XIII

Drie maanden later, toen Massijn reeds lang, ver van verwanten en

vrienden in den vreemde begraven lag, en zelfs in zijn

geboortedorpje begon vergeten te worden, kwam op een morgen, met de

postwagen van Bavel, een lijvige koffer bij de weduwe Massijn aan.

Die koffer bevatte de kleren en andere voorwerpen die aan haar

overleden zoon toebehoord hadden. En bij die sprekende herinnering

aan de dode barstten moeder Massijn en Fietje weer in hete tranen

los. Eerst na de middag, toen hun grootste droefheid wat gestild

was, ging Fietje bij de timmerman een hamer en een beitel halen, en

braken zij de koffer open.

Benevens de kleren van de overledene zat hij vol met een rommel van

allerlei ongelijksoortige voorwerpen. Er was een dikke bundel met

bruine touwen saamgebonden wapens, een aantal grote en kleine

koperen ringen; houten en leren, fijn gedreven schotels en bekers;

een armvol grof gevlochten, rijkgekleurde matten; een gesloten pak

met, als adres, op een van Fortunés visitekaartjes: 'voor mijn goede

vriend meester De Vreught', een tweede voor de 'goede vriend

mijnheer Potvlieghe'; een derde voor de 'goede vriend mijnheer

Spittael'.

Moeder en Fietje legden die geschenken opzij en pakten voort de

kleren uit. Gescheurde en gevlekte hemden, kamizolen en kousen vol

gaten, zware, doorgesleten en scheefgelopen, rossig geworden

schoenen. En de mooie, blauwe uniformjas en de mooie pet waarmee hij

zo fier in Akspoele gepronkt had, waren insgelijks verknoeid,

bezoedeld en verkleurd; en de schone vergulde galons hingen half

ontnaaid van de mouwen, hun vroegere glans verdoft in kopergroene

tinten, en omgebogen en gewrongen, als rafels platgeslagen

zinkdraad. En uit dat alles walmde, met een licht wolkje stof, een

lafzoete, akelige lucht, die de twee vrouwen de adem benauwde, en

voortdurend nieuwe tranen in hun ogen deed opwellen.

Zij zochten in de zakken en keerden die om, hopend er nog een woord,

een brief, het een of ander iets van hem te vinden, dat hun nog

enige opheldering over zijn zo schielijke, tragische dood zou geven.

Doch neen, zij vonden niets meer. Al wat zij nog ontdekten was, gans

op de bodem van de koffer, een kleine bruinlederen portefeuille.

Fietje raapte die op en deed ze open. Zij bevatte enkele brieven uit

Akspoele, een tiental visitekaartjes en Congolese postzegels; en,

gans in het achterste tasje, een fotografie, met een klein, door een

draadje eraan vast gebonden lokje zwart kroeshaar.

Verbaasd, de open portefeuille in de hand, bleef Fietje een ogenblik

roerloos, als begreep zij niet wat het was, die zonderlinge

voorwerpen aanstaren. De fotografie stelde voor een jonge negerin,

naakt tot aan de lendenen, de kort-krullende haren dichtgeplant, het

brons aangezicht blinkend, lachend met een strelende glimlach van

ogen en tanden. De haren leken sprekend op die van het lokje;

onderaan het portret, door Fortunés hand geschreven, stonden deze

woorden:

De Zwarte Kost · 第 14 / 16 题