De onmiddellijke tegenstelling van hardvochtigheid en barmhartigheid

beheerscht ook buiten de rechtspleging de zeden. Aan de eene zijde de

vreeselijkste hardvochtigheid tegen misdeelden en gebrekkigen, aan de

andere die ontzaglijke verteedering, dat innig gevoel van verwantschap

voor zieken, armen en gekken, zooals wij het, samen met de wreedheid,

nog uit de Russische litteratuur kennen. Het genot in terechtstellingen

wordt althans nog begeleid en tot zekere hoogte gerechtvaardigd door een

sterk bevredigd rechtsgevoel. In de ongeloofelijke, naïeve hardheid,

onkieschheid, den wreeden spot, het leedvermaak, waarmee men het ongeluk

der ellendigen beschouwt, ontbreekt zelfs het veredelend element van het

bevredigd rechtsgevoel. De kroniekschrijver Pierre de Fenin besluit het

verhaal van het omkomen eener rooverbende met de woorden: "et faisoit-on

grant risée, pour ce que c'estoient tous gens de povre estat" [46].

Te Parijs wordt in 1425 een "esbatement" gehouden van vier geharnaste

blinden, die om een big vechten. Daags te voren trekken zij geharnast

door de stad, voorop een doedelzakspeler en een man met een groote vlag,

waarop de big geschilderd staat [47].

Velazquez heeft ons de innig droevige tronies bewaard van de

dwerginnetjes, die als zottinnen aan het Spaansche hof in zijn tijd

nog in eere waren. Zij waren een gezocht voorwerp van vermaak aan de

vorstenhoven der 15e eeuw. Bij de kunstige "entremets" der groote

hoffeesten vertoonden zij haar kunsten en haar mismaaktheid. Madame

d'Or, de goudblonde dwergin van Philips van Bourgondië, was algemeen

bekend. Men liet haar worstelen met den acrobaat Hans [48]. Bij de

huwelijksfeesten van 1468 komt Madame de Beaugrant, "la naine de

Mademoiselle de Bourgogne", gedost als herderin, binnenrijden op een

gouden leeuw, grooter dan een paard. De leeuw kan den bek open en dicht

doen en zingt een welkomstliedje; het herderinnetje wordt cadeau gedaan

aan de jonge hertogin en op tafel gezet [49]. Wij kennen geen klachten

over het lot van die vrouwtjes, wel posten uit rekeningen, die ons nog

iets meer zeggen. Zij spreken ervan, hoe een hertogin zulk een dwergje

liet halen uit haar ouderlijk huis, hoe de moeder of de vader haar

kwamen brengen, hoe ze haar ook later af en toe kwamen bezoeken, en dan

een fooi kregen. "Au pere de Belon la folle, qui estoit venu veoir sa

fille...." Ging de vader verheugd en hoogvereerd over den hofdienst van

zijn dochter naar huis? In hetzelfde jaar leverde een slotemaker te

Blois twee ijzeren halsbanden, één "pour attacher Belon la folle et

l'autre pour mettre au col de la cingesse de Madame la Duchesse" [50].

Hoe de krankzinnigen behandeld werden, kan men afmeten naar een bericht

omtrent de verzorging van Karel VI, die als koning toch een verpleging

genoot, die gunstig afweek van wat anderen ondervonden. Om den armen

waanzinnige te verschoonen, wist men niets beters te bedenken, dan hem

te laten verrassen door twaalf zwartgemaakte mannen, alsof de duivelen

hem kwamen halen [51].

Er is in de hardvochtigheid van die tijden een mate van "ingénu", die

ons de veroordeeling op de lippen doet besterven. Temidden van een

pestepidemie, die Parijs teisterde, verzoeken de hertogen van Bourgondië

en Orleans, om terwille der verstrooiing een cour d'amours in te stellen

[52]. In een pauze van de gruwelijke moordpartijen op de Armagnacs in

1418, sticht het volk van Parijs in de kerk van Sint Eustathius de

broederschap van Sint Andries; iedereen, priester of leek, draagt een

krans van roode rozen; de kerk is er vol van en geurt "comme s'il fust

lavé d'eau rose" [53]. Wanneer de heksenprocessen, die Atrecht in 1461

als een helsche plaag hadden geteisterd, tenslotte vernietigd worden,

viert de burgerij die zege van het recht met een wedstrijd in het

opvoeren van "folies moralisées", eerste prijs een zilveren lelie,

vierde prijs een paar kapoenen; de gemartelde slachtoffers waren lang

dood [54].

Zoo fel en bont was het leven, zoo verdroeg het den geur van bloed en

rozen dooreen. Tusschen helsche benauwingen en de kinderlijkste pret,

tusschen gruwelijke hardvochtigheid en snikkende verteedering slingert

het als een reus met een kinderhoofd. Tusschen de volstrekte verzaking

van alle wereldsche vreugde en een waanzinnige gehechtheid aan goed en

genot, tusschen duisteren haat en de meest goedlachsche goedmoedigheid

leeft het volk in uitersten.

Van de heldere helft van dat leven is ons maar luttel bewaard: het is,

of al de blijde zachtheid en sereniteit van de ziel der vijftiende eeuw

is verzonken in haar schilderkunst en gekristalliseerd in de ijle

reinheid van haar hooge muziek. De lach van dat geslacht is verstorven,

zijn gulle levenslust en onbekommerde vreugde leeft enkel nog in

volkslied en klucht. Er is genoeg, om bij ons heimwee naar vervlogen

schoon van andere tijden ook een verlangen naar de zonnigheid van de

eeuw der van Eyck's te voegen. Maar wie zich waarlijk in dien tijd

verdiept, heeft dikwijls moeite, om het blijde aspect vast te houden.

Want overal buiten de sfeer der kunst heerscht het donker. In het

dreigend waarschuwen der sermoenen, in de moede zuchten der hoogere

litteratuur, in het eentonig relaas der kronieken en oorkonden, overal

schreeuwen de bonte zonden en jammert de ellende.

De tijden na de reformatie hebben de hoofdzonden van hoogmoed, toorn en

hebzucht niet meer gezien in die purperen volbloedigheid en onbeschaamde

vrijpostigheid, waarmee zij wandelden onder de menschheid der vijftiende

eeuw. De onmetelijke hoogmoed van Bourgondië! De gansche geschiedenis

van dat geslacht, van de daad van ridderlijke bravoure, waarvan het

hooggroeiende fortuin van den eersten Philips zijn oorsprong neemt, over

den fellen naijver van Jan zonder Vrees en de zwarte wraakzucht na zijn

dood, over den langen zomer van dien anderen Magnifico, Philips den

Goede, tot de waanzinnige halsstarrigheid, waarin de hoogwillende Karel

de Stoute ondergaat, is het niet een poëem van heroïeken hoogmoed? Hun

landen waren de sterkst levende van het Westen: Bourgondië, zwaar van

kracht als zijn wijn, "la colérique Picardie", het gulzige, rijke

Vlaanderen. Het zijn dezelfde landen, waar de pracht van schilderkunst,

sculptuur en muziek opbloeit, en waar het felste wraakrecht heerscht en

de gewelddadigste barbaarschheid zich botviert onder adel en burgers

[55].

Geen kwaad is dien tijden meer bewust geweest dan de hebzucht. Men kan

den hoogmoed en de hebzucht tegenover elkander zien als de zonde van den

ouden en van den nieuwen tijd. De hoogmoed is de zonde van het feodale

en hiërarchische tijdperk, waarin bezit en rijkdom weinig mobiel zijn.

Het machtsgevoel zit nog niet in de eerste plaats vast aan den rijkdom;

het is persoonlijker, en de macht moet, om erkend te worden, zich

manifesteeren door groot vertoon, van talrijk gevolg van getrouwen, van

kostbare versiering en indrukwekkend optreden van den machtige. Het

besef van meer te zijn dan een ander mensch wordt door de feodale en

hiërarchische gedachte voortdurend gevoed met levenden vorm; die

meerderheid wordt gevoeld als iets zeer wezenlijks en gerechtvaardigds.

De hoogmoed is een symbolische zonde en een theologische; haar wortels

zitten diep in den grond van alle levens- en wereldbeschouwing. Superbia

was de oorsprong van alle kwaad; Lucifer's hoogmoed was het begin en de

oorzaak van alle verderf. Zoo had Augustinus het gezien, zoo bleef de

voorstelling der lateren: de hoogmoed is de bron van alle zonden, zij

groeien uit hem als wortel en stam [56].

Doch naast het schriftwoord, dat deze opvatting staafde: A superbia

initium sumpsit omnis perditio [57], stond een ander: Radix omnium

malorum est cupiditas [58]. In aansluiting daaraan kon men ook de

hebzucht zien als den wortel van alle kwaad. Want onder cupiditas, dat

als zoodanig in de rij der hoofdzonden geen plaats had, werd hier

avaritia verstaan, gelijk zelfs een andere lezing van den tekst inhield

[59]. En het schijnt wel, alsof vooral sedert de dertiende eeuw de

overtuiging, dat het de teugellooze hebzucht is, die de wereld verderft,

in de schatting der geesten den hoogmoed van zijn plaats als eerste en

noodlottigste der zonden verdringt. De oude theologische vooraanstelling

van Superbia wordt overstemd door het steeds aanzwellend koor van

stemmen, die al de ellende der tijden wijten aan de steeds toenemende

hebzucht. Hoe heeft niet Dante haar vervloekt: la cieca cupidigia!

De hebzucht nu mist het symbolisch en theologisch karakter van den

hoogmoed; zij is de natuurlijke en materieele zonde, de zuiver aardsche

drift. Zij is de zonde van het tijdperk, waarin het geldverkeer de

voorwaarden van machtsontwikkeling heeft verplaatst en losgemaakt. De

schatting van menschelijke waardigheid wordt een rekensommetje. Er is

een veel onbegrensder veld geopend voor de bevrediging van toomelooze

begeerten en opeenhooping van schatten. En die schatten hebben nog niet

de spookachtige ontastbaarheid, die het moderne credietwezen aan het

kapitaal heeft gegeven; het is nog het gele goud zelf, dat vooraan in de

voorstelling staat. En de besteding van den rijkdom heeft nog niet het

automatische en mechanische van voortgezette belegging: de bevrediging

ligt nog in de felle uitersten van gierigheid en verspilling. In de

laatste vooral gaat de hebzucht het huwelijk aan met den ouden hoogmoed.

Die was nog zoo sterk en levend: de hierarchisch-feodale gedachte had

nog niets van haar bloei verloren, de lust aan pracht en praal, opschik

en staatsie was nog zoo purperrood.

Juist de verbinding met een primitieven hoogmoed geeft aan de hebzucht

der latere middeleeuwen dat onmiddellijke, hartstochtelijke,

geëxaspereerde, wat latere tijden verloren schijnen te hebben. Het

Protestantisme en de Renaissance hebben in de hebzucht ethischen inhoud

gebracht: haar gelegaliseerd als nuttige voortbrenging van welvaart.

Haar stigma verflauwde, naarmate de loffelijkheid van de verzaking der

aardsche goederen minder overtuigd beleden werd. In de late middeleeuwen

daarentegen kon de geest nog enkel de onopgeloste tegenstelling bevatten

van hebzucht tegenover milddadigheid en vrijwillige armoede.

Overal klinkt uit de litteratuur en de kronieken van dien tijd de

bittere haat tegen de rijken, de klacht over de hebzucht der grooten,

van het spreekwoord tot het vrome tractaat. Het is soms als een vaag

besef van klassenstrijd, uitgedrukt met de middelen van zedelijke

verontwaardiging. Op dit gebied kunnen evengoed de oorkonden als de

verhalende bronnen ons het gevoel van den levenstoon van dien tijd

geven, want in alle bescheiden van processen blinkt de meest

onbeschaamde hebzucht.

In 1436 was het mogelijk, dat de dienst in een der drukst bezochte

kerken van Parijs 22 dagen stilstond, omdat de bisschop de kerk niet

wilde herwijden, voor hij zekere som van penningen daarvoor ontving van

twee bedelaars, wier handgemeen door een bloedige schram de kerk had

ontwijd; en de stakkers hadden het niet. De bisschop, Jacques du

Châtelier, stond dan ook bekend als "ung homme très pompeux,

convoicteux, plus mondain que son estat ne requeroit". Maar onder zijn

opvolger, Denys de Moulins, was het in 1441 al weer zoo: nu kon er vier

maanden lang op het kerkhof "des Innocents", het vermaardste en

gezochtste van Parijs, niet begraven worden noch ommegang gehouden,

omdat de bisschop een hooger recht daarvan eischte, dan de kerk kon

opbrengen. Deze bisschop heette "homme très pou piteux à quelque

personne, s'il ne recevoit argent ou aucun don qui le vaulsist, et pour

vray on disoit qu'il avait plus de cinquante procès en Parlement, car de

lui n'avoit on rien sans procès" [60]. Men moet de geschiedenis van de

"nouveaux riches" van dien tijd, een familie d'Orgemont bijvoorbeeld, in

al de laagheden van hun schraapzucht en proceszucht vervolgen, om den

geweldigen haat van het volk, den toorn van predikers en dichters te

begrijpen, die zonder ophouden over de rijken werd uitgestort [61].

Het volk kan zijn eigen lot en het gebeuren van den tijd niet anders

zien dan als een altijddurende opeenvolging van wanbestuur en

uitzuiging, oorlog en rooverij, duurte, gebrek en pestilentie. De

chronische vormen, die de oorlog placht aan te nemen, de voortdurende

verontrusting van stad en land door allerlei gevaarlijk geboefte, de

eeuwige bedreiging van een harde en onbetrouwbare justitie, en daarboven

nog de druk van helleangst, duivel- en heksenvrees, hielden een gevoel

van algemeene onveiligheid levend, dat wel geschikt was, den achtergrond

van het leven zwart te kleuren. Het zijn niet alleen de kleinen en

armen, wier leven verliep in die hachelijke onveiligheid, ook in dat van

edelen en magistraten zijn de sterkste lotswisselingen en voortdurende

gevaren bijna regel. Mathieu d'Escouchy, een Picardiër, is een

geschiedschrijver, zooals de vijftiende eeuw er zoo velen oplevert: zijn

kroniek, eenvoudig, nauwkeurig, onpartijdig, vervuld van de gewone

vereering voor het ridderideaal en de gewone moraliseerende strekking,

zou ons een eerzaam auteur doen vermoeden, die aan nauwgezetten

historischen arbeid zijn gaven wijdde. Maar welk een leven is het

geweest, dat de uitgever van dit geschiedwerk van den auteur uit de

oorkonden aan het licht heeft gebracht! [62] Mathieu d'Escouchy begint

zijn magistratenloopbaan als raad, schepen, gezworene, schout (prévôt)

van de stad Péronne tusschen 1440 en 1450. Van den aanvang af vindt men

hem in een soort van veete met de familie van den procureur dier stad,

Jean Froment, een veete, die met processen wordt uitgevochten. Dan is

het de procureur, die d'Escouchy vervolgt wegens valschheid en moord,

dan wegens "excès et attemptaz". De schout op zijn beurt belaagt de

weduwe van zijn vijand met een onderzoek naar tooverij, waarvan zij

verdacht stond; maar de vrouw weet een mandaat te verkrijgen, krachtens

hetwelk d'Escouchy zijn onderzoek in handen der justitie moet stellen.

De zaak komt voor het Parlement van Parijs, en d'Escouchy geraakt voor

de eerste maal in gevangenschap. Nog zesmaal daarna vinden wij hem als

beschuldigde in hechtenis, en eenmaal in krijgsgevangenschap. 't Zijn

telkens ernstige crimineele zaken en meer dan eens zit hij in zware

ijzers. De wedstrijd van wederzijdsche aanklachten tusschen de familie

Froment en d'Escouchy wordt afgewisseld door een gewelddadige

ontmoeting, waarbij de zoon Froment hem wondt. Beiden huren rabauwen,

om elkaar naar 't leven te staan. Nadat deze lange veete uit onzen

gezichtskring verdwenen is, zijn het nieuwe aanslagen; ditmaal wordt

de schout verwond door een monnik; nieuwe klachten, dan in 1461

d'Escouchy's verhuizing naar Nesle, onder verdenking van euveldaden,

naar het schijnt. Dit belet hem niet, om carrière te maken: hij wordt

baljuw, prévôt van Ribemont, procureur du roi te Saint Quentin; hij

wordt geadeld. Na nieuwe verwondingen, opsluitingen, boeten, vindt men

hem in krijgsdienst: hij strijdt voor den koning bij Montlhéry in 1465

tegen Karel den Stoute, en wordt er krijgsgevangen gemaakt. Uit een

volgenden veldtocht keert hij verminkt terug. Dan trouwt hij, maar het

beduidt niet de intrede in een rustig leven. Men vindt hem onder de

beschuldiging van zegelvervalsching, gevankelijk naar Parijs gevoerd

"comme larron et murdrier", in nieuwe veete met een magistraat van

Compiègne, naar wiens daden hij een onderzoek moet doen, door pijniging

tot bekentenis gebracht en van appel teruggehouden, veroordeeld,

gerehabiliteerd, weer veroordeeld, totdat het spoor van dit bestaan van

haat en vervolging uit de bescheiden verdwijnt.

Overal waar men de lotgevallen naspeurt van de personen, in de bronnen

van dien tijd vermeld, verrijst zulk een beeld van heftig bewogen

levens. Lees bijvoorbeeld de bijzonderheden, die Pierre Champion

verzameld heeft over allen, die door Villon in zijn Testament zijn

bedacht of genoemd [63], of de aanteekeningen van Tuetey op het dagboek

van den burger van Parijs. Het zijn processen, misdrijven, twisten en

vervolgingen zonder eind, die ons treffen. En dit zijn de levens van

willekeurige lieden, uit rechterlijke, kerkelijke of andere bescheiden

opgediept. Kronieken als die van Jacques du Clercq, een verzameling van

euveldaden, kunnen een te zwart beeld van den tijd geven; zelfs de

lettres de rémission, die het dagelijksch leven in zoo levendige

nauwkeurigheid voor oogen brengen, kunnen uithoofde van hun crimineel

onderwerp te uitsluitend de booze zijden van het leven belichten. Doch

elke proef, genomen uit willekeurig materiaal, bevestigt de donkerste

voorstellingen.

Het is een booze wereld. Het vuur van haat en geweld brandt hoog, het

onrecht is machtig, de duivel dekt met zijn zwarte vlerken een duistere

aarde. En spoedig wacht der menschheid het eind van alle dingen. Maar de

menschheid bekeert zich niet; de kerk strijdt, predikers en dichters

klagen en vermanen vergeefs.

[1] Oeuvres de Georges Chastellain, ed. Kervyn de Lettenhove, 8 vol.,

Bruxelles 1863-'66, III p. 44.

[2] Chastellain, II p. 267; Mémoires d'Olivier de la Marche, ed. Beaune

et d'Arbaumont, (Soc. de l'hist. de France), 1883-'88, 4 vol., II p. 248.

[3] Journal d'un bourgeois de Paris, ed. A. Tuetey, (Publ. de la Soc. de

l'histoire de Paris, Doc. no. III) 1881, p. 5, 56.

[4] Journal d'un bourgeois, p. 20-24. Vgl. Journal de Jean de Roye, dite

Chronique scandaleuse, ed. B. de Mandrot (Soc. de l'hist. de France)

1894-'96, 2 vol., I p. 330.

[5] Chastellain, III p. 461, vgl. V p. 403.

[6] Jean Juvenal des Ursins, 1412, ed. Michaud et Poujoulat, Nouvelle

collect. des mémoires, II p. 474.

[7] Journal d'un bourgeois, p. 6; 70; Jean Molinet, Chronique, ed.

Buchon, Coll. de chron. nat., 1827/28, 5 vol, II p. 23; Lettres de Louis

XI, ed. Vaesen, Charavay, de Mandrot, (Soc. de l'hist. de France)

1883-1909, 11 vol., 20 Apr. 1477, VI p. 158; Chronique scandaleuse, II

p. 47, id. Interpolations, II p. 364.

[8] Journal d'un bourgeois, p. 234/7.

[9] Chron. scand., II p. 70, 72.

[10] Vita auct. Petro Ranzano O.P. (1455), Acta sanctorum Apr. t. 1

p. 494 sq.

[11] Enguerrand de Monstrelet, Chroniques, ed. Douët d'Arcq (Soc. de

l'hist. de France) 1857-'62, 6 vol., IV p. 302-306.

[12] Wadding, Annales Minorum, X p. 72; K. Hefele, Der h. Bernhardin von

Siena und die franziskanische Wanderpredigt in Italien, Freiburg, 1912,

S. 47, 80.

[13] Chron. scand., I p. 22, 1461; Jean Chartier, Hist. de Charles VII,

ed. D. Godefroy, 1661, p. 320.

[14] Chastellain, III pp. 36, 98, 124, 125, 210, 238, 239, 247, 474;

Jacques du Clercq, Mémoires (1448-1467), ed. de Reiffenberg, Bruxelles, 1823,

4 vol., IV. p. 40, II p. 280, 355, III p. 100; Juvenal des Ursins, p. 405,

407, 420; Molinet, III p. 36, 314.

[15] Jean Germain, Liber de virtutibus Philippi ducis Burgundiae, ed.

Kervyn de Lettenhove, Chron. rel. à l'hist. de la Belg. sous la dom. des

ducs de Bourg. (Coll. des chron. belges) 1876, II, p. 50.

[16] La Marche, I p. 61.

[17] Chastellain, IV p. 333 s.

[18] Chastellain, III p. 92.

[19] Jean Froissart, Chroniques, ed. S. Luce et G. Raynaud (Soc. de

l'hist. de France) 1869-1899,11 vol. (niet verder dan 1385), IV, p. 89-93.

[20] Chastellain, III p. 85 ss.

[21] Ib. III p. 279.

[22] La Marche. II p. 421.

[23] Juvenal des Ursins, p. 379.

[24] Martin Le Franc, Le Champion des dames, bij G. Doutrepont, La

littérature française à la cour des ducs de Bourgogne (Bibl. du XVe

siècle t. VIII) Paris, Champion. 1909, p. 304.

[25] Acta sanctorum Apr. t. 1 p. 496; A. Renaudet, Préréforme et

humanisme à Paris 1494-1517, Paris, Champion, 1916, p. 163.

[26] Chastellain, IV p. 300 s., VII p. 75; vgl. Thomas Basin, De rebus

gestis Caroli VII et Lud. XI historiarum libri XII, ed. Quicherat, (Soc.

de l'hist. de France) 1855-1859, 4 vol, I p. 158.

[27] Journal d'un bourgeois, p. 219.

[28] Chastellain, III p. 30.

[29] La Marche, I p. 89.

[30] Chastellain, I p. 82, 79; Monstrelet, III p. 361.

[31] La Marche, I p. 201.

[32] Het tractaat o.a. bij La Marche, I p. 207.

[33] Chastellain, I p. 196.

[34] Basin, III p. 74.

[35] Chastellain, IV p. 201. Vergelijk mijn studie Uit de

voorgeschiedenis van ons nationaal besef, in De Gids 1912, I.

[36] Journal d'un bourgeois, p. 242; vgl. Monstrelet, IV p. 341.

[37] Jan van Dixmude, ed. Lambin, Ypres 1839, p. 283.

[38] Froissart, ed. Luce, XI p. 52.

[39] Mémoires de Pierre le Fruictier dit Salmon, Buchon, 3e suppl. de

Froissart. XV p. 22.

[40] Chronique du Religieux de Saint Denis, ed. Bellaguet (Coll. des

documents inédits) 1839-'52. 6 vol., I p. 34; Juvenal des Ursins,

p. 342, 467-471; Journal d'un bourgeois, p. 12, 31, 44.

[41] Molinet, III p. 487.

[42] Molinet, III p. 226, 241, 283-7; La Marche, III p. 289, 302.

[43] Clementis V constitutiones, lib. V. tit. 9, c. I; Joannis Gersonii

Opera omnia, ed. L. Ellies Dupin, ed. II Hagae Comitis 1728, 5 vol., II

p. 427; Ordonnances des rois de France, t. VIII p. 122; N. Jorga,

Philippe de Mézières et la croisade au XIVe siècle (Bibl. de l'école des

hautes études, fasc. 110) 1896, p. 438: Religieux de S. Denis, II p. 533.

[44] Journal d'un bourgeois, p. 223, 229.

[45] Jacques du Clercq, IV p. 265. Petit-Dutaillis, Documents nouveaux

sur les moeurs populaires et le droit de vengeance dans les Pays-Bas au

XVe siècle. (Bibl. du XVe siècle) Paris, Champion 1908, p. 7, 21.

[46] Pierre de Fenin (Petitot, Coll. de mém. VII) p. 593; vgl. zijn

verhaal van den doodgeslagen nar, p. 619.

[47] Journal d'un bourgeois, p. 204.

[48] Jean Lefèvre de Saint Remy, Chronique, ed. F. Morand (Soc. de

l'hist. de France) 1876, 2 vol, II p. 168; Laborde, Les ducs de

Bourgogne. Etudes sur les lettres, les arts et l'industrie pendant le

XVe siècle. Paris, 1849-'53, 3 vol, II p. 208.

[49] La Marche, III p. 135; Laborde. II p. 325.

[50] Laborde, III p. 355, 398. Le Moyen-âge, XX 1907 p. 193-201.

[51] Juvenal des Ursins, p. 438, 1405; vgl. echter Rel. de S. Denis, III

p. 349.

[52] Piaget, Romania XX p. 417 en XXXI 1902 p. 597-603.

[53] Journal d'un bourgeois, p. 95.

[54] Jacques du Clercq, III p. 262.

[55] Jacques du Clercq passim; Petit Dutaillis, Documents etc. p. 131.

[56] Hugo van St. Victor, De fructibus carnis et spiritus, Migne CLXXVI

p. 997.

[57] Tobias 4, 14.

[58] I Timotheus 6, 10.

[59] Petrus Damiani, Epist. lib. I, 15, Migne CXLIV p. 234, id. Contra

philargyriam ib. CXLV p. 533; Pseudo-Bernardus, Liber de modo bene

vivendi § 44, 45, Migne CLXXXIV p. 1266.

[60] Journal d'un bourgeois, p. 325, 343, 357 en de gegevens uit de

registers van het Parlement aldaar in de noot.

[61] L. Mirot, Les d'Orgemont, leur origine, leur fortune, etc. (Bibl.

du XVe siècle) Paris, Champion 1913; P. Champion, François Villon, sa

vie et son temps, id. Paris, Champion 1913, II p. 230s.

[62] Mathieu d'Escouchy, Chronique, ed. G. du Fresne de Beaucourt (Soc.

de l'hist. de France) 1863-'64, 3 vol., I p. IV-XXIII.

[63] P. Champion, Frangois Villon, sa vie et son temps (Bibl. du XVe

siècle) Paris, 1913, 2 vol.

* * * * *

II

DE ZUCHT NAAR SCHOONER LEVEN

Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden · 第 2 / 38 段