VIII

De plechtige dag was eindelijk aangebroken.

Om acht uur 's morgens kwam het open rijtuig van Samson, de Bavelse

stalhouder, vóór het huis van de weduwe Massijn stilhouden. De

vorige dag had Fortuné een algemene biecht gesproken en die morgen,

gedurende de eerste mis, gecommunieerd. Hij was tot de lange reis

uitgerust. Al zijn afscheidsbezoeken waren volbracht, zijn volle

koffers stonden op elkaar gestapeld in het smalle gangetje, hij

moest maar een laatste maal zijn moeder en Fietje omhelzen en ook

even in 't voorbijgaan het rijtuig doen stilhouden voor de stoep van

_Het huis van Commercie_, om nog eens Eu...Eulalie tegen zijn hart te

drukken.

De voordeur ging open en meester De Vreught kwam binnen. Hij was

op zijn allerbest gekleed, in lange zwarte jas en ouderwetse hoge

hoed. Bescheiden glimlachend verscheen hij in de keuken, waar

Massijn, in groot uniform, gereed stond. De koetsier, na meester

De Vreught binnengekomen, haalde met gedruis de koffers weg en stapelde

die op de bok van het rijtuig.

--A...allons, moe...der en zuster, heb moe...oed, het ogenblik is

gekomen, sprak Massijn met een stokkende stem. En bleek, met

rood-geweende ogen, naderde hij tot zijn moeder om haar te omhelzen.

Werktuiglijk waren de beide vrouwen opgestaan.

--Vaarwel, Fortuné, en God beware u, jongen, sprak de snikkende

moeder haast onhoorbaar.--Schrijf ons, schrijf ons dikwijls, gedraag

u goed, en pas op uw gezondheid. En 't hoofd op zijn borst gezegen

gaf zij hem, met weifelende hand, een 'kruisken' op het voorhoofd.

--Vaarwel, Fie...ietje, to...ot weerziens, snikte Massijn, tot zijn

zuster naderend.

Met een in tranen badend gelaat omhelsde zij hem, en gelijk moeder,

gaf ook zij hem bevend een 'kruisken'.

Toen huilden zij alle drie in stilte, een lange wijl.

Meester De Vreught had zijn zakdoek uitgehaald en snoot zich

luidruchtig. Buiten in een dof gegons van menigte, klonk bijwijlen

het stampen van de hoefijzers van het paard op de stenen.

--Komaan,... komaan, Fortuné, 't is tijd, sprak meester De Vreught,

Massijn bij de mouw trekkend.

Een laatste maal, de ogen beneveld door tranen, aanschouwde hij zijn

moeder en zijn zuster, die opnieuw met het voorschoot vóór het

aangezicht op stoelen waren neergezakt. En daarop keerde hij zich

met een bruuske beweging om, volgde de meester uit het huis, en klom

in 't open rijtuig, dat onmiddellijk in snelle draf vooruitreed.

Aan de ommedraai van de straat, vóór de stoep van _Het huis van

Commercie_, hield het weer stil. Dáár stonden, eveneens op hun best

gekleed, met zwarte jas en hoge hoed, en omringd van een krielende

volksschaar, de heren Spittael en Potvlieghe. Massijn, wiens

ontroering reeds een weinig gestild was, wipte uit het rijtuig, liep

vlug over de treden van de stoep, doorkruiste de van verwarde

beweging en geluiden dreunende gelagzaal, sloop in het

achterkamertje, waar Eulalie beloofd had op hem te zullen wachten.

Zij was er inderdaad, in een houding van treurig peinzen op een

stoel gezeten naast het venster, de wangen bleek en de ogen nog

vochtig van tranen.

Haastig, met uitgestrekte handen, kwam hij tot haar, omstrengelde

haar het middel, kuste haar hartstochtelijk op mond en wangen. En

plotseling, als daar zoëven bij zijn moeder en zijn zuster, barstte

hij in een wild snikken los. Hij klemde zich aan haar vast, hij

zoende haar nogmaals en nog, hoe langer hoe hartstochtelijker; en op

dat plechtig ogenblik, in die wanhopig-verliefde knelling van

beider lichamen die van elkaar niet wilden scheiden, kreeg hij even,

in een plotselinge openbaring, benevens het akelig visioen van de

rampen en ellenden die hij tegemoet liep, het helder bewustzijn van

de gekheid van de daad waartoe zijn hoogmoedswaanzin hem gedreven

had, en hoeveel beter het zou geweest zijn, gerust met haar als

vrouw, en met zijn moeder en zijn zuster te blijven leven in hun

nederig dorpje, waar men gelukkig was zonder gevaar, waar het echte

geluk heerste in de eentonige opeenvolging van alle gelijke,

vreedzame dagen.

Maar op de deur weerklonk een storend tok tok van vermaning, en

nauwelijks hadden de rampzalige verliefden de tijd elkander los te

laten, toen meester De Vreught zijn hoofd in het kamertje stak,

Massijn door een wenkteken verwittigend, dat het hoog tijd was te

vertrekken. Toen droogde Fortuné zijn tranen af, en, zich in het

onwederroepelijk besluit versterkend, omhelsde hij een laatste maal

zijn snikkend meisje en zei plechtig

--Schrij...ijf mij elke week, lie...ieve Eulalie, blijf mij getrouw

gedurende drie...ie jaren, ik za...al het ook doen, en a...als ik

terugkeer zullen wij elkander huwen.

Een laatste maal zag hij haar aan; een laatste maal riep hij:

--A...adieu! Adieu! en dan verliet hij 't kamertje, en stapte met

meester De Vreught dwars door de gonzende gelagzaal. Zij klommen

weer in het rijtuig waar de heren Spittael en Potvlieghe reeds

plaatsgenomen hadden, de koetsier zweepte zijn paard, en in volle

draf rende 't gespan door het dorp, waar opnieuw al de bewoners

buiten stonden.

Een luid hoera weergalmde in het daverend wielengeratel, de

verbazende gebeurtenis was een volbracht feit: Massijn vertrok naar

Congoland, hij wás vertrokken!

De Zwarte Kost · 第 8 / 16 题