VII

En het geschiedde waarlijk.

De zondag vijftien juni zagen de, in een drukke schaar op de

dorpsplaats vergaderde, inwoners van Akspoele, een groep van vier

personen uit de postwagen van Bavel stijgen: eerst Massijn, in

groot officieel uniform; daarna een jongeling van een dertigtal

jaren, lang en mager, geheel in 't zwart gekleed, met een geelblonde

baard en lichtblauwe ogen en 'last not least' twee negers, en wel

de beide prinsen Albert Badoe en Boudewijn Soera, beiden aanzienlijk

gegroeid sinds het vorig jaar, en ditmaal beiden gekleed met een

lange pantalon en een rond zwart hoedje, gelijk echte Europeanen.

Een man volgde het viertal op de hielen, een reusachtig valies op

zijn schouders dragend.

't Was eerst, onder het volk, een ogenblik van stomme verslagenheid.

Allen herkenden de twee prinsen die, tegen elkaar gedrongen, rechts

en links wantrouwig-schuwe blikken wierpen; allen begrepen aan

Massijns houding dat hij ze als uitdagende verrassing had doen

meekomen, om te zien of men nu nog eens zo brutaal met hen de spot

zou durven drijven. Doch neen, iets dergelijks zou ditmaal niet

geschieden. Het volk wist nu reeds te veel af van Congoland, de

zwarte huid van de Afrikanen verwekte geen hoongeschreeuw meer. Een

dof rumoer ging zwellend door de straat, de honderden toeschouwers

volgden, met het getrappel van een kudde, Massijn en zijn gezellen

naar _Het huis van Commercie_, en de meeste blikken bleven gevestigd

op de lange jongeling met bleke baard en blauwe ogen, die men

beweerde de beroemde Afrika-reiziger te zijn.

En dát was een teleurstelling. Men had zich voorgesteld een kerel

tenminste zo raar gekleed als Massijn zelf, en een die daarenboven

zwart van huid zou zijn, zoals de blikslager Blink beweerd had dat

Massijn, na enkele maanden verblijf in Afrika, zou worden. En daar

zag men nu in plaats daarvan een soort van handelsreiziger in

ellegoederen of specerijen, zonder het minste uiterlijke prestige.

Onheilspellende spotgeluiden begonnen zich toch hier en daar te

laten horen; Blink, die met de stoet meeging, riep onbeschroomd dat

de man geen echt Afrika-reiziger was. Alleen het reusachtige valies,

dat door een bediende van het station Bavel op de rug gedragen werd,

boezemde nog eerbied in. Men beweerde dat dit vol zat met wapens en

foltertuigen, en dat ook daarin het officieel uniform stak van de

reiziger, die zich zou verkleden vooraleer als spreker op te treden.

In _Het huis van Commercie_ hadden al de voornaamste ingezetenen van

Akspoele, uit gunst vóór het gepeupel binnengelaten, op de stoelen

van de bovenzaal reeds plaatsgenomen. Dáár zaten op de eerste rang,

als de voornaamste van de aanhoorders, moeder Massijn en Fietje,

beiden zeer deftig in het zwart gekleed; meneer en mevrouw

Potvlieghe; meneer Spittael en zijn twee magere, gele juffrouwen,

meester De Vreught en zijn ouderwetse zuster; en dan de juffrouwen

Balcaen, de juffrouwen Speleers, de juffrouwen Van Vreckem, en dan

nog vele andere juffrouwen en heren, met één woord al de notabelen

van de gemeente. En toen achter deze eerste rijen van uitgelezen

publiek de dubbele deur voor de menigte geopend was, werd de zaal

als het ware stormenderhand ingenomen. In een oogwenk was ze

stampvol. Een soort van worsteling greep zelfs plaats in de

achtergrond, waar het donker gezicht van Blink boven de hoofden

uitstak; maar na enkele energieke 'chuts' van meester De Vreught,

die opstond en zich gestreng naar de lawaaimaker omkeerde, bekwam

men weer een betrekkelijke stilte. Er was een ogenblik van spannende

verwachting; toen werd aan de overzijde van de zaal, achter een

soort van estrade, een deur geopend, en plechtig trad de

Afrika-reiziger met Massijn en de twee zwarte prinsen binnen.

Het was onder de notabelen, evenals 't geval was geweest met het

gepeupel op de dorpsplaats, een eerste ogenblik van verbaasdheid bij

het onverwacht terugzien van de twee zwarte prinsen, en van

teleurstelling voor het handelsreizigersachtige uiterlijk van de

voordrachtgever. Die lieden waren echter te wel opgevoed om langer

dan het betaamde zulks te laten blijken, en een zeer warm, door

meester De Vreught op het getouw gezet handgeklap weergalmde,

terwijl het viertal, na een beleefde buiging tot het publiek, op de

estrade, achter een, met een groen kleed bedekte tafel, zitten ging.

De bediende met het valies was ook binnengekomen en weer vertrokken,

nadat hij zijn last naast de reiziger had neergezet; en terwijl deze

uit de binnenzak van zijn jas een cahier te voorschijn haalde en

eens even van het in zijn bereik staand glas water dronk alvorens

zijn voordracht aan te vangen, staken fatsoenlijke lui fluisterend

het hoofd bij elkaar, en keken goedkeurend-glimlachend naar Massijn,

alsof zij zeggen wilden dat zij het zeer kranig vonden, dat hij nog

eens met zijn prinsen op het dorp terugkwam. Toen dronk de reiziger

nogmaals een teugje water, en, nadat hij ook nog eens gekucht had,

begon hij zijn voordracht, dezelfde, die hij sinds anderhalf jaar

aan de vier hoeken van het land uitkraamde. De boeren en 't

gepeupel, op houten banken gezeten staande in de achtergrond van de

zaal, luisterden met wijde ogen en gapende monden; de fatsoenlijke

lui hielden het hoofd gebogen en de blik opzij, een weinig uit het

veld geslagen door het zeer onaangenaam orgaan van de Brusselaar, en

de bijzonder platte manier waarop hij zich in het Vlaams, dat hij

maar zeer gebrekkig scheen te kennen, uitdrukte. Meester De Vreught,

om geen enkel woord te verliezen, zat gans voorovergebogen, met de

rechterhand rechtsvormig aan het oor, het aangezicht verwrongen door

een gegrinnik van inspanning, dat langs de ene zijde van zijn

scheefgetrokken mond zijn brokkelig, vuilgeel gebit ontblootte. Wat

Massijn betreft, die had een houding van diepgeabsorbeerd nadenken

aangenomen, de rechterelleboog op de tafel, het saamgefronste

voorhoofd rustend in de handpalm. Hij scheen zich heel en al in

's prekers woorden te verdiepen, en af en toe, wanneer hem iets

bijzonders trof richtte hij plotseling 't hoofd op, en tuurde met

starre blik en goedkeurend geknik naar 't publiek, of hij zeggen

wilde dat de spreker nu de spijker op de kop sloeg, en hij er ook

iets van afwist en er desnoods in mee kon praten.

Toen hij aldus ruim een halfuur gesproken had, boog de redenaar

naast de tafel neer en haalde één voor één uit het valies de

voorwerpen te voorschijn, die hij zijn aanhoorders wilde laten zien.

--Kaaik, meinsche, riep hij in zijn plat-Brusselse tongval,--hier

as het zweird woarmeide zei in Congo de veruurdielde de kop afsloan

en hier zaain de bogens en de paaile woarmeide de wilde zich teigen

de Europeoane verdeidige... Past op, doar es vergèf aan de puint.

Een gejoel van gretigheid ontstond in de zaal, de spreker, nogmaals

buigend, toonde een soort houten ruw gebeitelde pop, die vol zat met

nagels, spijkers, stukjes glas en eindjes lint en touw.

--En hier as ien van ulder afgode, woar ze goan veuren bidde en

offerande breinge as z'n gunst of 'n geluk verlange te bekówme...

Massijn had zijn plaats verlaten, en, staande op de uiterste rand

van de estrade, reikte hij beurtelings de voorwerpen aan de

personen, die nieuwsgierig waren ze van nabij te aanschouwen of te

bevoelen. De dames, huiverend van schrik en afkeer, durfden haast

niets aanraken; alleen de mannen staken gretig de handen uit. Vooral

meester De Vreught, die opgestaan was en zijn bril had opgezet,

examineerde ieder stuk met een glimlach van innige belangstelling,

alvorens ze aan de naast hem zittende heren Spittael en Potvlieghe

te overhandigen. Een toenemend rumoer verspreidde zich in de zaal;

uit de achteraan ineengeperste volksschaar weergalmde de stem van de

blikslager zo luid, dat meester De Vreught opnieuw met een

gezagvoerende vermaning het stilzwijgen moest gebieden, terwijl de

beide prinsen Badoe en Soera angstige blikken op de uitgangsdeur

begonnen te werpen.

Doch eenieder kreeg op zijn beurt de wondere dingen te aanschouwen,

en, nadat wapens, gereedschap en afgod van hand tot hand rondom de

zaal waren gedragen, werden zij door Massijn in het valies

teruggelegd en ging de redenaar met zijn voordracht door. Hij was op

een vrij kies terrein, namelijk op het gebied van de Congolese zeden

geraakt.

--Doames en hiere, riep hij,--in Congoland bestoat oalgemien de

veelwaaiverij. De vrouw as er 'n sloaf die as 'n geweune woare

verkocht wordt.

Massijn, op zijn plaats teruggekeerd, wierp triomfante blikken op

het auditorium; want wat de spreker thans bevestigde was juist een

van die dingen die hij het moeilijkst aan zijn gewone

herbergaanhoorders kon doen geloven. Meester De Vreught, onder

ander, had het maar nooit kunnen aannemen, dat er zulke dierlijk

bedorven lui, als Fortuné vertelde, op de wereld bestonden.

--Joa, maainsche, zu gebuirt da doar! voer de spreker plat voort.--

En de waaive, die van niets beiters weite, komen doar volstrekt nie

teigen in opstand, woarschaainloaik omdat zen uuk wal voele dat het

er toch nie mee zou boate...

Een dof geraas liep door de zaal, het mansvolk grinnikte met schalks

genoegen, en in de achtergrond vernam men weer de stem van de

blikslager Blink, die schertsend een opmerking maakte, terwijl

integendeel onder het dames- en vrouwenpubliek als een beweging van

ongemak plaatsgreep, begeleid door gekuch en schuins-verlegen

blikken in beschaamd-blozende gezichten.

--Maai persuunlaaik, riep luider de reiziger,--as het gebuird langs

den Kimbiri een Arabischen chef te ontmoeten die mier dan

vaaifhonderd waaiven had!

Er ontstond in de zaal een geluid van verschoven stoelen, en

plotseling, als door een zelfde automatische springveer bewogen,

rezen de drie juffrouwen Balcaen van hun plaats op. 't Was een kort

ogenblik stomme verslagenheid. Meester De Vreught slaakte een oh!

van ontsteltenis en de spreker onderbrak even zijn voordracht,

terwijl de drie, ruim vijfenveertigjarige juffrouwen, stijf en

genepen, met neergeslagen blik en vurige wangen schuins uit de

stoelenrij drongen en de zaal verlieten.

Massijn, de beide handen uitgestrekt als om een ramp te bezweren,

was opgestaan. De spreker, heel even maar gestoord, verklaarde

doodkalm met een veranderde stem:

--Doames en hiere, ik mien te bemerke dat er hier meinsche zaain die

op zekere punte nogal lichtgeroakt zaain. Maai dunkt nochtans dat ik

niets gezeid heb da nie gehoord mag worde.

--De...e zeden van de wilden, mo...ogen immers niet vergeleken

worden met de onze, stamerde Massijn in de drukkende stilte gans

ontroerd en tevens prat voor de eerste maal van zijn leven tot een

groot publiek te spreken.

Aller ogen waren beurtelings op het viertal om de tafel en op de

drie naast elkaar staande ledige stoelen van de juffrouwen Balcaen

gevestigd; de stilte werd benauwend. De angstige blikken van Badoe

en Soera gingen heen en weer van het roerloos publiek naar de

gesloten deuren en vensterramen.

--Tut! tut! tut! laat die domme kwezels lopen en ga voort, riep

eensklaps een brutale stem achteraan in de zaal.

Meester De Vreught, verontwaardigd opstaand, berispte streng de

vermetele onderbreker. Toen raadpleegde hij haastig en in stilte

zijn gezellen Spittael en Potvlieghe, die goedkeurend met het hoofd

knikten. En, zich tot de Afrika-reiziger wendend:

--Meneer, sprak hij met zijn vriendelijkste glimlach,--gaarne

willen wij vaststellen dat er in uw voordracht niets zedenschendends

is, maar, als het er voor u niet op aankomt, zouden wij toch liever,

om niemands, ook misschien overdreven kiesheidsgevoelens, te

kwetsen, dat gedeelte van uw interessante voordracht zien achterwege

blijven.

Opnieuw was er een ogenblik volkomen stilte, even gestoord door de

stem in de achtergrond, die nogmaals vrijpostig tot de redevoerder

riep dat hij maar ongestoord zou doorpraten. Maar terwijl meester De

Vreught zich rood van toorn tot de beroerde kerel omkeerde en

dreigde hem aan de deur te zetten, slaakte Kinel een brutale

spotlach en antwoordde hij, schouderophalend:

--Joa! ...zu! ...O, maai as da precies gelaaik, zulle! Maai kan da

volstrekt nie schele!

En, na een tweede spotlach en enkele gefluisterde woorden tot

Massijn, zette hij met een ander onderwerp zijn voordracht door.

Deze liep overigens op een einde. Kinel vertelde nog enkele

bijzonderheden van middelmatig belang, en, als slotrede zich

halvelings tot Massijn wendend, sprak hij de lof uit van de jeugdige

reiziger, die weldra naar het verre land zou vertrekken om onder de

barbaarse volksstammen de weldaden van de beschaving te verspreiden.

Het storend incident van zoëven was vergeten; de ganse zaal, in

geestdrift vervoerd, hing op dat ogenblik, zoals meester De Vreught

het naderhand noemde, aan 's sprekers lippen. De heren knikten

gewichtig met het hoofd, de vrouwen waren bleek van ontroering,

moeder Massijn en Fietje barstten plotseling in tranen los. En toen

Kinel, Massijns beide handen vatte en die hartstochtelijk schudde,

hem met een dreunende stem goede reis en veel succes wensend, toen

stond het ganse publiek als één man op en brak het in daverend

gejuich en handgeklap los.

Vruchteloos poogde Massijn, die bleek zag als een doek, ook enkele

woorden van dankzegging te stameren: applaus en gejuich smoorden

zijn woorden; hij kon enkel, evenals Kinel, groetend buigen, terwijl

zij beiden, met de prinsen, naar de deur achteruitweken. Alleen op

de drempel, toen de anderen reeds verdwenen waren, keerde hij zich

een laatste maal om; en riep luidkeels, met trillend uitgestrekte

arm:

--A...adieu! Adieu! et me...erci!

De Zwarte Kost · 第 7 / 16 题