Die kwestie van de Zwarte Kost...! Het scheen wel of Massijn er tot
kwellens toe mee bekommerd was; en zij allen, die van hem brieven
uit Congoland ontvingen, deelden weldra aan elkaar deze opmerking
mee. Naar zijn schrijven te oordelen, zou men hebben kunnen denken,
dat er niets anders interessants in het verre land bestond noch
gebeurde. Beurtelings ontvingen de heren Potvlieghe en Spittael, en
weldra ook moeder Massijn en Eulalie brieven van Fortuné, waarin,
ofschoon met minder vrije ontboezemingen dan in zijn schrijven aan
meester De Vreught, diezelfde zonderlinge benaming voortdurend
terugkwam. En andere kennissen die hij had in de omringende dorpen
en aan wie hij ook nu en dan schreef, vertelden eveneens dat
Massijns brieven sinds enige tijd vol waren met zinspelingen op de
Congolese vrouwen. Men begon er, in sommige herbergen, glimlachend
over te fluisteren, moeder Massijn en Fietje voelden er een soort
van schaamte over, en in _Het huis van Commercie_ verliet Eulalie
met rode wangen en mokkend gezicht de gelagzaal, zodra dat kiese
onderwerp ter tafel werd gebracht. Blink, de onbescheiden
blikslager, geneerde zich niet om luid te zeggen dat Massijn, in
plaats van altijd tegen de zwarte kost uit te varen, beter zou
gedaan hebben er ook eens van te proeven gelijk de anderen, want dat
allen het deden, en dat hij, Blink, het ook gedaan had, toen hij
diende onder het vreemd legioen, in Algiers.
Toen verliepen er enkele weken zonder dat men nog enige tijding van
Fortuné in Akspoele vernam. En ofschoon moeder Massijn en Fietje
opnieuw zeer ongerust begonnen te worden, toch vonden zij dat
stilzwijgen nog beter dan die ellendige brieven vol toespelingen,
waarover enkele dorpelingen zich vrolijk maakten en velen zich
ergerden. Men had namelijk opgemerkt dat de drie juffrouwen Balcaen,
diezelfde zedige juffrouwen, die destijds, midden in Kinels
voordracht, zo vreselijk geërgerd _Het huis van Commercie_ verlieten,
reeds tweemaal Fietje Massijn op straat ontmoet hadden zonder haar
te groeten, en men beweerde insgelijks dat meneer de onderpastoor op
een morgen bij de weduwe Massijn gekomen was, om over die storende
brieven van Fortuné een soort onderzoek in te stellen. Stellig toch
had Fietje uitdrukkelijk haar broeder verzocht voortaan in zijn
schrijven van al die lelijke dingen niet meer te gewagen. En, net of
Fortuné onmiddellijk aan dit dringend verzoek had kunnen voldoen,
kwam er drie dagen daarna een brief van hem, die zich met Fietjes
schrijven gekruist had, waarin geen enkel woord over het kiese
onderwerp meer voorkwam. Fortuné vertelde slechts, na enkele
onbeduidende dingen, dat hij door een hevige aanval van malaria was
aangetast geweest, en dat hij, ofschoon hersteld, zich nog zeer zwak
gevoelde en grote voorzorgen moest nemen.
Daarop verliep nogmaals een maand zonder enige tijding van hem. Dan
weer, op een morgen, drie brieven: een voor zijn moeder en Fietje;
een voor Eulalie en een voor meester De Vreught. En nog eens geen
enkel woord, geen de minste zinspeling meer over het onderwerp
waarmee hij maanden lang zo uitsluitend bezig was geweest. Hij sprak
breedvoerig over zijn betrekking en werkzaamheden als
onderintendant; over de steeds brandend-heter wordende dagen en de
bijna koude nachten, over een nieuwe koortsaanval, die hem drie
dagen lang bedlegerig gehouden had. Hij vertelde ook dat hij in de
bossen rondom zijn factorij heerlijke reuzenbloemen ontdekt had,
waarvan hij 't zaad zou trachten op te doen; en dat hij vlinders had
gevangen die zo groot waren als vogels, met gouden en azuren wieken,
die hij aan meester De Vreught zou opzenden om er zijn collectie mee
te verrijken. En slechts op het einde van zijn brieven kwam nog iets
als een duistere herinnering aan wat hem vroeger zo halsstarrig
obsedeerde, namelijk dat men in Congoland steeds zo bijzonder op
zijn gezondheid letten moest, en dat de kleinste buitensporigheid,
van welke aard ook, er de Europeaan zo verschrikkelijk duur werd
betaald gezet. Een van de blanken, die hem op de tocht vergezelden,
was, na een ontdekkingsreis in 't binnenland, zó ziek in
Leopoldsville teruggekomen, dat hij drie dagen daarna overleden was.
Maar was het ook niet krankzinnig: hij hield er niet minder dan drie
inlandse vrouwen op na. Had hij zich dan nog met één enkele tevreden
gesteld!