IV

Sinds die dag was het, dat men van lieverlede bij Massijn een totale

verandering van gemoedsstemming, een echte morele omwenteling kon

waarnemen.

Na ongeveer een week mokken, gedurende welke de ontzettende

gebeurtenis van het prinselijk bezoek langzamerhand in het dorp

vergeten raakte, was hij naar _Het huis van Commercie_ teruggekeerd en

had hij zich met Eulalie verzoend, omdat die stille, sinds jaren

aanslepende liefde toch als iets onontbeerlijks in zijn leven was

geworden: maar, behalve dat, o ja, enorm was de verandering.

Men zag hem niet meer, zoals vroeger, de schaarse vreemdelingen, die

te Akspoele kwamen, opzoeken en er glorieus mee van herberg tot

herberg rondlopen; hij scheen zich eensklaps om niemand meer te

bekreunen, noch geen het minste belang meer te stellen in wat er op

't dorp mocht omgaan. Men ontmoette hem enkel nog langs de straat op

de uren, dat hij naar het kantoor van meester Potvlieghe ging of

ervan terugkeerde en vaak gebeurde 't nu dat hij zelfs 's zondags op

Akspoele niet bleef, maar met de eerste trein langs Bavel naar de

stad reed, en slechts laat in de avond terugkwam, doorgaans met een

lijvig vierkant pak onder de arm.

--Wat is er met Massijn! wat haalt hij zich nu in 't hoofd? vroegen

de dorpelingen zich met verwondering af. En toen de een of ander hem

soms vroeg wat hij nu toch deed in de uren, die hij eertijds in

't gezelschap van zijn medeburgers placht door te brengen:

--Lee ...e...ezen, antwoordde hij met een ernstig, afgetrokken

gezicht.

Het was de waarheid. Schier al zijn vrije uren besteedde hij aan

lectuur, en wel uitsluitend aan één soort lectuur: Afrikaanse

reisverhalen. Hij ging de boeken halen ter stad in een leeskabinet,

en uren en uren elke avond, en 's zondags bijna heel de dag, zat hij

met de ellebogen op de tafel en het hoofd tussen de handen, als een

gehypnotiseerde in zijn lezing verdiept.

Landkaarten lagen vóór hem ontvouwen, waarop hij in verbeelding,

door mysterieuze streken de gevaarlijke tochten meemaakte;

illustraties van tropische landschappen, van wilde volkstypen, van

wondere ontmoetingen en gevechten, aan de authenticiteit waarvan hij

geen ogenblik twijfelde, deden rillingen van vervoering en verlangen

door zijn ganse lichaam stromen. Zijn starre ogen schitterden, hij

zuchtte van inspanning, zijn rusteloze vingers zetten in verwarring

zijn haren op, of zij, door het akelige van 't verhaal, vanzelf te

berge rezen. En vaak werd hij zó hevig door de indruk van

't gelezene overweldigd, dat het hem een onweerstaanbare behoefte

werd er ook aan zijn moeder en zijn zuster iets van mee te delen.

--Da...at is toch schrikkelijk! die...ie Sta ...anley moet toch iets

uitgestaan hebben! riep hij soms plotseling, in de stilte van het

keukentje, waar moeder en Fietje met hun breiwerk zaten, zijn lezing

onderbrekend. En toen de twee vrouwen, weinig geïnteresseerd, of,

uit instinctieve weerzin, zijn gezegde onbeantwoord lieten:

--Wilt gij eens weten hoe ...oe... dikwijls hij op één... één enkele

maand tegen de wilden heeft moe ...oe...oeten vechten? vroeg hij.--

Twee ...ee en dertig keren! En, weer het boek ter hand nemend, las

hij hun enkele bladzijden van de Vlaamse vertaling van de welbekende

wonderreizen voor. Toen wist hij van geen zwijgen meer. In de doodse

stilte van het keukentje, die alleen gestoord werd door het eentonig

tiktak van de klok en het schuchter door elkaar wrikken van de

breinaalden, klonk zijn hakkelende stem luid en bombastisch, in

verward-ronkende volzinnen. Noch moeder noch Fietje durfden geen

woord meer wisselen, haast geen beweging meer maken. Zij smoorden

met de hand hun vervelingsgegeeuw, bijna niets begrijpend van al

hetgeen hij voorlas, door zijn stotterende uitspraak als in een

pijnlijke sluimer gewiegd, telkens verbaasd en als schrikkend

opkijkend, toen hij zichzelf even in de rede viel om hen te vragen:

--Ei...eiwel, wat denkt ge daarvan! Is da...at niet wonderbaar, niet

Schrikkelijk?

Maar met het einde van zijn lezing hield hun morele foltering nog

niet op: in die uren van praatzieke ontboezeming, nadat hij 't boek

gesloten had, begon hij dan zelf over het voorgelezene te

disserteren. En het was iets verbazends hoe al die vreemde namen met

zijn stamerende uitspraak in zijn mond verwarden, hoe hij er klanken

van vormde die op geen woorden meer leken noch geen hoegenaamde

betekenis meer hadden. Soms ging het tot een echte gekheid over.

Hij stelde zich niet tevreden met de nare, in het boek gelezen

anekdoten; hij voegde er andere bij, hij vond er nieuwe uit, als kon

hij zich de indruk van akeligheid niet genoeg overweldigend maken.

Meer dan eens zelfs deed hij door zijn gewaagde beschrijvingen van

de Afrikaanse zeden zijn moeder en zijn zuster blozen.

--Ja...a moe....oeder, da...at kost daar een zwijn, of ee...een

koe, sprak hij op zekere avond, van de schadeloosstelling gewagend,

waarvoor een wilde aansprakelijk is, die met de vrouw van zijn buur

te ver zou gegaan zijn.

En daar bazin Massijn, gestoord, hem verzocht van zulke dingen

liever niet te spreken:

--Wel, waa...aarom niet, moe...der, hernam hij grootmoedig;--men moet

die...ie mensen dat vergeven, zij...ij zijn gelijk de beesten, zij

weten niet wa...at zij doen.

Toen praatte hij ook weer van Badoe en Soera, de twee jonge zwarte

prinsen, met wie hij een regelmatige briefwisseling onderhield.

--Zie...ie, moe...oeder en zuster, sprak hij, een punt op de

landkaart aanwijzend,--hie...ier woont de vader van Badoe,

ko...o...oning van Pahalamaboe, en daa...aar woont die van Soera,

prins van Manyalahi, bei...eiden op de boorden van de

Lou...oualaba, anders genoemd de Con...co...congo.

Doch van lieverlede begon hij ook naar andere toehoorders dan zijn

zuster en zijn moeder te verlangen. Hij voelde dringend de behoefte

die wondere dingen, waarvan hij zo doordrongen was, aan een ruimer

publiek voor te dragen; en, de smaad vergetend waarmee de Akspoelse

bevolking hem destijds bejegende, verscheen hij weldra regelmatig

weer in _Het huis van Commercie_ en in andere voorname herbergen.

Ernstig en statig, omringd van een vijf- of zestal lui op hun

stoelen uitgerekte dorpsheren, vertelde hij zonder einde over zijn

geliefkoosd onderwerp. En dáár, tenminste, werd hij niet op een

brutale spot onthaald: in hun dodende verveling, zagen die heren met

welgevallen om het even welke uitspanning tegemoet. Somtijds zelfs

ging hun belangstelling zo ver, dat zij zich mengden in 't gesprek,

en gewichtig met hem de koloniale politiek van de regering

bespraken.

Toen sprong Massijn hartstochtelijk op de bres. Hij verdedigde met

gloed de koloniale uitbreiding van het land; hij durfde zeggen dat

het slechte pa...atriotten waren, die zulke richting tegenwerkten.

En bombastisch stamerend verklaarde hij dat het de plicht van alle

Belgen was, met woord en daad de ko...o...koning in zijn

e...e...edelmoedige onderneming van de beschaving van Midden-Afrika

te steunen. Maar meneer Potvlieghe, of meneer Spittael, of meneer De

Vreught waren, niettegenstaande hun onbetwistbare gehechtheid aan de

koninklijke familie, wel eens de meer verspreide mening toegedaan

dat men beter de penningen van 't land aan de beschaving van

Midden-Vlaanderen zou besteden, en allen mengden zich van lieverlede

driftig in het hoger en hoger opgalmend gesprek, totdat Eulalie, die

vuurrood en mokkend het schouwspel bijwoonde, eensklaps luid

zuchtend haar plaats verliet en met de op komische toon herhaalde

uitroeping 'Ach Here! ach Here! Hoe is 't mogelijk!' in de keuken

verdween.

Dit bracht de heren tot het bewustzijn van hun deftigheid terug. Zij

bestelden verse glazen bier, ontstaken opnieuw hun pijpen, helden

achterover op hun stoelen, met de ogen op de bruingerookte

zoldering. En Massijn alleen bleef ononderbroken doorpraten, de

gebaren verbreed, de ogen uitgezet van ostentatie, af en toe tussen

zijn akelig stameren een blik van toorn en van minachting vestigend

op de weer in de gelagzaal gekomen Eulalie, van wie de houding en

gelaatsuitdrukking als levend protest waren tegen al wat hij

vertelde.

V

En eensklaps, op een zondagmorgen na de vroegmis, liep het als een

vuur door Akspoele:

Massijn vertrekt naar Congoland!

In 't eerste ogenblik, natuurlijk, hechtte daar niemand geloof aan.

Men beschouwde het als een snaakse grap en lachte er eens om. Doch,

terwijl meester De Vreught, die vlak naast Massijns woonde, die

morgen na het ontbijt zijn gewoon wandelingetje in zijn tuintje

maakte, zag hij, over de haag in het tuintje daarnaast, Fietje

schreiend heen en weer lopen. Hij had haar dadelijk gevraagd wat er

toch schortte, en toen had Fietje hem snikkend gezegd, dat zij

huilde omdat Fortuné besloten had naar Congoland te vertrekken. De

vorige avond had hij bij meester Potvlieghe zijn ontslag als commies

ingediend, en nu was hij met de eerste trein naar Brussel

vertrokken, en als hij 's avonds terugkeerde zou zijn verbintenis

met het gouvernement van Congo-Vrijstaat onherroepelijk gesloten

zijn. 't Is waar, zijn betrekking zou er veel winstgevender zijn dan

die welke hij bekleedde op 't kantoor van meneer Potvlieghe: hij zou

er namelijk, als onderintendant van de Staat te Leopoldville,

drieduizend frank jaarwedde hebben vrij van alle kosten, maar

Congoland was toch zulk een akelige streek en lag zo ver: wie weet

of zij en moeder hem nog ooit zouden terugzien. Och, het was

gekheid; Fietje beweerde, dat hij bepaald gek geworden was. Sinds de

vorige avond had zij nog niet opgehouden te huilen, en moeder

Massijn lag ziek te bed en beweerde dat zij ervan sterven zou. Het

was, in Akspoele, een dag van buitengewone emotie. Meester De Vreught

had natuurlijk niets zo dringends te doen gehad dan het verbazend,

hem door Fietje meegedeelde nieuws alom te gaan vertellen; meester

Potvlieghe, van zijn kant, had de ontzettende tijding bekrachtigd,

en de ganse dag hoorde men geen ander gesprek meer in het dorp. Men

zag oneindig veel meer mensen dan gewoonlijk in de straat heen en

weer wandelen; gehele groepen liepen driftig redekavelend de ene

herberg in en de andere uit, elk ogenblik ondervraagd door de

vrouwen, die vóór de dorpels van de huizen samengeschoold stonden;

en opnieuw, evenals op de dag van het bezoek van de zwarte prinsen,

keek men van ver naar de gesloten woning van de weduwe Massijn, als

naar een huis waar een moord gepleegd is. Wat _Het huis van Commercie_

betreft, daar was de drukte zo groot dat men er niet eens kon

zitten; doch zij die er gingen om te zien wat voor een gezicht

Eulalie zette, en wellicht met haar de spot te drijven, kwamen er

teleurgesteld van af, want de gehele dag bleef het meisje

onzichtbaar.

En in de afwachting op Massijns terugkomst--wat, volgens Fietje,

met de laatste trein en dus ook met de postwagen, die om dat uur van

Bavel naar Akspoele rijdt, zou plaatshebben,--vertelden de

dorpelingen aan elkaar wat het zoal was in Congoland te leven.

Blink, de blikslager, die in zijn jeugd bij het Vreemd Legioen te

Algiers in dienst geweest was, vertelde onder ander tot een groep

voor zijn deur geschaarde dorpelingen, dat het in Congoland zó

verschrikkelijk heet was dat Massijn er na enkele maanden pikzwart

van huid zou worden, net zoals de zwarte prinsen die met hem te

Akspoele geweest waren.

Verwarde uitroepingen weergalmden, een oud vrouwtje, met verwilderde

ogen, vroeg bevend aan de snoevende blikslager, of Massijns ziel ook

zwart zou worden gelijk die van de negers, en of hij, na zijn dood,

evenals zij, eeuwigdurend in de hel zou branden.

--Neen, antwoordde Blink,--maar het is erg te vermoeden dat hij

zeer spoedig mensenvlees zal leren eten.

Een kreet van afschuw steeg op, mijnheren Potvlieghe, Spittael en De

Vreught, die uit _Den Appel_ kwamen en naar _Het huis van Commercie_

gingen, naderden de rondom Blink geschaarde groep.

--Tenzij, voegde deze erbij,--dat hij zelf door de negers of de

wilde beesten opgegeten werd.

En, zijn schitterend snoeversoog gevestigd op de drie heren,

vertelde hij een hem voorgevallen anekdote: een wildeman en zijn

familie, die, hem in een donker bos ontmoetend, hem aangerand hadden

om hem te doden en op te eten. Meer dan een halfuur lang had hij

ertegen moeten vechten, en terwijl hij rechts en links op de neger

en zijn vrouw met zijn sabel houwde om zijn leven te verdedigen,

sprongen hem de kleine negers voortdurend tussen de benen, waarin

zij beten met razend gegil, om hem het bloed uit 't lijf te zuigen.

--De littekens zijn nog zichtbaar op mijn dijen, is 't niet waar

vrouw? vroeg hij, zich omkerend tot zijn wederhelft, die, ernstig

met het hoofd knikte, om te bevestigen dat hij de loutere waarheid

zei.

Maar het sloeg acht op de toren en de groep ging uit elkaar, om

andere groepen te volgen naar de dorpsplaats, waar de postwagen van

Bavel elk ogenblik verwacht werd. Eenieder wilde nu Massijn

aanschouwen; hij was eensklaps voor het ganse dorp een vermaardheid

geworden; het was of dat enkel besluit naar Congoland te vertrekken

hem reeds fysiek zou veranderd hebben; of er van hem een ander mens

geworden was, die men nog niet kende.

Reeds was de oude, rood-, geel- en zwartgeverfde rammelkast aan het

uiteinde van de straat zichtbaar, toen meester Potvlieghe en zijn

gezellen op de met volk bezette dorpsplaats aankwamen. Van ver zagen

zij Massijn, die naast de koetsier op de bok zat, rechts en links

met zijn strohoed groeten, trots en gelukkig als een prins die na een

lange afwezigheid in zijn hoofdstad terugkomt. Hij was zeer netjes

in 't zwart gekleed, met een wit ondervest; en, gevouwen op de

linkerarm, droeg hij een splinternieuwe, grijze zomeroverjas. Zijn

geschoren aangezicht was bleek van trotse ontroering; zijn ogen

schitterden met een bijna onheilspellend-geestdriftige starheid;

zijn halfopen mond hijgde van hoogmoed, alsof hij gerend had.

En 't was als een dof rumoer van bewondering dat rillend door de

menigte liep, toen hij, bij het stilhouden van de ratelende postkar

van de bok steeg, en met tot meester Potvlieghe, als nu tot zijn

gelijke, uitgestrekte hand plechtig in 't Frans zei:

--Bo...onjour, cher mai...aître Potvlieghe, mai...aintenant

l'affaire est décidée; je...e pars le 28 du mois prochain par le

steamer Lou...oualaba a...avec mes bons amis les princes, Ba...adoe

et Soera.

Er heerste een ogenblik volkomen stilzwijgen, opnieuw gevolgd door

een dof rumoer van bijna eerbiedige bewondering. Haast niemand had

begrepen wat hij zei, maar allen voelden instinctmatig dat het iets

zeer belangrijks moest zijn; en terwijl hij met die heren, die hem

nieuwsgierig omringden en ondervraagden, de dorpsplaats verliet,

werd de tijding als spontaan van mond tot mond verspreid:

--Hij vertrekt bepaald naar Congoland, hij vertrekt de

achtentwintigste van de volgende maand!

De kreet weergalmde in de straat, werd ver en wijd herhaald door de

saamgeschoolde menigte. En niet alleen de winkeliers- of

arbeidersvrouwen, maar ook de dames en de dochters van de

welgestelde ingezetenen, kwamen nieuwsgierig bewonderend kijken,

terwijl Massijn, midden in de volksschaar die hem vergezelde elk

ogenblik stilhoudend, pompeus zijn hoed afnam en op de voortdurend

herhaalde vragen in het Frans antwoordde:

--Oui...i, madame, oui...i, ma...ademoiselle, mon départ est

i...irrévocablement fixé au 28 du mois prochain, par le stea...eamer

Lou...oualaba.

--Keert ge rechtstreeks naar uw huis terug, Fortuné, vroeg meester

De Vreught, toen zij voor _Het huis van Commercie_ kwamen.

--Nee...een, ik heb dorst, ik zou ga...aarne eerst een glas bier

drinken, antwoordde Massijn. En, met zijn gezellen en een aantal

andere nieuwsgierigen, besteeg hij de trappen van de herbergstoep.

Daarbinnen was Eulalie voortdurend onzichtbaar. Tot haar moeder, die

achter de schenktafel stond, vroeg Massijn met een air van

autoriteit waar of zij was. En daar deze antwoordde dat haar

dochter, een weinig ongesteld, zich te bed gelegd had:

--Welnu, sprak hij hoogmoedig, zonder zich het minst om de

ongesteldheid van zijn geliefde te bekreunen,--la...at haar van

mijnentwege weten, da...at ik de achtentwintigste van de

vo...olgende maand vertrek naar Co...o...co...congoland, met de

steamer Lou...oualaba, in co...ompagnie van mijn beste vrienden de

prinsen Ba...adoe en Soera.

En statig ging hij plaatsnemen aan een met dorpsheren omringd

tafeltje, waar hem een soort ovatie van bewonderende geestdrift te

beurt viel.

De Zwarte Kost · 第 5 / 16 题