijken roem en

ongeluk, laat Chastellain den grooten financier Jacques Coeur niet

zonder een woord van verontschuldiging toe, terwijl de verfoeilijke

Gilles de Rais er ondanks zijn ontzettende misdaden gereedelijk toegang

vindt van wege zijn hooge geboorte. [152] Hij acht het onnoodig, de

namen van de burgers te vermelden, die in den grooten strijd voor Gent

vielen. [153]

Ondanks deze geringschatting van den derden stand ligt er in het

ridderideaal zelf en in de beoefening van de deugden en de taak, die den

adel werden voorgehouden, een dubbel element van een minder hoogmoedig

aristocratische volksverachting. Naast den spot over de dorpers, vol

haat en verachting, zooals die klinkt uit het Vlaamsche _Kerelslied_ en

de _Proverbes del vilain_ loopt in de Middeleeuwen een tegengestelde

uiting van medelijden met het arme volk, dat het zoo kwaad heeft.

"Si fault de faim perir les innocens

Dont les grans loups font chacun jour ventrée,

Qui amassent a milliers et a cens

Les faulx tresors; c'est le grain, c'est la blée,

Le sang, les os qui ont la terre arée

Des povres gens, dont leur esperit crie

Vengence à Dieu, vé à la seignourie ..." [154]

Het zijn altijd dezelfde klaagtonen: het arme volk, geteisterd door de

oorlogen, uitgezogen door de ambtenaren, leeft in gebrek en ellende;

iedereen teert op den boer. Zij lijden geduldig: "le prince n'en sçait

riens", en als zij soms murmureeren en de overheid smaden: "povres

brebis, povre fol peuple", de heer zal hen met een woord weer tot rust

en tot rede brengen. In Frankrijk komt onder den indruk van de

jammerlijke verwoesting en onveiligheid, waaraan de honderdjarige oorlog

gaandeweg het geheele land overleverde, één trek in die klacht op den

voorgrond: de boer geplunderd, gebrandschat en mishandeld door de

krijgsbenden van vriend en vijand, beroofd van zijn ploegdieren, van

huis en hof verjaagd. In dien vorm neemt de klacht geen einde meer. Men

hoort haar van de groote reform-gezinde geestelijken omstreeks 1400:

Nicolaas van Clemanges in zijn _Liber de lapsu et reparatione

justitiae,_ [155] van Gerson in zijn moedige en aangrijpende politieke

preek voor de regenten en het hof op het thema _Vivat rex,_ 7 November

1405 in het paleis der koningin te Parijs gehouden, [156] Jean Jouvenel,

de bisschop van Beauvais, houdt in bittere klachten de ellende van het

volk voor aan de Staten te Blois in 1433, te Orleans in 1439. [157]

Gepaard aan het beklag der andere standen over hun moeilijkheden, in den

vorm van een twistgesprek, vindt men het thema van de volksellende in

Alain Chartier's _Quadriloge invectif,_ [158] en in Robert Gaguin's

daarop geïnspireerd _Debat du laboureur, du prestre et du gendarme_.

[159] De kroniekschrijvers kunnen niet anders dan telkens erop

terugkomen; hun stof bracht het mee. [160] Molinet dicht een _Resource

du petit peuple_, [161] de ernstige Meschinot herhaalt de waarschuwingen

over de verwaarloozing van het volk keer op keer:

"O Dieu, voyez du commun l'indigence,

Pourvoyez-y à toute diligence:

Las! par faim, froid, paour et misere tremble.

S'il a peché ou commis negligence

Encontre vous, il demande indulgence.

N'est-ce pitié des biens que l'on lui emble?

Il n'a plus bled pour porter au molin,

On lui oste draps de laine et de lin,

L'eaue, sans plus, lui demeure pour boire". [162]

In een cahier, den koning aangeboden ter gelegenheid van de Staten te

Tours in 1484, neemt de klacht regelrecht het karakter aan van een

politiek vertoog. [163] Toch blijft het een volkomen stereotyp en

negatief medelijden, niets van een program. Er is nog geen spoor van

weloverlegden socialen hervormingszin in, en zoo wordt er op het thema

doorgezongen, door La Bruyère, door Fénélon, tot diep in de achttiende

eeuw, want nog de klachten van den ouden Mirabeau, "l'ami des hommes",

zijn weinig anders, al klinkt daarin het geluid van het komende verzet.

Het is te verwachten, dat de verheerlijkers van het laat-middeleeuwsche

ridderideaal instemmen met deze betuigingen van medelijden met het volk:

immers de toepassing van den ridderplicht, om de zwakken te beschermen,

eischte het. Evenzeer inhaerent aan het wezen van het ridderideaal, en

evenzeer stereotyp en theoretisch, is ook het besef, dat de ware adeldom

slechts berust in de deugd, en dat in den grond alle menschen gelijk

zijn. Deze beide gevoelens worden wel eens in hun cultuurhistorische

beteekenis overschat. Men beschouwt de erkenning van den waren adel in

het hart als een triomf der Renaissance, erop wijzende, dat Poggio die

gedachte uitspreekt in zijn _De nobilitate_. Men hoort gewoonlijk dat

oude egalitarisme in het revolutionaire geluid van John Ball's "When

Adam delved and Eve span, where was then the gentleman?"--En men stelt

zich voor, dat de adel sidderde op dien tekst.

Beide gedachten waren reeds lang gemeenplaatsen in de hoofsche

litteratuur zelve, evenals zij het waren in de salons van het ancien

régime. Het denkbeeld van den waren adel in het hart was voortgekomen

uit de verheffing van de hoofsche liefde in de poëzie der troubadours.

Het blijft een zedelijke bespiegeling zonder sociaal-actieve werking.

"Dont vient a tous souveraine noblesce?

Du gentil cuer, paré de nobles mours.

... Nulz n'est villains se du cuer ne lui muet". [164]

De gelijkheidsgedachte was reeds door de kerkvaders ontleend aan Cicero

en Seneca. Gregorius de Groote had den komenden Middeleeuwen het "Omnes

namque homines natura aequales sumus" reeds meegegeven. Het was in

allerlei klank en nadruk steeds herhaald, zonder de werkelijke

ongelijkheid te verminderen. Want voor den Middeleeuwer keerde de

gedachte haar pointe naar de spoedige gelijkheid in den dood, niet naar

een hopeloos verre gelijkheid in het leven. Bij Eustache Deschamps

vinden wij haar in een duidelijke verbinding met de doodendans-

voorstelling, die aan de late Middeleeuwen den troost moest geven over

het onrecht van de wereld. Het is Adam zelf, die zijn kroost toespreekt:

"Enfans, enfans, de moy, Adam, venuz,

Qui après Dieu suis peres premerain (eerste)

Créé de lui, tous estes descenduz

Naturelment de ma coste et d'Evain;

Vo mere fut. Comment est l'un villain

Et l'autre prant le nom de gentillesce

De vous, freres? dont vient tele noblesce?

Je ne le sçay, se ce n'est des vertus,

Et les villains de tout vice qui blesce:

Vous estes tous d'une pel revestus.

Quant Dieu me fist de la boe ou je fus,

Homme mortel, faible, pesant et vain,

Eve de moy, il nous crea tous nuz,

Mais l'esperit nous inspira a plain

Perpetuel, puis eusmes soif et faim,

Labour, dolour, et enfans en tristesce;

Pour noz pechiez enfantent a destresce

Toutes femmes; vilment estes conçuz.

Dont vient ce nom, villain, qui les cuers blesce?

Vous estes tous d'une pel revestuz.

Les roys puissans, les contes et les dus,

Li gouverneur du peuple et souverain,

Quant ilz naissent, de quoy sont ilz vestuz?

D'une orde pel.

... Prince, pensez, sanz avoir en desdain

Les povres gens, que la mort tient le frain". [165]

Het is in overeenstemming met deze gedachten, wanneer geestdriftige

vereerders van het ridderideaal somtijds opzettelijk de daden van

boersche helden opteekenen, om den adel te leeren, "dat bij wijlen zij,

die zij dorpers achten, van de grootste dapperheid bezield zijn". [166]

Want dit is de grond van al deze gedachten: dat de adel geroepen is, om

door de naleving van het ridderideaal de wereld te schragen en te

zuiveren. Het rechte leven en de rechte deugd der edelen is het

heilmiddel der slechte tijden; daarvan hangt af het welzijn en de rust

van kerk en koninkrijk, de gelding der gerechtigheid. [167] De oorlog is

in de wereld gekomen met Caïn en Abel, en sedert vertakt onder goeden en

slechten. Hem te beginnen is niet goed. Daarom is de zeer edele en zeer

uitstekende stand der ridderschap ingesteld, om het volk, dat gemeenlijk

het meest geteisterd wordt door de rampen van den krijg, te bewaren, te

verdedigen en in rust te houden. [168] Twee zaken, luidt het in het

leven van een der zuiverste vertegenwoordigers van het laat-middeleeuwsche

ridderideaal, Boucicaut, zijn door God's wil in de wereld gezet als twee

pijlers om de orde der goddelijke en menschelijke wetten te onderhouden;

zonder hen zou de wereld niet dan verwarring zijn; die twee pijlers zijn

ridderschap en wetenschap, "chevalerie et science, qui moult bien

conviennent ensemble". [169] "Science, Foy et Chevalerie" zijn de drie

leliën van _Le Chapel des fleurs de lis_ van Philippe de Vitri; zij

vertegenwoordigen de drie standen; de ridderschap is geroepen, om de

beide andere te behoeden en te beschermen. [170] Die gelijkwaardigheid

van ridderschap en wetenschap, die ook spreekt uit de neiging om aan den

doctorstitel dezelfde rechten toe te kennen als aan den riddertitel

[171] getuigt van het hooge ethische gehalte van het ridderideaal. Het

is de vereering van een hooger willen en durven naast die van een hooger

weten en kunnen; men heeft de behoefte, om den mensch in een hoogere

potentie te zien, en wil die uitdrukken in den vasten vorm van twee

wijdingen tot hooger levenstaak, onderling gelijkwaardig. Maar van die

twee had het ridderideaal een veel algemeener en sterker werking, omdat

daarin met het ethische zooveel aesthetische elementen waren vereenigd,

die voor iederen geest begrijpelijk waren.

De middeleeuwsche gedachtenwereld in het algemeen is in al haar deelen

doortrokken en doorzult met de geloofsvoorstellingen. Op soortgelijke

wijze is de gedachtenwereld van die beperkter groep, welke in de sfeer

van hof en adel leeft, gedrenkt in het ridderideaal. Zelfs

geloofsvoorstellingen worden op haar beurt in den ban der ridderidee

getrokken: Michael's wapenfeit was "la première milicie et prouesse

chevaleureuse qui oncques fut mise en exploict"; van hem neemt de

ridderlijkheid haar oorsprong; als "milicie terrienne et chevalerie

humaine" is zij een aardsche navolging van de engelenscharen om Gods

troon. [172]

Leidt de hooge verwachting, die men bouwt op de plichtsvervulling van

den adel, tot eenige nadere omschrijving van politieke denkbeelden

omtrent hetgeen den adel te doen staat? Ja, die van een streven naar

den universeelen vrede, gegrondvest op de eendracht der koningen, de

verovering van Jeruzalem en verdrijving der Turken. De onvermoeide

plannenmaker Philippe de Mézières, die droomde van een ridderorde, welke

al de oude kracht van Tempel en Hospitaal zou overtreffen, heeft in zijn

_Songe du vieil pelerin_ een plan uitgewerkt, dat het heil der wereld

in de naaste toekomst scheen te waarborgen. De jonge koning van

Frankrijk,--het is geschreven omstreeks 1388, toen op den ongelukkigen

Karel VI nog zooveel hoop was gebouwd--, zal gemakkelijk vrede kunnen

sluiten met Richard van Engeland, even jong en onschuldig aan ouden

strijd als hij. Zij moesten persoonlijk over dien vrede met elkander

spreken, elkander verhalen van de wonderlijke openbaringen, die hem

hadden aangekondigd, afzien van al de kleine belangen, die een beletsel

zouden opleveren, als de onderhandeling aan geestelijken,

rechtsgeleerden of legerhoofden werd toevertrouwd. Laat de koning van

Frankrijk maar wat grenssteden en kasteelen afstaan. Terstond na den

vrede zou de kruistocht worden voorbereid. Overal zal alle strijd en

veete beslecht worden, het tiranniek bestuur der staten zal hervormd

worden, een algemeen concilie zal de vorsten der christenheid opwekken,

om ten oorlog te trekken, indien de prediking niet helpen mocht, om

Tartaren, Turken, Joden en Saracenen te bekeeren. [173] Niet

onwaarschijnlijk was er van zulke ver strekkende plannen nog sprake in

het vriendschappelijk verkeer van Mézières met den jongen Lodewijk van

Orleans in het klooster der Celestijnen te Parijs. Ook Orleans leefde,

zij het met meer bijmenging van praktische en baatzuchtige politiek,

in die droomen van vrede en kruistocht. [174]

Het is een wonderlijke kleuring van de wereld, dat beeld van de

maatschappij gedragen door het ridderideaal. Het is een kleur, die niet

goed houden wil. Wien men ook neemt van de bekende fransche chronisten

der veertiende en vijftiende eeuw: de scherpe Froissart, de droge

Monstrelet en d'Escouchy, de plechtstatige Chastellain, de hoofsche

Olivier de la Marche, de bombastische Molinet, allen met uitzondering

van Commines en Thomas Basin beginnen met hoogdravende verklaringen,

dat zij schrijven ter verheerlijking van ridderdeugd en roemrijke

wapenfeiten. [175] Maar niemand kan het geheel volhouden, Chastellain

nog het best. Terwijl Froissart, zelf dichter van een hyperromantischen

aflegger der ridder-epiek: _Méliador_, met zijn geest zwelgt in ideale

"prouesse" en "grans apertises d'armes", schrijft zijn journalistenpen

voortdurend van verraad en wreedheid, sluwe baatzucht en overmacht, een

krijgsbedrijf, dat geheel een zaak van winstbejag is geworden. Molinet

vergeet doorloopend zijn chevaleresken opzet en vertelt, afgezien van

zijn taal en stijl, de gebeurtenissen helder en eenvoudig, om zich af

en toe den edelen zwier te herinneren, dien hij zich had opgelegd. Nog

uiterlijker is de ridderlijke strekking bij Monstrelet.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 6 / 38 段