II

Een groot deel van de namiddag bleef de woning van de weduwe

Massijn, evenals een huis waar een moord geschied is, aldus met een

luidruchtige menigte omzet. Daarbinnen, in de woonkamer, waar de

gasten met de huisgenoten aan de dis zaten, beletten de neergelaten

rolgordijnen de indringende blikken, maar onrustbarend luid

weergalmde af en toe 't geschater en 't gejouw, het schoppen op de

muur en 't tikken op de ruiten.

Massijn, nu zijn schrik wat over was, raakte weer opgewonden van

verontwaardiging en toorn. Hij vond het een schande, een

wraakroepende schande, dat de politie hem tegen de aanrandingen van

dat smee...ee...erig gepeupel niet beschermd had; hij sprak van

niets minder dan een klacht bij de Minister van Justitie en wellicht

bij de Koning zelf in te dienen. En voortdurend, om zichzelf moed te

geven, schonk hij zijn glas vol wijn en stootte hij aan tegen de

glazen van de prinsen, hen insgelijks met trillend-stotterende stem

tot drinken aanmoedigend, beurtelings in het Vlaams en het Frans

bluffend uitroepend:

--Wees ma...aar gerust; n'ay...ay...ayez pas peur mes princes; je

sau ... aurai bien vous protéger co...ontre cette canaille.

Zijn moeder, een dikke zestigjarige vrouw, met een geel gerimpeld

gezicht en goedige bruine ogen, die tot nu toe in haar ontsteltenis

nog geen klank geuit had, viel hem, met een wanhopige blik op de

twee zwarten, in de rede:

--Maar waarom dan ook zo publiek met ze door Akspoele gelopen?

--En dan nog op een zondag, als al het volk op de been is, riep

Fietje kribbig.

--Ko ...o...kon ik misschien voorzien da...at dat smee...erig volk

zich zo scha...andelijk zou gedragen? sprak driftig Massijn, met een

verachtend gebaar naar de vensters.

--Och ge steekt ook altijd zulke konten uit! antwoordde Fietje

gebelgd, met vuurrode wangen van tafel opstaand om in de keuken het

gebraad te halen.

De beide negers, voortdurend roerloos van schrik op hun stoelen

gezeten, aten schier niet, spraken geen woord. Zij luisterden met

angstige spanning naar het aanhoudend gedruis in de straat, en van

tijd tot tijd liep er een rilling als van koude over hun donkere

huid. Tevergeefs poogde Massijn ben op te beuren, hen te doen eten

en drinken, hen tot een gesprek uit te lokken: hun bange blik bleef

halsstarrig gevestigd op de zich achter de neergelaten gordijnen

bewegende schaduwen: hun gehoor was slechts vatbaar voor de

onheilspellende geluiden die van buiten daar tot hen binnendrongen.

Een paar keren wisselden zij enkele woorden in hun moedertaal, en

eindelijk sprak Badoe tot Massijn met doftrillende stem:

--Massa, nous retourner Amertinge.

Massijn, die reeds een weinig door de drank verhit was, maakte een

gebaar van opstand. Hij had zich wel voorgesteld, gedurende

verscheidene dagen, met zijn prinsen, eerst de bewoners van Akspoele

en daarna die der omliggende gemeenten te overbluffen, en de

gedachte dat een zo heerlijk plan zou onuitvoerbaar wezen, was voor

zijn verwaande hoogmoed onuitstaanbaar. Met nadruk drong hij erop

aan dat de prinsen tóch zouden blijven. Het ware lafheid voor het

gebries van zulk een janhagel te vluchten; men moest de stomme smaad

het hoofd durven bieden; men moest durven tonen dat men man was.

Hij had opnieuw zijn glas geledigd, hij was gans opgewonden

opgestaan en wakkerde de prinsen aan zijn voorbeeld te volgen, en

maar terstond stoutweg de voorgenomen namiddagwandeling in het dorp

aan te vangen. Zij zouden eerst het _huis van Commercie_ bezoeken, dan

_Den Appel_, dan _De Kroon_, dan bij enkele voorname ingezetenen ten

huize gaan, om zich te tonen. En men zou eens zien of iemand hand of

vinger naar hen durfde uitsteken. Reeds had hij beslist zijn hoed

opgezet en uit een hoek zijn zwaarste wandelstok gehaald; maar toen

de negers, die niets van zijn woorden verstonden, aan zijn manieren

en gebaren begrepen waarvan er kwestie was, overweldigde hun een zo

hevige schrik, dat zij beiden plotseling in tranen uitbarstten, en

zich met de zwarte vingers aan de rand van de tafel vastklampten,

als om zich desnoods met geweld tegen de geduchte uitgang te

verzetten. En daar tot overmaat de voor de vensters saamgeschoolde

menigte, die wellicht iets van Massijns uitval gehoord had, juist op

dat ogenblik weer in dreunend hoongejouw losbrak, begonnen de

prinsen, eensklaps zelf met draaiende ogen zó wild van angst te

schreeuwen, dat moeder Massijn en Fietje huilend in de keuken

vluchtten.

Toen begreep de rampzalige Massijn dat hij zijn heerlijk plan

bepaald moest opgeven. Op zijn dringend verzoek kwamen moeder

Massijn en Fietje bevend terug in de kamer, en een korte

beraadslaging werd gehouden. Het was vier uur; indien men spoed

maakte kon men te Bavel de trein van vijf nog halen en dan zouden de

prinsen ook vóór de avond te Amertinge nog terug zijn. Maar hoe

gedaan om aan dat razend gepeupel te ontsnappen. Massijn, die het

als naar gewoonte hoog in't hoofd had, stelde voor een huurkoets te

bestellen en er maar wild mee dwars door het gewoel heen te rijden,

al werden er ook wat armen en benen verpletterd. Doch moeder en

Fietje, vindend dat het al bont genoeg geweest was, en dat men ook

reeds meer dan genoeg geld verteerd had, bestreden dit plan en

beweerden dat zij heel goed langs 't achterpoortje van de tuin

konden uitgaan, en aldus, door de binnenwegen, het station bereiken.

De beide prinsen, die van heel het gesprek slechts duidelijk dit ene

woord 'station' opvingen, knikten gretig toestemmend met het hoofd

en herhaalden op schor-trillende toon:

--Oui, oui, Massa, station, retourner station Amertinge.

En 't werd aldus besloten. Badoe en Soera, hun rode pet in de hand,

namen beleefd afscheid van moeder en Fietje, en volgden met rasse

tred Massijn door de tuin. De beide vrouwen, bezorgd-hoofdschuddend

op de drempel van het achterdeurtje staande, zagen, met een gevoel

van verlichting, de schelrode petten en kousen zonder verdere

onheilen achter de haag in 't groene veld verdwijnen, terwijl aan de

voordeur, begeleid door geschreeuw en voetengetrappel, opnieuw het

walgelijk straatdeuntje weergalmde, waarmee 't gepeupel 's ochtends

de prinsen en Fortuné tot aan hun huisje vergezeld had.

De Zwarte Kost · 第 3 / 16 题