En het was op een zachte, heerlijke meimorgen, juist elf maanden na
zijn vertrek, dat plotseling in Akspoele deze ontzettende tijding
als een loopvuur werd verspreid:
--Massijn is in Congoland gestorven!
Meester De Vreught lag nog te bed, toen hij de Bavelse
brievenbesteller; die de courant bracht, tot zijn zuster, die een
kreet van smart en medelijden slaakte, deze schrikkelijke woorden
hoorde zeggen.
Hij sprong uit zijn ledikant, verscheen half aangekleed, met
verwilderd--uitgezette ogen in de gang, ondervroeg dringend de
postbeambte, die zijn ontzettende woorden herhaalde, erbij voegend
dat de akelige tijding de vorige avond per telegram uit Brussel
verzonden was.
Toen kleedde de meester zich ijlings aan, zette zijn hoed op, en
snelde naar het huisje van de weduwe Massijn.
Alvorens zelfs een woord te spreken kon hij zich overtuigen, dat de
smartelijke mededeling maar al te waar was. Moeder Massijn en
Fietje, van droefheid op stoelen ineengezakt, stortten, evenals op
de dag van Fortunés vertrek, wanhopig hete tranen; en op 's meesters
ontroerde vraag, liet Fietje hem het telegram zien dat men de vorige
avond uit Boma te Brussel ontvangen, en dadelijk naar Akspoele
overgeseind had:
Fortuné Massijn, sous-intendant Leopoldville, décédé 13 Mars
fièvre hématurique.
Het was, in Akspoele, een opschudding bijna zo groot als op de dag
toen Fortuné voor altijd wegging. Doch, hoe vreemd, zeer weinig
medelijden mengde zich in de ontzetting van de dorpelingen. Met
Fortunés noodlottig einde scheen ook eensklaps al de grootheid van
zijn onderneming in puin gestort te zijn, en er niets meer over van
te blijven dan het dwaze en het onbezonnene. Alle de dorpelingen,
tot zelfs zijn vurige bewonderaars de heren Potvlieghe, Spittael en
De Vreught waren het eens om te zeggen dat hij de grootste der
domheden begaan had, en het vrijwillig slachtoffer was van zijn
overmatige hoogmoedswaanzin. Zelfs voegde de lelijke Blink, in zijn
verwaande kennis van de Afrika-toestanden er een bijna boosaardige
zinspeling aan toe: aan een gapend vóór zijn deur geschaarde groep
dorpelingen, die hem naar de oorzaak van Massijns dood ondervroegen,
en de veronderstelling opperden of hij wellicht niet door de wilden
opgegeten was, durfde Blink met een ondeugend geknipoog deze sterk
gewaagde uitlegging geven:
--Door wilden opgegeten?... Neen, hoor... neen neen neen,... ik weet
immers wel hoe het er in Afrika toegaat, nietwaar? En stiller,
terwijl hij geheimzinnig glimlachend tot zijn verbaasde toehoorders
neeg:
--Die jongen praatte te veel over de Zwarte Kost. Hij zal er op zijn
beurt ook eens van geproefd en er te veel van gegeten hebben.
* * * * *
Drie dagen later werd er, in het kerkje van Akspoele, een plechtige
zielmis gezongen ter nagedachtenis van Fortuné Massijn, overleden in
Congoland voor de beschaving van zijn heidense broeders.
Omheen en achter de met brandende waskaarsen omringde catafalk,
waarvan het houten geraamte onder het zwart lijkkleed met zilveren
franjes de akelige vormen van de afwezige doodkist voorstelde, had
een drukke schaar dorpelingen van beide geslachten plaatsgenomen.
Dáár, geheel in 't zwart gekleed, zaten wenend neergeknield op de
eerste rij stoelen, moeder Massijn en Fietje, met aan hun zijde, als
een lid van de familie, de ook bitter huilende Eulalie uit _Het huis
van Commercie_. Dan waren het, langs de kant van de mannen, naast de
heren De Vreught, Spittael en Potvlieghe, die hun zwarte jas van de
plechtige omstandigheden aangetrokken hadden, nagenoeg al de
voornaamste ingezetenen van 't dorp, benevens een aantal boeren uit
't omliggende; en, aan de overzijde van de middengang, langs de kant
van de vrouwen, mevrouw en mejuffrouw Spittael, mevrouw Potvlieghe
en mejuffrouw De Vreught, de twee juffrouwen Speleers en de vier
juffrouwen Van Vreckem, en zoveel anderen. Slechts de drie
juffrouwen Balcaen waren er niet te zien en hun afwezigheid verwekte
grote opspraak. Naderhand werd verteld, dat zij de plechtigheid niet
hadden willen bijwonen, om reden van de lelijke gesprekken, die de
blikslager Blink over de oorzaak van Massijns dood in het dorp
gehouden had.