Toen Massijn met valavond alleen in Akspoele terugkwam, aarzelde hij
even of hij rechtstreeks naar huis, dan eerst in _Het huis van
Commercie_ om een glas bier zou gaan. Juist vóór de stoep nam hij
plotseling zijn besluit en trad binnen.
Hij was, ofschoon innerlijk nog sterk opgewonden, uiterlijk heel wat
gesust en ontnuchterd; en het maakte hem angstig te weten, wat voor
een indruk de gebeurtenissen van de dag op Eulalie zouden
teweeggebracht hebben. Hoewel hij niet, in de echte zin van 't woord
met haar verloofd was, toch bestond er sinds jaren tussen hen een
ernstige genegenheid, zij steeds wachtend dat hij haar ten huwelijk
zou vragen, hij steeds aarzelend om het te doen, in zijn hoogmoed
gekrenkt door de gedachte met een herbergmeisje te trouwen, en
niettemin steeds door iets machtigs, waartegen hij vruchteloos
poogde te worstelen, tot haar aangetrokken. In de laatste tijden
toch had hun liefde bepaald wat vooruitgang gemaakt: hij had haar
serieus van trouwen, en, zich voor eigen rekening te plaatsen,
gesproken. Als ze nu van haar moeder een ordentelijke bruidsschat
kreeg, kon de languitgestelde verbintenis wellicht spoedig tegemoet
gezien worden.
Hij hoefde niet lang te wachten om de indruk waar te nemen, die hij
die dag op Eulalie gemaakt had.
Zij stond achter de schenktafel toen hij binnenkwam, bezig met
glazen te spoelen, het aangezicht rood en de blik koel, de mond
misnoegd omlaag getrokken. Zij beantwoordde ternauwernood zijn
groet, bracht hem zwijgend 't bestelde glas bier, nam haar breiwerk
op en ging er opzij mee zitten. Een viertal andere klanten waren in
de herbergzaal aanwezig, zwijgend, met de pijp in de mond en
spotachtige blikken, schuins op hun stoelen gezeten. In een hoek zat
bazin Vleurick, Eulalies moeder, een dikke, zestigjarige vrouw met
wijd van elkander staande ogen, wat aan haar blik een verdwaalde
uitdrukking gaf, erwten te doppen. Een korte stilte heerste, even
gestoord door het geluid van de ouderwetse Vlaamse klok, die, door
het driemaal herhaald geroep: 'Koekoek! koekoek! koekoek!' het
geslagen halfuur aanduidde.
Massijn zette zich neer, keek naar de naïef-geschilderde
uurwerkplaat, waarop een moordenaar afgebeeld stond, die met de
linkerhand een gevallen reiziger bij de keel, en, in zijn rechter,
een opgeheven dolk hield, dronk even van zijn bier, zette het
glas naast zich op een tafeltje, floot stil een deuntje. Eulalies
koel onthaal maakte hem wrevelig, en in zijn binnenste voelde hij
weer, met een vlijmende prikkel van toorn, de herinnering aan de
hoon stijgen, die hem 's middags in het dorp te beurt gevallen was.
Doch hij wilde er niets van laten blijken, hij zou er zich ditmaal
met moedwil boven stellen; en, na een nieuw stilzwijgen, veinzend
noch de spottende blikken van het viertal dorpelingen, noch de
mokkende misnoegdheid op Eulalies aangezicht te bemerken:
--Eh ...ehwel, Eulalie, sprak hij gemaakt-luchtig, terwijl hij zich
als in verrukking ruw de handen wreef--hebt ge mij va...andaag
gezien met mijn twee zwa...a...arte prinsen'
Zij antwoordde niet dadelijk. Zij bleef een poosje stil voortbreien,
met diep gebogen hoofd sneller haar naalden bewegend, alsof zij al
haar aandacht aan die arbeid wijdde. En eerst toen zij haar steken
opgeraapt, en de naalden hoger onder haar oksels getrokken had,
vestigde zij een koele blik op hem en sprak, bijna toonloos, als in
diepe onverschilligheid:
--O, bah ja ik,... 't was schuene, zilde.
En gedwongen glimlach kwam even over Massijns lichttrillende lippen.
Hij schoof zijn stoel een weinig nader bij de hare en, strijdlustig,
met iets wreveligs in de uitdrukking van zijn, op haar wrikkelende
naalden gevestigde, ogen:
--Is 't nie...iet schoon, 't is misschien to...och wel interessant,
hernam hij.--'t Is in elk ge ...eval to...och interessanter
da...an hetgeen men hier da...agelijks in deze sto...omme gemeente
te... te zien krijgt.
De drinkers maakten een beweging op hun stoelen of zij het praatje
heel aardig begonnen te vinden en Eulalies wangen kregen een
sterkere kleur, terwijl de naalden al vlugger en vlugger tussen haar
bedreven vingers heen en weer wrikkelden. Opnieuw heerste een
ogenblik volkomen stilte gedurende welke men niets meer hoorde dan
het langzaam tiktak van de klok en het eentonig geflap der gedopte
erwten, die bazin Vleurick in een aarden schotel liet vallen. En in
die benauwende stilte staakte Eulalie eensklaps het breien, keek
weer tot haar minnaar op, slaakte een zucht van komische wanhoop en
sprak, na een kort, gedwongen lachje en een trage hoofdschudding:
--Kijk, kijk, kijk, ik kan niet peinzen waar gij het toch altijd
uitzoekt! Wat al konten zult gij nog uitsteken!
Gebelgd, geërgerd, met toornig schitterende ogen, was Massijn deftig
opgestaan en had hij zijn stoel weer achteruitgeschoven. Een
ogenblik staarde hij haar roerloos, met bevende lippen aan; en dan,
de stem verkropt, terwijl zijn aangezicht van gramschap scheen te
zwellen:
--Ko...o...konten!... ko...o...kokonten! Ik vind dat ge wel
zee...eer onbeleefd zijt, weet ge, Eu...Eulalie!...
En plotseling, gerevolteerd:
--Wee ...ee...eet gij hoe ik zulke smaad be...beantwoord? vroeg hij,
bijna dreigend, in de drukkende stilte van de herbergzaal, waar
zelfs bazin Vleurick van ontzetting 't erwten doppen had gestaakt.
--A... alzo zie! riep hij. En statig keerde hij zich om en stapte de
deur uit.