Produced by Anne Dreze and Marc D'Hooghe
HERFSTTIJ DER MIDDELEEUWEN
STUDIE OVER LEVENS- EN GEDACHTENVORMEN DER VEERTIENDE EN VIJFTIENDE
EEUW IN FRANKRIJK EN DE NEDERLANDEN
door
J. HUIZINGA
1919
* * * * *
VOORBERICHT
Het is meestal de oorsprong van het nieuwe, wat onze geest in het
verleden zoekt. Men wil weten, hoe de nieuwe gedachten en nieuwe
levensvormen, die in later tijden in hun volheid stralen, ontloken zijn;
men beziet elken tijd bovenal om de beloften, die hij bergt voor de
volgende. Hoe ijverig heeft men in de middeleeuwsche beschaving naar de
kiemen der moderne cultuur gespeurd; zoo ijverig, dat het soms schijnen
moest, alsof de geestesgeschiedenis der Middeleeuwen nauwelijks iets
anders was geweest dan de advent der Renaissance. Immers, overal zag men
in die tijden, die eenmaal als star en doodsch gegolden hadden, het
nieuwe reeds ontspruiten, en alles scheen te wijzen naar toekomstige
volmaking. Doch bij het zoeken naar het nieuwe leven, dat opkwam, vergat
men licht, dat in de geschiedenis als in de natuur het sterven en het
geboren worden eeuwig gelijken tred houden. Oude beschavingsvormen
sterven af terzelfdertijd en op denzelfden bodem, waarin het nieuwe
voedsel vindt om op te bloeien.
Hier is beproefd om de veertiende en vijftiende eeuw te zien, niet als
de aankondiging der Renaissance, maar als het einde der Middeleeuwen,
de middeleeuwsche beschaving in haar laatste levensgetij, als een boom
met overrijpe vruchten, algeheel ontplooid en ontwikkeld. Het woekeren
van oude, dwingende denkvormen over de levende kern der gedachte, het
verdorren en verstijven van een rijke beschaving,--dat is de hoofdinhoud
van deze bladzijden. De blik is bij het schrijven van dit boek gericht
geweest als in de diepten van een avondhemel,--maar van een hemel vol
bloedig rood, zwaar en woest van dreigend loodgrijs, vol valschen
koperen schijn.
Overzie ik het geschrevene, dan rijst de vraag, of niet, wanneer de blik
nog langer op dien avondhemel had gerust, de troebele kleuren zich toch
nog zouden hebben opgelost in louter klaarheid. Het schijnt wel, dat het
beeld, nu ik het lijn en kleur gegeven heb, toch somberder en minder
sereen is geworden, dan ik het meende te ontwaren, toen ik den arbeid
begon. Het kan licht gebeuren, dat men, de opmerkzaamheid steeds gericht
op neergaan, uitleven en verwelken, te veel van de schaduw des doods
over het werk laat vallen.
* * * * *
Het uitgangspunt van het werk is geweest de behoefte, om de kunst der
Van Eyck's en hun volgers beter te verstaan, ze te begrijpen in haar
samenhang met het gansche leven van den tijd. De Bourgondische
samenleving was de eenheid, die ik in het oog wilde vatten: het scheen
mogelijk, deze te zien als een even afgeronde beschavingskring als het
Italiaansche quattrocento, en de titel van het boek was eerst bestemd
te luiden: _De eeuw van Bourgondië_. Doch naarmate de strekking der
beschouwingen algemeener werd, moest die begrenzing worden opgegeven;
slechts in zeer beperkten zin viel er een eenheid van Bourgondische
cultuur te postuleeren; het niet-Bourgondische Frankrijk eischte
minstens evenveel aandacht. Zoo kwam in de plaats van Bourgondië de
tweeledigheid: Frankrijk en de Nederlanden, en dat een zeer ongelijke.
Want in een beschouwing over de afstervende middeleeuwsche cultuur in
het algemeen moest het Nederlandsche element bij het Fransche verre
achter blijven; slechts op die gebieden, waar het eigen beteekenis
heeft: dat van het godsdienstig leven en dat der kunst, komt het
uitvoeriger ter sprake. Dat in het tiende hoofdstuk de gestelde
aardrijkskundige grenzen even zijn overschreden, om naast Ruusbroec
en Dionysius den Kartuizer ook Eckhart, Suso en Tauler tot getuigen
te kunnen roepen, zal wel geen verdediging behoeven.
Hoe gering lijkt mij het getal der doorgelezen geschriften uit de
veertiende en vijftiende eeuw, vergeleken bij alles, wat ik nog wel
had willen lezen. Hoe gaarne had ik naast de reeks van hoofdtypen der
verschillende geestesrichtingen, op welke de voorstelling veelal is
gebaseerd, nog tal van andere gesteld. Doch indien het onder de
geschiedschrijvers meer dan anderen Froissart en Chastellain zijn, die
ik aanhaal, onder de dichters Eustache Deschamps, onder de theologen
Jean Gerson en Dionysius de Kartuizer, onder de schilders Jan van
Eyck,--dan ligt dit niet enkel aan beperktheid van mijn materiaal,
maar meer nog aan het feit, dat dezen door den rijkdom en het scherp
eigenaardige van hun uitingen bij uitstek de spiegel zijn van den geest
dier tijden.
_Vormen_ van het leven en van de gedachte zijn het, wier beschrijving
hier beproefd is. Den wezenlijken _inhoud_ te benaderen, die in die
vormen heeft gerust,--zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig
onderzoek?
Leiden, 31 Januari 1919.
INHOUD
I. 's Levens felheid
II. De zucht naar schooner leven
III. De heldendroom
IV. De vormen der liefde
V. Het beeld van den dood
VI. De teugellooze verbeelding van het heilige
VII. De godsdienstige persoonlijkheid
VIII. Aandoening en verbeelding
IX. Verbeelding en gedachte
X. Het falen der verbeelding
XI. De denkvormen in de praktijk
XII. De kunst in het leven
XIII. Het beeld en het woord
XIV. Het komen van den nieuwen vorm
Register
* * * * *
I
'S LEVENS FELHEID
Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel
scherper uiterlijke vormen dan nu. Tusschen leed en vreugde, tusschen
rampen en geluk scheen de afstand grooter dan voor ons; al wat men
beleefde had nog dien graad van onmiddellijkheid en absoluutheid,
dien de vreugd en het leed nu nog hebben in den kindergeest. Elke
levensgebeurtenis, elke daad was omringd met nadrukkelijke en
uitdrukkelijke vormen, was getild op de verhevenheid van een strakken,
vasten levensstijl. De groote dingen: de geboorte, het huwelijk, het
sterven, stonden door het sacrament in den glans van het mysterie.
Maar ook de geringer gevallen: een reis, een arbeid, een bezoek, waren
begeleid door duizend zegens, ceremonies, spreuken, omgangsvormen.
Tegen rampen en gebrek was minder verzachting dan nu; zij kwamen
geduchter en kwellender. Ziekte stak sterker af bij gezondheid; de barre
koude en het bange duister van den winter waren een wezenlijker kwaad.
Eer en rijkdom werden inniger en gretiger genoten, want zij staken nog
feller dan nu af bij de jammerende armoede en verworpenheid. Een bonten
tabbert, een helder haardvuur, dronk en scherts en een zacht bed hadden
nog dat hooge genotsgehalte, dat misschien door de Engelsche novelle
in de beschrijving der levensvreugde het langst is beleden en het
levendigst ingeboezemd. En al de dingen des levens hadden een pronkende
en gruwelijke openbaarheid. De leprozen klepten met hun ratel, en
hielden ommetochten, de bedelaars jammerden in de kerken en stalden er
hun wanstaltigheid uit. Elke stand, elke orde, elk bedrijf was kenbaar
aan zijn kleed. De groote heeren bewogen zich nooit zonder pralend
vertoon van wapens en livreien, ontzagwekkend en benijd. Rechtspleging,
venten van koopwaar, bruiloft en begrafenis, het kondigde zich alles
luide aan met ommegang, kreet, klaagroep en muziek. De verliefde droeg
het teeken van zijn dame, de genooten het embleem van hun broederschap,
de partij de kleuren en blazoenen van hun heer.
Ook in het uiterlijk aanschijn van stad en land heerschte die
tegenstelling en die bontheid. De stad verliep niet zooals onze steden
in slordig aangelegde buitenwijken van dorre fabrieken en onnoozele
landhuisjes, maar lag in haar muur besloten, een afgerond beeld,
stekelig van tallooze torens. Zoo hoog en zwaar de steenen huizen van
edelen of koopheeren mochten zijn, de kerken bleven met hun hoogte en
ruimte den aanblik der stad beheerschen.
Zooals de tegenstelling van zomer en winter sterker was dan in ons
leven, zoo was het die van licht en duister, van stilte en gedruisch.
De moderne stad kent nauwelijks meer het zuivere donker en de zuivere
stilte, het effekt van een enkel lichtje of een enkelen verren roep.
Door het voortdurend contrast, door de bonte vormen, waarmee alles zich
aan den geest opdrong, ging er van het alledaagsche leven een prikkeling,
een hartstochtelijke suggestie uit, welke zich openbaart in die wankele
stemming van ruwe uitgelatenheid, hevige wreedheid, innige verteedering,
waartusschen het middeleeuwsche stadsleven zich beweegt.
Er was één geluid, dat al het gedruisch van het drukke leven steeds weer
overstemde, en dat, hoe bont dooreen-klinkend, toch nooit verward, alles
tijdelijk ophief in een sfeer van orde: de klokken. De klokken waren in
het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende
stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan
opriepen, dan vermaanden. Men kende hen bij gemeenzame namen: de dikke
Jacqueline, klokke Roelant; men wist de beteekenis van kleppen of
luiden. Men was ondanks het overmatig klokgelui niet verstompt voor den
klank. Gedurende het beruchte burgerlijke tweegevecht te Valenciennes,
dat in 1455 de stad en het geheele Bourgondische hof in buitengewone
spanning heeft gehouden, luidde de groote klok, zoolang de strijd
duurde, "laquelle fait hideux à oyr", zegt Chastellain [1]. "Sonner
l'effroy", "faire l'effroy" heet het luiden der alarmklok [2]. Welk
een ontzaglijke bedwelming moet het zijn geweest, als alle kerken en
kloosters van Parijs de klokken luidden van den morgen tot den avond,
en zelfs den geheelen nacht, omdat er een paus gekozen was, die een
einde aan het schisma zou maken, of om een vrede tusschen Bourguignon
en Armagnac [3].
Van een diep roerende werking moeten ook de processies zijn geweest.
Wanneer het bange tijden waren, en die waren het dikwijls, liepen ze
soms dag aan dag, weken achtereen. In 1412, zoodra men te Parijs wist,
dat de koning zich op vijandelijk gebied bevond, werden er dagelijksche
processies verordend, die van eind Mei tot in Juli duurden, telkens van
andere groepen, orden of gilden, langs andere wegen, met andere
relieken: "les plus piteuses (aandoenlijke) processions qui oncques
eussent été veues de aage de homme." Allen liepen barrevoets en met
nuchtere maag, de heeren van het Parlement zoogoed als de arme burgers,
elk die kon met een kaars of een toorts; er waren steeds veel kleine
kinderen bij. Ook uit de dorpen rondom Parijs kwamen de arme landlieden
blootsvoets van ver geloopen. Men ging of keek het aan "en grant pleur,
en grans lermes, en grant devocion." En bijna al die dagen regende het
hard [4].
Dan waren er de vorstelijke intochten. En in nooit onderbroken
veelvuldigheid de terechtstellingen. De wreede prikkeling en de grove
verteedering van het schavot waren een gewichtig element in de
geestelijke voeding van het volk. Het was kijkspel met moraal. Tegen
gruwelijke rooverijen verzon de justitie gruwelijke straffen; een jonge
brandstichter en moordenaar wordt te Brussel met een ketting, die aan
een ring om een staak kan draaien, binnen een kring van brandende
takkebossen geplaatst. Hij stelt zichzelf aan het volk in roerende
woorden ten voorbeeld, "et tellement fit attendrir les coeurs que tout
le monde fondoit en larmes de compassion." "Et fut sa fin recommandée la
plus belle que l'on avoit oncques vue" [5]. Messire Manssart du Bois geeft
niet alleen den beul gaarne de vergiffenis, die deze hem vraagt, maar
verzoekt hem, hem te kussen. "Foison de peuple y avoit, qui quasi tous
ploroient à chaudes larmes" [6]. Dikwijls waren het groote heeren; dan
genoot het volk de voldoening over het strenge recht en de ernstige
vermaning over de wisselvalligheid van aardsche grootheid levendiger,
dan eenig geschilderd exempel of doodendans het hun geven kon. De
overheid zorgde, dat aan den indruk van het schouwspel niets ontbrak: in
de teekenen van hun grootheid deden de heeren hun droevigen tocht. Jean
de Montaigu, grand maître d'hôtel van den koning, slachtoffer van den
haat van Jan zonder Vrees, rijdt naar het schavot, hoog op een kar
gezeten, twee trompetters vooruit; hij draagt zijn staatsiekleed,
kaproen, houppelande en hozen half wit half rood, en gouden sporen aan
de voeten; met die gouden sporen hangt het onthoofde lijk aan de galg.
De rijke kanunnik Nicolas d'Orgemont, le Boiteux d'Orgemont genoemd,
wordt in een vuilniskar door Parijs gevoerd, in een grooten violetten
mantel en kaproen, om de onthoofding van twee genooten aan te zien, vóór
hij zelf veroordeeld werd tot levenslange opsluiting "au pain de doleur
et à eaue d'angoisse". Het hoofd van maître Oudart de Bussy, die een
plaats in 't Parlement geweigerd had, werd op bijzonderen last van
Lodewijk XI weer opgegraven en in een scharlaken kaproen met bont
gevoerd "selon la mode des conseillers de parlement" op de markt te
Hesdin tentoongesteld, met een verklarend rijmpje. De koning zelf
schrijft over het geval met grimmige grappigheid [7].
Zeldzamer dan de processies en de terechtstellingen waren de preeken van
de reizende predikers, die af en toe het volk kwamen schokken met hun
woord. Wij krantenlezers kunnen ons nauwelijks meer de geweldige werking
van het woord op een onverzadigden en onwetenden geest voorstellen. De
volksprediker broer Richard, die als biechtvader Jeanne d'Arc heeft
mogen bijstaan, preekte te Parijs in 1429 tien achtereenvolgende dagen.
Hij begon des morgens om vijf uur en eindigde tusschen tien en elf uur,
meest op het kerkhof der Innocents, onder welks galerijen de beroemde
doodendans geschilderd stond, met den rug naar de open knekelhuizen,
waarin, boven de booggang rondom, de schedels voor het gezicht lagen
opgestapeld. Toen hij na zijn tiende preek meedeelde, dat het de laatste
zou zijn, daar hij geen verlof voor meer had, "les gens grans et petiz
plouroient si piteusement et si fondement, comme s'ilz veissent porter
en terre leurs meilleurs amis, et lui aussi." Als hij eindelijk Parijs
gaat verlaten, meent het volk, dat hij den Zondag nog te St. Denis zal
preeken; in groote troepen, wel zes duizend, zegt de burger van Parijs,
trekken zij Zaterdags-avonds uit de stad, om zich een goede plaats te
verzekeren, en overnachten op het veld [8].
Ook aan den franciscaan Antoine Fradin werd te Parijs het preeken
verboden, omdat hij hevig uitvoer tegen de slechte regeering. Maar
juist daarom was hij het volk lief. Zij bewaakten hem dag en nacht in
het klooster der Cordeliers; de vrouwen stonden er op wacht, met haar
munitie van asch en steenen gereed. Om de proclamatie, die deze wacht
verbiedt, lacht men: de koning weet er niets van! Als eindelijk Fradin,
verbannen, toch de stad verlaten moet, doet het volk hem uitgeleide,
"crians et soupirans moult fort son departement" [9].
Wanneer de heilige dominicaan Vincent Ferrer komt preeken, trekt uit
alle steden het volk, de magistraat, de geestelijkheid, tot bisschoppen
en prelaten toe, hem met lofzangen tegemoet, om hem in te halen. Hij
reist met een talrijke schare van volgers, die iederen avond na
zonsondergang in processie rondtrekken met geeseling en zingen. Uit
iedere stad vergezellen hem nieuwe scharen. Hij heeft de verzorging
en herberging van al die volgelingen zorgvuldig geregeld door het
aanstellen van onbesproken mannen tot kwartiermeesters. Tal van
priesters uit verschillende orden reizen mee, om hem voortdurend bij
te staan in het hooren der biecht en de bediening der mis. Een paar
notarissen vergezellen hem, om terstond acte op te maken van de
bijlegging der geschillen, die de heilige prediker overal tot stand
brengt. Waar hij preekt, moet een houten getimmerte hem en zijn gevolg
beschutten tegen den aandrang der menigte, die hem hand of kleed willen
kussen. Het handwerk staat stil, zoolang hij preekt. Zelden was het,
dat hij zijn hoorders niet tot weenen bracht, en als hij sprak van het
oordeel en de hellestraffen of van het lijden des Heeren, dan braken
zoowel hij als de hoorders altijd uit in zulk een groot geween, dat hij
geruimen tijd moest zwijgen, totdat het weenen bedaarde. Boosdoeners
kwamen zich voor alle aanwezigen ter aarde werpen, en hun groote zonden
met tranen belijden [10].
Het is de stemming der Engelsch-Amerikaansche revivals en van het leger
des heils, maar in het ongemetene en veel meer in het openbaar. Men
behoeft hier aan geen vrome overdrijving van den levensbeschrijver van
Vincent Ferrer te denken; de nuchtere, droge Monstrelet geeft op bijna
gelijke wijze de werking weer, die de karmeliet broeder Thomas in 1428
met zijn preeken in Noord-Frankrijk en Vlaanderen teweegbracht. Ook hem
haalde de magistraat in, terwijl edelen den teugel van zijn muildier
hielden; ook om hem verlieten velen, waaronder heeren, die Monstrelet
met name noemt, huis en gezin, om hem overal te volgen. De aanzienlijke
burgers versierden het hooge gestoelte, dat zij voor hem oprichtten, met
de kostbaarste hangtapijten, die men betalen kon.
Het was naast de lijdensstof en de laatste dingen vooral de bestrijding
van weelde en ijdelheid, waarmee de volkspredikers zoo diep de menschen
aangrepen. Het volk, zegt Monstrelet, was broeder Thomas vooral dankbaar
en genegen voor het neerwerpen van praal en opschik en in het bijzonder
voor den blaam, waarmee hij adel en geestelijkheid overlaadde. Hij
placht, wanneer aanzienlijke dames zich met hun hooge puntige kapsels
onder zijn gehoor waagden, de kleine jongens op haar aan te hitsen (met
belofte van aflaat, beweert Monstrelet), met den kreet: au hennin, au
hennin! zoodat de vrouwen gedurende al dien tijd geen hennins meer
durfden dragen en gehuifd gingen als begijnen, "Mais à l'exemple du
lymeçon--zegt de gemoedelijke chroniqueur--lequel quand on passe près de
luy retrait ses cornes par dedens et quand il ne ot (hoort) plus riens
les reboute dehors, ainsy firent ycelles. Car en assez brief terme après
que ledit prescheur se fust départy du pays, elles mesmes recommencèrent
comme devant et oublièrent sa doctrine, et reprinrent petit à petit leur
viel estat, tel ou plus grant qu'elles avoient accoustumé de porter [11]."
Zoowel broer Richard als broer Thomas deden de mutserts der ijdelheden
vlammen, zooals Florence die zestig jaar later op enorme schaal en met
onherstelbaar verlies voor de kunst voor Savonarola ontsteken zou. In
Parijs en Artois in 1428 en 1429 bleef het bij kaarten, verkeerborden,
dobbelsteenen, kapsels en sieradiën, die mannen en vrouwen gewillig
aanbrachten. Deze verbrandingen waren in de 15de eeuw zoowel in
Frankrijk als Italië een zeer veelvuldig element in de groote opwinding,
die de predikers teweegbrachten [12]. De hevige uiting van den afkeer
van ijdelheden en vermaken was reeds een vorm geworden, zooals alles in
dien tijd steeds neigt, vorm te worden.
In deze ontvankelijkheid van gemoed, deze vatbaarheid voor tranen en
geestelijken ommekeer, deze prikkelbaarheid moet men zich indenken, om
te beseffen, welke kleur en felheid het leven had.
Een publieke rouw had toen nog het uiterlijk van een calamiteit. Bij
de begrafenis van Karel VII geraakt het volk buiten zich zelf van
aandoening, als het den stoet ziet: al de hofbeambten "vestus de dueil
angoisseux, lesquelz il faisoit moult piteux veoir; et de la grant
tristesse et courroux qu'on leur veoit porter pour la mort de leurdit
maistre, furent grant pleurs et lamentacions faictes parmy toute ladicte
ville." Er waren zes pages van den koning op geheel in zwart fluweel
gedoste paarden. "Et Dieu scet le doloreux et piteux dueil qu'ilz
faisoient pour leur dit maistre!" Een van de knapen had van verdriet in
vier dagen niets gegeten of gedronken, vertelde het volk verteederd.
[13]
Het is niet alleen de aandoening van een grooten rouw of over een hevige
predikatie of over de mysteriën van het geloof, die een overvloed van
tranen wekt. Ook bij elke wereldlijke plechtigheid wordt een vloed van
tranen gestort. Een beleefdheidsgezant van den koning van Frankrijk aan
Philips den Goede breekt bij zijn aanspraak herhaaldelijk in tranen uit.
Bij het afscheid van den jongen Jan van Coïmbra van het Bourgondische
hof weent alles luide, evenzoo bij de verwelkoming van den dauphin, bij
de samenkomst der koningen van Engeland en Frankrijk te Ardres. Men zag
Lodewijk XI tranen storten bij zijn intocht in Atrecht; tijdens zijn
verblijf als dauphin aan het Bourgondische hof beschrijft Chastellain
hem herhaaldelijk in snikken en tranen [14]. Er is natuurlijk
overdrijving in die beschrijvingen, het "geen oog bleef droog" van een
dagbladbericht. De bisschop Jean Germain verhaalt, hoe na de treffende
aanspraken der gezanten op het vredescongres te Atrecht in 1435 de
toehoorders plat op den grond vallen, sprakeloos, met zuchten, snikken
en gehuil [15]. Doch in de overdrijving ziet men den achtergrond van
waarheid. Het is ermee als met de tranenvloeden der 18de eeuwsche
sentimenteelen. Het weenen was verheffend en schoon. Wie kent ook nu
niet de sterke ontroering, tot huivering en tranen toe, die een intocht
kan teweegbrengen, ook al is de vorst, dien de praal geldt, ons volkomen
onverschillig. Toen werd die onmiddellijke aandoening gevuld door een
half-religieuze vereering van staatsie en grootheid, en brak zich vrij
baan in echte tranen.
Wie het verschil in prikkelbaarheid tusschen de 15de eeuw en onzen tijd
niet ziet, kan het leeren uit een klein voorbeeld op een ander gebied
dan dat der tranen, namelijk dat der heethoofdigheid. Wij kunnen ons
waarschijnlijk moeilijk een vreedzamer en rustiger spel denken dan het
schaakspel. La Marche zegt, dat het dikwijls gebeurt, dat er bij 't
schaakspel geschillen rijzen, "et que le plus saige y pert patience"
[16]. Twist van koningszonen over een spel schaak was in de 15de eeuw
nog een even gangbaar motief als in de Karelromans.
* * * * *
Er was in het dagelijksch leven voortdurend een onbegrensde ruimte voor
gloeienden hartstocht en kinderlijke fantazie. De hedendaagsche
wetenschappelijke historie der middeleeuwen, die wegens de
onbetrouwbaarheid der kronieken bij voorkeur zooveel mogelijk uit
officieele oorkonden put, vervalt daardoor wel eens in een gevaarlijke
fout. De oorkonden toonen ons weinig van het verschil in levenstoon,
dat ons van die tijden scheidt. Zij doen ons het felle pathos van het
middeleeuwsche leven vergeten. Van al de hartstochten, die het kleuren,
spreken de oorkonden doorgaans slechts van twee: de hebzucht en den
strijdlust, maar deze zelf zijn in hun felheid niet te begrijpen buiten
het verband met de algemeene hartstochtelijkheid. Daarom blijven de
kroniekschrijvers, zij mogen op het stuk van feitelijkheden nog zoo
oppervlakkig zijn en nog zoo dikwijls dwalen, onmisbaar om den tijd goed
te zien.
Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op,
hoe archaïsch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de
vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het
koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge
Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum
aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al
zijn beneficiën heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de
graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat
verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak,
waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel
der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen
hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm
zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's
graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult allen
uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld
beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."--"Lors oyt-l'on voix lever
et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous
tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."--Diep geroerd
aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je
souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen
en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre:
dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour
attendre tout vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en
er kwam geen kip minder om in de keuken [17].
De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij
weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde
styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige
vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht
door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw.
Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in
werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert
zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige
figuren. De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het
volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de
edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst
wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de
trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de
kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking
in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door
hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings
hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo
reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van
de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond.
Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken
op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld
ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de
ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten
uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit
Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden
leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite
vergeefsch [18]. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en
kermisvermaak bedacht worden?
Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch
element, dat ons aan den khalief uit Duizend en één Nacht herinnert. Zij
handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms
met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven
en hun werk in gevaar brengt. Eduard III waagt er zichzelf, den prins
van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche
koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij
[19].--Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner
archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de
vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de
hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in
Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak
voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis,
om zijn zin door te drijven [20]. Een andermaal is hij in zinneloozen
toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil
uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer
terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te
brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het
rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du
roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?" [21]
Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de
geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten
scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van
Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van
zijn haardos te ontdoen [22]. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk
Karel VI, met een vriend op één paard, vermomd den intocht van zijn
eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen
oploopt van de dienders [23].--Een dichter uit de XVe eeuw laakt het,
dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen,
gelijk Coquinet le fou de Bourgogne [24].
Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen
van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten
der XVe eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire
asceten en de geëxalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer,
Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige
prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste
onderhandelingen van vorstenhoven gemengd [25]. Een element van
godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge
staatkunde.
Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen
alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische
bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo
aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van
aangrijpende lotswisseling als in de XIVe en XVe eeuw. In het Duitsche
Rijk en in Engeland in één jaar tijds een koning onttroond. De wildste
verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen
verwaarloosde, terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin
zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De
geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val,
riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug.
In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde
partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het
groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden.
"Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk den paus van Avignon,
Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk
een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden
van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees,
hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de
Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat
gegeven.
Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar
voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun
schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in René van Anjou,
die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de
kronen van Hongarije, Sicilië en Jeruzalem, en niet anders vond dan
nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De
dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en
miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn
geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had
hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat
in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest,
eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland
gehuwd, Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van
haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig
geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het
ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een
struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij
de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een
offer, "qui demy à dur et à regret luy tira un gros d'Escosse de sa
bourse et le luy presta". Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van
haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost
een _Temple de Bocace_ [26] wijdde, "aucun petit traité de fortune,
prenant pied sur son inconstance et déceveuse nature", een sombere
galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten:
bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige
zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk
omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV
aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar
bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning
René.
Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een
burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee
in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen,
"ung duc et ung conte et dix hommes tous à cheval", de rest, een 120
sterk, moest buiten blijven. Uit Egypte waren zij, de paus had hun als
boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar
te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest,
maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven.
Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien
pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar
het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen,
die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par
art magicque au autrement" [27].
Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het
was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De
moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze
buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men
kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche
geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeëeuwsche ministers-
en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist één gewichtig element:
de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die èn de volken èn de
vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook nú nog in de
staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is
op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het
gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt
in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting,
waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect
gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel
heftig. Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is
geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap
leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et
agus, et leurs natures sont subgettes à passions maintes comme à haine
et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) à
cause de leur gloire en régner" [28]. Dit is, wat Burckhardt "das Pathos
der Herrschaft" noemt.
Wie de geschiedenis van Bourgondië wilde schrijven, moest steeds weer
een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u
bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven
van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed.
Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het
gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat
niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd
van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de
bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondië, de twee takken van het huis
Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die
bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen
was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy
qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint
la gherre seize ans" [29]. Als een heilige taak had Philips het op zich
genomen: "en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit à la
vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y
mettroit corps et âme, substance et pays tout en l'aventure et en la
disposition de fortune, plus réputant oeuvre salutaire et agréable à
Dieu de y entendre que de le laisser". Het was den Dominicaan, die bij
den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel
aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had
[30]. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La
Marche [31].
Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en
Bourgondië schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord
van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan
het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen
worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster,
een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de
Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen
[32]. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de
kanselier Rolin namens den hertog geëischt had: kerken met kapittels
niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs,
Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het
feit verhalen moesten [33].
Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel
vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de
staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige,
primitieve motieven van haat en wraak? De aanhankelijkheid aan den vorst
was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van
trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef,
dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in
veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is
partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der
groote partijstrijden. In Italië consolideeren de partijen zich reeds in
de 13e eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in
de 14e. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet
wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen
door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden
verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag
legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den
besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van
economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter
verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch-
psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch-
economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van
familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien
agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met
de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht
nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer
breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot
verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen
redelijke gronden waren te bespeuren [34], moet men niet minachtend de
schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij.
Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op
elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het
mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade
moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den
twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude
hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem
een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van
Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van
Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De
verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen,
liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl
de klokken aldoor luiden [35].
Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind,
verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen
met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan
vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met
den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis,
het partijteeken van Bourgondië. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen,
waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van
Parijs, "en despit de luy" [36].
Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen
dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de
landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook
daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak,
tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge
overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van
lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een
ander gebied der urbanistische obedientie naar hún partij te kunnen
leven [37]. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in
twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige
koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die
Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen [38]. Pierre Salmon kon te
Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren,
"pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je créoie en
Benedic l'antipape", zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof
hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster
[39].
Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog
verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al
de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander
somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en
doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend
personen trokken in 1380 den jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs
tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe
zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander
kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte
kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen
ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden
iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui geëxcommuniceerd; men behing
de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden
bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de
Heer gekruist was, maar maakten het schuins [40].
De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn
eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste,
steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar
uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was
voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de
rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid,
vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij
daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geëxaspereerd, door aan
de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde
nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning
gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van
de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer
teruggedrongen, en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende
bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden.
Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht
verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van
justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe
gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en
toovenaars, dan tegen sodomie.
Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen
ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat
het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een
rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te
vierendeelen, "dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps
sainct estoit ressuscité" [41]. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan
te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan
zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet
genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer
te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om
nieuwe kwellingen te genieten [42].
Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en
wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland
heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook
de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun
doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. Vergeefs had paus
Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De
politieke idealist Philippe de Mézières drong er opnieuw op aan, eerst
bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre
d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mézières, moeilijker om te
keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de
wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet
veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die
van Mézières voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik,
gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de
biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te
danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de
Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan [43]. Toch
verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort
na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van
Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs
gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot
tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde
luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij
vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een
stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel
vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme
misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op
[44].
In de middeleeuwen ontbreken al de gevoelens, die ons besef van justitie
schuchter en weifelend hebben gemaakt: het inzicht in halve
toerekenbaarheid, het besef van 's rechters feilbaarheid, het besef, dat
de maatschappij mee schuld heeft aan het misdrijf van den enkele, de
vraag, of men hem niet kan verbeteren in plaats van hem te doen lijden.
Of misschien beter gezegd: die gevoelens ontbraken niet, maar waren
onuitgedrukt vereenigd in een onmiddellijke aandoening van
barmhartigheid en vergiffenis, die, onafhankelijk van de schuld, telkens
weer de wreede voldoening over het gedane recht komt breken. Waar wij
een aarzelend en half schuldbewust toemeten van verzachte straffen
kennen, daar kent de middeleeuwsche justitie slechts de twee uitersten:
de volle maat van wreede straf en de genade. Bij het schenken van genade
wordt veel minder dan thans gevraagd, of de schuldige om bijzondere
redenen de gratie verdient: voor elke schuld, ook de klaarblijkelijkste,
is volle kwijtschelding te allen tijde gepast. In de praktijk gaf bij
die kwijtscheldingen niet altijd de zuivere barmhartigheid den doorslag.
Het is verbazend, met welk een gelijkmoedigheid de tijdgenooten
vertellen, hoe de tusschenkomst van aanzienlijke verwanten een
misdadiger "lettres de rémission" bezorgen. Niettemin gelden de meeste
van die brieven geen aanzienlijken overtreders maar armen lieden uit het
volk, die geen hooge voorspraak gehad hebben [45].