De hofstaat is het terrein, waarop zich de aesthetiek van den levensvorm

ten volle kan ontplooien. Het is bekend, hoeveel gewicht de

Bourgondische hertogen hebben gehecht aan alles wat de praal en staatsie

van hun hof betrof. Na den oorlogsroem, zegt Chastellain, is de hofstaat

de eerste zaak, waarop men het oog richt, en welks regeling en goede

handhaving van de hoogste noodzaak is [77]. Olivier de la Marche, de

ceremoniemeester van Karel den Stoute, schreef op verzoek van den

Engelschen koning Eduard IV zijn tractaat over den hofstaat des

hertogen, ten einde den koning het model van ceremonieel en etikette ter

navolging te bieden [78]. Van Bourgondië hebben de Habsburgers het fraai

uitgewerkte hofleven geërfd en overgebracht naar Spanje en Oostenrijk,

die er tot den huidigen dag het bolwerk van waren gebleven. Het hof van

Bourgondië werd door allen genoemd als het rijkste en best geordende,

dat men vond [79]. Vooral Karel de Stoute, de man met den gewelddadigen

geest van orde en regel, die niets dan wanorde achterliet, had den

hartstocht van het hoog vormelijke leven. De oude illusie, dat de vorst

zelf de klachten der armen en kleinen aanhoort en terstond berecht, was

door hem in een fraaien vorm gekleed. Twee of driemaal per week na den

maaltijd hield hij een openlijk gehoor, waar elkeen hem met

verzoekschriften kon naderen. Al de edelen van zijn huis moesten

tegenwoordig zijn; niemand waagde er weg te blijven. Zorgvuldig

gescheiden naar hun rangen zaten zij ter weerszijden van den doorgang,

die naar 's hertogen hoogen zetel leidde. Aan zijn voeten lagen geknield

de twee maistres des requestes, de audiencier en een secretaris, die de

verzoekschriften voorlazen en afdeden, naar de vorst gebood. Achter

balustraden rondom de zaal stond de lagere hofhouding. Het was, zegt

Chastellain, in schijn "une chose magnifique et de grand los", maar de

gedwongen toeschouwers verveelden zich geducht, en aan de goede vruchten

van deze rechtspraak twijfelt hij; het was een zaak, die hij in zijn

tijd van geen anderen vorst had gezien [80].

Ook de ontspanning moest voor Karel den Stoute dien fraaien vorm hebben.

"Tournoit toutes ses manières et ses moeurs à sens [81] une part du

jour, et avecques jeux et ris entremeslés, se délitoit en beau parler et

en amonester ses nobles à vertu, comme un orateur. Et en cestuy regart,

plusieurs fois, s'est trouvé assis en un hautdos paré [82], et ses

nobles devant luy, là où il leur fit diverses remonstrances selon les

divers temps et causes. Et toujours, comme prince et chef sur tous, fut

richement et magnifiquement habitué [83] sur tous les autres" [84]. Deze

bewuste levenskunst is ondanks de stijve en naïeve vormen eigenlijk

volkomen Renaissance. Het is, wat Chastellain noemt zijn "haute

magnificence de coeur pour estre vu et regardé en singulières choses",

de kenmerkendste eigenschap van Burckhardt's Renaissance-mensch.

De hiërarchische ordinanties van de hofhuishouding zijn van een

pantagrueleske sappigheid, waar zij betrekking hebben op den maaltijd en

de keuken. De hofmaaltijd van Karel den Stoute, met al de met bijkans

liturgische waardigheid geregelde diensten van panetiers en voorsnijders

en schenkers en keukenmeesters, was als de opvoering van een groot en

ernstig schouwtooneel. Het geheele hof at in groepen van tien in

afzonderlijke kamers, bediend en onthaald gelijk de heer, alles

zorgvuldig naar rang en stand geordend. Alles was zoo goed geregeld, dat

al de groepen bijtijds na hun maaltijd den hertog, die nog aan zijn

tafel zat, konden komen begroeten "pour luy donner gloire" [85].

In de keuken (men denke zich de heroïsche keuken, nu de eenig bewaarde

rest van het hertogenpaleis te Dijon, met haar zeven reusachtige

schoorsteenen), in de keuken zit de dienstdoende kok in een zetel

tusschen schoorsteen en buffet, vanwaar hij het geheele vertrek kan

overzien. In zijn hand moet hij een grooten houten lepel hebben, "die

hem dient tot twee doeleinden: het eene om soep en sausen te proeven, en

het andere om de keukenjongens uit de keuken te drijven, om hun plicht

te doen, en zoo noodig erop te slaan". Bij zeldzame gelegenheden komt de

kok wel eens zelf opdienen, een toorts in de hand, bij voorbeeld de

eerste truffels of den eersten nieuwen haring.

Voor den gewichtigen hoveling, die ons dit alles beschrijft, zijn het

heilige mysteriën, waar hij met ontzag en met een soort van

scholastische wetenschappelijkheid van spreekt. Toen ik page was, zegt

La Marche, was ik nog te jong om vragen van préséance en ceremonieel te

begrijpen [86]. Hij legt zijn lezers gewichtige vragen van voorrang en

hofdienst voor, om ze met zijn rijpe kennis op te lossen. Waarom zit bij

's heeren maaltijd de kok en niet de jonker van der keukene? Hoe moet

de kok worden aangesteld? Wie moet hem bij afwezigheid vervangen: de

gebraadmeester (hateur) of de soepmeester (potagier)? Hierop antwoord

ik, zegt de wijze man: wanneer er een kok moet zijn aan 's vorsten hof,

zullen de hofmeesters (maitres d'hôtel) de jonkers van der keukene

(escuiers de cuisine) en alle degenen, die ter keukene dienen, den een

na den ander oproepen; en bij plechtige keuze, door ieder onder eede

gedaan, zal de kok worden aangesteld. En op de tweede vraag: noch de

gebraadmeester noch de soepmeester, maar eveneens bij keuze zal de

plaatsvervanger van den kok worden aangewezen.--Waarom staan de

panetiers en schenkers als eerste en tweede rang boven de voorsnijders

en koks? Omdat hun ambt het brood en den wijn betreft, de heilige

dingen, waarop de waardigheid van het sacrament afstraalt [87].

Men ziet, er is hier een werkelijke verbinding tusschen de gedachtensferen

van het geloof en van de hofetikette. Het is niet teveel gezegd, dat er

in dien toestel van de schoone, edele levensvormen een liturgisch

element schuilt, dat de waardeering van die vormen als 't ware is

opgetrokken in een quasi-religieuze sfeer. Alleen dit verklaart de

buitengewone belangrijkheid, die (niet alleen in de latere Middeleeuwen)

aan alle kwesties van voorrang en beleefdheid wordt toegekend.

In het oude Russische rijk vóór de Romanov's had zich de strijd om den

voorrang bij den troon ontwikkeld tot een vast departement van den

staatsdienst. Dien vorm kennen de Westersche staten der Middeleeuwen

niet, maar ook hier neemt toch de naijver om den voorrang een groote

plaats in. Het zou gemakkelijk zijn, daarvan de voorbeelden te

verzamelen. Hier evenwel is het er om te doen, de versiering der

levensvormen tot een schoon en verheffend spel, en de woekering dier

vormen tot een hol vertoon, te doen blijken. Daartoe eenige voorbeelden.

De fraaie vorm kan somtijds de doelmatige handeling geheel op zij

dringen. Vlak voor den slag bij Crécy hebben vier Fransche ridders de

slagorde der Engelschen verkend. De koning, die met ongeduld hun bericht

verwacht, langzaam voortrijdend over het veld, houdt stil, toen hij hen

ziet terugkomen. Zij dringen door het gedrang der krijgslieden heen tot

voor den koning. Wat nieuws, heeren? vraagt de koning. "Zij zagen

elkander aan, zonder een woord te spreken, want geen wilde spreken vóór

zijn makker. En zij zeiden den een tot den ander: "Heer, zeg gij het,

spreek gij tot den koning, ik zal niet vóór u spreken." Zoo waren zij

een tijd in strijd, dat geen "par honneur" wou beginnen te spreken."

Totdat de koning het een hunner beveelt [88].--Nog vollediger moest de

doelmatigheid voor den fraaien vorm wijken in het geval van messire

Gaultier Rallart, chevalier du guet te Parijs in 1418. Dit hoofd der

politie placht nooit de ronde te doen, of er gingen drie of vier

muzikanten voorop, die lustig bliezen, zoodat het volk zei, dat hij als

't ware de boeven waarschuwde: vlucht, want ik kom. [89] Het geval staat

niet op zich zelf. In 1465 vindt men opnieuw, hoe de bisschop van

Evreux, Jean Balue, de nachtelijke ronde in Parijs doet met klaroenen,

trompetten en andere muziekinstrumenten, "qui n'estoit pas acoustumé de

faire à gens faisans guet" [90].--Zelfs op het schavot wordt de eer van

rang en stand streng in acht genomen: dat van den connétable de Saint

Pol is rijk getapisseerd met leliën, het bidkussen en de blinddoek zijn

van karmozijn fluweel, en de beul is iemand, die nog nooit een ander

heeft geëxecuteerd [91].

De wedijver in beleefdheid, die nu een kleinburgerlijk karakter heeft

gekregen, was in het hofleven der vijftiende eeuw buitengewoon sterk

ontwikkeld. Men beschouwde het als een ondragelijke schande voor zich

zelf, als men den meerdere niet de plaats liet, die hem toekwam. De

Bourgondische hertogen geven angstvallig den voorrang aan hun

koninklijke verwanten van Frankrijk. Jan zonder Vrees bewees zijn jonge

schoondochter Michelle de France altijd overdreven eer; hij noemde haar

Madame, knielde altijd voor haar tot den grond, en wilde haar altijd

bedienen, maar zij wilde het niet hebben [92]. Als Philips de Goede

hoort, dat zijn neef, de dauphin, naar Brabant is uitgeweken in den

twist met zijn vader, breekt hij het beleg van Deventer, dat de

inleiding moest zijn voor een expeditie, die Friesland onder zijn macht

zou brengen, af, en haast zich naar Brussel terug, om den hoogen gast te

verwelkomen. Naarmate de ontmoeting nadert, wordt het een wedloop, wie

den ander in eerbetoon voor zal zijn. Philips is in groote angst, dat de

dauphin hem tegemoet zal rijden; spoorslags rijdt hij door, en zendt

bode op bode om den dauphin te bewegen, hem toch te wachten waar hij is.

Kwam de koningszoon hem tegemoet, dan bezwoer hij, zelf te willen

terugkeeren, achterwaarts rijdende, zoo ver, dat deze hem nergens zou

vinden, want het zou hem, den hertog, een spot en een blaam zijn, die

hem door de gansche wereld eeuwig zouden worden nagehouden. Met nederig

afstel van de gewone staatsie rijdt Philips Brussel binnen; haastig

stijgt hij af buiten het paleis, gaat binnen en loopt snel door. Daar

ziet hij den dauphin, die met de hertogin zijn vertrek heeft verlaten,

en hem op het binnenplein met open armen tegemoetkomt. Terstond ontbloot

de oude hertog het hoofd, valt even op zijn knieën, en loopt dan haastig

weer verder. De hertogin houdt den dauphin vast, dat deze geen stap zal

doen, de dauphin houdt vergeefs den hertog vast, om hem het knielen te

beletten, en tracht vruchteloos hem te doen opstaan. Beiden weenden van

aandoening, zegt Chastellain, en alle omstanders mede.

Gedurende het gansche gastverblijf van dezen man, die spoedig als koning

de ergste vijand van zijn huis zou worden, put de hertog zich uit in

Chineesche nederigheid. Hij noemt zich en zijn zoon "de si meschans

gens", hij laat zijn zestigjarig hoofd nat regenen, hij biedt den

dauphin al zijn landen aan [93].--"Celuy qui se humilie devant son plus

grand, celuy accroist et multiplie son honneur envers soy-mesme, et de

quoy la bonté mesme luy resplend et redonde en face". Met die woorden

besluit Chastellain het verhaal, hoe de graaf van Charolais hardnekkig

weigerde, te zamen met koningin Margareta van Engeland en haar jongen

zoon het waschbekken vóór den maaltijd te gebruiken. De edelen spraken

er den ganschen dag van; het geval werd den ouden hertog voorgelegd, die

door twee edelen het voor en tegen van Karel's houding liet bepleiten.

Het feodaal eergevoel was nog zoo levend, dat men deze dingen blijkbaar

werkelijk nog belangrijk, schoon en verheffend heeft gevonden. Hoe

anders te begrijpen, dat de tegenstribbelingen, om den voorrang te

nemen, geregeld wel een kwartier lang worden voortgezet? [94] Hoe langer

men blijft weigeren, hoe meer gesticht de omstanders zijn. Iemand, wien

de handkus toekomt, verbergt zijn hand, om die eer te ontgaan. De

koningin van Spanje verbergt zoo haar hand voor den jongen aartshertog

Philips den Schoone; deze wacht eenigen tijd, maar als hij de kans

schoon ziet, grijpt hij de hand bij verrassing en kust haar. En ditmaal

lachte het ernstige Spaansche hof, want de koningin had er niet meer aan

gedacht [95].

Al de spontane teederheden van den omgang zijn zorgvuldig geformaliseerd.

Het is nauwkeurig voorgeschreven, welke hofdames hand aan hand hebben

te gaan. En dit niet alleen, maar ook of de een de andere tot die

gemeenzaamheid heeft aan te moedigen of niet. Deze aanmoediging, het

elkaar wenken of roepen (hucher) om mee te gaan, is voor de oude

hofdame, die het Bourgondisch ceremonieel beschrijft, een technisch

begrip. [96] De vorm, dat men een vertrekkenden gast niet wil laten

gaan, wordt tot in de lastigste uitersten doorgevoerd. De gemalin van

Lodewijk XI is voor enkele dagen de gast van Philips van Bourgondië; de

koning heeft een bepaalden dag gesteld voor haar terugkomst, maar de

hertog weigert haar te laten gaan, ondanks de smeekbeden van haar gevolg

en hoewel zij zelve beeft voor den toorn van haar gemaal. [97]--Goethe

heeft gezegd: "es gibt kein äusseres Zeichen der Höflichkeit, das nicht

einen tiefen sittlichen Grund hätte"; [98] "virtue gone to seed" heeft

Emerson de beleefdheid genoemd. Men kan misschien niet met volle recht

zeggen, dat die zedelijke grond in de 15e eeuw nog gevoeld werd, maar

zeker werd het de aesthetische waarde, die tusschen de oprechte

betuiging van genegenheid en den dorren omgangsvorm ligt.

Het spreekt vanzelf, dat deze wijdloopige levensversiering vooral haar

plaats heeft aan de vorstenhoven, waar men er den tijd en de ruimte voor

kon nemen. Dat zij ook de lagere sferen der samenleving vervulden,

bewijst reeds het feit, dat thans van die vormen juist bij de kleine

burgerij (afgezien van de hoven zelf) nog het meest is overgebleven. Het

herhaald noodigen, om nog wat van een gerecht te nemen, het aanmoedigen

om nog wat te blijven, het weigeren om voor te gaan, is in de laatste

halve eeuw uit de hoogere burgerlijke omgangsvormen grootendeels

verdwenen. In de 15e eeuw zijn die vormen in den volsten bloei. Evenwel,

terwijl zij angstvallig in acht worden genomen, treft niettemin de

satire ze met levendigen spot. Het is vooral de kerk, die het tooneel

van fraaie en langdurige plichtplegingen behoort te zijn. Eerst bij de

"offrande". Niemand wil het eerst zijn aalmoes op het altaar brengen.

"Passez.--Non feray.--Or avant!

Certes si ferez, ma cousine.

--Non feray.--Huchez (roept) no voisine,

Qu'elle doit mieux devant offrir.

--Vous ne le devriez souffrir,"

Dist la voisine; "n'appartient

A moy: offrez, qu'a vous ne tient

Que li prestres ne se delivre." [99]

Wanneer eindelijk de aanzienlijkste is voorgegaan, onder de nederige

betuiging dit enkel te doen om er een eind aan te maken, volgt dezelfde

strijd opnieuw bij het kussen van het "paesberd", "la paix", dat is het

houten, zilveren of ivoren bordje, dat in de latere Middeleeuwen bij

de mis na het Agnus Dei in zwang was gekomen ter vervanging van den

vredeskus van mond tot mond. [100] Het was een vaste en langdurige

stoornis van den dienst geworden, dat de paes onder de aanzienlijken van

hand tot hand ging onder beleefde weigering, haar het eerst te kussen.

"Respondre doit la juene fame:

--Prenez, je ne prendray pas, dame.

--Si ferez, prenez, douce amie.

--Certes, je ne le prandray mie;

L'en me tendroit pour une sote.

--Baillez, damoiselle Marote.

--Non feray, Jhesucrist m'en gart!

Portez a ma dame Ermagart.

-- Dame, prenez.--Saincte Marie,

Portez la paix a la baillie [101]

-- Non, mais a la gouverneresse". [102]

Deze neemt haar eindelijk.--Zelfs een heilig en van de wereld

afgestorven man als François de Paule acht het zijn plicht, aan deze

fraaiigheden mee te doen, [103] en het wordt hem door zijn vrome

vereerders als echte nederigheid aangerekend, waaruit blijkt, dat de

ethische inhoud uit deze vormen nog niet geheel en al geweken was. De

beteekenis van die vormen wordt overigens eerst recht duidelijk door het

feit, dat zij de keerzijde waren van heftige en hardnekkige twisten om

dienzelfden voorrang in de kerk, dien men elkander zoo hoffelijk wilde

opdringen. [104] Het was een schoone en loffelijke verzaking van nog

levendig gevoelden adellijken of burgerlijken hoogmoed.

De gansche kerkgang werd zoodoende als een menuet, want bij het uitgaan

herhaalde zich de strijd; dan kwam de wedijver om den meerdere rechts te

laten, het voorgaan over een vonder of door een steeg. Bij huis gekomen

moet men, gelijk nog de Spaansche zede het eischt, het geheele

gezelschap uitnoodigen, mee binnen te gaan om te drinken, waarvan de

anderen zich beleefd hebben te verontschuldigen; dan moet men de anderen

een eindweegs wegbrengen, alles onder beleefde tegenstribbeling. [105]

Al die schoone vormen krijgen iets roerends, wanneer men bedenkt, dat

zij opbloeien uit den ernstigen strijd van een woest en hartstochtelijk

geslacht tegen zijn eigen hoogmoed en toorn. Dikwijls faalt de

vormelijke verzaking van den trots. Telkens breekt de felle ruwheid door

de versierde vormen heen. Jan van Beieren is te gast in Parijs; de

groote heeren geven feesten, waarop de elect van Luik hun bij het spel

al hun geld afwint. Een der prinsen houdt het niet langer uit en roept:

"Wat duivel van een priester is dat hier? Hoe? zal hij ons al ons geld

afwinnen?" Waarop Jan: "Ik ben geen priester en ik heb uw geld niet van

noode". "En hij nam het en smeet het overal in 't rond. Dont y pluseurs

orent grant mervelle de sa grant liberaliteit". [106]--Hue de Lannoy

slaat een ander met een ijzeren handschoen, terwijl hij voor den hertog

geknield ligt om hem aan te klagen; de kardinaal van Bar heet voor het

aangezicht des konings een prediker liegen en noemt hem gemeene hond.

[107]

Het formeele eergevoel is zoo sterk, dat een vergrijp tegen de etikette,

zooals nu nog bij vele Oostersche volken, wondt als een doodelijke

beleediging, want het gooit omver die schoone illusie van een eigen hoog

en zuiver leven, die voor elke onverhulde werkelijkheid bezwijkt. Het is

voor Jan zonder Vrees een onuitwischbare smaad, dat hij Capeluche, den

beul van Parijs, die hem in staatsie tegemoet reed, als een edelman

heeft begroet en zijn hand heeft aangeraakt; slechts de dood van den

beul kan dien smaad boeten. [108] Bij den staatsiemaaltijd op den

wijdingsdag van Karel VI in 1380 dringt Philips van Bourgondië zich met

geweld tusschen den koning en den hertog van Anjou op de plaats, die hem

als doyen des pairs toekomt; hun wederzijdsch gevolg dringt reeds met

roepen en dreigen op, om den twist gewelddadig te beslechten, toen de

koning hem sust, door toe te geven aan 's Bourgondiërs eisch. [109] Ook

in den ernst van het kampleven wordt geen veronachtzaming van de vormen

geduld: de koning van Engeland neemt het hoog op, dat L'Isle Adam voor

hem verschijnt in een gewaad van "blanc gris" en hem in het gelaat ziet.

[110] Een Engelsch aanvoerder zendt den parlementair uit het belegerde

Sens eerst heen, om zich te laten scheren. [111]

De prachtige orde aan het hof van Bourgondië, die de tijdgenooten

prijzen, [112] krijgt eerst haar ware beteekenis naast de verwarring,

die aan het zooveel oudere Fransche hof placht te heerschen. Deschamps

beklaagt zich in tal van balladen over de ellende van het hofleven, en

zijn klachten zijn iets meer dan de geijkte misprijzingen van het

hovelingsbestaan, waarover later. Slechte kost en slecht logies, altijd

gedruisch en verwarring, vloeken en twisten, nijd en hoon, het is een

poel van zonden, een poort der hel. [113] Ondanks de heilige vereering

voor het koningschap en den trotschen opzet van grootsche ceremoniën

gaat zelfs bij de plechtigste gelegenheden het decorum meer dan eens

jammerlijk te loor. Bij de begrafenis van Karel VI te Saint Denis in

1422 ontstaat groote twist tusschen de monniken der abdij en het gilde

der zoutmeters (henouars) van Parijs, om het staatsiekleed en andere

bekleedingen, die het koninklijke lijk dekken; elk der partijen beweert

er recht op te hebben; zij trekken er om, en raken bijna handgemeen,

maar de hertog van Bedford geeft het geschil in handen van het gerecht,

"et fut le corps enterré". [114] Hetzelfde geval herhaalt zich in 1461

bij de begrafenis van Karel VII. Op weg naar Saint Denis bij het Croix

aux Fiens gekomen, weigeren de henouars, na een woordenwisseling met de

monniken der abdij, het koninklijk lichaam verder te dragen, als men hun

niet tien pond parijsch betaalt, waarop zij recht beweren te hebben. Zij

laten de baar midden op den weg staan, en de stoet blijft geruimen tijd

steken. Reeds willen de burgers van Saint Denis zich met de taak

belasten, toen de grand écuyer uit eigen zak den henouars betaling

belooft, waarop de tocht kan worden voortgezet, om eerst tegen acht uur

's avonds in de kerk aan te komen. Terstond na de teraardebestelling

volgt nog een nieuwe twist tusschen den koninklijken grand écuyer zelf

en de monniken over het staatsiekleed. [115] Dergelijke tumulten om het

bezit van de utensiliën eener plechtigheid behoorden er zelfs

eenigermate bij; de verstoring van den vorm was zelf vorm geworden.

[116]

De algemeene openbaarheid, die, immers ook nog in de zeventiende eeuw,

bij alle belangrijke gebeurtenissen in het koninklijk leven

voorgeschreven was, maakte, dat juist bij de grootste plechtigheden

dikwijls elke orde ontbrak. Bij het kroningsmaal van 1380 is het gedrang

van toeschouwers, deelnemers en dienenden zoo groot, dat de daartoe

aangewezen dienaren der kroon, de connétable en de maarschalk de

Sancerre, te paard de gerechten opdienen. [117] Wanneer Hendrik VI van

Engeland in 1431 te Parijs als koning van Frankrijk is gekroond, dringt

het volk reeds in den vroegen morgen de groote zaal van het paleis

binnen, waar het kroningsmaal gehouden zal worden, om er te kijken,

te grissen en te schransen. De heeren van het Parlement, van de

Universiteit, de prévôt des marchands en de schepenen kunnen nauwelijks

door het gedrang de eetzaal bereiken, en eenmaal daar, vinden zij de

voor hen bestemde tafels ingenomen door allerlei handwerkslieden. Men

tracht dezen te verwijderen, "mais quant on en faisoit lever ung ou

deux, il s'en asseoit VI ou VIII d'autre costé". [118]--Bij de

koningswijding van Lodewijk XI in 1461 heeft men de voorzorg genomen,

de ingangen van de kathedraal van Reims tijdig te sluiten en te bewaken,

zoodat er niet meer menschen in de kerk zijn, dan het koor gemakkelijk

kon bevatten. Dezen evenwel dringen zoodanig op rondom het hoogaltaar,

waar de zalving plaats heeft, dat de prelaten zelf, die den

aartsbisschop ter zijde stonden, nauwelijks plaats hadden om zich te

bewegen, en de prinsen van den bloede op hun eerezetels geducht in

verdrukking komen. [119]

De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622)

suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op

alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept

zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de

aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd

in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet

heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug,

voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een

groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en

beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij

den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken

worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot

dire, vinrent près de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille

du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et

les cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop

"disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant

son bras tant que dessira son rochet; et n'eust esté que n'eust mis sa

main au devant, l'eust frappe au visage." Het werd een proces van 13

jaar. [120]

De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk,

altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het

zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen

van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een

vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans

in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf

en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de

pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een

zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan

slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van

uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt.

Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die

rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met

zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn

gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van

dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden,

en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe

aesthetische waarde.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 4 / 38 段