De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een

suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt

gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het

wederpart is van de hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke

hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen

praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het

afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder

aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchieën bewaren ze tot den

huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van.

De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet

enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging,

moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel

grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den

vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk

(en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee

Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten,

prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en

vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of

beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den

hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd. [121] Bij de

plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van

Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van

zijn paard afhangt tot op den grond. [122] Nog geruimen tijd daarna

verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart. [123]

Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl

het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt, rouwt de koning van

Frankrijk in het rood. [124] En in 1393 zagen de Parijzenaars met

verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap

gestorven koning van Armenië, Léon de Lusignan. [125]

Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte,

hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke

verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten

een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En

als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondië deed,

daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep

als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel

evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de

aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint

in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede,

waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op

het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van

Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van

zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval

teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring

van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste

uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet

te betwijfelen. [126] Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van

Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken

van waarheid. Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog,

vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding

tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk

geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen

men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en

nedervallen, "et ne tenoit régle, ne mesure, et tellement qu'il fit

chacun s'esmerveiller de sa démesurée douleur". Ook in de stad Brugge,

waar de hertog stierf, "estoit pitié de oyr toutes manières de gens

crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets". [127]

Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de

hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en

hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was.

Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide

weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en

artistiek uitgedrukt in de "plourants", die juist in dezen tijd aan de

grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud

beschavingselement.

Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien

vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een

doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij

zwanger gaat van Maria van Bourgondië, den dood van haar vader langen

tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel

sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef

geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote. Toen de hertog toch van

den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had

(Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit esté en vent un peu

de ceste mort"), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn

ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven

is.--Monseigneur,--zegt de bisschop--: naar waarheid dood is hij wel,

want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.--Déa!--zegt

de hertog,--dat vraag ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et

trespassé".--Ha! monseigneur,--zegt de bisschop weer--, hij is niet

gestorven, maar aan één kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.--De

hertog wordt boos:--Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood

is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is

werkelijk gestorven". [128] Is er niet in deze zonderlinge wijze van een

doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan

van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen?

Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich

nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat

hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel

stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van

zijn pasgeboren zoontje werd bericht. [129] "M. le chancellier--schrijft

hij 25 Mei 1483--je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne

m'en envoyés plus par celluy qui les m'a aportées, car je luy ay trouvé

le visage terriblement changé depuis que je ne le vitz, et vous prometz

par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu". [130]

Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag

schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het

leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de

smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama,

en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij

voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht

nog één geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men

slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal

vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de

rang, hoe heroïscher het smartbetoon moet prijken. De koningin van

Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood

haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer

men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader

heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg,

en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door

kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is

geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht

tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met

zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te

bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der

zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor

den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed.

[131]--Men begrijpt, hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in

eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419

telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis,

hozen en schoenen begraven was. [132]

De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht

in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een

achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend

wordt. Er is een naïeve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven,

welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al

dien "staat" toch als hooge mysteriën vereert, kenmerkend aan den dag

komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat

zij volgen: "Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point

toujours couchée, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat,

doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot

behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet

hertrouwt". Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden

dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor

den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden.

Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie

en hiërarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het

groen, dat nog in de 19e eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk

ledikant en de vuurmand, was in de 15e het prerogatief van koningin en

prinsessen. De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene

zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la

chambre verde" hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is

voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten

in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst

na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de

staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den

koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur,

en het kind, Maria van Bourgondië, in een wieg in de kinderkamer, maar

bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig

samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te

gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met

groen en violet, en nogmaals één groot bed in een voorvertrek of

"chambre de parement", geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was

vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette

"la chambre d'Utrecht". Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot

ceremonieus gebruik. [133]

Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch

aspect van stad en land: de strenge hiërarchie van stoffen, kleuren

en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting,

die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der

gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en

smarten bij geboorte, huwelijk en sterven, waar de parade door de

noodzakelijke ceremoniën geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne

gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de

bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige,

voor het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de

ses péchés" van Agnes Sorel. [134] Elke levensverhouding wordt in stijl

gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren

van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze

tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook

de vriendschap in het leven der 15e eeuw haar schoon uitgewerkten vorm.

Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen

zoowel van het volk als van den adel in eere was, [135] kent men een

vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord

mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich

gedurende de geheele 16e en een deel der 17e eeuw handhaaft. Het is de

verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George

Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder

dit aspect gezien worden. _Twelfth Night_ is slechts te begrijpen, als

men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen

geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De

verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy

n'as dame ne mignon", zegt Chastellain. [136] Doch elke toespeling, die

haar op één lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten

eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in

een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen

zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten,

onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar

men haar niet kent, ten voorbeeld. [137] Commines vertelt zelf, hoe hij

de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings

behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze. [138] Want dit is het

vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en

titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij

ontvangsten. [139] Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken

leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in één

kamer, soms ook in één bed slapen. [140] Zulk een onafscheidelijke

vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn

bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk

van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon, [141] tusschen

den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing. Op dezelfde wijze

hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt, [142]

en mignonne genoemdt wordt.

Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid

moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de

groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst

in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van

ongedwongen altruïsme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en

hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van

bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe

sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat

hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het

algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil

toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de

lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig

verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15e eeuw het domein der

mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst

dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het

veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het

krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt.

De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en

rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen

hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl

uitgedrukt, waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts

meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag

vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de

strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat

van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en

verliefden.

Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk

uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk

een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon

worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het

leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke

uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het

grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn

verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei

van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde.

NOTEN:

[64] Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze,

1863, p. 362.

[65] Eustache Deschamps, Oeuvres complètes, ed. De Queux de Saint

Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11

vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366,

375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.;

Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain

Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; Alanus de Rupe,

Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels,

1642).

[66] Deschamps no. 562 (IV p. 18).

[67] A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de

l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc.

[68] Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII

p. 334.

[69] La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de

la Marche, historien, poète et diplomate, (Mém. couronnés etc. de

l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice.

[70] Monstrelet, IV p. 430.

[71] Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl.

Les Quinze joyes demariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte

joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399.

[72] Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. § 17,

bij Gerson, Opera, I p. 920.

[73] Deschamps no. 95 (I p. 203).

[74] Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p.

259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz.

[75] Convivio lib. IV. cap. 27, 28.

[76] Discours de l'excellence de virginité, Gerson, Opera III p. 382;

vgl. Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et

labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41

vol. XXXIX p. 472.

[77] Chastellain, V p. 364.

[78] La Marche, IV p. cxiv.--De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de

la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494.

[79] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens

textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; Leo von Rozmital's

Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844,

p. 24, 149.

[80] La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370.

[81] Ernst.

[82] Een staatsiezetel.

[83] Gekleed.

[84] Chastellain, V. p. 368.

[85] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss.

[86] La Marche, I p. 277.

[87] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31.

[88] Froissart, ed. Luce, III p. 172.

[89] Journal d'un bourgeois, § 218 p. 105.

[90] Chronique scandaleuse, I p. 53.

[91] Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376.

[92] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La Curne de

Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201.

[93] Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428;

Alienor de Poitiers, p. 209, 212.

[94] Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des

Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz.

[95] Molinet, V p. 194, 192.

[96] Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109.

[97] Chastellain, V. p. 27-33.

[98] Maxime u. Reflexionen V.

[99] Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de

mariage, p. 109/110.

[100] Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43,

45, 75, 126, 140, 5293.

[101] De baljuwsche.

[102] Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet,

V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl.

Les Quinze joyes de mariage p. 185.

[103] Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152.

[104] Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds

even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de

hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284(2), is

uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308.

[105] Deschamps, IX p. 111-114.

[106] Jean de Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges)

1861, p. 96.

[107] Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9.

[108] Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het

Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het

doodvonnis, evenzoo Le Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove

(Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138(1).

[109] Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341.

[110] Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9.

[111] Pierre de Fenin, p. 604.

[112] Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss;

Rozmital 's Reise, p. 24, 149.

[113] Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800,

803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14.

[114] Anonym bericht der 15e eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p.

353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492.

[115] Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318.

[116] Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532

bij Th. Godefroy, Le cérémonial françois, 1649, p. 619.

[117] Rel. de S. Denis, I p. 32.

[118] Journal d'un bourgeois, p. 277.

[119] Thomas Bassin, II p. 9.

[120] A. Renaudet, Préréforme et humanisme à Paris, p. 11, naar de

processtukken.

[121] de Laborde, Les ducs de Bourgogne, I p. 172, 177.

[122] Livre des trahisons, p. 156.

[123] Chastellain, I p. 188.

[124] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254.

[125] Rel. de S. Denis, II p. 114.

[126] Chastellain, I p. 49, V p. 240; vgl. La Marche, I p. 201;

Monstrelet, III p. 358; Lefèvre de S. Remy, I p. 380.

[127] Chastellain. V p. 228, vgl. IV p. 210.

[128] Chastellain, III p. 296; IV p. 213, 216.

[129] Chronique scandaleuse. Interpol. II p. 332.

[130] Lettres de Louis XI, X p. 110.

[131] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, p. 254-256.

[132] Lefèvre de S. Remy, II p. 11; Pierre de Fenin, p. 599, 605;

Monstrelet, III p. 347; Theod. Pauli, De rebus actis sub ducibus

Burgundiae compendium, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. à l'hist.

de Belg. sous la dom. des ducs de Bourg. t. III) p. 267.

[133] Alienor de Poitiers, p.217-245; Laborde, II p. 267, Inventaris van

1420.

[134] Continuateur de Monstrelet, 1449 (Chastellain, V p. 367(1)).

[135] Vgl. Petit Dutaillis, Documents nouveaux sur les moeurs populaires

etc., p. 14; La Curne de S. Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie,

I p. 272.

[136] Chastellain, Le Pas de la mort, VI p. 61.

[137] Hefele, Der h. Bernhardin v. Siena etc., p. 42. Vervolging van

sodomie in Frankrijk, Jacques du Clercq, II p. 272, 282, 337, 338, 350,

III 15.

[138] Philippe de Commines, Mémoires, ed. B. de Mandrot (Coll. de textes

pour servir à l'enseignement de l'histoire) 1901-'3, 2 vol., I p. 316.

[139] La Marche, II p. 425; Molinet, II p. 29, 280; Chastellain, IV p. 41.

[140] Les cent nouvelles nouvelles, II p. 61; Froissart, ed. Kervyn, XI

p. 93.

[141] Froissart id., ib. XIV p. 318; Le livre des faits de Jacques de

Lalaing. p. 29, 247 (Chastellain VIII); La Marche I p. 268; L'hystoire

du petit Jehan de Saintré. ch. 47.

[142] Chastellain, IV p. 237.

* * * * *

III

DE HELDENDROOM

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 5 / 38 段