Sinds die dag was het, dat men van lieverlede bij Massijn een totale
verandering van gemoedsstemming, een echte morele omwenteling kon
waarnemen.
Na ongeveer een week mokken, gedurende welke de ontzettende
gebeurtenis van het prinselijk bezoek langzamerhand in het dorp
vergeten raakte, was hij naar _Het huis van Commercie_ teruggekeerd en
had hij zich met Eulalie verzoend, omdat die stille, sinds jaren
aanslepende liefde toch als iets onontbeerlijks in zijn leven was
geworden: maar, behalve dat, o ja, enorm was de verandering.
Men zag hem niet meer, zoals vroeger, de schaarse vreemdelingen, die
te Akspoele kwamen, opzoeken en er glorieus mee van herberg tot
herberg rondlopen; hij scheen zich eensklaps om niemand meer te
bekreunen, noch geen het minste belang meer te stellen in wat er op
't dorp mocht omgaan. Men ontmoette hem enkel nog langs de straat op
de uren, dat hij naar het kantoor van meester Potvlieghe ging of
ervan terugkeerde en vaak gebeurde 't nu dat hij zelfs 's zondags op
Akspoele niet bleef, maar met de eerste trein langs Bavel naar de
stad reed, en slechts laat in de avond terugkwam, doorgaans met een
lijvig vierkant pak onder de arm.
--Wat is er met Massijn! wat haalt hij zich nu in 't hoofd? vroegen
de dorpelingen zich met verwondering af. En toen de een of ander hem
soms vroeg wat hij nu toch deed in de uren, die hij eertijds in
't gezelschap van zijn medeburgers placht door te brengen:
--Lee ...e...ezen, antwoordde hij met een ernstig, afgetrokken
gezicht.
Het was de waarheid. Schier al zijn vrije uren besteedde hij aan
lectuur, en wel uitsluitend aan één soort lectuur: Afrikaanse
reisverhalen. Hij ging de boeken halen ter stad in een leeskabinet,
en uren en uren elke avond, en 's zondags bijna heel de dag, zat hij
met de ellebogen op de tafel en het hoofd tussen de handen, als een
gehypnotiseerde in zijn lezing verdiept.
Landkaarten lagen vóór hem ontvouwen, waarop hij in verbeelding,
door mysterieuze streken de gevaarlijke tochten meemaakte;
illustraties van tropische landschappen, van wilde volkstypen, van
wondere ontmoetingen en gevechten, aan de authenticiteit waarvan hij
geen ogenblik twijfelde, deden rillingen van vervoering en verlangen
door zijn ganse lichaam stromen. Zijn starre ogen schitterden, hij
zuchtte van inspanning, zijn rusteloze vingers zetten in verwarring
zijn haren op, of zij, door het akelige van 't verhaal, vanzelf te
berge rezen. En vaak werd hij zó hevig door de indruk van
't gelezene overweldigd, dat het hem een onweerstaanbare behoefte
werd er ook aan zijn moeder en zijn zuster iets van mee te delen.
--Da...at is toch schrikkelijk! die...ie Sta ...anley moet toch iets
uitgestaan hebben! riep hij soms plotseling, in de stilte van het
keukentje, waar moeder en Fietje met hun breiwerk zaten, zijn lezing
onderbrekend. En toen de twee vrouwen, weinig geïnteresseerd, of,
uit instinctieve weerzin, zijn gezegde onbeantwoord lieten:
--Wilt gij eens weten hoe ...oe... dikwijls hij op één... één enkele
maand tegen de wilden heeft moe ...oe...oeten vechten? vroeg hij.--
Twee ...ee en dertig keren! En, weer het boek ter hand nemend, las
hij hun enkele bladzijden van de Vlaamse vertaling van de welbekende
wonderreizen voor. Toen wist hij van geen zwijgen meer. In de doodse
stilte van het keukentje, die alleen gestoord werd door het eentonig
tiktak van de klok en het schuchter door elkaar wrikken van de
breinaalden, klonk zijn hakkelende stem luid en bombastisch, in
verward-ronkende volzinnen. Noch moeder noch Fietje durfden geen
woord meer wisselen, haast geen beweging meer maken. Zij smoorden
met de hand hun vervelingsgegeeuw, bijna niets begrijpend van al
hetgeen hij voorlas, door zijn stotterende uitspraak als in een
pijnlijke sluimer gewiegd, telkens verbaasd en als schrikkend
opkijkend, toen hij zichzelf even in de rede viel om hen te vragen:
--Ei...eiwel, wat denkt ge daarvan! Is da...at niet wonderbaar, niet
Schrikkelijk?
Maar met het einde van zijn lezing hield hun morele foltering nog
niet op: in die uren van praatzieke ontboezeming, nadat hij 't boek
gesloten had, begon hij dan zelf over het voorgelezene te
disserteren. En het was iets verbazends hoe al die vreemde namen met
zijn stamerende uitspraak in zijn mond verwarden, hoe hij er klanken
van vormde die op geen woorden meer leken noch geen hoegenaamde
betekenis meer hadden. Soms ging het tot een echte gekheid over.
Hij stelde zich niet tevreden met de nare, in het boek gelezen
anekdoten; hij voegde er andere bij, hij vond er nieuwe uit, als kon
hij zich de indruk van akeligheid niet genoeg overweldigend maken.
Meer dan eens zelfs deed hij door zijn gewaagde beschrijvingen van
de Afrikaanse zeden zijn moeder en zijn zuster blozen.
--Ja...a moe....oeder, da...at kost daar een zwijn, of ee...een
koe, sprak hij op zekere avond, van de schadeloosstelling gewagend,
waarvoor een wilde aansprakelijk is, die met de vrouw van zijn buur
te ver zou gegaan zijn.
En daar bazin Massijn, gestoord, hem verzocht van zulke dingen
liever niet te spreken:
--Wel, waa...aarom niet, moe...der, hernam hij grootmoedig;--men moet
die...ie mensen dat vergeven, zij...ij zijn gelijk de beesten, zij
weten niet wa...at zij doen.
Toen praatte hij ook weer van Badoe en Soera, de twee jonge zwarte
prinsen, met wie hij een regelmatige briefwisseling onderhield.
--Zie...ie, moe...oeder en zuster, sprak hij, een punt op de
landkaart aanwijzend,--hie...ier woont de vader van Badoe,
ko...o...oning van Pahalamaboe, en daa...aar woont die van Soera,
prins van Manyalahi, bei...eiden op de boorden van de
Lou...oualaba, anders genoemd de Con...co...congo.
Doch van lieverlede begon hij ook naar andere toehoorders dan zijn
zuster en zijn moeder te verlangen. Hij voelde dringend de behoefte
die wondere dingen, waarvan hij zo doordrongen was, aan een ruimer
publiek voor te dragen; en, de smaad vergetend waarmee de Akspoelse
bevolking hem destijds bejegende, verscheen hij weldra regelmatig
weer in _Het huis van Commercie_ en in andere voorname herbergen.
Ernstig en statig, omringd van een vijf- of zestal lui op hun
stoelen uitgerekte dorpsheren, vertelde hij zonder einde over zijn
geliefkoosd onderwerp. En dáár, tenminste, werd hij niet op een
brutale spot onthaald: in hun dodende verveling, zagen die heren met
welgevallen om het even welke uitspanning tegemoet. Somtijds zelfs
ging hun belangstelling zo ver, dat zij zich mengden in 't gesprek,
en gewichtig met hem de koloniale politiek van de regering
bespraken.
Toen sprong Massijn hartstochtelijk op de bres. Hij verdedigde met
gloed de koloniale uitbreiding van het land; hij durfde zeggen dat
het slechte pa...atriotten waren, die zulke richting tegenwerkten.
En bombastisch stamerend verklaarde hij dat het de plicht van alle
Belgen was, met woord en daad de ko...o...koning in zijn
e...e...edelmoedige onderneming van de beschaving van Midden-Afrika
te steunen. Maar meneer Potvlieghe, of meneer Spittael, of meneer De
Vreught waren, niettegenstaande hun onbetwistbare gehechtheid aan de
koninklijke familie, wel eens de meer verspreide mening toegedaan
dat men beter de penningen van 't land aan de beschaving van
Midden-Vlaanderen zou besteden, en allen mengden zich van lieverlede
driftig in het hoger en hoger opgalmend gesprek, totdat Eulalie, die
vuurrood en mokkend het schouwspel bijwoonde, eensklaps luid
zuchtend haar plaats verliet en met de op komische toon herhaalde
uitroeping 'Ach Here! ach Here! Hoe is 't mogelijk!' in de keuken
verdween.
Dit bracht de heren tot het bewustzijn van hun deftigheid terug. Zij
bestelden verse glazen bier, ontstaken opnieuw hun pijpen, helden
achterover op hun stoelen, met de ogen op de bruingerookte
zoldering. En Massijn alleen bleef ononderbroken doorpraten, de
gebaren verbreed, de ogen uitgezet van ostentatie, af en toe tussen
zijn akelig stameren een blik van toorn en van minachting vestigend
op de weer in de gelagzaal gekomen Eulalie, van wie de houding en
gelaatsuitdrukking als levend protest waren tegen al wat hij
vertelde.
V
En eensklaps, op een zondagmorgen na de vroegmis, liep het als een
vuur door Akspoele:
Massijn vertrekt naar Congoland!
In 't eerste ogenblik, natuurlijk, hechtte daar niemand geloof aan.
Men beschouwde het als een snaakse grap en lachte er eens om. Doch,
terwijl meester De Vreught, die vlak naast Massijns woonde, die
morgen na het ontbijt zijn gewoon wandelingetje in zijn tuintje
maakte, zag hij, over de haag in het tuintje daarnaast, Fietje
schreiend heen en weer lopen. Hij had haar dadelijk gevraagd wat er
toch schortte, en toen had Fietje hem snikkend gezegd, dat zij
huilde omdat Fortuné besloten had naar Congoland te vertrekken. De
vorige avond had hij bij meester Potvlieghe zijn ontslag als commies
ingediend, en nu was hij met de eerste trein naar Brussel
vertrokken, en als hij 's avonds terugkeerde zou zijn verbintenis
met het gouvernement van Congo-Vrijstaat onherroepelijk gesloten
zijn. 't Is waar, zijn betrekking zou er veel winstgevender zijn dan
die welke hij bekleedde op 't kantoor van meneer Potvlieghe: hij zou
er namelijk, als onderintendant van de Staat te Leopoldville,
drieduizend frank jaarwedde hebben vrij van alle kosten, maar
Congoland was toch zulk een akelige streek en lag zo ver: wie weet
of zij en moeder hem nog ooit zouden terugzien. Och, het was
gekheid; Fietje beweerde, dat hij bepaald gek geworden was. Sinds de
vorige avond had zij nog niet opgehouden te huilen, en moeder
Massijn lag ziek te bed en beweerde dat zij ervan sterven zou. Het
was, in Akspoele, een dag van buitengewone emotie. Meester De Vreught
had natuurlijk niets zo dringends te doen gehad dan het verbazend,
hem door Fietje meegedeelde nieuws alom te gaan vertellen; meester
Potvlieghe, van zijn kant, had de ontzettende tijding bekrachtigd,
en de ganse dag hoorde men geen ander gesprek meer in het dorp. Men
zag oneindig veel meer mensen dan gewoonlijk in de straat heen en
weer wandelen; gehele groepen liepen driftig redekavelend de ene
herberg in en de andere uit, elk ogenblik ondervraagd door de
vrouwen, die vóór de dorpels van de huizen samengeschoold stonden;
en opnieuw, evenals op de dag van het bezoek van de zwarte prinsen,
keek men van ver naar de gesloten woning van de weduwe Massijn, als
naar een huis waar een moord gepleegd is. Wat _Het huis van Commercie_
betreft, daar was de drukte zo groot dat men er niet eens kon
zitten; doch zij die er gingen om te zien wat voor een gezicht
Eulalie zette, en wellicht met haar de spot te drijven, kwamen er
teleurgesteld van af, want de gehele dag bleef het meisje
onzichtbaar.
En in de afwachting op Massijns terugkomst--wat, volgens Fietje,
met de laatste trein en dus ook met de postwagen, die om dat uur van
Bavel naar Akspoele rijdt, zou plaatshebben,--vertelden de
dorpelingen aan elkaar wat het zoal was in Congoland te leven.
Blink, de blikslager, die in zijn jeugd bij het Vreemd Legioen te
Algiers in dienst geweest was, vertelde onder ander tot een groep
voor zijn deur geschaarde dorpelingen, dat het in Congoland zó
verschrikkelijk heet was dat Massijn er na enkele maanden pikzwart
van huid zou worden, net zoals de zwarte prinsen die met hem te
Akspoele geweest waren.
Verwarde uitroepingen weergalmden, een oud vrouwtje, met verwilderde
ogen, vroeg bevend aan de snoevende blikslager, of Massijns ziel ook
zwart zou worden gelijk die van de negers, en of hij, na zijn dood,
evenals zij, eeuwigdurend in de hel zou branden.
--Neen, antwoordde Blink,--maar het is erg te vermoeden dat hij
zeer spoedig mensenvlees zal leren eten.
Een kreet van afschuw steeg op, mijnheren Potvlieghe, Spittael en De
Vreught, die uit _Den Appel_ kwamen en naar _Het huis van Commercie_
gingen, naderden de rondom Blink geschaarde groep.
--Tenzij, voegde deze erbij,--dat hij zelf door de negers of de
wilde beesten opgegeten werd.
En, zijn schitterend snoeversoog gevestigd op de drie heren,
vertelde hij een hem voorgevallen anekdote: een wildeman en zijn
familie, die, hem in een donker bos ontmoetend, hem aangerand hadden
om hem te doden en op te eten. Meer dan een halfuur lang had hij
ertegen moeten vechten, en terwijl hij rechts en links op de neger
en zijn vrouw met zijn sabel houwde om zijn leven te verdedigen,
sprongen hem de kleine negers voortdurend tussen de benen, waarin
zij beten met razend gegil, om hem het bloed uit 't lijf te zuigen.
--De littekens zijn nog zichtbaar op mijn dijen, is 't niet waar
vrouw? vroeg hij, zich omkerend tot zijn wederhelft, die, ernstig
met het hoofd knikte, om te bevestigen dat hij de loutere waarheid
zei.
Maar het sloeg acht op de toren en de groep ging uit elkaar, om
andere groepen te volgen naar de dorpsplaats, waar de postwagen van
Bavel elk ogenblik verwacht werd. Eenieder wilde nu Massijn
aanschouwen; hij was eensklaps voor het ganse dorp een vermaardheid
geworden; het was of dat enkel besluit naar Congoland te vertrekken
hem reeds fysiek zou veranderd hebben; of er van hem een ander mens
geworden was, die men nog niet kende.
Reeds was de oude, rood-, geel- en zwartgeverfde rammelkast aan het
uiteinde van de straat zichtbaar, toen meester Potvlieghe en zijn
gezellen op de met volk bezette dorpsplaats aankwamen. Van ver zagen
zij Massijn, die naast de koetsier op de bok zat, rechts en links
met zijn strohoed groeten, trots en gelukkig als een prins die na een
lange afwezigheid in zijn hoofdstad terugkomt. Hij was zeer netjes
in 't zwart gekleed, met een wit ondervest; en, gevouwen op de
linkerarm, droeg hij een splinternieuwe, grijze zomeroverjas. Zijn
geschoren aangezicht was bleek van trotse ontroering; zijn ogen
schitterden met een bijna onheilspellend-geestdriftige starheid;
zijn halfopen mond hijgde van hoogmoed, alsof hij gerend had.
En 't was als een dof rumoer van bewondering dat rillend door de
menigte liep, toen hij, bij het stilhouden van de ratelende postkar
van de bok steeg, en met tot meester Potvlieghe, als nu tot zijn
gelijke, uitgestrekte hand plechtig in 't Frans zei:
--Bo...onjour, cher mai...aître Potvlieghe, mai...aintenant
l'affaire est décidée; je...e pars le 28 du mois prochain par le
steamer Lou...oualaba a...avec mes bons amis les princes, Ba...adoe
et Soera.
Er heerste een ogenblik volkomen stilzwijgen, opnieuw gevolgd door
een dof rumoer van bijna eerbiedige bewondering. Haast niemand had
begrepen wat hij zei, maar allen voelden instinctmatig dat het iets
zeer belangrijks moest zijn; en terwijl hij met die heren, die hem
nieuwsgierig omringden en ondervraagden, de dorpsplaats verliet,
werd de tijding als spontaan van mond tot mond verspreid:
--Hij vertrekt bepaald naar Congoland, hij vertrekt de
achtentwintigste van de volgende maand!
De kreet weergalmde in de straat, werd ver en wijd herhaald door de
saamgeschoolde menigte. En niet alleen de winkeliers- of
arbeidersvrouwen, maar ook de dames en de dochters van de
welgestelde ingezetenen, kwamen nieuwsgierig bewonderend kijken,
terwijl Massijn, midden in de volksschaar die hem vergezelde elk
ogenblik stilhoudend, pompeus zijn hoed afnam en op de voortdurend
herhaalde vragen in het Frans antwoordde:
--Oui...i, madame, oui...i, ma...ademoiselle, mon départ est
i...irrévocablement fixé au 28 du mois prochain, par le stea...eamer
Lou...oualaba.
--Keert ge rechtstreeks naar uw huis terug, Fortuné, vroeg meester
De Vreught, toen zij voor _Het huis van Commercie_ kwamen.
--Nee...een, ik heb dorst, ik zou ga...aarne eerst een glas bier
drinken, antwoordde Massijn. En, met zijn gezellen en een aantal
andere nieuwsgierigen, besteeg hij de trappen van de herbergstoep.
Daarbinnen was Eulalie voortdurend onzichtbaar. Tot haar moeder, die
achter de schenktafel stond, vroeg Massijn met een air van
autoriteit waar of zij was. En daar deze antwoordde dat haar
dochter, een weinig ongesteld, zich te bed gelegd had:
--Welnu, sprak hij hoogmoedig, zonder zich het minst om de
ongesteldheid van zijn geliefde te bekreunen,--la...at haar van
mijnentwege weten, da...at ik de achtentwintigste van de
vo...olgende maand vertrek naar Co...o...co...congoland, met de
steamer Lou...oualaba, in co...ompagnie van mijn beste vrienden de
prinsen Ba...adoe en Soera.
En statig ging hij plaatsnemen aan een met dorpsheren omringd
tafeltje, waar hem een soort ovatie van bewonderende geestdrift te
beurt viel.