III

Toen Massijn met valavond alleen in Akspoele terugkwam, aarzelde hij

even of hij rechtstreeks naar huis, dan eerst in _Het huis van

Commercie_ om een glas bier zou gaan. Juist vóór de stoep nam hij

plotseling zijn besluit en trad binnen.

Hij was, ofschoon innerlijk nog sterk opgewonden, uiterlijk heel wat

gesust en ontnuchterd; en het maakte hem angstig te weten, wat voor

een indruk de gebeurtenissen van de dag op Eulalie zouden

teweeggebracht hebben. Hoewel hij niet, in de echte zin van 't woord

met haar verloofd was, toch bestond er sinds jaren tussen hen een

ernstige genegenheid, zij steeds wachtend dat hij haar ten huwelijk

zou vragen, hij steeds aarzelend om het te doen, in zijn hoogmoed

gekrenkt door de gedachte met een herbergmeisje te trouwen, en

niettemin steeds door iets machtigs, waartegen hij vruchteloos

poogde te worstelen, tot haar aangetrokken. In de laatste tijden

toch had hun liefde bepaald wat vooruitgang gemaakt: hij had haar

serieus van trouwen, en, zich voor eigen rekening te plaatsen,

gesproken. Als ze nu van haar moeder een ordentelijke bruidsschat

kreeg, kon de languitgestelde verbintenis wellicht spoedig tegemoet

gezien worden.

Hij hoefde niet lang te wachten om de indruk waar te nemen, die hij

die dag op Eulalie gemaakt had.

Zij stond achter de schenktafel toen hij binnenkwam, bezig met

glazen te spoelen, het aangezicht rood en de blik koel, de mond

misnoegd omlaag getrokken. Zij beantwoordde ternauwernood zijn

groet, bracht hem zwijgend 't bestelde glas bier, nam haar breiwerk

op en ging er opzij mee zitten. Een viertal andere klanten waren in

de herbergzaal aanwezig, zwijgend, met de pijp in de mond en

spotachtige blikken, schuins op hun stoelen gezeten. In een hoek zat

bazin Vleurick, Eulalies moeder, een dikke, zestigjarige vrouw met

wijd van elkander staande ogen, wat aan haar blik een verdwaalde

uitdrukking gaf, erwten te doppen. Een korte stilte heerste, even

gestoord door het geluid van de ouderwetse Vlaamse klok, die, door

het driemaal herhaald geroep: 'Koekoek! koekoek! koekoek!' het

geslagen halfuur aanduidde.

Massijn zette zich neer, keek naar de naïef-geschilderde

uurwerkplaat, waarop een moordenaar afgebeeld stond, die met de

linkerhand een gevallen reiziger bij de keel, en, in zijn rechter,

een opgeheven dolk hield, dronk even van zijn bier, zette het

glas naast zich op een tafeltje, floot stil een deuntje. Eulalies

koel onthaal maakte hem wrevelig, en in zijn binnenste voelde hij

weer, met een vlijmende prikkel van toorn, de herinnering aan de

hoon stijgen, die hem 's middags in het dorp te beurt gevallen was.

Doch hij wilde er niets van laten blijken, hij zou er zich ditmaal

met moedwil boven stellen; en, na een nieuw stilzwijgen, veinzend

noch de spottende blikken van het viertal dorpelingen, noch de

mokkende misnoegdheid op Eulalies aangezicht te bemerken:

--Eh ...ehwel, Eulalie, sprak hij gemaakt-luchtig, terwijl hij zich

als in verrukking ruw de handen wreef--hebt ge mij va...andaag

gezien met mijn twee zwa...a...arte prinsen'

Zij antwoordde niet dadelijk. Zij bleef een poosje stil voortbreien,

met diep gebogen hoofd sneller haar naalden bewegend, alsof zij al

haar aandacht aan die arbeid wijdde. En eerst toen zij haar steken

opgeraapt, en de naalden hoger onder haar oksels getrokken had,

vestigde zij een koele blik op hem en sprak, bijna toonloos, als in

diepe onverschilligheid:

--O, bah ja ik,... 't was schuene, zilde.

En gedwongen glimlach kwam even over Massijns lichttrillende lippen.

Hij schoof zijn stoel een weinig nader bij de hare en, strijdlustig,

met iets wreveligs in de uitdrukking van zijn, op haar wrikkelende

naalden gevestigde, ogen:

--Is 't nie...iet schoon, 't is misschien to...och wel interessant,

hernam hij.--'t Is in elk ge ...eval to...och interessanter

da...an hetgeen men hier da...agelijks in deze sto...omme gemeente

te... te zien krijgt.

De drinkers maakten een beweging op hun stoelen of zij het praatje

heel aardig begonnen te vinden en Eulalies wangen kregen een

sterkere kleur, terwijl de naalden al vlugger en vlugger tussen haar

bedreven vingers heen en weer wrikkelden. Opnieuw heerste een

ogenblik volkomen stilte gedurende welke men niets meer hoorde dan

het langzaam tiktak van de klok en het eentonig geflap der gedopte

erwten, die bazin Vleurick in een aarden schotel liet vallen. En in

die benauwende stilte staakte Eulalie eensklaps het breien, keek

weer tot haar minnaar op, slaakte een zucht van komische wanhoop en

sprak, na een kort, gedwongen lachje en een trage hoofdschudding:

--Kijk, kijk, kijk, ik kan niet peinzen waar gij het toch altijd

uitzoekt! Wat al konten zult gij nog uitsteken!

Gebelgd, geërgerd, met toornig schitterende ogen, was Massijn deftig

opgestaan en had hij zijn stoel weer achteruitgeschoven. Een

ogenblik staarde hij haar roerloos, met bevende lippen aan; en dan,

de stem verkropt, terwijl zijn aangezicht van gramschap scheen te

zwellen:

--Ko...o...konten!... ko...o...kokonten! Ik vind dat ge wel

zee...eer onbeleefd zijt, weet ge, Eu...Eulalie!...

En plotseling, gerevolteerd:

--Wee ...ee...eet gij hoe ik zulke smaad be...beantwoord? vroeg hij,

bijna dreigend, in de drukkende stilte van de herbergzaal, waar

zelfs bazin Vleurick van ontzetting 't erwten doppen had gestaakt.

--A... alzo zie! riep hij. En statig keerde hij zich om en stapte de

deur uit.

De Zwarte Kost · 第 4 / 16 题