Iedere tijd smacht naar een schoonere wereld. Hoe dieper de wanhoop en

verslagenheid over het verwarde heden, des te inniger dat smachten.

In het laatst der middeleeuwen is de grondtoon van het leven die van

bittere zwaarmoedigheid. De toon van moedige levensvreugde en van het

vertrouwen in kracht tot groote daden, zooals die klinkt door de

geschiedenis der Renaissance en door die der Verlichting, wordt in de

Fransch-Bourgondische sfeer der vijftiende eeuw nauwelijks gehoord. Is

die samenleving dan werkelijk ongelukkiger geweest dan andere? Men zou

het soms gelooven. Waar men zoekt in de overlevering van dien tijd:

de geschiedschrijvers, de dichters, de sermoenen en godsdienstige

tractaten, en evengoed de oorkonden, er is haast niet anders in bezonken

dan de herinnering aan twist, haat en boosaardigheid, hebzucht,

woestheid en ellende. Men vraagt zich af: heeft die tijd geen andere

vreugden gekend dan die uit wreedheid, hoogmoed en onmatigheid, is daar

nergens zachte blijdschap en rustig levensgeluk? Het is waar, elke tijd

laat in de overlevering meer sporen na van zijn leed dan van zijn geluk.

Het zijn de rampen, die historie worden. Een onberedeneerde overtuiging

zegt ons, dat de som van alle levensgeluk en blijde vreugde en zoete

rust, welke den menschen ooit beschoren is, in het eene tijdperk niet

veel kan verschillen van het andere. En de glans van het

laat-middeleeuwsche geluk is ook niet geheel vergaan: het herleeft nog

in het volkslied, in de muziek, in de stille verschieten van het

landschap en de ernstige aangezichten van het portret.

Doch hier is het verschil: terwijl de achttiende eeuw en de Renaissance

de geluksstemming ook jubelend hebben uitgesproken, en het leven en de

wereld luid hebben geprezen, ziet de Bourgondische tijd, zich zelf en

de wereld beschouwend, schier enkel leed en vertwijfeling. Neem als de

uiting van het Renaissance-gevoel Ulrich von Hutten's enthousiasten

uitroep: O saeculum, o literae! juvat vivere! Of wel deze enkele regels

van Poliziano, waarin de heerlijkheid van christelijk geloof en

heidensch geluk in één jubeltoon samensmelten:

"Vergine rilucente

Per te sola si sente

Quanto bene è nel mondo" [64].

Die stemming is aan het Fransche leven van de veertiende en vijftiende

eeuw nog vreemd. Het zijn niet alleen zij, die zich voorgoed van de

wereld hebben afgewend, maar de kroniekschrijvers en modedichters der

hoven, die altijd weer de afgeleefdheid der wereld beklagen en

vertwijfelen aan vrede en gerechtigheid. Niemand heeft zoo eindeloos de

klacht herhaald, dat alle goede dingen de wereld verlaten hebben, als

Eustache Deschamps.

"Temps de doleur et de temptacion,

Aages de plour, d'envie et de tourment,

Temps de langour et de dampnacion,

Aages meneur près du definement,

Temps plains d'orreur qui tout fait faussement,

Aages menteur, plain d'orgueil et d'envie,

Temps sanz honeur et sanz vray jugement,

Aage en tristour qui abrege la vie" [65].

In dien toon heeft hij zijn balladen bij tientallen gedicht, eentonige,

matte variaties op één dof thema. Er moet toch wel een sterke

zwaarmoedigheid onder de hoogere standen hebben geheerscht, dat de adel

zijn brooddichter dat geluid zoo dikwijls deed herhalen.

"Toute léesse deffaut,

Tous cueurs ont prins par assaut

Tristesse et merencolie" [66].

Jean Meschinot zingt drie kwart eeuw later dan Deschamps nog in volkomen

denzelfden toon.

"O miserable et très dolente vie!...

La guerre avons, mortalité, famine;

Le froid, le chaud, le jour, la nuit nous mine;

Puces, cirons et tant d'autre vermine

Nous guerroyent. Bref, miserere domine

Noz meschans corps, dont le vivre est très court."

Ook deze spreekt steeds weer de bittere overtuiging uit, dat alles

slecht gaat in de wereld: gerechtigheid is zoek, de grooten plunderen de

kleinen, en de kleinen elkander. Zijn hypochondrie brengt hem zelfs,

naar zijn zeggen, tot den rand van den zelfmoord. Hij beschrijft zich

zelf:

"Et je, le pouvre escrivain,

Au cueur triste, faible et vain,

Voyant de chascun le dueil,

Soucy me tient en sa main;

Toujours les larmes à l'oeil,

Rien fors mourir je ne vueil" [67].

Alle uitingen van de levensstemming der aanzienlijken bevestigen de

sentimenteele behoefte aan een zwarten dos der ziel. Bijna iedereen komt

getuigen, dat hij niets dan ellende heeft gezien, en dat nog erger te

wachten staat, dat hij den afgelegden levensweg niet zou willen

teruggaan. "Moi douloreux homme, né en eclipse de ténèbres es espesses

bruynes de lamentation", aldus dient Chastellain zich aan [68]. "Tant a

souffert La Marche" heeft de hofpoëet en kroniekschrijver van Karel den

Stoute zich tot devies gekozen; een bitteren smaak vindt hij aan 't

leven, en zijn portret vertoont ons die morose trekken, welke op zooveel

beeltenissen van dien tijd onzen blik boeien [69].

Schijnt er een leven zoo vervuld van aardschen hoogmoed en pralende

genotzucht, en zoo bekroond met welslagen als dat van Philips den Goede?

Toch schuilt ook daaronder de levensmoeheid van den tijd. Als hem de

dood van zijn eenjarig zoontje wordt bericht, zegt hij: "had het God

behaagd, dat ik ook zoo jong gestorven ware, ik zou mij wel gelukkig

achten" [70].

Is het niet opmerkelijk, dat in dezen tijd in het woord melancholie de

beteekenissen van droefgeestigheid, ernstig nadenken en fantazie ineen

vloeien? Zoozeer scheen elke ernstige bezigheid van den geest in het

sombere te moeten overzweven. Froissart zegt van Philips van Artevelde,

die nadenkt over een pas ontvangen tijding: "quant il eut merancoliet

une espasse, il s'avisa que il rescriproit aus commissaires dou roi de

France" enz. Deschamps zegt van iets, wat in leelijkheid de verbeelding

te boven gaat: geen schilder is zoo "merencolieux", dat hij het zou

kunnen schilderen [71].

In het pessimisme van deze verzadigden, ontgoochelden, vermoeiden is een

religieus element, doch slechts een gering. Door hun levensmoeheid

speelt zeker ook de verwachting van het naderend einde der wereld, die

door de bloeiend herleefde volksprediking der bedelorden overal met

versche dreiging en verhoogde kleur van verbeelding in het gemoed was

gestort. De duistere en verwarde tijden, de chronische oorlogsellende

waren wel geschikt, die gedachte te versterken. Er schijnt in de laatste

jaren der veertiende eeuw een volksgeloof te zijn geweest, dat sedert

het groote schisma niemand meer in het paradijs was opgenomen [72]. De

afkeer van den ijdelen schijn van het hofleven maakte van zelf rijp, om

de wereld vaarwel te zeggen. Toch is die stemming van depressie, zooals

bijna al die vorstendienaars en hovelingen haar uiten, nauwelijks van

godsdienstig gehalte. Op zijn hoogst hebben de godsdienstige

voorstellingen wat kleur afgegeven op een vlak van eenvoudige

levensmoeheid. Het is de zucht, om het leven en de wereld te smaden, die

van wezenlijk godsdienstig besef ver afstaat. De wereld, zegt Deschamps,

is als een kindsche grijsaard; eerst was hij onschuldig, toen wijs

langen tijd, rechtvaardig, deugdzaam en dapper:

"Or est laches, chetis et molz,

Vieulx, convoiteus et mal parlant:

Je ne voy que foles et folz ...

La fin s'approche, en verité ...

Tout va mal" ... [73]

Het is niet alleen levensmoeheid maar ook levensbangheid, het

terugschrikken voor het leven om de onvermijdelijke smarten, die het

begeleiden, de houding van den geest, die in het Boeddhisme de basis

der levensbeschouwing uitmaakt: bange afkeer van de moeiten van het

dagelijksch leven, vrees en afschuw voor zorg, ziekte en ouderdom.

Deze levensbangheid deelen de geblaseerden met hen, die nooit voor de

verlokkingen der wereld bezweken waren, omdat zij altijd het leven

geschuwd hadden.

De gedichten van Deschamps vloeien over van dien kleinzieligen smaad

tegen het leven. Gelukkig wie geen kinderen heeft, want kleine kinderen,

't is al geschreeuw en stank, en moeite en zorg; zij moeten gekleed,

geschoeid, gevoed worden; altijd zijn zij in gevaar van te vallen en

zich te bezeeren. Zij worden ziek en sterven, of zij worden groot en

slecht; zij komen in de gevangenis. Niets dan lasten en verdriet, geen

geluk vergoedt de zorgen, moeiten en kosten van de opvoeding. Geen

grooter ongeluk, dan mismaakte kinderen te hebben. De dichter wijdt er

geen woord van liefde aan: de mismaakte is slecht van hart, laat hij de

schrift zeggen. Gelukkig wie ongetrouwd is, want met een kwade vrouw is

het slecht leven, en een goede vreest men voortdurend te verliezen. Met

het ongeluk wordt ook het geluk geschuwd. Van den ouderdom ziet deze

dichter niet dan kwaads en weerzinwekkends, het jammerlijk lichamelijk en

geestelijk verval, de belachelijkheid en onsmakelijkheid. Vroeg is de

mensch oud, de vrouw met dertig, de man met vijftig jaren, en zestig is

hun perk [74].--Hoe ver is men hier van de serene idealiteit, waarmee

Dante in zijn Convivio de waardigheid van den edelen grijsaard

beschreven had [75].

Een vrome strekking, die bij Deschamps nauwelijks aanwezig is, kan deze

bespiegelingen van levensbangheid eenigszins verheffen, maar wezenlijk

veranderen niet. In tal van vermaningen tot een heilig leven proeft men

als grondstemming dit moedeloos versagen. Wanneer de onberispelijke

kanselier der Parijsche universiteit en licht der godgeleerdheid Jean

Gerson voor zijn zusters een vertoog schrijft over de voortreffelijkheid

van den maagdelijken staat, dan dient onder zijn argumenten een lange

lijst van leed en rampen, aan den huwelijken staat verbonden. Wellicht

zou een echtgenoot een dronkaard zijn, of een verkwister, of een

gierigaard. Of is hij braaf en goed, dan kan er misgewas komen,

veesterfte of schipbreuk, die hem van al zijn have berooven. Welk een

ellende is niet de zwangerschap, hoevele vrouwen sterven er in het

kraambed! Wat heeft de zoogende moeder voor rustigen slaap, wat voor

blijdschap en vreugde? Misschien zullen de kinderen mismaakt zijn of

ongehoorzaam; misschien zal de man sterven en de moeder als weduwe in

zorg en armoe achterblijven [76].

Diepe verslagenheid over de aardsche ellende is de stemming, waarmee de

dagelijksche werkelijkheid wordt beschouwd, zoodra de kinderlijke

levensvreugde of het blind genieten wijkt voor overpeinzing. Waar is de

schoonere wereld, waar iedere tijd naar smachten moet?

De zucht naar een schooner leven heeft te allen tijd drie paden voor

zich naar het verre doel zien wijzen. Het eerste leidde regelrecht uit

de wereld: het pad van de verzaking der wereld. Hier schijnt het

schoonere leven enkel te bereiken aan de overzijde, kan het enkel een

verlossing zijn uit al het aardsche; alle aandacht aan de wereld

besteed, vertraagt slechts het beloofde heil. Alle hoogere beschaving

heeft dit pad bewandeld; het Christendom had dit streven èn als

individueelen levensinhoud èn als cultuurgrondslag zoo machtig in de

geesten geprent, dat het langen tijd het betreden van het tweede pad

bijna geheel heeft belet.

Dat tweede was de weg, die wees naar verbetering en volmaking van de

wereld zelf. De middeleeuwen hebben dit streven nog nauwelijks gekend.

Voor hen was de wereld zoo goed en zoo slecht als zij zijn kon, dat wil

zeggen, al de instellingen, door God gewild immers, waren goed; het is

de zonde der menschen, die de wereld in ellende houdt. De tijd kent geen

bewust streven naar verbetering en hervorming van maatschappelijke of

staatkundige instellingen als drijfveer van denken en handelen. De deugd

te betrachten in eigen beroep is het eenige, wat de wereld baten kan,

en ook daarbij is het eigenlijke doel toch het andere leven. Ook waar

inderdaad een nieuwe maatschappelijke vorm geschapen wordt, beschouwt

men het steeds als een herstel van het goede oude recht; het recht wordt

gevonden of verduidelijkt, maar niet veranderd.

Niets heeft zoozeer meegewerkt tot die stemming van levensbangheid en

vertwijfeling aan de komende tijden als deze afwezigheid van den vasten

wil van allen, om de wereld zelf beter en gelukkiger te maken. In de

wereld zelf was geen belofte van beter dingen. Wie naar beter smachtte,

en toch geen afscheid kon nemen van de wereld en al haar heerlijkheid,

kon enkel tot vertwijfeling vervallen; hij zag nergens hoop of

blijdschap meer; der wereld rest nog maar een korte tijd, en wat haar

daarin wacht, is ellende.

Wanneer eenmaal ook de weg naar positieve verbetering van de wereld zelf

zal zijn ingeslagen, begint een nieuwe tijd, waarin de levensbangheid

plaats maakt voor moed en hoop. De Renaissance luidt de energische

levensaanvaarding in, de achttiende eeuw verheft de volmaakbaarheid van

mensch en samenleving tot haar grondleerstuk, en het economische en

sociale streven der volgende eeuw verliest daarvan enkel de naïveteit,

niet den moed en het optimisme.

Het derde pad naar een schoonere wereld is dat van den droom. Het is de

gemakkelijkste weg, maar een, die het doel altijd even ver laat. Als dan

de aardsche werkelijkheid zoo hopeloos ellendig is, en de verzaking der

wereld zoo moeilijk, laat ons dan het leven kleuren met schoonen schijn,

wegleven in het droomland van heldere verbeeldingen, de werkelijkheid

temperen met de verrukking van het ideaal. Er is maar een eenvoudig

thema, een enkel akkoord noodig, om de hartvervoerende fuga te doen

klinken: een uitzicht op het gedroomd geluk van een schooner verleden is

genoeg, een blik op zijn heldendom en zijn deugd, of anders de glans van

het blijde zonlicht van het natuurlijk leven. Op die enkele thema's: het

heldenthema, het wijzenthema en het bucolische thema is van de Oudheid

af de gansche litteraire cultuur gebouwd. De Middeleeuwen, de

Renaissance, de achttiende eeuw en de negentiende, zij vinden alle

slechts nieuwe variaties op het oude lied.

Is echter dit derde pad naar een schooner leven: het ontvlieden van de

harde werkelijkheid in een schoonen schijn, enkel een zaak van

litteraire cultuur? Stellig is het meer dan dat. Het raakt den vorm en

den inhoud van het gemeenschapsleven zelf even goed als de beide andere

strevens, en dat des te sterker, naarmate de beschaving primitiever is.

De uitwerking van de drie genoemde geesteshoudingen op het werkelijke

leven zelf is zeer ongelijk. Natuurlijk heeft de idee, waaruit men

streeft naar de verbetering en volmaking van de wereld zelf, het nauwste

en voortdurendste contact met het dagelijksche leven. Zij stort bijna

alle kracht en allen moed in den stoffelijken arbeid zelf; zij vervult

de directe werkelijkheid met energie. Als men wil, is ook hier een

geluksdroom het bezielende motief. Tot zekere hoogte streeft iedere

cultuur naar de verwezenlijking van een droomwereld binnen de werkelijke,

door het herscheppen van de vormen der samenleving. Doch het object van

den droom is hier de werkelijkheid zelve, enkel nog wat gezuiverd en

verbeterd, met andere woorden: men acht de wereld op den goeden weg naar

het ideaal. En daarom is de spanning tusschen den idealen levensvorm

en dien van het werkende bestaan gering. Het ideaal van de hoogste

productie en de billijke verdeeling der goederen stelt aan de levenskunst

betrekkelijk geringe eischen: in den dagelijkschen arbeid nadert men het

ideaal.

Heel anders is de invloed op het werkelijk leven bij de eerste der drie

geesteshoudingen: die van de verzaking der wereld. Het heimwee naar een

eeuwig heil maakt den gang en den vorm van het aardsch bestaan

onverschillig, mits daarin de deugd wordt gekweekt en onderhouden. Men

laat de levensvormen en maatschappijvormen voor wat zij zijn, maar

tracht ze te doordringen van transcendentale zedelijkheid. Hierdoor

werkt de afkeer van de wereld op de aardsche maatschappij niet louter

negatief door verloochening en afwending, maar straalt ook op haar terug

in zegenrijken arbeid en praktische barmhartigheid.

Hoe werkt nu op het leven de derde houding: de zucht naar het schoonere

leven volgens een gedroomd ideaal? Zij herschept de vormen van het leven

in kunstvormen. Maar het zijn niet enkel de kunstwerken als zoodanig,

waarin zij haar schoonheidsdroom uitdrukt, zij wil het leven zelf

veredelen met schoonheid, en vult de samenleving zelf met spel en

vormen. Hier worden juist aan de persoonlijke levenskunst de hoogste

eischen gesteld, eischen, die alleen kunnen worden nagestreefd door een

élite, in een kunstig levensspel. Het naleven van den held en den wijze

is niet ieders zaak; het is een kostbaar vermaak om het leven te kleuren

met heroïsche of idyllische verven, en het slaagt bovendien doorgaans

nog heel slecht. Aan het streven naar de verwezenlijking van den

schoonheidsdroom in de vormen van de samenleving zelf is als vitium

originis een aristocratisch karakter opgedrukt.

Hiermee zijn wij genaderd tot het aspect, waaronder de beschaving van

het einde der Middeleeuwen thans moet worden gezien: de verfraaiing van

het aristocratische leven met de vormen van het ideaal, het kunstlicht

van de ridderlijke romantiek over het leven, de wereld vermomd in den

dos der Tafelronde. De spanning tusschen levensvorm en werkelijkheid is

bijster groot; het licht is valsch en schel.

De zucht naar het schoone leven geldt als het eigenste kenmerk van de

Renaissance. Hier ziet men de volste harmonie tusschen de bevrediging

van den schoonheidsdorst in het kunstwerk en in het leven zelf, hier

dient de kunst het leven en het leven de kunst als nooit te voren. Maar

de grens tusschen Middeleeuwen en Renaissance is ook in dezen te scherp

getrokken. De hartstochtelijke zin, om het leven zelf met schoonheid te

bekleeden, de verfijnde levenskunst, de bonte uitwerking van een

levensideaal, zij zijn alle veel ouder dan het Italiaansche quattrocento.

De motieven van levensverfraaiing zelf, waarop de Florentijnen doorgaan,

zijn niet anders dan de oude middeleeuwsche vormen: Lorenzo de' Medici

huldigt nog even goed als Karel de Stoute het oude ridderideaal als den

edelen levensvorm; hij ziet zelfs in den laatste, ondanks zijn

barbaarsche pracht, in zekere opzichten het model. Italië heeft nieuwe

horizonten van levensschoonheid ontdekt, het leven gestemd in een

nieuwen toon, doch de houding zelf van den Renaissancemensch tegenover

het leven: de opwerking ervan tot een kunstvorm, is niet nieuw.

De groote scheiding in de opvatting der levensschoonheid valt veeleer

tusschen de Renaissance en den nieuweren tijd. Het kenteringspunt ligt

daar, waar kunst en leven beginnen uiteen te gaan, waar men begint, de

kunst niet meer te genieten _midden in_ het leven, als een edel deel

van de levensvreugde zelf, maar buiten het leven, als een hooge

vereerenswaardigheid, waarheen men zich wendt in oogenblikken van

verheffing of van verpoozing. Het oude dualisme, dat God en wereld

scheidde, is daarmede in een anderen vorm, als scheiding van kunst en

leven, teruggekeerd. Er is een streep getrokken midden door de

genietingen des levens. Zij zijn in twee helften, een lagere en een

hoogere, gescheiden. Voor den Middeleeuwer waren zij al te zamen zondig;

thans gelden zij alle als geoorloofd, maar van zeer verschillende

waardigheid, al naar hun meerdere of mindere geestelijkheid.

De dingen, die het leven tot genieten kunnen maken, blijven dezelfde.

Nu als vroeger zijn het: lectuur, muziek, beeldende kunst, reizen,

natuurgenot, sport, mode, maatschappelijke ijdelheid (ridderorden,

eerambten, vergaderingen) en bedwelming der zinnen. De grens tusschen

het hoogere en het lagere schijnt thans nog voor de meesten te vallen

tusschen natuurgenot en sport. Maar die grens is niet vast.

Waarschijnlijk zal de sport eerlang, althans voorzoover zij de kunst

van lichaamskracht en moed is, weer algemeen tot het hoogere gerekend

worden. Voor den Middeleeuwer viel de grens hoogstens terstond achter

lectuur; zelfs het genot van het lezen kon slechts geheiligd worden door

het streven naar deugd of wijsheid, en in muziek en beeldende kunst werd

uitsluitend de dienstbaarheid aan het geloof als goed erkend; het genot

er aan op zichzelf was zondig. De Renaissance had zich ontworsteld aan

de verwerping der levensvreugde als in zich zelf zondig, en een nieuwe

scheiding tusschen hooger en lager levensgenot had zij nog niet

aangebracht; zij wilde het gansche leven onbekommerd genieten. De nieuwe

scheiding is het resultaat van het compromis tusschen Renaissance en

Puritanisme, waarop de moderne geesteshouding berust. Het was een

wederzijdsche capitulatie, waarbij de een zich de redding der schoonheid

en de ander de veroordeeling der zonde bedong. Voor het strenge

Puritanisme trof de veroordeeling als zondig en wereldsch in den grond

nog evengoed als voor den Middeleeuwer de gansche sfeer der

levensverfraaiing, tenzij deze uitgesproken godsdienstige vormen aannam

en zich heiligde door een directe toepassing op het geloof. Eerst

naarmate de Puriteinsche wereldbeschouwing afsleet, won de

Renaissancistische aanvaarding van alle levensvreugde weer veld; ja

zelfs meer dan het oude terrein, want in het natuurlijke op zich zelf

werd nu een element van het ethisch goede gezien. Een rechte

scheidingslijn zou thans niet meer de kunst van het zingenot, het

natuurgenot van de lichaamsoefening, het verhevene van het natuurlijke

scheiden, maar enkel het egoïstische, het leugenachtige en het ijdele

van het zuivere.

In het laatst der Middeleeuwen, toen het kenterde naar een nieuwen

geest, was in beginsel nog slechts de oude keuze mogelijk tusschen God

en de wereld: een algeheele versmading van alle heerlijkheid en

schoonheid des aardschen levens of de roekelooze aanvaarding ervan op

perijkel der ziel. De schoonheid der wereld kreeg door haar erkende

zondigheid een dubbele verlokking; gaf men zich over, dan genoot men

haar ook met een bodemlooze hartstochtelijkheid. Maar die de schoonheid

niet konden ontberen, en zich toch niet aan de wereld wilden overgeven,

moesten de schoonheid adelen. De geheele groep van de kunst en

litteratuur, waar het wezen der genieting bewondering was, konden zij

heiligen, door ze in dienst te stellen van het geloof. Ook al was het

inderdaad de vreugde aan kleur en lijn, die de minnaars van schilderij

en miniatuur bezielde, het heilig onderwerp ontnam aan de kunstgenieting

het stempel der zonde.

Maar de schoonheid met een hoog zondegehalte: de lichaamsvergoding van

ridderlijke sport en hoofsche mode, de hoogmoed en de hebzucht van ambt

en eere, de verrukkende onpeilbaarheden der liefde, hoe dit alles, dat

door het geloof veroordeeld en uitgestooten was, te veredelen en te

verheffen?--Hier diende die middenweg, die in het droomland leidde: door

ze te bekleeden met den schoonen schijn van oude, fantastische idealen.

Dit is de trek, die de Fransch-ridderlijke cultuur van de 12de eeuw af

verbindt met de Renaissance: de sterke cultiveering van het schoone

leven in de vormen van een heldenideaal. De vereering der natuur was nog

te zwak, dan dat men met volle overtuiging de schoonheid van het

aardsche in haar naaktheid zou hebben gediend, zooals de Grieksche geest

het had gedaan; het zondebesef was daartoe te geweldig; slechts door

zich te hullen in de gewaden der deugd kon de schoonheid cultuur worden.

Het geheele aristocratische leven van de latere Middeleeuwen, om 't even

of men denkt aan Frankrijk en Bourgondië of aan Florence, is een poging,

om een droom te spelen. Altijd denzelfden droom, dien van de oude helden

en wijzen, van den ridder en de maagd, van de eenvoudige en vergenoegde

herders. Frankrijk en Bourgondië spelen het stuk nog altijd in den ouden

trant; Florence dicht op hetzelfde thema een nieuw en mooier spel.

Het adellijk en vorstelijk leven is opgetooid tot een maximum van

uitdrukkelijkheid; alle levensvormen zijn als 't ware verheven tot

mysteriën, versierd met kleur en praal, vermomd als deugd. De

levensgebeurtenissen en de aandoeningen daarover zijn geëncadreerd in

schoone en verheffende vormen. Ik weet wel, dit alles is niet specifiek

laat-middeleeuwsch; het is reeds gegroeid in de primitieve stadiën der

beschaving; men kan het ook chinoiserie en byzantinisme noemen, en het

sterft niet af met de Middeleeuwen, getuige de zonnekoning.

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 3 / 38 段