IX

Toen werd het weer stil in Akspoele. Nooit beleefde men er stillere

dag dan die welke op die veelbewogen morgen volgde. Enkel een korte,

ofschoon vrij hevige opschudding greep er, na Massijns vertrek, nog

plaats: de blikslager Blink die, om tien uur stomdronken uit _Het

huis van Commercie_ komend, door zijn geweld de ganse straat in rep

en roer bracht, schreeuwend dat het laatste woord in heel die zaak

nog niet gezegd was, en dat, indien hij, Blink, eenmaal naar Afrika

terugkeerde, wat zeer wel gebeuren kon, hij aan allen eens een les

zou geven hoe men daarmee moest omgaan. Een opgewekte bende jonge

bengels liep jouwend met hem mee, vormde zich tot een woelende

samenscholing vóór zijn deur. En daar zijn vrouw gans ontsteld

buitenkwam en hem bij de arm in huis poogde te trekken, werd hij

eensklaps als razend, en overlaadde hij haar met slagen in het

midden van de straat, met uitpuilende ogen briesend dat hij van

niemand bevelen te ontvangen had, en dat hij niet huilen zou als

Massijn op de dag van zijn eventueel vertrek.

Maar toen dit incident voorbij was, werd het dorp zo eenzaam of er

geen ziel meer in leefde. De morgen, de middag, de ganse dag liep

aldus voorbij, en eerst toen de laatste postwagen van Bavel op de

dorpsplaats aankwam, de heren Potvlieghe, Spittael en De Vreught

huiswaarts brengend, stonden hen een twintigtal personen af te

wachten.

Die heren wisten echter weinig te vertellen. Alles was zeer goed

afgelopen, Massijn was kloekmoedig geweest tot het laatst, hij was

vertrokken met de glimlach op de lippen, en tot het laatste moment,

terwijl het reusachtig, bruisend en fluitende schip zich reeds van

de kade verwijderde, had hij gegroet met de hand en daarna gezwaaid

met hoed en zakdoek.

Enkele dagen verliepen: Akspoele was geheel en al weer verzonken in

de doodse vrede van het alledaagse leven. Van lieverlede hadden

moeder Massijn en Fietje, en ook Eulalie zich in Fortunés vertrek

geschikt. Meester Potvlieghe had hem op zijn kantoor laten vervangen

door een andere commies, en enkel in _'t huis van Commercie_ praatten

de notaris en zijn gezellen nog elke avond over Fortuné en zijn

verre reis. Zij leefden in afwachting op tijdingen van hem. Op het

laatste ogenblik van de scheiding hadden zij hem nog eens herhaald

dat hij hun dikwijls moest schrijven, en hij had beloofd zulks te

doen in elke haven waar de stoomboot zou aanleggen.

Maar telkens en telkens gingen de door die heren voorop berekende

datums voorbij zonder de minste tijding van Massijn te brengen. Dat

duurde en duurde zo vreselijk lang dat zij zich begonnen af te

vragen of er soms een ongeval gebeurd was met de stoomboot, of

Massijn wellicht schipbreuk had geleden. Zij durfden er bijna niet

luid meer over spreken, en zij ontweken zoveel mogelijk het huis van

de weduwe Massijn, waar de twee vrouwen opnieuw ganse dagen zaten te

wenen. Elke morgen ondervroeg meester De Vreught met verbazing en

bijna met wantrouwen, of hij de man van plichtsverzuim verdacht, de

brievenbesteller van Bavel, die ook de dienst van Akspoele deed.

--Nog niets'... nóg niets!

Waarlijk nóg niets' En reeds werd in het dorp het akelig nieuws

verspreid dat Massijn bepaald dood was, toen eindelijk, op een

morgen, de Bavelse postbode, met een van vreugde stralend gelaat,

als was hij zelf van een zware kommer ontlast, bij de weduwe

Massijn, bij de heren Potvlieghe, Spittael en De Vreught, en ook in

_Het huis van Commercie_, voor Eulalie, zwaar gestempelde brieven

bracht, met vreemde postzegels op de omslag.

Zij waren van Massijn. Meester De Vreught was er zo hevig door

ontroerd, dat zijn brief hem als een blad tussen de vingers

sidderde. Hij riep zijn zuster en verzocht haar de brievenbesteller

te onthalen op een glaasje jenever, terwijl hij zelf, met een

vrolijk lachje van verzoening, de man op de schouder klopte. En

alvorens de omslag te scheuren keek hij ook lang glimlachend naar de

postzegels: een chocoladekleurige en een oranje, die beide in het

medaljon een dik, onaardig kinderhoofd droegen, onder het duidelijk

leesbare woord van de stempel: Las Palmas.

Toen opende hij voorzichtig de omslag met zijn pennemesje, haalde er

de brief uit, ontvouwde die, en las.

Hij las hem tot het einde zonder op te houden, de gelaatstrekken

onbeweeglijk van opgewekte aandacht, even met een wrevelige

hoofdbeweging de ongeduldige vraag van zijn zuster:--Welnu, wat

staat er al in?--wat schrijft hij? beantwoordend.

De vier zijden van het dubbele blad waren doorgelezen toen hij nog

steeds roerloos op de brief stond te staren, als zocht hij er iets

in te lezen dat hij maar niet vinden kon; en in de enveloppe keek,

om zich te overtuigen dat er waarlijk niets meer achter was. Met een

zware zucht als had hij een overmachtigende taak verricht, reikte

hij hem eindelijk aan zijn zuster, toonloos zeggend:

--Hij maakt het goed, maar hij vertelt haast niets.

* * * * *

De brief was inderdaad van een wanhopende banaliteit, en, op vele

plaatsen, bijna onbegrijpelijk. Behalve wat hij schreef over

zichzelf en zijn gezondheid, die eerst wel wat te wensen overliet

tengevolge van zeeziekte, vergenoegde Massijn zich met zijn

reisindrukken weer te geven, door het nagenoeg louter abstracte

citeren der eigennamen van ontmoete personen of geziene dingen. Hij

schreef: 'den zesden juni is het schip ongeveer vijf uren stil

gebleven vóór Madeira om kool in te laden, en den volgenden morgen

hebben wij de _Coomassie_ ontmoet die naar Europa terugtoog', maar

zonder door een enkele omschrijving aan te duiden, wat voor een

uitzicht Madeira wel had, noch wat de _Coomassie_ ook zijn mocht.

Ofwel hij vertelde: 'Terwijl ik zit te schrijven komt mijn goede

vriend dokter Dancla mij voorstellen samen in den bar een cocktail

te gaan nemen'; of nog: 'Ik moet het schrijven staken want wij zijn

reeds volop in 't gezicht van Las Palmas, waar ik mijn brief zal

posten...', doch zonder evenmin uiteen te zetten wie of die nieuwe

goede vriend dokter Dancla, waarvan hij vroeger nooit gesproken had,

wel wezen kon, noch wat de cocktail of de bar betekende, noch vooral

wat zijn mocht dat tantaliserend iets, dat meester De Vreught, in

zijn nuchtere-verbeelding, zich als de betoverende verschijning van

een Eden voorstelde: volop in het gezicht te komen van Las Palmas.

Hij voelde zich in hoge mate teleurgesteld, hij zette haastig zijn

hoed op en liep bij zijn buurvrouw aan, in de hoop dat Fortuné

tenminste aan zijn moeder en zijn zuster meer bijzonderheden zou

geschreven hebben.

Maar de brief, die zij van hem gekregen hadden bevatte volstrekt

niets interessanter. Ook dáárin geen de minste beschrijving van al

de wonderen die hij toch moest gezien hebben. Trouwens, daarom

bekreunden moeder Massijn en Fietje zich het minst. Het enige wat

hun van belang kon wezen was hem in goede gezondheid te weten, en

zij weenden van zalige ontroering omdat zijn brief, goddank, hen

dienaangaande had gerustgesteld.

Meester De Vreught, meer en meer teleurgesteld, verliet hun woninkje

en begaf zich beurtelings bij de heren Spittael en Potvlieghe,

alsook naar _Het huis van Commercie_. Hij vond zijn twee vrienden niet

minder ontgoocheld dan hijzelf was, vooral de handelaar in kolen,

die dolgaarne iets meer zou vernomen hebben aangaande dat

interessante kolen inladen vóór Madeira; en, wat Eulalie betreft,

die stond vuurrood in de herberg achter de schenktafel en weigerde

bepaald iets van de brief, die ook zij ontvangen had, te laten

lezen: alleen verzekerde zij meester De Vreught dat er volstrekt

niets in stond van de dingen die hem zozeer interesseerden.

Die avond, in _Het huis van Commercie_, omringd van een groep

dorpelingen die het nieuws van de aangekomen brieven daar aangelokt

had, praatten die heren langdurig over de gewichtige gebeurtenis.

Een wereldkaart, ergens uit de diepten van een lade door meester

De Vreught opgegraven, werd in de gelagzaal op een tafel uitgespreid,

en, bij gebrek aan iets beters, inventeerde meester De Vreught zelf,

voor de hem gapend omringende toehoorders, de uitleggingen die hij

zo graag van Massijn zou vernomen hebben. Madeira, waar de _Loualaba_

gedurende vijf uren het anker geworpen had om kolen in te laden, was

het klein eiland daar in volle oceaan, waar de, onder die naam alom

vermaarde, zo lekkere morgenwijn vandaan kwam. Meester De Vreught

had er nog enkele flessen van in zijn kelder, doch was het nu toch

niet jammer dat Fortuné zijn kort verblijf aldaar niet had te baat

genomen, om, al was 't ook slechts een klein vaatje van die fijne

drank naar Akspoele te sturen, zodat men eens over 't verschil kon

oordelen? Maar wat mocht wel die cocktail zijn, welke die dokter

Dancla aan Massijn voorgesteld had in de bar te gaan nemen?

Waarschijnlijk een grote vis en de 'bar' ongetwijfeld het barkje,

het schuitje waarmee zij hem zouden vangen. Blijkbaar waren de

passagiers, die ganse dagen niets te verrichten hadden, aangelokt

tot zulk een tijdverdrijf. Wat betreft Las Palmas, de plaats waar

Massijn zijn brieven naar de post gebracht had, dat was de hoofdstad

van dit eiland hier 'la grande Canarie'. Natuurlijk was het daar,

zoals de naam het genoeg aanduidde, vol prachtige palmbomen, net als

in het eiland zelf de kanarievogels zo overvloedig moesten zijn als

te Akspoele de mussen. Hier, tenminste, schilderden de namen zelf

het tafereel; maar nog eens, hoe jammer toch dat Fortuné niet van

zijn bezoek geprofiteerd had om een twintigtal of zo van die

kanarievogels te vangen en ze naar Akspoele te zenden. Men zou ze

hebben laten kweken met die men hier in kooien hield, en zonder

enige twijfel zou het ras er merkwaardig door verbeterd zijn. Neen,

waarlijk er ontbrak aan Fortuné een gave om fortuin te maken in den

vreemde. Indien hem, meester De Vreught, zulk een heerlijke kans te

beurt gevallen was, zou hij alles, alles wat maar enigszins in zijn

bereik kwam, waargenomen hebben. In weinige jaren tijd zou hij

schatrijk geworden zijn; dát voelde hij. Hoe jammer, hoe ontzettend

jammer, dat Fortuné zich zo maar alles liet ontsnappen!

* * * * *

Opnieuw verliepen veertien dagen. Dan, op een morgen, deelde de

Bavelse brievenbesteller een tweede zending vreemde brieven in

Akspoele uit. Deze droegen op de omslag postzegels met het beeld van

koning Leopold en waren gestempeld uit Boma. En, van toen af aan,

kwamen zij regelmatig om de veertien dagen of drie weken, en werden

zij ook wel van lieverlede wat interessanter.

Terwijl Fortuné nog te Boma was, wachtend tot de karavaan waarmee

hij naar 't binnenland vertrekken zou haar laatste toebereidselen

voltooide, had hij het antwoord van meester De Vreught op zijn

eerste brief ontvangen; en nu de tocht begonnen was, maakte hij soms

van de avondrust gebruik om in zijn tent aan zijn vrienden van het

vaderland te schrijven, en het al te droge van zijn eerste brieven

door meer schilderachtige en anekdotische verhalen te vergoeden.

In de aanvang waren die mededelingen vol gloed en geestdrift: o, de

natuur was prachtig, wonderschoon in Afrika; het was er een

voortdurend Eden, waarin de mensen leefden als goden; doch van

lieverlede begon die hartstocht te verzwakken, verradend een

gedwongenheid, een opgeschroefdheid om het optimisme vol te houden,

waarbij aldra een meer en meer ontmoedigde teleurstelling tussen de

regels heen duidelijk leesbaar werd. Op zekere morgen, een drietal

maanden na Massijns vertrek, ontving meester De Vreught van hem een

brief van niet meer te bedwingen pessimisme en ontgoocheling.

'Lieve meester', schreef hij tot de gepensioneerde onderwijzer, 'ik

moet volstrekt eens mijn hart bij u uitstorten. Naar huis en aan

Eulalie schrijf ik voortdurend opgeruimde brieven om ze daar niet te

bedroeven; maar u durf ik toch wel vertrouwelijk zeggen dat alles in

dit land lang niet zoo rozekleurig is als zij in België wel denken,

en dat er hier wel heel veel leelijke en triestige dingen gebeuren,

die niet zouden mogen zijn. En, het is zoo: de Europeanen, die hier

zoo gezegd komen om de wilde volken te beschaven, hebben doorgaans

de grootste schuld daaraan.

Enkele dagen geleden had onze karavaan, die bestaat uit twee honderd

vrachtdragers, een twaalftal inlandsche soldaten en vijf blanke

reizigers, met valavond stilgehouden in de nabijheid van een dorp.

Daar de plaats geschikt bleek te zijn besloot de kommandant er te

kampeeren. Het avondmaal werd ons, als naar gewoonte voorgedischt in

de groote tent, en, nadat men veel gegeten en gedronken had, (want,

meester, gij hebt geen idee van wat hier door de Europeanen

gedronken wordt) begaf zich een ieder van ons naar zijn

afzonderlijke tent om er den nacht door te brengen.

Alles was stil geworden in het kamp, en in een diepen slaap lag ik

van mijn vermoeidheid uit te rusten, toen ik plotseling door een

razend gedruisch van geschreeuw en geweerschoten wakker werd

geschrikt. Met een angstkreet sprong ik op, greep mijn geweer,

snelde half aangekleed buiten, gevolgd van mijn boy die gilde of hij

vermoord werd.

Lichten dwarrelden verwilderd door het kamp, halfnaakte mannen

renden tusschen de tenten heen, op vijftig passen afstands kraakte

een onderbroken musketsalvo, vergezeld van kreten en vloeken, om u

het bloed in de aderen te stollen. Het waren de inboorlingen van het

nabijgelegen dorp die het kamp bestormden. Dat duurde zoo ruim een

half uur in een gebriesch en een verwarring zonder weerga. Dan werd

alles weer stil. Men hoorde niets meer in den donkeren nacht dan het

akelig geklaag der gekwetsten en stervenden.

Nog ganse ontsteld, vreezend dat er dooden waren onder onze blanken,

vloog ik naar de groote tent, waar wij den vorigen avond gedineerd

hadden. Maar ik zag dadelijk dat mijn vrees ongegrond was. Mijne

vier blanke medereizigers stonden ongedeerd rondom een tafel waarop

twee kaarsen brandden. Zij lachten zelfs uitbundig toen ik

binnenkwam, en, terwijl een boy twee flesschen champagne en glazen

op de tafel schikte, ontwaarde ik, tot mijn stomme verbazing, bij

het weifelend schijnsel der kaarsen, in eenen hoek der tent vier

halfnaakte vrouwen: vier jonge negerinnen die zich bevend en huilend

van schrik tegen elkaar aandrongen. Verbaasd bleef ik een oogenblik

aan den ingang der tent het tafereel aanstaren. Dan vroeg ik wat er

gebeurd was, waarom de inboorlingen het kamp hadden aangevallen.

'O, ziedáár waarom,... omdat wij een beetje pret wilden maken',

antwoordde de chef der karavaan, met den vinger naar de negerinnen

wijzend. En met iets spottends in zijn op mij gevestigden blik.

'Zeg eens, zijt gij alleen dan vrijgezel gebleven, dezen nacht'

schertste hij.

Ik laat u denken, waarde meester, hoe verontwaardigd ik was. Ik boog

zonder een woord te spreken en ging de tent uit. Maar eerst den

volgenden morgen vernam ik de gansche waarheid: die mooie heeren

hadden met geweld de vier vrouwen in het dorp doen schaken, en 't

was om zich te wreken dat de inboorlingen 't kampement bestormd

hadden. En dát noemt men in België de wilde volken beschaven! Weet

ge wat ze bijzonder goed van onze beschaving onthouden hebben,

meester: vloeken en jenever drinken. Voortdurend, bij elke

inspanning, als ze een vracht moeten sleuren, als ze eens flink

moeten roeien, komen de godverrr...s en de sakerrr...s uit hun mond

gerold. Ze vloeken gelijk duivels, waarde meester; en, wat de

jenever betreft, zoodra ze daar maar kunnen aan geraken drinken ze

er op los tot ze vallen. Mijn meening is, meester, dat die menschen

veel gelukkiger waren vóór zij onze beschaving kenden. Maar de

goddelijke rechtvaardigheid straft zulke gruwelen als de Europeanen

hier bedrijven. Zij allen die zich zóó aan den drank en aan de

_Zwarte Kost_ overgeven, worden al spoedig de slachtoffers hunner

eigen misdaden. Het vreeselijk klimaat van Afrika straft hun

overdaden met een doodvonnis, en het is wel besteed.

Ziehier nu, waarde meester, nog een andere gebeurtenis. Het is

gebeurd eergisteren, tijdens een stilstand onzer karavaan in eene

factorij aan den oever der rivier. Ik zal maar liever geen namen van

plaats noch personen noemen; een brief geraakt zoo gemakkelijk

verloren in deze wilde streken, en hier, evenals in België, en

misschien nog meer dan in België, bestaat er zooveel jaloerschheid,

geheime aanklacht, bespieding. Enfin, waarde meester, ziehier, in

korte woorden, wat het is.

Toen wij op de bewuste plaats aankwamen zagen wij naast de kade der

factorij een kleine stoomboot van den Staat liggen, die op het punt

was om naar Boma te vertrekken. Er waren verscheidene blanke

passagiers aan boord, waaronder namelijk de chef der factorij, die,

na zijn volbracht termijn van drie jaren, naar Europa terugtoog. Het

is, tusschen haakjes gezegd, een in België gehuwd man, vader van

vier kinderen.

Wij waren even aan boord van de stoomboot gegaan om de vertrekkende

landgenooten te groeten, en wij keerden bij de aan den oever

rustende karavaan terug, toen eensklaps, terwijl het stoombootje de

kade verlaat, op den top der rots welke op die plaats over den

stroom helt, een gillend angstgeschreeuw weergalmt. Schrikkend slaan

wij de oogen op, en ontwaren op de spits der rots, aan den boord

zelven van den afgrond, een vrouw, een jonge negerin, die, smeekend

en huilend, met gebaren van wanhoop haar beide armen, waarin zij een

klein kind houdt, naar het vertrekkende schip uitstrekt. En

plotseling, op het oogenblik zelf dat achter haar twee negers komen

aansnellen die haar grijpen willen, werpt zij een laatsten schreeuw

uit en springt van meer dan honderd meters hoog met haar kind in den

stroom...

Op die plaats, meester, buitelt het water van den Congo in

wild-schuimende draaikolken over een bed van scherpe rotsblokken.

Zelfs de sterkste zwemmer zou er bezwaarlijk zijn leven kunnen

redden. Ook durft niet een enkel onzer redders, ondanks al hunne

moed, in 't water springen. Vier mannen snellen in een schuitje en

pagaaien uit al hunne macht een vijftigtal meters stroomafwaarts,

waar de rampzalige vrouw, medegesleept door den wilden stroom, een

enkel oogenblik is opgedoken, haar kind steeds in de armen houdend.

Doch alle pogingen zijn vruchteloos. Na ruim een half uur zoeken en

peilen moest men het opgeven.

Welnu, meester, wilt gij weten wie die vrouw was en waarom zij in

den stroom sprong!... Zij was de bijzit van den chef der factorij,

van dien in België gehuwden man en huisvader; en zij bracht zich met

haar kind, met zijn kind om 't leven, omdat hij weigerde haar op

zijn terugreis met zich mee te nemen.

P.S. Veel groeten van uw beste vrienden, de jonge prinsen Albert

Badoe en Boudewijn Soera. Gij kunt u maar niet verbeelden hoe

gelukkig zij waren toen zij hun vaderland terugzagen. Doch het is

jammer dat ze haast dadelijk weer zoo vreeselijk wild geworden zijn.

Het is of al het vernis van beschaving, dat zij uit België

medebrachten, hun plotseling ontnomen werd. Zij hebben reeds

driemaal tegen andere knapen van hun leeftijd gevochten, en men is

er ook toe genoodzaakt geweest hun de vóór het vertrek uit

Antwerpen als geschenk gegevene revolvers te ontnemen,

omdat zij er mee op de dragers schoten. Zij willen ook geen woord

van het Vlaamsch of Fransch meer spreken, dat men hun met zooveel

moeite heeft geleerd. In hunne wilde taal, integendeel, praten en

schreeuwen zij voortdurend. Ik vrees sterk, waarde meester, dat onze

beschaving op hen al niet meer indruk heeft gemaakt dan regen op een

eend.

X

Op weg naar Leopoldville; in mijne tent,

den 3den juli, zes uur 's avonds.

_Waarde Meester,_

Ik kan niet laten u nog een anecdote te verhalen, die mij

verontwaardigd heeft en tevens doen lachen. Het is betrekkelijk een

zonderling geschenk, dat ik gisteren de gelegenheid had te

ontvangen, maar hetwelk ik 'met entrain' van de hand gewezen heb.

Ik was, door den bevelhebber der expeditie, met drie soldaten en

enkele dragers naar een dorp uitgezonden geweest, om er, tegen

ruiling van kralen, katoenlinnen en... whisky, levensmiddelen te

bemachtigen.

Zoodra ik in het dorpje aankwam beval ik dus, zooals de gewoonte is,

musketsalvo en tromgeroffel, en liet ik mij aan het inlandsch

opperhoofd voorstellen.

Deze, een oude grijze dronkaard met een afzichtelijke tronie,

walgwekkend van smerigheid, zat, of liever lag half uitgestrekt op

eene vuile mat, vóór het rampzalig strooien krot, dat hem tot

Koninklijk paleis diende. Rechts en links stonden, fiks en

onbeweeglijk, twee schildwachten. Op zijn bevel komt een slaaf te

voorschijn met een beker vol palmwijn, en nadat de oude vuilik er

met zijn kwabbige lippen een slok van gedronken heeft, reikt hij mij

den beker toe met het verzoek zijn voorbeeld na te volgen, ten

teeken van vrede. Ik ben wel genoodzaakt zulks uit beleefdheid te

doen, doch gij kunt denken, meester, met welken afkeer. Ik dacht dat

ik er waarlijk van zou braken. Enfin, ik doe het toch en nadat ik

hem de geschenken overhandigd heb, die wij in name van onzen

kommandant voor hem medebrachten, begin ik, door tusschenkomst van

onzen tolk, het doel van mijn bezoek uit te leggen.

De kerel aanvaardt met welgevallen onze giften, en, na een

woordenwisseling van enkele minuten, komen wij overeen aangaande den

prijs der te leveren eetwaren. En ik sta op tot afscheidnemen, toen

de man mij door onzen vertolker laat begrijpen, dat hij mij ook een

geschenk wenscht te geven. Daarover betuig ik hem natuurlijk mijn

dank; en, op een nieuw bevel van hem, verschijnt, ik laat u raden

wat meester, ik geef u duizendmaal om het te raden,... welnu, op

zijn bevel verschijnt een negerin,... een nog al aardig negermeisje

van misschien een vijftiental jaren! Mij minzaam toelachend bleef

zij op een drietal passen afstands staan, terwijl de tolk, in name

van den Koning sprak:

--Boeboe Ramaga (zoo luidde de naam van dien kerel) verzoekt den

blanken reiziger de jonge Khabinda als geschenk van hem te

aanvaarden.

Ik hoef u niet te zeggen, waarde meester, of ik pal stond van

verbazing. Het rood der schaamte en der gramschap steeg mij naar de

wangen; en brutaal, op een toon en met een air die geen twijfel

lieten over mijn gevoelens, gaf ik in 't Vlaamsch, ja meester, in

echt ruw Axpoelsch Vlaamsch aan den ouden vuilik dit antwoord:

--Merci, mijnen boas, ge zij bedankt; 'k en moe van ouwe _Zwarte Kost_

nie weten!...

Er ontstond een moment onheilspellende stilte en ik dacht wel,

waarde meester, een onaangenaam oogenblik te passeeren. Doch 't zij

het opperhoofd en zijne hovelingen mijn beleediging niet voelden, of

het beneden hun waardigheid achtten er notitie van te nemen, geen

van hen liet eenigen toorn noch verontwaardiging blijken. Alleen

toen de jonge negerin, die dadelijk besefte wat er omging, mij met

een minachtend lachje en een ophaling der schouders den rug

toekeerde, werd het den koning min of meer duidelijk wat ik gezegd

had, en gaf hij mij dit ontzettend wederantwoord, dat ik hier zoo

decent mogelijk vertaal.

--Welnu, als ge niet verlangt op de gewone manier haar de uwe te

maken, eet ze dan op.

Dat klonk nu toch zoo gek, waarde meester, dat ik mij, ondanks mijn

ergernis, niet kon weerhouden er luid om te lachen. Doch ik kwam

terstond tot het bewustzijn mijner deftigheid terug, en, om een

einde aan dat tevens pijnlijk en walgelijk tafereel te brengen,

maakte ik twee stappen vooruit in de richting van den koning, en

liet hem zeggen door den tolk:

--Boeboe Ramaga, de blanke chef bedankt u voor 't geschenk dat gij

hem geven wilt, doch liever verkreeg hij iets anders, bij voorbeeld

een keus van inlandsche sieraden en wapens.

Boeboe Ramaga schoot in gullen lach, en, nadat hij mij een oogenblik

met een air als van meewarige spotternij had aangekeken, stemde hij

toe in mijn verzoek. Het negerinnetje verdween, en twee slaven

brachten gansche armvollen van de verlangde voorwerpen aan.

Ik heb in dat vreemd arsenaal een mooie, rijke keus gemaakt, waarde

meester, en geloof wel dat ik niet vergeten heb ook voor u iets op

zij te leggen. Als wij te Leopoldville zullen aangekomen zijn zal ik

u met de eerste gelegenheid een aantal aardige dingen opsturen.

Vindt ge niet dat zoo iets heel wat beter is, dan gelijk zooveel

anderen aan den Zwarte Kost te doen?

P.S. Veel komplimenten aan mijn goede vrienden de heeren Potvlieghe

en Spittael. Zeg hun dat ik hun ook met de volgende mail zal

schrijven, doch verder aan niemand een woord, niet waar? over alles

wat ik u in mijn laatste brieven vertrouwelijk heb meegedeeld. Thuis

bij moeder, en in _Het huis van Commercie_ moogt ge daar vooral niet

van gewagen. Ik schrijf met dezen zelfden post naar moeder en naar

Eulalie, doch zonder van die leelijke quaestie van den Zwarte Kost

te spreken.

P.S. Badoe en Soera hebben ons gisteren verlaten en ik mag u

verzekeren, meester, dat ik het geenszins betreur. Ze moesten de

rivier over varen om naar hun land--of beter gezegd, naar het land

van Soera's vader, bij wien Badoe een tijd gaat logeeren,--terug te

keeren, en wilt gij eens weten, wat ze gedaan hebben toen zij in het

schuitje zaten? Naar ons gegooid met groote steenen, waarvan zij

heimelijk een ganschen voorraad hadden opgedaan. Wat 'n schurken!

Ik ben beschaamd dat ik er ooit mee op Axpoele geweest ben.

Het begint hier heet te worden! Eerst ging het nogal, maar nu wordt

het bepaald onuitstaanbaar. Gelukkig voor mij dat ik niet mee doe

aan die quaestie van den Zwarte Kost.

De Zwarte Kost · 第 9 / 16 题