"Was wär ein Gott der nur von Aussen stiesse,
Im Kreis das All am Finger laufen liesse?
Ihm ziemt's die Welt im Innern zu bewegen,
Natur in sich, sich in Natur zu hegen,
So dass, was in ihm lebt und webt und ist,
Nie seine Kraft und seinen Geist vermisst."
Göthe.
God is de bezielde natuur.
De aanhangers van het dualismus scheiden wel is waar, de kracht van
de stof, den geest van het ligchaam en God van de natuur, welken
zij als persoonlijken God nevens de natuur of tegenover de natuur
stellen en aanbidden. Maar op die wijze maken zij èn de natuur èn
zich zelven in den eigenlijken zin des woords God'loos. Zij verlagen
de schoone, overal levende en in millioenen polsen slaande natuur
tot een geesteloos, mechanisch uurwerk, dat slechts aan doode
wetten blind gehoorzaamt en van buiten de kracht moet ontvangen,
welke het drijft.--Voor mij zou de natuur al hare bekoorlijkheid
verliezen, indien ik haar als zoo een werktuigelijk knoeiwerk moest
beschouwen.--En wat maken de dualisten van hunnen God dien zij uit
de natuur hebben verdreven?--een horologiemaker die het raderwerk
heeft opgewonden en nu, in werkeloosheid verzonken, daar nederzit
en met behagelijke tevredenheid over zich zelven toeziet hoe alles
gaat. Aan het bestaan van zulk een God kan ik niet gelooven.
Eene kracht zonder iets stoffelijks waaraan zij gebonden is, mag
beschouwd worden als de voorstelling van iets onbestaanbaars, als een
zinledig, afgetrokken denkbeeld. Ik geloof hetgeen ik allerwege zie,
dat kracht en stof, geest en ligchaam Een, een onscheidbaar geheel
zijn. Er is derhalve niets dan de natuur, welke alles is. Maar even als
ons ligchaam bezield is en deze ziel in onze hersenen tot ontwikkeling
komt, zoo moet insgelijks de natuur, als geheel, eene ziel hebben,
welke algemeen bewustzijn bezit. In uitgestrektheid oneindig, in tijd
eeuwig en onvergankelijk--beweegt zich, steeds verjeugdigd in gestalte,
de bezielde stof. In den mensch, in het dier, in de planten is de
wereldziel met eene grootere of geringere hoeveelheid stof verbonden,
geindividualiseerd,--gebonden even als latente warmte. Deze verbinding
is zoo innig, zij bedient zich in hare ontwikkeling tot bijzondere
gestalten van planten, dieren of mensch zoo onveranderlijk getrouw van
de algemeene physische, zoomede van de bijzondere chemische krachten,
welke aan de elementaire stoffen en hare verbindingen behooren;
zij volgt de wetten waarnaar de werking dezer krachten plaats heeft,
zoo naauwkeurig en wijkt nimmer daarvan af; de wijze waarop zij zich
uit, is zoo volkomen evenredig aan de vormen welke zij aanneemt,--in
deze bloem, in gindschen boom, in den worm, in den kever, in het
werveldier (visch, vogel, hond, paard, wolf of mensch), zoowel in
de tijdelijke ontwikkelingstoestanden dezer geslachten, soorten en
individuen, in het kind, embryo, grijsaard of in den volkomen tot
rijpheid opgewassen mensch; deze uiting staat in zulk eene bepaalde,
als het ware aequivalente verhouding tot de bewerktuiging van elk
afzonderlijk wezen (den vorm en chemische zamenstelling), dat het
resultaat der ontwikkeling van het stille (passive) plantenleven tot
aan het menschelijke bewustzijn, van de kunstdrift van het insekt
tot aan den hoogsten trap van zedelijke ontwikkeling des menschen en
tot aan de volmaaktheid zijner scheppingen in wetenschap en kunst,
niet anders schijnt te zijn dan een gevolg van de onderscheidene en
onder verschillende omstandigheden plaats grijpende zamenwerking
van deze zelfde stoffelijke krachten. Vele en zeer grondige
natuuronderzoekers zijn tot dit resultaat gekomen; zij kennen geen
anderen God dan de natuurnoodzakelijkheid, geene andere krachten
dan die welke onafscheidbaar aan de stof zijn gebonden (de algemeen
verbreide physische en de aan de grondstoffen en hare verbindingen
eigenaardige chemische krachten) en verwerpen daarentegen het geloof
aan onweegbare stoffen of onstoffelijke krachten, het geloof aan eene
ziel als een verhaal waarvoor geen feit is aangewezen, als een volkomen
ongegrond bijgeloof. Maar--tegen deze gevolgtrekking van zoogenaamde
materialisten kunnen eenige gewigtige bedenkingen in het midden worden
gebragt. Ik wil niet spreken van eene zedelijke wereldorde, van een
zedelijk beginsel in den mensch, van den onuitputtelijken rijkdom
en de kracht van gedachten welke zich in de kunsten en wetenschappen
heeft geopenbaard,--ik wil niet spreken van de moeijelijkheid om den
verbazenden rijkdom aan gestalten in de dieren- en plantenwereld,
die echter voor elke soort niet alle organen welke het ligchaam heeft,
met alle eigenschappen en aandriften die het dier bezit, onveranderd
blijft,--of niet gewagen van de moeijelijkheid om de verscheidenheid
der geslachten bij eene en dezelfde soort af te leiden uit de algemeen
verbreide natuurkrachten (zwaartekracht, licht, warmte, electriciteit,
magnetismus, adhaesie-, cohaesie-, expansiekracht en capillaire
aantrekkingskracht, enz.) in verband met de eigenaardige chemische
krachten van eenige tientallen enkelvoudige stoffen, [41]--ik wil
slechts aan een feit herinneren, aan het bewustzijn in den mensch,
die van zijn aanwezen, van den toestand waarin hij zich bevindt en van
zijne eigendommelijkheden duidelijk en klaar bewust is. Waaruit heeft
dat zijn oorsprong?--Uit niets kan niets ontstaan en het bewustzijn,
al is het aan onze hersenen, derhalve aan stof gebonden, mag toch
geene physische of chemische kracht worden geheeten.
Elk natuuronderzoeker zal met mij instemmen, dat geene kracht, geene
stof, ja zelfs niet het allerkleinste deeltje eener stof nieuw ontstaan
kan, maar dat alles wat is, stof en kracht, moet beschouwd worden als
van eeuwigheid aanwezig te zijn geweest; wijders dat geene grondstof
in eene andere zich laat herscheppen. De gedaante, waaronder zij zich
voordoen, verandert; de 39 meer algemeen verbreide grondstoffen van
het 62 tal dat wij op aarde kennen, zoomede de zamenstellingen welke
zij vormen, gaan naar oude, eeuwige wetten onophoudelijk afwisselende
verbindingen aan; maar hare massa ziet zich met geen enkel atoom
verminderen of vermeerderen en evenzoo blijven de krachten, zoowel
de physische welke tot de stof in het algemeen, als de eigenaardige
chemische krachten die haren zetel hebben in de elementen en hunne
verbindingen, onveranderlijk dezelfden.
Gelijk niet elke afzonderlijke bliksemstraal welke uit eene onweerswolk
naar de aarde schiet, opnieuw geschapen wordt, maar slechts
de zigtbare ontlading is eener algemeen verbreide (electrische)
kracht, derhalve voortvloeit uit eene reeds lang bestaande bron,
op gelijke wijze kan het bewustzijn in den mensch niet dan uit eene
reeds bestaande algemeene bron worden afgeleid. Of zou dit bewustzijn
elken dag geheel nieuw--uit niets--in millioenen van menschen zich
ontwikkelen, terwijl de natuur zelve zonder bewustzijn is, die toch
den mensch voortbrengt, hem doet opgroeijen, die al zijne ledematen,
al zijne zinnen en inwendige organen tot eene harmonische ontwikkeling
brengt en dit alles verrigt zonder toedoen van den mensch, ja, zonder
dat hij zelfs het geringste daartoe bijdragen of daaraan veranderen
kan?--Zouden welligt de chemische krachten van de waterstof, de zuur-,
kool- en stikstof, van den phosphorus, der alkaliën, aardsoorten,
enz., en van hare verbindingen, die in de genuttigde voedingsmiddelen
bij de ontwikkeling des ligchaams door eene immer voortdurende
stofwisseling werkzaam zijn, die aan de ijzeren natuurwet harer
wederkeerige verwantschap, dat wil zeggen aan de haar eigenaardige,
door tegenstellingen veroorzaakte neiging om zich met elkander te
verbinden, gehoorzamen en die zonder te weten wat zij doen, bloed,
beenderen, spieren, hersenen en andere deelen vormen,--zouden het deze
krachten der elementen zijn, welke in het hersengestel dat daaruit is
ontstaan, plotseling beginnen te denken en tot bewustzijn geraken? Zou
het bewustzijn kunnen voortkomen uit eene natuur, die geene bewustheid
bezit en aan het kind, het schepsel, den mensch eene hoogere mate van
volkomenheid eigen zijn dan aan zijne moeder, de schepperin welke hem
het aanzijn gaf; zou hij rede en bewustzijn bezitten, terwijl in deze
slechts wetten en krachten in werking zijn, die geheel bewusteloos
haren invloed doen gelden?--in deze natuur waarvan hij toch zoo
geheel afhankelijk is, dat hij bij elken ademtogt zijne magteloosheid
ondervindt en de duizendvoudige keten gevoelt waarmede hij aan haar
is verbonden?--Dat toch zou het grootste van alle wonderen zijn,
waaraan het mij niet mogelijk is te kunnen gelooven!
Neen. Dit is in lijnregten strijd, zoowel met de rede als met de wetten
der natuur.--Het feit van het aanwezen van eene bewustheid in den
mensch doet het bestaan van een algemeen bewustzijn veronderstellen,
eener natuurziel, die zich van gene stoffen en van de daarin aanwezige
krachten slechts als middelen bedient om, naar eeuwig onveranderlijke
wetten, in de plant als plantenziel, in het dier als dierenziel en
in den mensch als menschenziel tot ontwikkeling te geraken.
Moge ons de wijze waarop, en de weg waar langs dit bewustzijn tot ons
komt, volkomen onbekend zijn; het schijnt toch dat ons denkvermogen
met stoffelijke krachten allengs in ons ontwaakt; de loop der gansche
zaak schijnt ons raadselachtig toe, dewijl het embryo, de kiem in
het ei, het bevruchtende zaad nog geen bewustzijn bezitten en wij ons
het tijdstip niet meer kunnen herinneren, waarop wij voor de eerste
maal tot ons zeiden: "ik ben;"--thans zijn wij echter inderdaad en het
bewustzijn is in ons ontwaakt----; laat ons voor een oogenblik in eene
nadere beschouwing van den bliksem treden: hoevele menschen hebben
niet, gedurende verscheidene eeuwen, geloofd dat elke bliksemstraal
een afzonderlijk iets was, dat door de hand van een bovenmagtig wezen,
min of meer in de gedaante van een dondersteen, uit den hemel werd
geslingerd; maar zij kenden de bron, de algemeene kracht niet waaruit
de bliksemstralen voortvloeijen, evenmin als den weg, de wet die
deze kracht tot aan hare ontlading volgt! en hoe vele pogingen van de
natuurkundigen, hoe vele proefnemingen en scherpzinnige onderzoekingen
heeft het niet gekost om de wetten der electriciteit na te vorschen,
als het ware de wegen te leeren kennen, welke de electriciteit
volgt en de omstandigheden die daarop invloed uitoefenen, totdat de
schitterende bliksemstraal te voorschijn komt!--Zouden wij nu daarom
niet aan het bestaan der ziel gelooven, dewijl voor ons kenvermogen
de weg in duisternis is gehuld, langs welken zij in ons binnenste komt?
Het denkvermogen, het bewustzijn in den mensch aanwezig, is tevens het
eenige onomstootelijke bewijs van het bestaan van God, dewijl alle
andere aangevoerde bewijzen eerst van dit feit van het bewustzijn
uitgaan en daarop steunen.
"Ik denk, derhalve ben ik." Ik ben: God is.--Dit heet inderdaad: ik
ben God, gij zijt God, hij is God; gindsch zachtaardig meisje hetwelk
den kranke of gewonde zoo liefderijk verpleegt, is God evenzeer als
deze sluipmoordenaar, die zijn naaste in de duisternis vervolgt en hem
van het leven berooft, om zich van zijn geld meester te maken,--en de
gruwzame tijger is insgelijks God evenzeer als de arme geit welke hij
heeft aangetast en waarmede hij in den bloedigen muil wegsnelt.--God
is de (bezielde) natuur. Buiten haar is niets.
Uit deze leer volgt: ten eerste dat het voortbestaan der menschelijke
ziel na den ligchamelijken dood slechts in zoo verre denkbaar is, als
aangenomen mag worden dat de algemeene wereldziel alle eigenschappen,
welke het deel zijn onzer geïsoleerde d. i. menschelijke ziel
en waaronder herinneringsvermogen, geheugen moeten gerangschikt
worden, insgelijks, doch in een veel hoogeren graad van volkomenheid
bezit. Zoodra ons menschelijk aanzijn waarin God latent is (als het
ware zich zelven niet meer kent), opgehouden heéft te bestaan, moeten
wij, hiernaar te oordeelen, wederom een integrerend deel der algemeene
zielkracht (der Godziel) worden; maar de herinnering onzer bij deze
ziel (eigenlijk van ons aan ons zelven, in den toestand van het vrij
zijn aan dien van het gebonden zijn) zal eeuwig blijven bestaan. De
menschelijke ziel staat tot de goddelijke ziel in dezelfde verhouding
als vrije tot latente warmte.--Aan te nemen dat de menschelijke ziel
ook na den ligchamelijken dood nog geïsoleerd--als op zich zelve
staande--zal blijven voortduren, is even ongerijmd als te gelooven,
dat elke afzonderlijke bliksemstraal als zoodanig onsterfelijk is,
terwijl toch slechts de algemeene kracht, namelijk, de electriciteit
welke den bliksemstraal deed ontstaan, onvergankelijk is. Hoe toch is
het mogelijk tot het denkbeeld te komen, dat eenig ding afzonderlijk
of individueel kan bestaan, hetwelk gelijk eens menschen geest, nadat
het ligchaam ontbonden en in andere toestanden van het materiële
aanzijn overgegaan is, noch vorm noch inhoud meer bezit?--Slechts
als algemeene geestelijke kracht is het bestaan der ziel denkbaar,
dewijl de natuur (in de bijzondere gevallen, wel is waar, veranderlijk
en aan afwisseling onderhevig) als geheel beschouwd inderdaad vorm
en inhoud heeft, die eeuwig en onvergankelijk zijn; de menschelijke
ziel daarentegen kan als beperkt wezen, als individu slechts zoo
lang bestaan, als het verband tusschen haar en de stof blijft
voortduren.--Wat toch zou er uit al deze afzonderlijke zielen
moeten worden, indien zij elk op zich zelve en afgescheiden van
elkander konden voortbestaan, dewijl het menschelijke geslacht zich
onophoudelijk vernieuwt en het tal van individuen, indien alles op
dien voet nog eenige millioenen jaren voortgaat, ten slotte tot in het
oneindige moet aangroeijen? De geologie leert ons dat er eenmaal een
tijdperk was, gedurende hetwelk nog geene menschen op de aarde aanwezig
waren, hoewel zij, door allerlei dieren bewoond, reeds vele millioenen
van jaren had bestaan. Slechts hetgeen nimmer een aanvang had, dat
kan eeuwig en onsterfelijk zijn. Wij menschen echter zijn slechts
gedachten Godes en kunnen alléén in zijne herinnering voortleven.
Er komen misgeboorten voor die op een gemeenschappelijk ligchaam twee
koppen en halzen hebben, of uit twee geheel afzonderlijke ligchamen
bestaan welke slechts op eene plaats aan elkander verbonden zijn,
gelijk het geval was met de bekende Siamesche gebroeders Chang en Eng
in de streek van het zwaardvormig kraakbeen of met de Hongaarsche
gezusters Helena en Judith die slechts met de achterzijde des
ligchaams aan het heiligbeen vereenigd waren en den ouderdom van
22 jaren bereikten. In deze gevallen behooren vele aandoeningen en
verrigtingen des ligchaams gemeenschappelijk aan beide individuen
en de gewaarwordingen in het onderste gemeenschaplijke deel van het
ligchaam wekken gelijke denkbeelden op te gelijker tijd in beider
brein. Hoe zal nu hier met de zielen gehandeld worden, indien deze
afzonderlijk moeten voortleven?
Ten tweede. De mensch bezit geen vrijen wil, evenmin als de plant en
het dier. Mag van de bij gezegd worden dat zij een vrijen wil bezit,
wanneer zij cellen bouwt en honig verzamelt, moet zij zulks niet
doen?--Weet de kruisspin hoe de draad in haar binnenste wordt gevormd,
waaruit zij haar net spint; kent zij de reden waarom zij juist zulk een
regelmatig web spint, welks draden gedeeltelijk uit één punt uitloopen
om hetwelk de overigen concentriek worden gesponnen? heeft het van
haar afgehangen dat zij niet eene bij, maar wel eene spin is?--spint
zij daarentegen niet, dewijl zij door hare bewerktuiging, door eene
zekere aandrift onweêrstaanbaar daartoe gedwongen is?--Is de hond
vrij, wanneer hij zijn meester volgt, weet hij waarom hij getrouw,
waarom hij hond is? kan hij het veranderen--is de mensch in staat
te veranderen dat hij mensch is, dat deze roodkleurige, gene zwarte
haren heeft? Heb ik het geringste tot mijn ontstaan bijgedragen, ben
ik niet geheel en al buiten mijn toedoen op de aarde geplaatst en zal
ik niet op gelijke wijze, zonder dat ik daartoe de vergunning geef,
van de wereld worden afgehaald, zonder dat ik kan te weten komen,
wanneer deze gebeurtenis die mij van zoo nabij aangaat, zal plaats
grijpen?--Is het mijne schuld, dat ik driftig van aard ben, terwijl
ik liever een phlegmatisch temperament had gehad, dat ik niet in
Hongarije, maar aan de Hollandsche kust ter wereld ben gekomen, dat
mijne ouders Christenen en geene Joden waren, dat ik een driftigen aard
van mijn vader, eene groote gevoeligheid van karakter heb overgeërfd
van mijne moeder?--Weet ik waarom ik een afkeer gevoel voor wortelen
en rapen of voor stokvisch en om welke reden ik gaarne spinasie en
bloemkool eet? Is dat alles niet geheel en al gedwongen? Hoe kan de
mensch een vrijen wil hebben, daar hij van al hetgeen aan hem is,
zelf niets heeft gevormd, maar dewijl alles zoo en juist zoodanig
als het is, hem gegeven is geworden?--Slaat zijn hart niet naar
werktuigelijke en natuurkundige wetten, even als een uurwerk zoo en
zoo vele malen in elke minuut zonder zijn toedoen,--haalt hij niet,
geheel onbemerkbaar, zoo en zoo vele keeren adem in elke minuut en
moet hij dit niet doen, ten einde niet te stikken en op die wijze het
leven te verliezen? Dwingt de honger hem niet om voedsel tot zich te
nemen, noodzaakt de dorst hem niet tot drinken, dwingt hem de wellust
niet met kracht tot vleeschelijke liefde (ten einde door voortplanting
het menschelijke geslacht in stand te houden),--verpligt hem niet een
pijnlijk gevoel, de overblijfselen der verteerde spijzen (benevens
andere afgescheidene stoffen) uit het ligchaam te verwijderen--en
houdt de vrees voor den dood hem niet terug van in het water te
springen, dewijl hij in het leven blijven moet?--In dit alles ligt
niets vrijwilligs. Nu echter zegt men, "de geest, de ziel is toch
vrij!"--Neen; ook deze is niet vrij. Ziel en ligchaam, kracht en
stof zijn slechts één geheel en ook deze ziel werd ons met de stof
gegeven zoo als zij is, dat wil zeggen, in zoodanige verbinding met de
bewerktuigde stof dat zij zich onder de bepaalde omstandigheden welke
invloed er op uitoefenden, niet anders ontwikkelen kon en zich thans
niet anders uiten kan dan--juist zoo als zulks geschiedt. De domme
zou ongetwijfeld liever schrander zijn, indien het van hem afhing; de
platte of ingedrukte vorm des schedels veroorlooft het hem niet. De
verlichte heeft zijne bekwaamheid (de aanleg om verlicht te zijn)
in het hoog gewelfde voorhoofd van de natuur ontvangen en kan niet
dom en bijgeloovig zijn, al wilde hij zulks, en even zoo is het den
goeden, deugdzamen mensch onmogelijk, slecht en misdadig te handelen,
terwijl de booze mensch zich menigwerf door eene onweêrstaanbare
neiging tot het plegen van misdaden gedrongen gevoelt.
Ongetwijfeld (antwoordt men hierop) kunnen ligchamelijke
omstandigheden invloed uitoefenen op de zedelijke handelingen des
menschen, maar desniettemin blijft ons besluit, de laatste uiting
van onzen wil toch vrij. Indien ik heden of morgen naar de kerk of
naar den schouwburg wil gaan en ik met het volle bewustzijn van mijn
voornemen van twee dingen het eene kies, b. v. wanneer ik den meer
gemakkelijken, maar langeren weg vermijd en den korteren weg insla,
hoewel hij smal en glibberig is, of indien het leven mij ten last is
en ik aanstalten tot zelfmoord maak, wie of wat verhindert mij het
eene te doen of het andere te laten? is in al deze gevallen mijn
wil die tot het een of het andere besluit, niet vrij?--Neen; deze
vrijheid is eene begoocheling; onze wil schijnt ons toe vrij te zijn,
dewijl de natuurlijke band welke oorzaak en gevolg verbindt, voor
ons oog verborgen is, of dewijl de verschijnselen te ingewikkeld,
te zaâmgesteld zijn, dan dat het verband naar de wetten die het
regelen, duidelijk door ons zou worden ingezien. [42] Dat een
dergelijke zamenhang niettemin werkelijk bestaat, dat insgelijks
de verschijnselen in den zedelijken kring waarin de mensch zich
beweegt,--zijne denkbeelden, zijne besluiten, zijne handelingen--de
noodzakelijke gevolgen van natuurlijke oorzaken zijn die haren invloed
op hem uitoefenden, dit leeren ons de onderzoekingen van Quetelet
[43] en van Fransche en Engelsche staathuishoudkundigen, waaruit is
gebleken dat het aantal misdaden van elke soort steeds eene bepaalde
breuk van het getal der bevolking is, op grond waarvan men (indien de
omstandigheden onveranderd dezelfden blijven) vooraf kan opgeven, hoe
vele diefstallen, hoe vele moorden uit jaloezij, moorden uit hebzucht,
hoe vele kinder- en zelfmoorden (gemiddeld genomen) binnen den tijd
van een jaar onder de bevolking der verschillende landen en klimaten
voor een bepaald aantal individuen, b. v. eene misdaad op duizend
of 600 individuen--gepleegd zullen worden. Gelijk bekend is heeft de
groote Belgische sterrekundige deze statistieke regelmatigheid in de
verrigtingen van den menschelijken geest het eerst door vaste getallen
aangetoond en bewezen, dat insgelijks onze zedelijke eigenschappen,
even als de neiging: aan de verlokkingen (ten kwade) die invloed op ons
uitoefenen, aan de hartstogten welke ons in beweging brengen, gehoor
te geven (waaruit misdaden ontstaan), aan vaste wetten gebonden zijn.
Het regtstreeksche physiologische bewijs dat de wil door stoffelijke
bewegingen, door electrische stroomingen in het zenuwstelsel wordt te
weeg gebragt, is in de latere jaren door Du Bois-Reymond, Moleschott en
anderen geleverd geworden; ik zal trachten den lezer het hoofdzakelijke
omtrent dit punt mede te deelen.
Bewegende en gevoelende zenuwdraden loopen van alle deelen in den
omvang des ligchaams naar de hersenen en het ruggemerg, waar zij digt
nevens elkander liggen. De gevoelende zenuwdraden (of gelijk men zegt
terugwaarts loopende draden) planten de indrukken of den prikkel van
de oppervlakte des ligchaams voort naar de hersenen, waar zij deze
op eenen bewegenden (of regtloopenden) zenuwdraad overbrengen, welke
nu de stoffelijke verandering weder naar den omvang des ligchaams,
tot in de spieren voortplant, die zich zamentrekken (verkorten) en
het lid daardoor bewegen.--Eene beweging wordt willekeurig genoemd,
indien in de hersenen de prikkel der gevoelende zenuwdraden, als
gewaarwording tot bewustzijn komt, alvorens de beweging plaats heeft,
derhalve dan wanneer de gevoelszenuwdraad den indruk des prikkels
tot aan de hersenen sterk genoeg voortplantte;--overgebragte
of reflexbeweging echter wordt de zoodanige geheeten, waarbij de
prikkel volstrekt niet of slechts zeer zwak het bewustzijn er van in
de hersenen deed ontstaan. Indien een slapende (zonder te ontwaken)
zich met de hand wrijft ter plaatse, waar hij door eene mug wordt
gestoken, dan heeft er eene reflexbeweging plaats (hij gevoelt den
steek niet, het overbrengen van den prikkel in de hersenen van den
gevoelszenuwdraad op de bewegende draad geschiedde zonder dat hij
vooraf tot bewustzijn kwam);--wanneer de gewaarwording echter tot
bewustzijn opklimt, wanneer een wakende naar de mug slaat, dan noemt
men de beweging welke hij maakt (zeer oneigenlijk) eene "willekeurige"
beweging. Tusschen beiden bestaat echter geene scherpe grens; want
hoe onverwachter wij een wakende kittelen, des te zekerder is het
dat hij zal lagchen, en menigwerf ontwaakt een slapende nog, nadat de
onwillekeurige beweging reeds had plaats gehad, hij hoort b.v. slechts
nog den zwakken nagalm des donders welke hem heeft doen ontwaken.
Even als het geval is met de prikkels welke door middel van het
zintuig des gevoels en des gehoors op ons werken, zoo is het ook
gelegen met de overigen, b. v. met het licht dat het netvlies van het
oog prikkelt. Wanneer wij een boek of een brief lezen die ons tot het
verrigten eener daad opwekt, dan geschiedt hier volkomen hetzelfde,
maar de gewaarwording deelt zich door middel van de oogzenuw mede
aan de hersenen en gaat van daar door de bewegingszenuwdraden naar
de andere organen of ligchaamsdeelen.
Proefnemingen met de meest mogelijke naauwkeurigheid gedaan,
hebben het bewijs opgeleverd dat al deze bewegingen geschieden door
middel van electrische stroomingen in de zenuwen en spieren, en wij
kunnen den arm niet buigen zonder dat een electrische stroom van de
hand naar den schouder gerigt worde. De electrische stroomingen en
hare veranderingen kunnen wederom slechts ontstaan ten gevolge van
veranderde stoffelijke toestanden in de zenuwen en in de hersenen
(te weeg gebragt door zinnelijke prikkels), en derhalve kan zonder
eene dergelijke stoffelijke verandering geene beweging tot stand komen.
De beweging kan derhalve niet het uitvloeisel zijn van een zoogenaamden
vrijen wil, maar de wil zelf is slechts de noodzakelijke uitdrukking
van een toestand der hersenen, ontstaan en gewijzigd door een invloed
van buiten. Zelfs wanneer de natuuronderzoeker eene proefneming
doet, is dit geene daad van den vrijen wil; want de proefneming is
het gevolg eener gedachte en de gedachte is eene beweging der stof,
welke zelve wederom het gevolg eener zinnelijke waarneming was.
Hoe toch kan de mensch een vrijen wil hebben, daar hij van het
hoofd tot de voeten, van de moederlijke borst tot aan het graf
geheel gedwongen is hetgeen hij is,--daar hij niet in staat is het
kleinste haar zijns ligchaams te laten groeijen of te doen uitvallen,
wanneer hij zulks mogt wenschen, en daar hij zelfs de vlugtigste
gedachte zijner ziel niet als het uitvloeisel kan beschouwen van
een eigenmagtigen wil. Ja, indien ik zeggen kon: "tijd, sta een
oogwenk stil," en hij stond werkelijk stil, dan was ik vrij. Maar
zelfs staande den duur dezer gedachte leeft de tijd in mij voort,
de gedachte zelfs is slechts een gewrocht des tijds: hoe kan zij dan
vrij zijn? hoe kan ik een vrijen wil hebben? Ik wordt immers door
overmagtige krachten zonder ophouden voortgestuwd! "De mensch is het
gewrocht van ouders en voedster, van plaats en tijd, van lucht en
weêrsgesteldheid, van voedsel en kleeding, van geluid en licht." Zijn
wil is het noodzakelijke gevolg van al die oorzaken, gebonden aan
eene natuurwet, die wij aan de verschijnselen er door te weeg gebragt,
herkennen. De wilsuiting staat als werking steeds in eene regte rede
tot de oorzaak welke haar voortbrengt. Zou b.v. de beschouwing welke
ik in dit opstel heb ontwikkeld, of het op 't papier brengen er van,
ja, slechts een enkele der daarin voorkomende woorden, het resultaat
van mijn vrijen wil zijn?--
Bezwaarlijk kan zulks het geval zijn; ik kan niet anders denken,
ik moet zoo denken; het is niet anders dan het noodzakelijke gevolg
van oorzaken, die hare werking op mij hebben uitgeoefend en waarvan
eenigen (zoo als b. v. het vergaan van een schip met vele mij dierbare
personen) mij bekend, anderen mij niet bekend zijn, of waarvan ik ter
naauwernood eenig vermoeden kan hebben, maar die mij niettemin tot
nadenken bragten en dit tegenwoordige geschrift als het resultaat der
eerste werking ten gevolge hadden. Niets kan vrij zijn, dat in tijd
en ruimte leeft. Slechts wat tijd en ruimte zelf is, d. i. God, kan
een vrijen wil hebben.--En indien iemand gelooft dat Jezus ten hemel
gevaren is, een ander daarentegen het niet gelooft, zelfs zijne stem
er tegen verheft en boeken schrijft waarin hij dat geloof als een
schadelijk bijgeloof verwerpt: wie van beiden heeft dan een vrijen
wil?--beide?--of is het gelooven bij genen en het niet gelooven bij
dezen niet een gevolg van natuurlijke oorzaken en omstandigheden des
levens, die op ieder van hen op verschillende wijze en in verschillende
mate invloed hebben uitgeoefend?--Kunt gij, broeder Dag, b. v. gelooven
wanneer gij wilt, dat God een zoon of eene dochter, of eene moeder
en grootmoeder heeft? Ik betwijfel het en even onmogelijk zal het
genen zijn, zoo te denken en te gelooven of niet te gelooven, als
de ziel in uwe hersenen doet. Eene onverbiddelijke natuurwet maakt
ons tot hetgeen wij zijn. Wij moeten zoo handelen, zoo denken gelijk
ieder doet. "Hier sta ik, ik kan niet anders. God helpe mij. Amen,"
zeide Luther en ik voeg er bij: wij denken eigenlijk niet, wij leven
niet,--wij zijn hier niet uit eigen wil, wij zijn niets uit vrije
keuze,--vroeger waren wij niet, later zullen wij niet meer zijn:--wij
worden geleefd. Wij zijn gedachten Godes. Ons uiterlijke staat onder
den invloed der algemeene natuurkrachten en ons binnenste gehoorzaamt
(gelijk een nieuwe, geestige denker zegt) aan drie absolute, goddelijke
magten--rede, wil en liefde--welke ons bezielen, drijven, beheerschen
en die volstrekt onweêrstaanbaar zijn. Er kan slechts een vrije wil
in de gansche wereld zijn en deze zelfs schijnt ons toe niet vrij
te zijn, dewijl hij zich slechts uit naar vaste wetten, waarvan hij
(zoo ver menschelijke waarneming reikt) nog nimmer is afgeweken.
Ten derde. Er bestaat geen absoluut onderscheid tusschen goed en
kwaad, dewijl het kwade slechts de noodzakelijke tegenstelling, de
schaduwzijde van het goede is. Alle individuen zijn goed in hunne
eigene schatting en wie zou willen beweren, dat de tijger of wolf
onregt pleegt wanneer hij, om het leven te behouden, gedwongen is
eene arme geit of een mensch te dooden en op te vreten?--Indien nu
echter de mensch geen vrijen wil heeft, maar de wil een aan vaste
wetten onderworpen natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg
van voorafgegane oorzaken is, dan wordt daardoor--'t is waar--aan
de zedeleer, in den gewonen zin, haar grondslag ontnomen en de
toerekenbaarheid, de verantwoordelijkheid van het individu houdt
op te bestaan. Er behoort derhalve een andere maatstaf ter hand te
worden genomen ter beoordeeling van goed en van kwaad, van deugd
en ondeugd, dan vroeger is gebezigd. Deze zedelijke maatstaf moet
worden gevonden in de natuur des menschen zelve.--"Goed is, hetgeen
op een bepaalden trap van ontwikkeling beantwoordt aan de behoefte
der menschheid; kwaad is, dat strijdt met hetgeen zij vereischt--en
het regt om te straffen ligt in de ingeschapen zucht tot zelfbehoud,
welke het geslacht beheerscht. Het regt daartoe wordt grooter naar
gelang van de behoefte er aan. De straf zelve wordt slechts dan
tot eene misdaad, wanneer zij (gelijk de doodstraf) onmenschelijk,
wanneer zij gruwzaam is."
Er blijft derhalve voor het gezellige verkeer niets anders over,
dan de gewone verhouding der theorie tot de praktijk om te keeren en
het gemis aan vrijen wil als eene praktische waarheid te beschouwen,
maar daarentegen theoretisch aan te nemen en zich in te beelden dat de
mensch een vrijen wil heeft en overeenkomstig hiernaar te handelen,
hetgeen in het empirisch leven buitendien reeds ieder doet.--De
tegenwerping dat het geloof aan een niet vrijen wil een verlammenden,
verzwakkenden invloed op het karakter zou uitoefenen en dat de
leer der onverantwoordelijkheid het individu tot zucht naar genot,
tot buitensporige bevrediging van zinnelijke lusten zou vervoeren,
steunt op geen redelijken grond, en wel hierom dewijl de wil aan
vaste wetten is gebonden, dewijl hij een natuurverschijnsel is en
de mensch niet in staat is zijne hartstogten naar willekeur bot te
vieren.--De grondslag der zedeleer behoort te zijn: de overtuiging,
dat de deugdzame en wijze mensch meer geluk en meer genot in het leven
zal hebben, dan de booze en domme; men moet de menschen inprenten en
hen aansporen op grond hiervan naar deugd en wijsheid te streven.
Tegen deze mijne beschouwing--welke God voor de natuur zelve
houdt en in alles wat leeft, slechts God ziet, dat wil zeggen
gedaanteveranderingen Gods, of verbindingen der wereldziel met
verschillende deelen en hoeveelheden stof, als het ware (op de wijze
der Brahminen gesproken) vleeschwordingen Gods,--mag de tegenwerping
niet worden gemaakt, dat dan de gansche wereld een kluchtspel zou
schijnen te zijn, een spel van God met zich zelven, waarin geen zin,
geen redelijk doeleinde is te ontdekken!--Wanneer ik u thans vraag
wat dan naar uwe wijze van beschouwing het eigenlijke doel des levens
zijn moet,--waar dit bonte, veelvormige en aan vele wisselvalligheden
onderhevige aanzijn der schepselen die elkander menigwerf verslinden,
zou heenvoeren; waarheen het onophoudelijk drijven der menschen zou
geleiden, die elkander zoo menigwerf beoorlogen en in den krijg of
door epidemische ziekten dikwerf bij duizenden plotseling weggeraapt
worden en die op elkander bij millioenen van geslachten volgen,
waarvan het eene geslacht uit de graven van het voorbijgegane
opgroeit;--wanneer ik u nu vraag, wat dan het eigenlijke doel is
der gansche in de ruimte bestaande en door den tijd doorleefde
wereld? welk antwoord kunt gij mij daarop geven dan "nescio," of
"zij is een droom, eene gedachte van den wereldgeest," of indien
gij toch iets wilt zeggen om althans een streven naar een doel uit
te drukken en waartoe geologische nasporingen gegronde aanleiding
geven: "de wereld ontwikkelt zich naar een onbekend! doel; alles
wordt beheerscht door eene alles doordringende wet van gestadige
herschepping en omzetting, welke zich echter doet kennen als eene
voorwaarts strevende, meer de volkomenheid naderende ontwikkeling;
waar en waarmede deze echter aanving en waarheen zij zal geleiden,
wanneer en waarmede zij zal eindigen, hiervan is ons niets bekend."
Wat betreft de ontwikkeling der bewerktuigde wezens, ten deze opzigte
wordt door de meeste natuuronderzoekers geen twijfel meer gevoed,
dat de onderscheidene soorten van planten en dieren niet dadelijk
van den aanvang af die mate van volkomenheid hebben bezeten, welke
wij thans bij hen waarnemen, maar dat in de groote geologische
tijdperken scheppingen van hooger bewerktuigde planten en dieren
op lager staande, op meer eenvoudige zijn gevolgd en dat minder
volkomen wezens gedurende den loop van duizenden, ja, millioenen van
jaren--door van lieverlede plaats grijpende veranderingen in hunnen
bouw, welke gelijken tred hielden met veranderingen van klimaat
(warmte, drukking der lucht, vochtigheid, grooteren of geringeren
rijkdom der atmospheer aan koolzuur en vele andere omstandigheden in
verband staande met de natuur, welke hen omringt),--zich tot hoogere
volkomenheid hebben ontwikkeld. Naar de analogie te oordeelen, was ook
de mensch niet van den aanvang af hetgeen hij thans is, maar heeft ook
hij verschillende physische ontwikkelingsgraden doorloopen, waarmede
ongetwijfeld ook de telkens zich kenbaar makende zielsuitingen even
als alle andere hoedanigheden in overeenstemming waren, wat betreft
de mate harer volkomenheid of onvolkomenheid. Indien op grond van
sommige nieuwe onderzoekingen als waarschijnlijk mag worden aangenomen,
dat de menschen uit een apengeslacht zijn voortgesproten en dat onze
oudste voorvaderen apen (Chimpanse's of Orang oetang's en Pongo's)
zijn geweest, daarin moge voor onzen trotsch iets vernederends
gelegen zijn; maar het is niet te min waar, dat de ligchaamsbouw
der onvolkomenste menschen welke tegenwoordig op de aarde leven, de
oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland (Australië)--in den vorm
van gelaat en schedel, dikken buik, hunne lange, smalle ledematen en
dunne kuiten--eene groote mate van overeenkomst hebben met de vormen
der hoogere aapsoorten, welke zij in hoedanigheden des geestes slechts
weinig overtreffen, dewijl zij eene hoogst onvolmaakte taal hebben,
een geheel dierlijk leven leiden, geene vaste woonplaatsen bezitten,
geene hutten bouwen en niet verder dan tot 7 kunnen tellen. Door de
geloofwaardigste reizigers is daarentegen bevestigd geworden, dat de 5
à 6 voet hooge Chimpanse (Pithecus Troglodites) hutten bouwt, zich bij
het gaan van afgebrokene takken bedient en daarmede slagen uitdeelt,
negerinnen rooft welke hij in eene gruwzaam wellustige gevangenschap
houdt, en dat men hen (tam gemaakt zijnde) zeer gemakkelijk kan leeren
aan tafel aan te zitten even als een mensch, of achter den stoel te
staan om te bedienen.--Dat de geestvermogens bij de dieren van die
des menschen niet in aard (qualitatief), maar slechts in de mate welke
zij er van bezitten (quantitatief) verschillen, dat leert ons op eene
onwedersprekelijke wijze eene onbevooroordeelde beschouwing hunner
zielsverrigtingen en eene opmerkzame vergelijking van hunne hersenen
en van hunnen schedel met dien van het Australische menschenras,
der negers en van het Kaukasische menschenras. "Door het verstand
van den hond bestaat de wereld," zegt een der oudste gedenkteekenen
van menschelijke beschaving, de heilige schrift der Zend Avesta,
en langs welken weg, in welke verbinding met organische stof,
in welken dierlijken vorm het verstand het eerst op aarde gekomen
(dat wil zeggen, uit de stof het eerst zich een weg heeft gebaand,
tot ontwikkeling gekomen) is, dat weten wij niet.
Elk landbouwkundige kent het merkwaardige verschijnsel dat het gevolg
is van het kruisen van rassen onzer tamme dieren, waaruit steeds
edeler vormen voortspruiten. Ook de bastaarden der verschillende
menschenrassen zijn vruchtbaar. Om de bestendigheid der soorten
(species) wat de verschillende dieren betreft, te bewijzen en
aan te toonen dat de onderscheidene diersoorten, wel is waar,
bastaarden kunnen verwekken, maar dat zij niet zamensmelten, dat
geene tusschenvormen, tot de voortteeling geschikt, kunnen worden
voortgebragt, beroept men zich gewoonlijk op de bastaarden welke het
gevolg zijn eener paring van een ezel met eene merrie, zoomede van
een hengst met eene ezelin, op de muildieren en muilezels welke in
den regel onvruchtbaar zijn. Maar in dit opzigt is onze ervaring
zeer beperkt en strekt zij zich uit over een zeer gering getal
soorten.--Niet alle gevallen waarin individuen van onderscheidene
diersoorten zich gepaard en bastaarden geteeld hebben die weder
vruchtbaar waren, zijn ter mijner kennis gekomen. Van het konijn
(Lepus Cuniculus L.) met den gemeenen haas (Lepus timidus L.), en
van dezen met den Alpen- of witten haas (Lepus variabilis L.) is
het echter bewezen; ook de bastaarden van gemzenbokken (Antilope
Rupicapra L.) met tamme geiten (Capra Hircus L.) [44], van vossen
(Canis vulpes L.) met teeven (Canis familiaris L.), van honden met
wolvinnen (Canis Lupus L.), en van steenbokken (Capra Ibex L.) met
geiten, waren vruchtbaar. Er bestaat wijders volstrekt geen grond om
aan te nemen dat, behalve de hier genoemden (waarbij het toevallig
werd waargenomen), niet nog vele andere verschillende diersoorten
vruchtbare bastaarden kunnen teelen, indien slechts de bouw hunner
geslachtsdeelen zoodanig is, dat de paaring kan plaats grijpen. En
mogten de bastaarden van eenige dezer dieren thans onvruchtbaar zijn,
dan mag hieruit nog niet het besluit worden getrokken dat de bastaarden
van andere diersoorten in den voormaligen tijd, onder den invloed
van een geheel ander klimaat onvruchtbaar waren.--Om kort te gaan,
het voortteelingsvermogen der bastaarden van een aantal verschillende
diersoorten van den huidigen tijd is bewezen. Stel nu, dat eenige
Chimpanseapen negerinnen hadden bezwangerd en dat de bastaarden,
door haar gebaard, onderling zich voortplanten, later dan weder met
negers of Australiërs (welke laatstgenoemden onder de menschen op
den laagsten trap staan en het meest met Chimpanse's overeenkomen)
zich vermengen, waaruit individuen ontstaan die reeds eene meerdere
volkomenheid bezitten als de eerste bastaarden van apen en negerinnen,
en die zich later met individuen van het Kaukasische ras paren en
kinderen ter wereld brengen, dan zal het tweede en derde geslacht dezer
laatsten, indien zij zich in een gunstig klimaat kunnen ontwikkelen,
geene grootere overeenkomst met een Chimpanse meer hebben dan tusschen
Lord Palmerston en een Papoea bestaat, of tusschen eene goed gevormde
Lady en eene Hottentotsche vrouw, die wel is waar geen vetstaart draagt
gelijk de schapen in haar land inheemsch, maar niettemin aan haar
ligchaam zeer overeenkomende uitwerkingen der eigenaardige gesteldheid
van dit land en zijn klimaat vertoonen kan, even als het schaap.
Het gemis eener geschiedenis die verder reikt dan tot op 5 à 6000
jaren vóór onzen tijd; de niet opgehelderde duisternis, waarin de
oorsprong van het menschelijke geslacht zich verliest, strekt even
zoo zeer ter bevestiging van de hier voorgedragene beschouwing,
als de trapsgewijze opklimming van het eenvoudigste tot het meest
zaamgestelde, welke in de gansche natuur wordt waargenomen, en even zoo
zeer als de slechts van lieverlede meer volkomen wordende, voortgaande
ontwikkeling van elk individu,--en de reden er van is waarschijnlijk
juist hierin gelegen dat de mensch niet onmiddellijk als zoodanig, in
die volkomenheid welke hij thans in het Kaukasische ras heeft bereikt,
geschapen werd, maar dat hij, na uit eene volmaakter gevormde apentype
langzamerhand te zijn ontstaan, welligt nog duizende jaren noodig had,
om uit zijn half dierlijken toestand welke overeenkwam met dien der
Boschjesmannen of der oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Holland,
tot eene meerdere volkomenheid op te klimmen, zich trapsgewijs en
familien- of rasgewijze te veredelen, te ontwikkelen.
Daar echter de wereldziel welke zich met de stof verbindt ten
einde zich zinnelijk te openbaren, naar voor ons raadselachtige,
misschien voor immer onnaspeurlijke wetten, zich op geene andere
wijze uit, dan evenredig en overeenkomstig aan de vormen welke
zij telken male aangenomen en de organen die zij gevormd heeft, en
welke wijze volkomen overeenstemt met de verschillende stoffelijke
zamenstelling dezer organen--b. v. met het spinwerktuig bij de spin,
met het zangorgaan bij den nachtegaal, met de kleinere hersenen bij
den aap (die meer regelmatige kronkelingen en minder talrijke, in
hunne omtrekken onderling meer overeenkomende schiereilanden hebben),
met de grootere en zich vooral door een veel grooteren voorhoofdslap
kenmerkende hersenen bij den mensch (waarvan de hemispheren de
kleine hersenen geheel en al bedekken),--kan hieruit, wel is waar,
het vermoeden ontstaan, dat insgelijks het menschelijk geslacht zoowel
naar het ligchaam als naar den geest steeds tot hooger volkomenheid
zal opklimmen, maar te gelijk volgt daaruit eene nieuwe bevestiging
van mijne beschouwing: dat de mensch geen vrijen wil hebben kan.
Welligt zult gij hierop antwoorden dat het een denkbeeld zou
moeten genoemd worden Gode onwaardig, indien men aannam dat hij de
drijfkracht, de ziel is in gindschen aap, in den krokodil, in den
vraatzuchtigen wolf of in den bloeddorstigen tijger; dat dezelfde
God die hier in de gestalte eener barmhartige zuster met opofferende
liefde een kranke verpleegt, of ginds in een Kant of Newton nadenkt
over de wetten van het zuiver verstand, of over de zwaartekracht welke
de gansche wereld beheerscht,--insgelijks in genen dief of moordenaar
werkzaam is, die zijne bijl wet tot het plegen der roekelooze daad,
of die in het nachtelijke duister bij zijn buurman inbreekt om hem te
berooven, of in dien vijand des lichts die op den drievoudig gekroonden
stoel te Rome zit en plannen smeedt om het menschelijke geslacht in
onwetendheid te dompelen en in slavenboeijen te klinken;----dit toch
zou geene wederlegging mijner beschouwing, hoogstens eene tegenwerping
mogen heeten, waarop ik u onder anderen zou kunnen antwoorden, dat
de tijger die het lam verscheurt, of de kat welke eene vreedzame
muis van het leven berooft, indien zij over hunne handelwijze konden
nadenken, zeer zekerlijk in hunne eigene oogen, even als in de onzen
volkomen geregtvaardigd zouden zijn, dewijl de ijzeren natuurwet
hen onweêrstaanbaar dwingt andere levende wezens te vermoorden,
ten einde zelven in het leven te kunnen blijven en dat op gelijke
wijze elke dief, of moordenaar, of bedrieger eene verontschuldiging
voor zijne misdaad en voor het door hem gepleegde bedrog zou kunnen
opgeven welke hem, althans bij gelegenheid van de volvoering der daad,
in zijne eigene oogen regtvaardigt.
Er bestaat voor ons geene absolute mate van goed en kwaad, dewijl elke
maatstaf dien wij ter hand kunnen nemen, slechts een vergelijkende of
betrekkelijke maatstaf is, afhankelijk van den graad van beschaving
dien wij hebben bereikt, van het standpunt waarop wij staan en van waar
wij iets beoordeelen. Zelfs van het geloof aan een persoonlijken God
kunt gij geen meer zekeren maatstaf ontleenen. Want stel, dat gij God
van de natuur scheidt en hem als een koetsier op den bok laat zitten
en de teugels der natuurwetten in Hoogstdeszelfs eigene handen nemen,
ten einde de vele duizende krachten welke in de wereld werkzaam zijn,
in hare behoorlijke baan te houden en voortdurend zelf te besturen:
dan moet gij toch in elk geval toegeven dat deze God insgelijks den
tijger bestuurt, zoomede den teugel des wolfs die met het lam in den
bloedigen muil wegsnelt, in de hand houdt,--dat hij mede aan den
moordenaar, aan den dief den weg wijst, of (indien gij dit liever
wenscht te hooren) de teugels somwijlen loslaat, opdat de dief of
moordenaar zijn eigen weg gaan en de misdaad bedrijven kan. Gij moet
dan toch toestemmen dat uw persoonlijk regerende (almagtige) God het
kwaad, het booze, de zonde, het ongeluk, b. v. het stranden en vergaan
van een schip, aan boord waarvan zich 72 ten deele zeer onschuldige
en goede menschen bevonden, toelaat.--En nu vraag ik u, heeft het
niet volkomen dezelfde beteekenis, is het, wat den zin betreft, ten
slotte niet volkomen hetzelfde, wanneer men zegt gelijk de Christenen
doen: "de persoonlijk regerende, Almagtige God laat het booze toe,
veroorlooft den tijger en den menschelijken booswicht te rooven
en te moorden,"--of wanneer men zegt gelijk broeder Avondrood doet:
"de tijger, de moordenaar is God zelf, dat wil zeggen eene vereeniging
der wereldziel met verschillendsoortig gevormde stof."-- --?
Dat echter de kracht niet gescheiden kan worden van de stof en de uit
de natuur verdrevene God der Christenen slechts in hunne verbeelding
bestaat, heb ik reeds aangeduid. Deze Christelijke God is in der daad
niets anders dan de mensch, voorgesteld als buiten zich zelven te
staan:--eene som van menschelijke eigenschappen, die men zich in eene
oneindige volkomenheid denkt en versiert met den titel van al-magtig,
al-goed, al-wijs. Er kan evenmin een God zijn zonder wereld, als
eene kracht zonder stoffelijken drager. Even als het wezen van elk
afzonderlijk ding de som zijner eigenschappen is, zoo kan God niets
anders zijn dan de som van de eigenschappen der natuur, dat is het
wezen der natuur, of met andere woorden de natuur zelve.
Vele menschen vormen zich van datgene 't welk men het "wezen" van iets
noemt, de wonderlijkste, verwardste denkbeelden. Het zal misschien
niet ongepast, maar in tegendeel hier de regte plaats zijn om aan te
toonen, zoo als reeds Spinoza heeft geleerd, dat het wezen van iets
niet anders is dan de som zijner eigenschappen. Ten einde dit te
bewijzen, moeten wij datgene hetwelk gewoonlijk stof, materie wordt
geheeten, wat van naderbij en grondiger beschouwen en ik verzoek u,
waarde broeders, mij tot dat einde nog gedurende eenige oogenblikken
uwe aandacht te willen verleenen.
Ontleden wij dit begrip "stof" en kiezen wij tot voorwerp van ons
onderzoek eenig ligchaam naar welgevallen, welks eigenschappen ons
het best bekend zijn, b. v. het papier waarop wij schrijven, dezen
inktkoker met hetgeen hij bevat, of een billardbal, eene ijzeren staaf,
of dit stuk gemunt goud dat ik hier in de hand heb.
Dit goud heeft de navolgende eigenschappen, welke ik door
middel van mijne zintuigen deels regtstreeks kan waarnemen,
ten deele eerst na in het werk gestelde proefnemingen kan leeren
kennen. Het heeft--1o. uitgebreidheid, volumen, dat wil zeggen het
beslaat eene zekere ruimte, waarin zich te gelijkertijd geen ander
ligchaam bevinden kan; het is, zoo als de natuurkundigen zeggen,
"ondoordringbaar." Zijne kleinste deelen worden door "cohaesiekracht"
aan elkander gehouden.--2o. Het bezit logheid (traagheid, vermogen
om weêrstand te bieden), dat wil zeggen, het kan geene verandering in
zijn toestand te weeg brengen uit zich zelf; er is eene buiten hetzelve
liggende oorzaak noodig om het te veranderen b. v. uit den toestand van
rust in beweging te brengen.--3o. Het bezit de eigenschap (ten gevolge
van den invloed van andere oorzaken) om zijn volumen te veranderen,
namelijk, nu eene grootere, dan weder eene kleinere ruimte te beslaan;
het laat zich tot in zekere mate zamendrukken en door middel van warmte
uitzetten; een hoogen graad van warmte geeft aan de kleinste deeltjes
"uitzettingskracht," ten gevolge waarvan hun aggregatie-toestand
verandert en het metaal vloeibaar, ja, zelfs gedeeltelijk dampvormig
wordt.--4o. Het beslaat de ruimte welke het inneemt, niettegenstaande
zijne digtheid, niet volkomen gelijkmatig, maar is vol van uiterst
kleine (onzigtbare) tusschenruimten, waarin vreemdsoortige stoffen
eene plaats kunnen vinden, door welke b. v. water kan heendringen,
wanneer men een met water gevulden gouden kogel aan eene zeer
zware drukking blootstelt; het is derhalve poreus.--5o. Het is in
kleine en immer kleinere deelen deelbaar, welke eindelijk zoo klein
zijn dat zelfs het sterkst gewapende oog ze zinnelijk niet meer kan
waarnemen en dat het bestaan er van als "atomen" slechts gedacht kan
worden.--6o. Het is zwaar, dat wil zeggen, het bezit de neiging om
naar het middenpunt der aarde te vallen, welke laatste benevens de
vroeger genoemde eigenschappen het gemeenschappelijk met alle andere
ligchamen, dat is met de stof in het algemeen bezit.
Buitendien heeft het nog een aantal eigendommelijke eigenschappen,
waardoor het zich van alle andere ligchamen onderscheidt. Het
heeft een soortelijk gewigt en is (bij nul graad temperatuur) 19
3/10 maal zwaarder dan een gelijk volumen van gedestilleerd water,
dat wil zeggen, de graad zijner digtheid of massa is zoo vele malen
(19,325) meer dan van water.--7o. Indien de gewigtsverhouding (het
zoogenaamde chemische aequivalent) van de waterstof gelijk 1 gesteld
wordt, dan heeft het de eigenschap zich in de gewigtsverhouding
van 196,4 met andere stoffen b. v. met chloor te vereenigen. Het
aequivalent van chloor is 35,5 en met even vele gewigtsdeelen
(grein, lood) verbinden zich ten allen tijde 196,4 en nimmer een
grooter, nimmer een kleiner aantal gewigtsdeelen (grein, lood,
enz.) goud tot enkelvoudig chloorgoud en evenzoo verbindt zich
driemaal zooveel chloor met hetzelfde aequivalent (196,4) goud tot
drievoudig chloorgoud.--8o. Deze eigenschap om zich met chloor tot
drievoudig chloorgoud te verbinden, openbaart zich wanneer men het
in koningswater (een mengsel van chloorwaterstof- en salpeterzuur)
oplost; dan vormt het eene geele vloeistof, die geene der vroeger
genoemde en volgende eigenschappen van het goud meer bezit en
waaruit enkelvoudig chloorgoud, zoomede andere verbindingen en
deze wederom met verschillende eigenschappen daargesteld kunnen
worden. Alle andere zuren echter, zoomede zwavel oefenen er
geenen invloed op uit, evenmin als de zuurstof des dampkrings,
waardoor het niet aangedaan wordt; het roest niet en behoudt
voortdurend zijn glans.--9o. Het is een goede geleider van warmte
en van electriciteit. Zijne soortelijke warmte (warmtecapaciteit)
bedraagt 0,0324, dat wil zeggen, indien de hoeveelheid water welke
vereischt wordt, om een gelijke gewigtshoeveelheid water van nul
graad tot op 1° temperatuur te verwarmen, gelijk 1 gesteld wordt,
dan is deze hoeveelheid voor het goud slechts 0,0324.--10o. Het smelt
bij sterke witgloeihitte (van ongeveer 1200° C.) en wordt, indien de
stroom eener sterke electrische batterij door een gouddraad wordt
ontladen, zelfs dampvormig. Bij het verkoelen kristalliseert het
in teerlingvorm.--11o. Het bezit de hoogste mate van rekbaarheid,
meer dan elk ander metaal en laat zich door hameren tot zeer dunne
blaadjes slaan. Het is minder vast dan ijzer, vaster dan lood en wordt
in den vorm van een draad ter dikte van 2 millimeters eerst door een
gewigt van 68 pond Nederlandsch van elkander gescheiden.--12o. Het
heeft een sterken glans, is ondoorzigtbaar en heeft de eigenschap
die lichtstralen terug te kaatsen, welke ons geel toeschijnen.
De som dezer eigenschappen is het wezen van het goud. Stellen wij ons
nu voor, dat deze eigenschappen, de eene na de andere, aan het goud
worden ontnomen, wat blijft er dan van het goud over?--Antwoord:
geen GOUD, derhalve niets, volstrekt niets.--Ontnemen wij er
b. v. de twaalfde eigenschap aan en stellen wij ons voor, dat het
goud de eigenschap: lichtstralen terug te kaatsen, volstrekt niet
bezit, dan zou het noch geel zijn, noch eene andere kleur hebben,
maar daarentegen doorzigtig wezen gelijk de lucht, derhalve voor
ons volkomen onzigtbaar;--nemen wij verder voor den oogenblik aan
dat zijne onder no. 6 opgetelde eigenschap: met een gewigt 19 malen
zwaarder dan water, naar het middenpunt der aarde te drukken,--zoomede
zijne 1ste eigenschap, de z.g. cohaesie, de kracht van zamenhang
zijner kleinste deeltjes, waardoor het zijne bepaalde grenzen en
ondoordringbaarheid behoudt, niet aanwezig zijn,--dan zou het stukje
goud uit mijne hand spoorloos verdwijnen, dewijl al de andere negen
eigenschappen slechts in verband met de drie opgenoemden denkbaar zijn,
met welke zij juist die constante som uitmaken, welke wij gewoon zijn
massief of regulinisch goud te noemen.--Indien ik op gelijke wijze
de eigenschappen, welke dit stukje ijzer bezit, of de eigenschappen
van den phosphorus in mijne verbeelding er aan ontneem b. v. zijne
geringe zwaarte (=1,77), zijne gemakkelijke smeltbaarheid (reeds
bij 44,2°), zijne doorschijnendheid, kleurloosheid (of geelachtige
kleur), zijne groote verwantschap met de zuurstof der lucht, ten
gevolge waarvan hij voortdurend is omringd met een rook welke in
de duisternis licht van zich geeft, wanneer hij aan den invloed
des dampkrings is blootgesteld, zijne gemakkelijke ontvlambaarheid,
enz.,--wat blijft er dan van den phosphorus over?--Natuurlijk: geen
phosphorus, derhalve algemeen genomen geene stof, d. i. niets.
Op gelijke wijze kunnen wij alle in het gemeene leven zoogenaamde
stoffen of ligchamen, zoowel enkelvoudigen als zamengestelden,
bewerktuigden als onbewerktuigden aan onze beschouwing onderwerpen,
die ons allen, zonder eene enkele uitzondering, dezelfde slotsom
zullen opleveren: dat er, in den eigenlijken zin, volstrekt geene stof
bestaat, dewijl alles dat ons als stof of als eene zekere soort van
stof voorkomt, slechts de hoeveelheid of de som van een bepaald, hetzij
grooter of kleiner getal eigenschappen is, die bij hare ontmoeting met
andere tegengestelde eigenschappen (z. g. stoffen) nieuwe eigenschappen
ontwikkelen en zich daardoor als kracht, als bewegingsverschijnsel
laten waarnemen.--De stelling derhalve dat geene kracht bestaat
welke niet aan stof is gebonden, is eene onomstootelijke waarheid,
dewijl al hetgeen wij tot ons gemak in het gewone leven stof noemen
en waaraan wij verschillende benamingen geven, niet anders is dan het
product van eigenschappen, die onderling in verbinding tot elkander
zijn getreden en haren invloed gelijktijdig uitoefenen, waardoor zij
zich als "stof" aan onze zintuigen voordoen. Eene som van dergelijke
zamenwerkende eigenschappen zijn b. v. ook de 62 z. g. enkelvoudige
stoffen of elementen der scheikundigen elk afzonderlijk. Sommigen
hunner eigenschappen, zoo als vorm (omvang, uitgestrektheid), kleur,
zwaarte, warmte laten zich door ons regtstreeks waarnemen, dat wil
zeggen, onder den invloed der algemeen heerschende krachten waaronder
wij in den dampkring leven; anderen komen ten deele eerst te voorschijn
bij hare ontmoeting van vreemde eigenschappen ("aanraking met andere
stoffen") b.v. eenige van de eigenschappen welke wij kalium heeten,
zoodra zij in aanraking komen met de som van eigenschappen welke water
wordt geheeten,--of wanneer het geheel der eigenschappen genaamd zink,
in aanraking komt met de som van eigenschappen, geheeten verdund
zwavelzuur, enz.
In het dagelijksche leven, het is waar, wordt algemeen de stof
op een gansch andere wijze beschouwd, welke door eene langdurige
misleiding ons tot gewoonte is geworden. Men beoordeelt haar juist
als ware zij het eenige dat positief aanwezig is en geeft aan al de
vereenigingen van gelijktijdige eigenschappen, welke zich onder de
gewone omstandigheden niet veranderen of die slechts zeer langzaam eene
verandering ondergaan b. v. aan ijzer of hout, zoo lang als aan een
eigendommelijk ligchaam of stof eene afzonderlijke benaming, totdat
het ijzer in roest is overgegaan, of het hout tot koolzuur, water
en asch is verbrand geworden. Deze benamingen mogen kortheidshalve
voor het geheel der telkens aanwezige gelijktijdige eigenschappen
volstrekt onontbeerlijk worden geacht.
Het gaat echter den scheikundige die, om te wegen, vóór zijne
schaal zit, met deze zoogenaamde stoffen volkomen op dezelfde wijze,
als den criminelen regter voor wien het wetboek ligt opengeslagen,
met den vrijen wil der menschen. Gene schrijft stof toe aan elke
vereeniging van eigenschappen welke de schaal zijner balans naar
de aarde doet neigen, derhalve zwaarte heeft,--deze vrijen wil aan
elken mensch die tegen de wet heeft gezondigd. De zwaartekracht is
echter evenmin een bewijs van het aanwezen van stof, als de zonde van
vrijen wil. Want de zwaarte is ten duidelijkste niets anders dan eene
eigenschap, eene betrekking tot een middenpunt in het heelal, welke
zich kan openbaren in verband of in zamenwerking met eene grootere of
geringere menigte andere eigenschappen, b. v. met die welke wij lood,
staal, steen noemen, maar die niet noodzakelijk met alle eigenschappen
zich gelijktijdig behoeft te uiten, die b. v. met de eigenschappen
genaamd licht, warmte, electriciteit, magnetismus niet verbonden
is.--Zonderling toch dat de natuurkundigen juist op grond hiervan
en in tegenspraak met zich zelven deze eigenschappen "onweegbare
stoffen!" noemden, niettegenstaande zij toch, even als de zwaarte,
slechts bewegingsverschijnselen d. i. eigenschappen zijn. Andere
geleerden scherpten hun verstand, om tegenover de leer der zoogenaamde
materialisten, iets geestelijks in de natuur te ontdekken. Zonderbare
misleiding! Geest wordt allerwege gevonden, maar het is de stof,
welke ontbreekt en zeer moeijelijk, ja, onmogelijk mag het geacht
worden, het bestaan van stof, van materie in absoluten zin te bewijzen.
Indien er werkelijk stof of stoffen bestonden en zij niet uitsluitend
betrekkelijkerwijze tot onze zinnelijk grove opvatting voorhanden
waren, dan moesten hare eigenschappen ook onder alle omstandigheden
steeds dezelfden blijven. Wanneer ik echter een stuk kalium op het
water leg, dat binnen weinige oogenblikken voor mijne oogen spoorloos
verdwijnt (dewijl het zich met de zuurstof van het water verbindt, het
gevormde kalihydraat in het water wordt opgelost en de vrij geworden
waterstof verbrandt),--of wanneer ik 4 deelen zwavel met 25 deelen kwik
dooreenwrijf en dan deze beide zie veranderen in zwart kwikzilvermoor
dat, door sublimatie, weder wordt omgezet in vermiljoen, hetwelk ik
tot in de allerfijnste deelen kan verdeelen en tot poeder maken, zonder
dat ik in staat zal zijn iets anders dan vermiljoen of ook slechts een
enkel der vorige zwavel- of kwikdeeltjes weder te ontdekken,--moet ik
dan hieruit niet tot het besluit komen dat de voormalige toestanden,
als kalium, zwavel en kwik, geene werkelijke materie zijn geweest,
maar slechts eene hoeveelheid eigenschappen die, in strijd gerakende
met andere tegengestelde eigenschappen, hare vroegere eigenschappen
moesten afleggen, terwijl zich in de plaats daarvan nieuwe, tot
dusverre sluimerende eigenschappen ontwikkelden.
Hierop zullen welligt vele scheikundigen antwoorden: ongetwijfeld
veranderen deze stoffen haren vorm en hare eigenschappen wanneer
zij zich met andere stoffen verbinden, dewijl dan eene nieuwe stof
ontstaat welke wederom andere vormen en eigenschappen heeft; voor
elke soort van stof echter is vorm en eigenschap even onveranderlijk
als de gewigtshoeveelheden (aequivalenten) constant zijn, waaronder
zij zich verbinden;--maar waarmede, vraag ik weder, verbindt zich dan
de phosphorus--eene enkelvoudige stof--wanneer hij in de luchtledige
ruimte (geheel en al afgesloten van elke aanraking met de zuurstof
der lucht en van alle andere stoffen), alléén doordien de zon er op
schijnt of eene sterke hitte zijn invloed er op uitoefent, voor het
oog des beschouwers wordt omgezet in een karmijnrood poeder, dat niet
vergiftig is en in het algemeen geheel andere eigenschappen bezit
dan de phosphorus, welke echter (na herhaalde destillatie in eene
koolzuur-atmospheer) weder op nieuw en zonder verlies van gewigt
in denzelfden kleurloozen en vergiftigen phosphorus met al zijne
eigenschappen overgaat? Zou men ook deze verschijnselen stof mogen
noemen?--Onmogelijk; want dan zou het bewijs zijn geleverd dat eene
stof, eene enkelvoudige stof gelijk de phosphorus, kan overgaan
in eene andere welke geheel verschillende eigenschappen bezit,
en dat deze tweede stof zich op nieuw kan herscheppen in de eerste
met alle eigenschappen die zij vroeger had, zonder dat er iets aan
toegevoegd of van verloren geraakt is. Wie toch zou het karmijnroode,
onschadelijke poeder, den zoogenaamden amorphen phosphorus als identiek
beschouwen met de halfdoorsnijdende, kleurlooze, ligt ontbrandbare,
in de lucht rookende en in het donker licht gevende, hoogst vergiftige
zelfstandigheid, welke wij gewonen phosphorus noemen, indien hij den
overgang van het eene in het andere niet had waargenomen en zulks
niet elken dag in zijn laboratorium kon waarnemen?
Wij moeten derhalve aannemen, dat geene onveranderlijke, derhalve
volstrekt geene stof in de natuur aanwezig is en dat wij overal slechts
verschijnselen, eigenschappen zien, welke door andere eigenschappen,
gelijk hier bij den phosphorus door het licht of de warmte, in het
leven geroepen, of vernietigd d. i. aan de zinnelijke waarneming
onttogen worden.
Dewijl echter deze verschijnselen, d. i. het verband tusschen zekere
bijéén behoorende, gelijktijdig werkende eigenschappen steeds naar
vaste wetten wederkeeren en zelfs in de grootste veranderingen, in
de werking der meest mogelijke hoeveelheid eigenschappen welke een
wederkeerigen invloed op elkander uitoefenen, zich dergelijke vaste
wetten laten waarnemen, stelt men zich deze eigenschappen voor als
aan "stof" gebonden; men neemt het bestaan van kleinste of oneindig
kleine deeltjes van deze stof aan, welke men atomen heet en verklaart
de verschillende eigenschappen dier ligchamen, welke scheikundig op
gelijke wijze zijn zamengesteld, b. v. der beide vroeger bedoelde
toestanden van de zoogenaamde enkelvoudige stof phosphorus, zoomede
van vele zamengestelde (der zoogenaamde isomere) ligchamen hypothetisch
door eene "verschillende ligwijze" dezer atomen.
Daar echter deze atomen door geen sterfelijk oog ooit kunnen worden
gezien en met betrekking tot onze geschiktheid ter waarneming niets
anders zijn dan bloote mathematische punten, die slechts gedacht
kunnen worden en welke men zich moet voorstellen oneindig klein en
in oneindig groot aantal aanwezig te zijn, dan volgt hieruit ten
duidelijkste dat alle stof, dat de gansche ligchamelijke wereld
zuiver denkbeeldig is. Het is waar, de scheikundige beschouwt de
atomen niet als oneindig kleine deelen, maar als de zoodanigen die
niet voor verdere verdeeling vatbaar zijn. [45] Dit is echter eene
veronderstelling welke tot onoplosbare tegenstrijdigheden voert,
zoo als het navolgende voorbeeld duidelijk zal doen zien. Suiker,
zetmeel en hout zijn drie verschillende ligchamen welke verschillende
eigenschappen bezitten, en niettemin alle drie gelijkmatig uit 5
atomen water-, 5 zuur- en 6 koolstof bestaan. Deze atomen nu moeten
in de drie verschillende ligchamen eene verschillende ligwijze hebben
(op eene andere wijze geordend of nevens elkander geplaatst zijn) en
daardoor de verschillende eigenschappen van suiker, zetmeel en hout te
weeg brengen. Maar--een atoom moet immers ondeelbaar zijn en echter
bestaat, naar deze theorie, elk atoom suiker uit 5 atomen water-,
5 zuur- en 6 koolstof, derhalve uit zestien verschillende deelen of
enkele atomen! [46]--Hieruit volgt dat het aannemen van het bestaan van
atomen als niets anders kan worden aangemerkt dan als een hulpmiddel
ter vergemakkelijking, waarin men bij gebrek van eene verklaring,
voorloopig eene uitdrukking vindt voor de aan wetten gebondene orde
der verschijnselen, maar dat er in absoluten zin geene stof bestaat,
er geene bestaan kan. Daarmede verdwijnt de tegenstelling tusschen
geest en ligchaam en elk onderscheid tusschen ziel en stof valt weg.
Hoedanig deze wijze van beschouwing ook in tegenspraak moge zijn met de
alledaagsche opvatting der zaak, kan men zich echter gemakkelijk van
hare waarheid overtuigen, en zelfs met betrekking tot die eigenschap
der zoogenaamde ligchamen, welke het aanwezig zijn van stof op het
handtastelijkste schijnt te bewijzen, namelijk de uitgebreidheid,
het volumen der ligchamen en den tegenstand welken zij bieden aan
een vreemd daarop invloed uitoefenend ligchaam, b. v. mijn vinger,
mijne hand. (Ik wil hier niet spreken van de oorspronkelijk lucht- of
gasvormige ligchamen en evenmin van het feit, dat alle druipbare, ja
de meeste vaste ligchamen door hitte gasvormig kunnen gemaakt worden,
maar heb hier uitsluitend het oog op de werktuigelijke deelbaarheid
der vaste ligchamen.) In deze hand heb ik een stuk zwavel, goud, krijt
of kamfer, of een stuk muskus en noem dit stuk zwavel of muskus een
ligchaam, eene stof. Deze stof kan ik echter voortdurend in kleinere
deelen verdeelen welke eindelijk, indien ik voortga ze fijn te wrijven,
zoo klein worden, dat ik ze met het bloote oog niet meer kan zien
en ze alleen nog door middel van de sterkste vergrootglazen kan
waarnemen. Deze kleinste, microscopische deeltjes kan ik slechts om
die reden niet verder verdeelen, dewijl mijne hand en mijne werktuigen
te grof zijn om de verdeeling onder het microscoop nog verder voort
te zetten.--Elk deeltje bezit nog steeds de eigenschap van zwavel,
of van muskus.--Dat de verdeeling echter nog veel verder kan gaan,
bewijst de muskus die gedurende een gansch jaar in mijne kamer kan
liggen zonder van gewigt te verminderen en toch de geheele kamer met
den bekenden, hem eigenaardigen reuk vervult. Deze in de lucht zwevende
muskusdeeltjes kan ik zelfs met de sterkste vergrootglazen niet meer
waarnemen. Er bestaat echter noch eene natuurlijke, noch eene logische
reden, om te veronderstellen dat deze in de lucht zwevende deeltjes,
wier aanwezen slechts en uitsluitend nog door middel der reukzenuwen
kan worden waargenomen, niet nog verder, ja tot in het oneindige kunnen
verdeeld worden, zoodat zij ten laatste nog slechts wiskunstige punten
zijn.--Euclides reeds verklaarde het geometrische punt te zijn datgeen,
hetwelk geene deelen, of GEENE UITGEBREIDHEID heeft.
Indien er nu geene stof bestaat en het wezen van iets de som is zijner
eigenschappen, hoe kan God dan iets anders zijn dan voor zich zelven:
het eeuwige bewustzijn, en voor ons: de som of het totaal van alle
eigenschappen der natuur?--Twee zijner eigenschappen zijn ruimte
en tijd, in en door welke hij zijne gedachten tot werkelijkheid
maakt. Deze gedachten zijn de verschijnselen in de natuur. Wij
zijn slechts eene van deze verschijnselen, hoewel wij de slotsom
van millioenen maal millioenen zamenwerkende, doch verschillende
eigenschappen mogen genoemd worden. Wij zijn de buiten zich zelven
geplaatste God, waarin de groote wereld der verschijnselen zich in
het kleine terugkaatst,--waarin God zich als het ware ten tweede
male denkt.
Indien dit nu werkelijk zoodanig is, hoe kunnen wij dan een vrijen
wil hebben?
Hoewel de leer der atomen eene hypothese is welke ons tot
tegenstrijdigheden verleidt, zoo heeft zij onze chemische kennis
niettemin buitengemeen bevorderd. Men zal derhalve voorloopig
de atomen in de scheikundige theoriën evenzeer moeten behouden,
als men in het empirische leven, ter meer gemakkelijke opvatting
van de verschijnselen, zal voortgaan om alle bestendig voorkomende
vereenigingen van zekere eigenschappen stof te noemen en daaraan
afzonderlijke benamingen te geven, zoo als goud, suiker, zetmeel, hout,
enz.--In dien zin zal ook ik mij in het vervolg van deze uitdrukkingen
blijven bedienen.
Vergunt mij ten slotte nog met een enkel woord te spreken van de
groote moeijelijkheid, waarmede de natuuronderzoeker heeft te kampen
bij de buitengewoon groote menigvuldigheid van het organische
leven, ten einde de levensverschijnselen, zoomede den rijkdom
aan gestalten van de planten- en dierenwereld uit de algemeen
bekende, chemische en physische krachten te verklaren. Reeds bij
den aanvang mijner voordragt heb ik op deze moeijelijkheid gewezen,
welke ten duidelijkste haren oorsprong heeft in het groote aantal
gelijktijdig werkzame krachten. Het physische leven van het organismus
op zich zelf beschouwd (als iets gegevens) laat zich, wel is waar,
uit de ter bedoelde plaats (zie vroeger bladzijde 317) opgenoemde,
allerwege met de stof verbreide krachten verklaren, zonder dat men
andere zoogenaamde typische of eigendommelijke levenskrachten welke
van de onorganische natuur verschillen, behoeft aan te nemen; waarom
echter het leven der verschillende organismen slechts tijdelijk van
duur is, en dit bij elke afzonderlijke soort op een onderscheidenen,
vast bepaalden (gemiddelden) tijd ophoudt, laat zich daaruit evenmin
verklaren,--als de bijzondere vorm welke elk der 100,000 planten-
en 130,000 diersoorten bezit die tot heden beschreven zijn geworden,
daaruit kan worden afgeleid, en welke toch allen, niettegenstaande het
groote onderscheid in haren vorm en de afwijkende, menigwerf wonderbare
structuur van de menigte harer organen, uit dezelfde grondstoffen, bij
de werking van dezelfde physische en chemische krachten zijn ontstaan.
Moest dan in de atomen der elementen, welke de eiwitstof of den dojer
van het vrouwelijke ei uitmaken (vergelijk de analysen die lager
worden gevonden) het streven niet liggen,--dat door de werking van
het mannelijke zaad bij de zoogenaamde bevruchting d. i. wezenlijk
door het indringen der spermatozoiden in den dojer eerst gewekt of
werkzaam gemaakt wordt en waarbij de gelijktijdige gunstige invloed van
algemeene natuurkrachten b. v. van een bepaalden gemiddelden (noch te
hoogen, noch te lagen) warmtegraad, als noodzakelijke voorwaarde wordt
aangenomen,--moest dan in deze atomen niet het harmonisch streven zijn
gelegen, om bij voortdurenden toevoer van gelijke stoffen (als eiwit,
bloed) een dierlijk of menschelijk ligchaam met al zijne deelen te
vormen,--hier een oog of een oor (beide zoo wondervol, schijnbaar
zaâmgesteld en toch zoo eenvoudig van inrigting!) te doen ontstaan,
elders zich tot eene spier of eene long, eene zenuw of een borstbeen te
vereenigen,--uit een bepaald aantal spieren, beenderen, pezen, aderen
en zenuwen een arm, eene hand met vingers te maken en al deze deelen
en organen in het behoorlijke aantal, ter behoorlijker plaats daar te
stellen, zoomede in de vereischte verhouding der duizenden van cellen,
vezelen, membranen, aderen en zenuwen, waaruit zij bestaan!--en deze
wondervolle kracht zou in de chemische stoffen, in de atomen liggen!
In eenige atomen zuurstof, kali, phosphorus of zwavel, welke dit
hoenderei meer bezit dan het gindsche (waarvan het echter in zulk
eene geringe mate verschilt, dat men door middel van een scheikundig
onderzoek niet in staat is eenig onderscheid tusschen beiden aan te
toonen) zou het vermogen zijn gelegen, om de geheel verschillende
geslachtsorganen van den haan met kam, sporen en prachtig gevederte
te voorschijn te brengen,--terwijl de afwezigheid van dit paar atomen
aan het andere ei dat in hetzelfde nest uitgebroeid wordt, de kracht
geeft om eene hen te doen ontstaan, welke weder geheel verschillend
gevormde geslachtsdeelen, ander gevederte bezit dan de haan en sporen
noch kam heeft,--ja terwijl misschien bij eene gelijke percentsgewijze
verhouding der bestanddeelen in een kalkoenenei een geheel ander dier:
een kalkoensche haan of hen wordt uitgebroeid.
Ten einde aan de lezers die zich niet bijzonder hebben bezig gehouden
met de beoefening der chemie, een denkbeeld te geven van de groote
menigte krachten welke gelijktijdig in het organismus werkzaam zijn,
van het ingewikkelde zamenstel van schijnbaar zoo eenvoudige stoffen
als dojer en eiwit, deel ik de volgende analysen mede. (Van het
mannelijke zaad ontbreken naauwkeurige chemische analysen nog bijna
geheel en al.)
Het eiwit bestaat uit stikstof, koolstof, waterstof en zuurstof,
ongeveer in die verhouding als in Mulder's oude proteïnformule
is uitgedrukt: N5 C40 H30 O12, waarbij echter naar gelang van de
verschillende soorten van eiwit in het dieren- en plantenrijk nog
eene grootere of geringere hoeveelheid zwavel, ook phosphorus en nog
meer of minder zuurstof komt.
Honderd deelen dojer zijn volgens Gobley in het kippen- en in het
karperei (welke laatsten uitsluitend uit dojer, zonder eiwit bestaan)
zaâmgesteld uit:
+----------+----------+
| Kippenei.| Karperei.|
+----------+----------+
Vitelline | 15,76 | 14,08 |
Margarine en Elaïne | 21,30 | 2,57 |
Cholesterine | 0,44 | 0,27 |
Lecithine | 8,43 | 3,04 |
Cerebrine | 0,30 | 0,20 |
Chloorammonium | 0,03 | 0,04 |
Chloornatrium en Chloorkalium | 0,28 | 0,45 |
Zwavelzure kali | 0,28 | 0,04 |
Phosphorzure kali | | 0,04 |
Phosphorzuren kalk en phosphorzure magnesia | 1,02 | 0,29 |
Alcoholextract | 0,40 | 0,39 |
Vliezen | | 14,53 |
Kleurstof, sporen van ijzer, enz. | 0,55 | 0,03 |
Water | 51,49 | 64,08 |
+----------+----------+
En in honderd deelen asch werden gevonden:
+---------------------+---------------------+
| IN DEN DOJER. | IN HET EIWIT. |
+---------------------+---------------------+
| door | door | door | door |
| Poleck. | Weber. | Poleck. | Weber. |
+---------------------+---------------------+
Kali | 8,93 | 10,90 | 2,36 | 27,66 |
Natron | 5,12 | 1,08 | 23,04 | 12,09 |
Chloorkalium | | | 41,29 | |
Chloornatrium | | 9,12 | 9,16 | 39,30 |
Kalk | 12,21 | 13,62 | 1,74 | 2,90 |
Magnesia | 2,07 | 2,20 | 1,60 | 2,70 |
IJzeroxyde | 1,45 | 2,30 | 0,44 | 0,54 |
Phosphorzuur | 63,81 | 60,16 | 4,83 | 3,16 |
Phosphorzuurhydraat | 5,72 | | | |
Zwavelzuur | | | 2,63 | 1,70 |
Kieselzuur | 0,55 | 0,62 | 0,49 | 0,28 |
Koolzuur | | | 11,60 | 9,67 |
+---------------------+---------------------+
Wij behoeven slechts een vlugtigen blik te werpen op het zamenstel
van het ei uit zoo velerlei verschillende stoffen die in genen
deele enkelvoudige stoffen zijn, maar die elk weder bestaan
uit eene vereeniging ten minste van 2, gewoonlijk van 3, ja 4
zoogenaamde elementen, om te begrijpen met welke moeijelijkheden de
natuuronderzoekers in toekomstige eeuwen zullen te kampen hebben,
om de verschijnselen van het organische leven terug te brengen tot
de bekende chemische en physische krachten. Eene eerste stelling
onzer hedendaagsche natuurwetenschap is (gelijk u op eene voldoende
wijze is bekend): dat menging, [47] kracht en vorm allen niet anders
dan gelijktijdig zich veranderen en dat, wanneer verandering in de
menging plaats heeft, noodzakelijkerwijze insgelijks de kracht (of
eigenschap) en de vorm zich moeten veranderen. Wat het plantenrijk
betreft b. v., behoeven wij slechts een blik te werpen op onze tuinen
en onze tamme aardappelen en groentesoorten gade te slaan, waarin men
de oorspronkelijke, in het wild groeijende stamplanten ter naauwernood
kan herkennen, om deze stelling ten volle bewaarheid te zien, en
wij moeten bekennen dat gelijke voeding (gelijke stofcombinatie):
gelijke gestaltevorming, ongelijke voeding (ongelijke stofcombinatie):
ongelijke gestaltevorming ten gevolge heeft. Daarentegen zou men aan
de algemeene geldendheid van den regel dezer stelling twijfelen,
wanneer men het dierenrijk gadeslaat en ziet hoe uit het eene ei
eene hen, uit het andere een haan geboren wordt, niettegenstaande de
scheikundige niet in staat is eenig onderscheid in de zamenstelling
dezer eijeren te ontdekken. Dit kan echter zijn grond hebben in de
onvolkomenheid der methode of wel hierin, dat men er tot heden niet
in geslaagd is om door middel der analyse van organische ligchamen
resultaten te verkrijgen, welke eene voldoende juistheid bezitten.
Want wanneer wij zien, dat indien een atoom waterstof en zuurstof
meer wordt gevoegd bij rietsuiker (C12 H11 O11) deze wordt omgezet
in druivensuiker (C12 H12 O12), of dat vijf atomen water, ontnomen
aan den reuk- en smakeloozen, fraai gekristalliseerden zoogenaamden
terpentijnkamfer (C20 H16 + 6HO), dezen veranderen in eene aangename,
naar hyacinthen riekende olie (C20 H17 O),--of dat ligchamen, welke
niet slechts wat betreft de mengingsgewigten hunner bestanddeelen,
maar (even als de 2 verschillende zuren waarin het druivenzuur zich
laat ontleden) insgelijks in alle andere eigenschappen bijna volkomen
met elkander overeenstemmen, niettemin van elkander verschillen
moeten in de menging of in de ligging der kleinste deelen, dewijl de
gepolariseerde lichtstraal bij beiden niet dezelfde werking te weeg
brengt en het polarisatievlak bij het eene zuur regts, bij het andere
ter linkerzijde afwijkt,-- ja dat een geheel onschadelijk zout, als
mierenzure ammoniak (H4 NO, C2 HO3) bloot door het te verhitten in een
sterk werkend vergift, in blaauwzuur (HC2 N (+ 4HO) wordt veranderd,
hetwelk zoodra het in aanraking komt met water en een sterk zuur,
weder in ammoniak en mierenzuur overgaat,--dat derhalve uit schijnbaar
zoo geringe stoffelijke veranderingen terstond geheel andere krachten
worden geboren en nieuwe ligchamen met geheel andere eigenschappen
dan vroeger ontstaan, [48] dan mogen wij de stellige hoop voeden,
eenmaal in staat te zullen zijn niet slechts in de zaden van alle
planten, maar insgelijks in de eijeren van alle dieren (waaruit zich
zoo verschillende krachten en eigenschappen ontwikkelen) eveneens
stoffelijk onderscheid aan te toonen, al bestond dit slechts in eenige
weinige meer of minder er in aanwezige atomen phosphorus, margarine,
cerebrine en dergelijken.
Wij hebben te meer grond om zulks te hopen, wanneer wij bedenken dat
de verscheidenheid der scheikundige verbindingen uit niet meer dan
een 39 tal enkelvoudige stoffen die veelvuldig voorkomen, schijnbaar
tot in het oneindige voortgaat en dat--om slechts een voorbeeld aan te
halen--alleen het aantal der ontledings- en afleidingsproducten welke
van de alcoholen afstammen (de bijzondere ethersoorten, de eigenaardige
aldehyden en de bepaalde zuren, welke tot elke bijzondere alcoholsoort
behooren) zoo buitengewoon groot is, dat naar de berekening van
den Franschen scheikundige Dumas alleen uit het tot heden bekende
alcoholradicaal [49] (koolstof en waterstof) en ammoniak (stikstof
en waterstof) meer dan 60000 verschillende verbindingen kunnen worden
gevormd die allen verschillende eigenschappen bezitten.
Wanneer wij het als mogelijk moeten beschouwen, dat de hersenen van een
orthodoxen pastoor die vóór 500 jaren over Gods moeder, Gods vader of
over de hemelvaart van Gods zoon predikte, uit dezelfde stofdeelen,
of althans grootendeels uit dezelfde atomen zuur-, water-, kool- en
stikstof, phosphorus, natron, kali en kalk bestonden, die deels tot
water, deels tot meer zaâmgestelde vet- en eiwitachtige verbindingen
(als elaïne, oliezuur, oliephosphoruszuur, margarinezuur, cholesterine,
cerebrinezuur, enz.) zaâmgegroepeerd waren en welke heden (juist
in dergelijke verbindingen) de geheel anders denkende hersenen
van den wijsgeer Feuerbach vormen, nadat zij vóór 176 jaren reeds
hadden medegewerkt tot het daarstellen van den "ketterschen" kop van
Spinoza,--dan moeten wij het insgelijks als mogelijk beschouwen dat het
ons eenmaal zal gelukken, niettegenstaande de algemeene overeenstemming
welke in de genoemde verbindingen heerscht, een onderscheid in de
chemische zamenstelling der verschillende individuele hersenen te
ontdekken en daaruit de onderscheidene rigtingen van gedachten der vele
millioenen menschen, die gelijktijdig op aarde leven en na elkander
geleefd hebben, uit de stof te verklaren. Wij durven deze hoop voeden,
hoewel onder al deze millioenen welligt slechts enkele individuen
worden aangetroffen die, zelfs bij schijnbaar gelijke uitwendige
omstandigheden waarin zij leven, in de rigting hunner gedachten,
zoomede in de trekken huns karakters en in den uitwendigen vorm des
ligchaams volkomen met elkander overeenkomen. Verschil in menging,
eene geringe hoeveelheid van de eene stof in deze hersenen meer,
in gene minder, eene andere combinatie der enkelvoudige stoffen
tot zaâmgestelde verbindingen,--geringe afwijkingen in den vorm
en in de grootte der hersenen, zoomede in de verhouding van de
afzonderlijke deelen der hersenen tot elkander, deze zouden dan
(in verband met verschillende indrukken door de buitenwereld te weeg
gebragt) moeten beschouwd worden de oorzaken der verscheidenheid in de
rigting der denkbeelden en de mate van geestvermogens dier millioenen
van individuen.
Het kan niet onmogelijk zijn de wijze te ontdekken, waarop deze
verschillende mengings- en vormtoestanden der hersenen in verband staan
tot de geestvermogens bij de verschillende individuen en de stoffelijke
wetten op te sporen, waarnaar algemeen genomen alle verschijnselen
in de organische natuur zich zinnelijk openbaren;--het waarom? deze
wetten echter juist zoodanig en niet anders werken,--waarom aan elke
verschillendsoortige stofvereeniging een bepaalden vorm in het dieren-,
in het planten- en in het mineraalrijk toebehoort en waarom zij ook
telken male gepaard gaat met bepaalde, eigenaardige verschijnselen
of levensverrigtingen, welke wij bij geen anderen vorm, geene andere
stofcombinatie ontmoeten,-- dit laatste waarom zullen wij nimmer
doorgronden, maar altijd stuiten op iets dat ons onverklaarbaar is.
Noemt dit onbekende gelijk gij wilt; noemt het natuurnoodzakelijkheid,
wereldziel, geest in de natuur, eeuwigen wil, eeuwig zelfbewustzijn;
noemt het God!--wat toch doet de naam ter zake?--Maar dit onbekende
dat op den helderen, lichten dag zich steeds openbaart op eene zoo
geheimzinnige wijze, uitsluitend naar vaste wetten in, met en door
deze raadselachtige atomen, welke datgene zaâmstellen hetwelk wij
"stof" noemen,--het is verheven, het is wonderbaar en schoon!
(was geteekend) Avondrood. [50]
NACHT. Niettegenstaande de gematigde slotsom welke gij ten laatste
uit uw stelsel van natuur en God trekt, komt het mij niettemin
huiveringwekkend, ja vreesselijk voor en ik wensch hartelijk dat het
nimmer opgang vinde bij het publiek, dewijl het een verderfelijken
invloed op de maatschappij zou kunnen uitoefenen. Hoe zou ik God als
een rein, heilig, goed wezen kunnen vereeren, indien ik op uw voetspoor
moest gelooven dat Hij bloeddorstig in gindschen tijger rondsluipt
om buit te zoeken, of in dezen moordenaar woedt die zijns nabuurs
vrouw en kind om het leven brengt, of diens huis in brand steekt ten
einde hem te berooven of zich op hem te wreken?--Hoe durf ik dan den
booswicht straffen? Wat zal ik hem antwoorden, wanneer hij zich met de
door u verkondigde leer verontschuldigt en zegt: "ik werd door eene
onweêrstaanbare kracht gedwongen te handelen gelijk ik deed;--deze
mij beheerschende kracht zult gij waarschijnlijk uitgedrukt vinden
in den vorm mijns schedels, waarmede ongetwijfeld de inwendige bouw
en eene bepaalde scheikundige menging mijner hersenen overeenkomen;
ik heb geen vrijen wil."--Voert uwe leer niet regtstreeks naar het
geestverdoovende geloof aan de voorbeschikking, aan het fatalismus,
dat reeds zoo veel onheil heeft gesticht?
AVONDROOD. Waarde broeder! Indien gij u als geloovige Christen en met
orthodoxe gestrengheid aan de zoogenaamde geopenbaarde godsdienst
houdt, kan ik u met eene menigte bijbelplaatsen bewijzen dat gij
dan evenzeer in den geest van Augustinus en Calvijn moest gelooven
aan de praedestinatie. Ik wil mij echter niet beroepen op boeken of
autoriteiten, maar uitsluitend op de natuur. Voor den natuuronderzoeker
bestaat er evenmin een vrije wil, als een blind toeval, dewijl alles
wat in de natuur geschiedt, wat de mensch verrigt en wat hij denkt, een
noodzakelijk gevolg is van voorafgegane oorzaken. Ook de menschelijke
wil is, zoo als ik op eene voldoende wijze vermeen te hebben bewezen,
slechts een schakel in de keten van den noodzakelijken, door middel
van oorzaken gevormden zamenhang der gebeurtenissen, niettegenstaande
de oorzaken waarvan onze wilsuitingen het gevolg zijn, in tijdsorde
menigwerf zoo verre verwijderd, of zoo verborgen zijn kunnen, of zoo
zamengesteld en ingewikkeld van aard zijn, dat het ons niet altijd
mogelijk is ze duidelijk te kunnen herkennen. Dit echter mag als
zeker worden beschouwd dat gij, van het Christelijke dogma uitgaande,
aan uwen persoonlijken, van de natuur gescheiden God althans de
hoedanigheid der voorwetenschap moet toekennen en aannemen moet dat
Hem alles, ook het verschrikkelijke, het booze, de misdaad welke is
gepleegd, vooraf bekend was en dat hij zulks niet verhinderde, hoewel
Hij "almagtig" is. Hetgeen ik reeds vroeger heb aangemerkt, behoef ik
thans niet te herhalen: dat deze voorwetenschap en het niet verhinderen
door den almagtigen God volkomen van gelijke beteekenis is te achten
met het zelf verrigten der daad. Een menschelijk spreekwoord zegt:
"de heler is zoo goed als de steler."
NACHT. Gij dwaalt, broeder, indien gij mij beschouwt als een
gedachteloozen naprater van de woorden des bijbels. Veroorloof mij
u te zeggen, dat ik aan het blinde geloof der orthodoxe school reeds
voor lang ben ontwassen. Ik acht de rede verheven boven het geschrevene
woord, waaraan ik slechts dan geloof, wanneer het met de wetten van het
redelijke denken niet in strijd is. Het dualismus van God en der natuur
schijnt mij echter volstrekt noodzakelijk toe. Aan de onafhankelijkheid
der ziel van de stof, aan den vrijen wil des menschen moet ik gelooven,
dewijl anders aan de zedeleer hare wezenlijke, d.i. zedelijke grondslag
geheel en al ontnomen wordt. De empirische maatstaf toch van het
goede en het kwade welke gij hebt opgegeven, kan mij niet bevredigen.
Om de vrijheid van den menschelijken wil te redden, moeten wij de
voorwetenschap aan God ontzeggen.
AVONDROOD. Wat?--dan verlaagt gij uwen God tot beneden den mensch! Wij
menschen weten immers veel van hetgeen over tien, over honderd,
ja over honderde jaren zal geschieden, vooraf te zeggen, namelijk
al datgene hetwelk zich regelt naar natuurwetten die ons volkomen
bekend zijn geworden!--En zou uw God deze natuurwetten minder goed
kennen dan wij?--Geven wij niet voor elk jaar, alvorens het aanvangt,
een sterrekundig jaarboek of zeemansalmanak uit, waarin de stand van
alle planeten ten opzigte van elkander en van de zon, der trawanten
ten opzigte van de planeten, zoomede de stand dezer hemelligchamen ten
opzigte van de vaste sterren met betrekking tot onze aarde, voor elken
dag des jaars, voor elk uur van den dag, voor elke minuut, seconde,
ja voor een gering gedeelte eener seconde met juistheid vooraf wordt
bekend gemaakt?--Weten wij niet, dat heden na 32 jaren, namelijk op den
19den Augustus 1887 eene totale zonsverduistering zal plaats hebben,
en zijn wij niet in staat om voor elke plaats der aarde (waar zij
zigtbaar zal zijn) naauwkeurig den tijd op te geven van den aanvang en
van het einde der verduistering, zoomede de grootte en den vorm van
het verduisterde gedeelte, benevens vele andere verschijnselen welke
er mede gepaard zullen gaan?--Hebben de sterrekundigen dan niet even
naauwkeurig als alle zons- en maansverduisteringen die zullen plaats
grijpen, insgelijks den tijd van doorgang van Mercurius en Venus voor
de zon honderden van jaren vooraf berekend!--Weten wij dan niet, dat
de "morgen- en avondster" welke ons zoo menigwerf door haren helderen
glans verheugt, op den 8sten December des jaars 2125--derhalve na
verloop van 271 jaren--als eene kleine zwarte schijf voorbij de zon
zal gaan, nadat zij te rekenen van 1874 tot op 2117 reeds vijfmaal
datzelfde verschijnsel zal hebben opgeleverd?--Ja, heeft men zelfs niet
de wetten ontdekt welke den loop regelen der kometen, die gedeeltelijk
duizenden van jaren behoeven om hare banen te doorloopen, en het weder
verschijnen der Olbersche komeet (welke in 1815 werd waargenomen)
op den 9den Februarij 1887, zoomede naar de berekening van Bessel
dat van de komeet van 1807 op de 33ste eeuw en dat van de komeet
van 1811, naar Argelander, op het jaar 4700 na Christus niet vooraf
gezegd?--Berekenden Leverrier en Adams de elementen niet van eene nog
geheel onbekende planeet, duidden zij de plaats niet aan waar deze in
het wereldruim zou zijn, niettegenstaande nog geen sterfelijk oog haar
had gezien en zeiden zij niet vooraf, dat men haar daar zou vinden, ter
plaatse waar men haar later werkelijk vond en Neptunus noemde?--Zijn
wij zelfs de wetten niet op het spoor die zoowel op het physieke,
als op het maatschappelijke leven des menschen invloed uitoefenen
en naar welke wij het gemiddelde getal der toekomstige geboorten,
sterfgevallen enz. leeren kennen, ja, welke ons in staat stellen
met evenveel zekerheid vooraf te zeggen, dat op elke 650 personen in
Frankrijk jaarlijks één zich aan misdrijf zal schuldig maken,--als wij
de hoeveelheid regen naar duimen en strepen vooruit kunnen bepalen,
welke in de eerstvolgende vijf jaren te 's Gravenhage of te Utrecht
zal vallen!--Zou uw God onwetender zijn dan de mensch? Zou hij de
natuurwetten niet beter kennen dan wij en met behulp daarvan niet
in staat zijn vooraf te kunnen zeggen, welke van die 650 personen
de misdaad begaan en hoeveel regen dagelijks op elke plaats vallen
zal?--Is het niet duidelijk dat ons onvermogen om het lot van elk
bijzonder mensch, om de weêrsgesteldheid van elken afzonderlijken dag
vooraf te kunnen opgeven, zijn grond heeft in het ingewikkelde der
verschijnselen, in het groote aantal gelijktijdig werkende oorzaken,
waardoor het heldere overzigt van de wetten die dit alles regeren,
voor ons bemoeijelijkt of onmogelijk wordt gemaakt, dewijl toch het
noodzakelijke gevolg, het eindresultaat, slechts uit de vastgeregelde
zamenwerking van al deze oorzaken of krachten geboren wordt. Uit de
volkomene en grondige kennis dezer wetten echter moet elke gebeurtenis
in de natuur en in het menschelijke leven duizende jaren vooruit kunnen
voorzegd worden. En deze gave der voorwetenschap welke de mensch in
zekere mate bezit, ontzegt gij aan uwen God? Is dat niet ongeveer
gelijkluidend met geheel en al het aanzijn van God te loochenen?
NACHT. Broeder, dit denkbeeld doet mij duizelen; gij voert mij naar
een afgrond waarin ik vrees te verzinken.
MORGENROOD. Lieve Nacht! Ik ken den weg waar langs gij den afgrond
kunt omgaan. Er voert slechts een enkele weg daarom heen. Volg mij
en ik zal u geleiden naar de bloemrijke beemde, waar geen tweespalt
heerscht en alles zich in harmonie oplost.
AVONDROOD. Vergunt mij vooraf nog een enkel woord hier bij te
voegen. De wijsgeeren hebben reeds van den vroegsten tijd tot op Kant
en van dezen tot op Hegel over den vrijen wil gestreden, maar de
vraag is tot heden onopgelost gebleven. Wij zijn geene wijsgeeren,
geene idealisten, maar natuuronderzoekers en behooren te trachten
om de vraag die wij willen oplossen, ons vooraf zoo duidelijk en zoo
eenvoudig mogelijk voor te stellen. Slechts een van deze beide gevallen
kan waar zijn. Of (a) wij hebben een vrijen wil en daar deze slechts
denkbaar is als de eigenschap eener zelfstandige, onsterfelijke ziel,
moeten wij eene ziel hebben welke onafhankelijk is van de chemische
en physieke krachten, die in onze hersenen en in de overige deelen
onzes ligchaams werkzaam zijn.--Of (b) de aanwezige verschijnselen
en opgedane ervaring veroorloven ons niet, aan het bestaan eener
zoodanige onafhankelijke ziel te gelooven. Wij gelooven aan de
werkzaamheid der chemische en physieke krachten in onze hersenen:
maar dan kunnen wij geen vrijen wil hebben, omdat, gelijk gij zeer
wel weet, deze chemische en physieke krachten aan onveranderlijke en
onverbiddelijk gestrenge, consequente natuurwetten gehoorzamen.
Laat ons nu eens nagaan waarheen de eerste stelling a ons leidt. Wij
zijn allen eenparig van gevoelen en moeten dit als natuuronderzoekers
zijn, dat de dingen wel van vorm en zamenstel veranderen, maar
dat geene nieuwe stof, geene nieuwe krachten kunnen geschapen
worden. Derhalve kunnen ook onze zielen niet op nieuw geschapen
zijn, maar moeten zij vroeger reeds onder een anderen vorm hebben
bestaan. Om nu het aanwezen te verklaren dezer zelfstandige zielen
welke van de naar vaste wetten werkende natuurkrachten onafhankelijk
zijn en een vrijen wil zouden hebben, moeten wij toch het bestaan
van een zielenvoorraad of eene zielenbron aannemen van waar zij
(langs voor ons geheel onbekende wegen) in ons ligchaam zijn gekomen,
derhalve eene algemeene ziel, eene wereldziel, een God. Van deze
goddelijke ziel heeft zich een deel in ons uitgestort (hoewel ons
onbekend is wanneer zulks plaats had, of dit geschiedde bij de
bevruchting, in het embryo, bij de geboorte, of later?) en zich
herschapen in eene bijzondere (individuële, menschelijke) ziel met
bijzonderen vrijen wil. Maar vrijheid van wil en almagt moet toch
bovenal de eigenschap zijn der algemeene ziel, dewijl zij zich in
het weinigje stof waaruit wij bestaan, niet had kunnen overstorten,
indien zij deze eigenschap niet bezat. Indien nu echter uwe zielen,
zoomede de zielen van zoo vele millioenen andere menschen--elk
afzonderlijk--haren eigen, onafhankelijken vrijen wil heeft,
hoe kan God dan almagtig zijn en een vrijen wil hebben, uithoofde
iets vrijs buiten hem,--uithoofde zoo vele milioenen afzonderlijke,
van hem onafhankelijke gedeelten van vrijen wil aanwezig zijn?--Is
deze veronderstelling niet ongerijmd, onbestaanbaar en leidt zij
niet regtstreeks tot het geloof aan wonderen, 't welk gij, broeder
Dag, in uw evangelie met zoo veel klem hebt bestreden? Betaamt het
ons, wier aanhoudend streven het is en moet zijn: de wetten na te
speuren waarnaar de verschijnselen in de natuur zich regelen, aan
dergelijke wonderen te gelooven? En in welke betrekking zou dan een
dergelijke, van de natuur gescheiden, persoonlijke God staan tot de
natuurkrachten en wetten? Zou hij misschien niet anders verrigten dan
toezien en--zielen scheppen, namelijk scheppen zoodra de gelegenheid
daartoe gekomen is, derhalve voortdurend oppassen en--zoo spoedig en
zoo dikwerf het aan de natuurkrachten in het menschelijke ligchaam
(zoomede vooraf aan twee exemplaren van den vrijen menschelijken wil)
aangenaam is geweest, uit het vrouwelijke ei en het mannelijke zaad
de vereischte stof daartoe te verschaffen, fluks van zijne zijde
eene ziel in deze stof te scheppen en te zeggen, daar ziel, loop;
ik wil dat gij zijt en na negen maanden vrijen wil hebt. Want dan
zijt gij vrij en kunt uwes weegs gaan; maar geef acht, dat gij de
vingers niet brandt; want allerwege om u heen zijn natuurkrachten
werkzaam en deze bekommeren zich noch om u, noch om uwen vrijen wil.
b. Aan dergelijke wonderen kunnen wij niet gelooven, dewijl zij in
strijd zijn met het verstand en met de waarneming, welke laatste
leert dat de zielsvermogens van den mensch slechts van lieverlede
in, met en door de stof--het ei, embryo, foetus, kind, jongeling en
volwassen mensch--tot ontwikkeling komen. Er blijft ons derhalve niets
over dan de tweede veronderstelling aan te nemen en God met de natuur
te vereenzelvigen. Doen wij dit, dan kunnen wij--naar de stellige of
absolute beteekenis van dit begrip--aan geen vrijen wil gelooven. Dit
denkbeeld van vrijheid van wil is slechts een zelfbedrog, een waan,
waarin de meeste menschen van de wieg tot aan het graf blijven
voortleven.--Enkele diepdenkende personen hebben zich boven dien waan
verheven en onderwerpen zich met tevredenheid aan den wil der natuur,
die zich in hen doet gelden, ja, zij putten troost en opbeuring uit
de gedachte: wij zijn slechts een deel van het eeuwige bewustzijn,
aan stof gebonden, thans latent, maar zullen eenmaal weder vrij
worden. Als individu hebben wij niets dat ons eigen toebehoort,
behalve dit individuële bewustzijn (deze afspiegeling der gansche
natuur is ons binnenste door middel onzer zintuigen), dat na onzen
dood in de Godziel als herinnering zal voortleven.
NACHT. Uwe beschouwing is in strijd met mijn innigst gevoel. De
grens tusschen zedelijke en physieke vrijheid wordt door u niet
duidelijk getrokken; gij vermengt de eerste met de afhankelijkheid
onzes ligchaams van de natuurkrachten, zonder in aanmerking te nemen
dat de zedelijke vrijheid slechts afhangt van zedelijke beweegredenen
en dat wij in dien zin--zedelijk--wel degelijk vrij moeten zijn.
AVONDROOD. Vergun mij dan, dat ik dit denkbeeld naauwkeuriger
beschrijf.--De innerlijke opgewektheid, die wij begeerte, willen
noemen, hangt af van indrukken van buiten of van inwendige aandoeningen
die, gelijk het geval is met onze herinneringen, als een gevolg
van uitwendige indrukken zijn overgebleven, van behoeften, gevoel,
zoomede van het voorbeeld door anderen gegeven; zij kan derhalve
niet vrij zijn. Ons blijft, wel is waar, de keuze over tusschen twee
begeerten en de middelen ter harer bevrediging. Wij kunnen onze eigene
begeerten besturen en beheerschen, en wanneer wij overleggen en eene
keuze doen, daar schijnen wij ons zelven toe vrij te zijn. Maar eene
andere vraag is deze: of wij de overleggingen, dan of de overleggingen
ons beheerschen.--Ik geloof dat zij ons beheerschen. Want van waar
toch komen de overleggingen? Wij zijn immers niets uit en door ons
zelven, maar alleen datgene hetwelk natuur, opvoeding en lotgevallen
ons hebben gemaakt. Reeds in het embryo ligt de kern van het karakter
en den aanleg, waarmede wij ter wereld komen en waarvan de oorzaak moet
gezocht worden in de verscheidenheid der oorspronkelijke stoffelijke
menging;--hoe toch zou het anders mogelijk zijn, dat tweelingen van
eene moeder menigwerf zoo geheel verschillend van elkander kunnen
zijn van inborst en van aard? Opvoeding en doelmatige of verkeerde
behandeling des ligchaams in het tijdperk van zijne ontwikkeling
dragen later het hare daartoe bij, om de eigenaardigheden van het
opwassende individu scherper of onduidelijker te voorschijn te doen
treden. Maar noch de oorspronkelijke stoffelijke aanleg, noch de
wijze van behandeling of van voeding des jeugdigen ligchaams, noch
het stelsel waarnaar het kind wordt opgevoed, stonden ter keuze van
het individu. Hij toch moest met blindheid zijn geslagen, die niet
wilde inzien dat onze geestvermogens, onze inborst, onze denkwijze
en ons karakter het product zijn der genoemde omstandigheden, welke
de ontwikkeling van het individu beheerschen en waarop deze niet
den geringsten invloed kan uitoefenen. Het zijn juist zulke oorzaken
waarop onze keuze niet den geringsten invloed kan uitoefenen, waarnaar
zich (veelal onbemerkbaar, dewijl er geen acht op geslagen wordt--)
in rijperen leeftijd voortdurend onzen wil rigt. Uit dien hoofde
moet, gelijk ik reeds vroeger heb aangemerkt, de maatstaf worden
veranderd waarmede wij het goede en kwade meten en behoort deze zuiver
menschelijk te zijn.--Herinnert gij u in de nieuwspapieren te hebben
gelezen van den man die, uit eene ziekte hersteld, weder tevreden
aan den arbeid zat,--tot hij eens plotseling in woede geraakte,
zijne vrouw en kinderen vermoordde en zich zelven daarna op eene
vreeselijke wijze om het leven bragt? Indien hij in het leven ware
gebleven, zou de regter dan, op grond van zedelijke beweegredenen, hem
van moord beschuldigen en als moordenaar hebben durven straffen? Was
de moord aan zijne vrouw en kinderen gepleegd eene zoogenaamde daad
van willekeur of eene onwillekeurige (of reflex-) beweging? Waar ligt
de grens tusschen gezond van geest en krank van geest?
NACHT. Daarover behoort de geneeskundige te beslissen. Dergelijke
gevallen, waarvan gij zoo even gesproken hebt, waar het moeijelijk
is te beoordeelen of een individu gezond of ziek van geest is,
kunnen van tijd tot tijd voorkomen. De gezonde echter--hieraan valt
niet te twijfelen--heeft het volle bewustzijn van de beweegredenen
zijner handelingen, of zij goed of kwaad, zedelijk of onzedelijk
zijn. Niettegenstaande dat wilt gij thans ook den zedelijken wil des
menschen als een noodzakelijk gevolg van oorzaken voorstellen, die niet
weder kunnen beschouwd worden als zijn eigen wil, maar daarvan geheel
onafhankelijk zijn!--Ik geloof daarentegen dat mijn eigen zedelijke
wil, als eene eigenschap mijner ziel die mij door God werd geschonken,
slechts van mijn zedelijk inzigt en niet, gelijk door u wordt beweerd,
van de natuurwetten afhankelijk is. Want het zedelijke willen is geene
natuurwet, maar eene taak, een ideaal, naar welks verwezenlijking de
mensch moet streven. En juist, dewijl het ons mogelijk is dit ideaal
meer en meer te naderen, kan de wil niet eenig en alléén het gevolg
zijn van oorzaken die van buiten op ons werken, maar moet integendeel
het gevolg zijn van eene innerlijke, aan wetten gebondene regelmaat
van het geestelijke leven zelf.
AVONDROOD. Dat heet met andere woorden: "de oorzaak van den wil ligt in
de vatbaarheid van het geestelijk leven om opgewekt te worden."--Gij
geeft daarmede toch tevens te kennen dat er innerlijke drijfveeren,
oorzaken van den wil bestaan en dat is zeer juist, dewijl de meest
bepaalde wil steeds het duidelijkst van zijne beweegredenen bewust,
derhalve afhankelijk van beweegredenen is, d. i. van oorzaken
die eerst vóór korten tijd of reeds vele jaren geleden op uw voor
indrukken vatbare gemoed invloed kunnen hebben uitgeoefend, waarvan
de indruk niet is uitgewischt. Zoodra nu gunstige omstandigheden zich
vereenigen, die opwekkend zijn voor dezen indruk, zal hij zich als
een gevolg dier vroegere oorzaken noodzakelijker wijze als wil! uiten.
NACHT. Het is moeijelijk om met u te redetwisten. Maar gij zult toch
toegeven dat de wil niet in dier voege aan bepaalde beweegredenen is
gebonden, dat niet ook andere oorzaken invloed daarop zouden kunnen
uitoefenen?
MORGENROOD. Gij lacht en gij (Nacht) fronst het voorhoofd?--Zonderling;
waarom redetwist gij toch! Het komt er immers in het practische
leven juist niet zoo zeer op aan of de vrijheid van wil in absoluten,
positiven zin genomen (met betrekking tot God en de natuur) bestaat,
maar slechts of de mensch als verschijnsel met betrekking tot andere
menschen dezen vrijen wil heeft en dit geloof ik volmondig toestemmend
te moeten beantwoorden. Of de mensch eene daad a als zelfstandig
vrij wezen, dan of b eene onbekende magt in hem de wilsuiting te
weeg brengt, dit is den regter onverschillig. Daarnaar behoeft hij
niet te vragen, dewijl hij zich noodzakelijker wijze in hetzelfde
geval bevindt als de mensch over wien hij zal oordeelen, of in het
geval a of in het geval b. De zederegter en wetgever grondt wel
degelijk zijn regt om te beloonen of te straffen op de mate van
toerekenbaarheid van het individu, niet op de mate waarin hij de
mogelijkheid of onmogelijkheid van het bestaan des absoluut vrijen
wils in aanmerking neemt, maar slechts in zoo verre als hij, om te
beloonen of te straffen, noodig heeft ten eerste een persoon aan wien
de wil als een zich zelfbewuste wil kan aangerekend worden, en ten
tweede het bewijs dat op dit willen de daad waarover geoordeeld wordt,
als voorbedachte daad is gevolgd.--Het is waar, ook hier loopen de
grenzen tusschen met bewustheid en niet met bewustheid willen en
handelen wederom zoodanig in een, dat het niet immer mogelijk is
deze bepaaldelijk te kunnen onderscheiden. Derhalve zal elke milde
wetgeving daarheen zijn gerigt: dat niet worde gestraft, waar geene
verbetering meer mogelijk is, maar dat onschadelijk worde gemaakt,
hetgeen voor de zamenleving verderfelijk zou kunnen worden.
AVONDROOD. Toegegeven, broeder! Op dit punt zijn wij de zaak eens. Van
ouds her werd het als eene deugd der goede en verlichte vorsten
beschouwd, dat zij de misdadigers genade schonken en de doodstraf
slechts in zeldzame gevallen lieten voltrekken, wanneer de toestand
der maatschappij dit vorderde of de openbare meening dit offer scheen
te verlangen.
NACHT. Dit is eene stelling van uw systeem welke ik zou kunnen beamen,
namelijk in zoo verre het wenschelijk is te achten dat de twijfel
aan de mate van toerekenbaarheid der misdadigers den wetgever tot
eene zachtere behandeling van hen stemme en zulks aanleiding geve tot
afschaffing van alle barbaarsche straffen. Maar vreest gij dan niet
dat, indien het niet-gelooven aan den vrijen wil algemeen verbreid
en de afschrik verwekkende straffen geheel en al afgeschaft waren,
de misdaden alsdan op eene onrustbarende wijze zouden toenemen?
MORGENROOD. Veroorloof mij op deze vraag te antwoorden. Ik vermeen
mij overtuigd te mogen houden, dat ik in dit opzigt hetzelfde gevoelen
ben toegedaan als broeder Avondrood en Dag. Vooreerst verzoek ik u uwe
eigene ervaring te raadplegen en neem ik de vrijheid u te herinneren
aan de feiten uit de geschiedenis.--Dit afschrikkingssysteem staat in
dezelfde verhouding tot de voormalige wetgevingen, als de hel en het
vagevuur tot de Christelijke kerk. Ik loochen niet dat de afschuw
van straf en schande bij vele, niet zeer hartstogtelijke menschen
eene beweegreden kan zijn, welke invloed op hunnen wil uitoefent en
hen terug houdt van het plegen van misdaden. Uit dien hoofde acht ik
het ook goed, dat onze wetboeken strafbepalingen stellen op het booze
d. i. op datgene wat in strijd is met de eischen der maatschappij,
wat een derde schadelijk is. Ik verhef mijne stem niet tegen de
straffen in het algemeen, maar alleen tegen het doel ter afschrikking
hetwelk in gruwzame en onmenschelijke straffen zou gelegen moeten
zijn. Dat zij dit doel niet bereiken, heeft de geschiedenis ten
klaarste bewezen. Elk gepleegde misdaad staat in eene regtstreeksche
verhouding tot de hartstogt, welke den misdadiger tot het bedrijven
er van aanzet. Daartegen kan geene afschrikking iets doen. Zoo lang
de driften woeden, wordt elke straf veracht of er wordt volstrekt
niet aan gedacht.
Bezat gedurende de middeneeuwen niet elke kleine stad hare galg en haar
halsgerigt, waar gehangen, gevild, Met gloeijende tangen geknepen,
gevierendeeld, geradbraakt en levend verbrand werd? En zijn wel ooit
meer en vreesselijker misdaden bedreven; hebben de papen,--deze
geestelijke Bothriocephali der menschheid--in eenig tijdperk der
geschiedenis ooit erger gewoed dan destijds, toen halsgerigten
en galgen even talrijk waren als kruizen en bidkapellen; toen het
geloof aan hel en vagevuur als het eerste en gewigtigste leerstuk
werd beschouwd, dat wel is waar de menschen niet afschrikte van het
kwaad, maar niettemin een voortreffelijk lokaas was om de kelders
der kloosters met wijnvaten en de buidels der bisschoppen met geld
te vullen? Welke zedeloosheid heerschte destijds in alle rangen der
maatschappij, welke snoodheden werden niet bedreven!--En zou juist
het dagelijksche schouwspel der barbaarsche straffen, het voorbeeld
der beulsknechten die in grooten getale op hunne schavotten werkzaam
waren, niet hebben medegewerkt om de zedelijkheid onder de menschen
nog lager te doen dalen, het gevoel te verstompen, hen gemeenzaam te
maken met tooneelen van meedoogenlooze gruwzaamheid en daardoor het
plegen van nieuwe misdaden voorbereid hebben?
Tegenwoordig wordt hoogstens nog een onnoozele boer gevonden die
aan de hel en het vagevuur gelooft. Slechts hier en daar wordt nog
een zwakke vorst aangetroffen die zich van de naar magt en invloed
hakende Jezuiten laat wijs maken, dat slechts het uitzigt op den
Christelijken hemel, op de eeuwige gelukzaligheid de hongerende armoede
kan bedaren,--dat slechts de vrees voor hel en duivel de zucht tot
oproer bedwingen en het "gepeupel", de onwetende volksmassa in toom
houden kan,--maar desniettemin (ja, ik geloof juist om die reden)
zult gij vinden, dat het aantal misdaden sedert de middeneeuwen onder
een gelijk aantal der bevolking in gelijke mate heeft afgenomen,
als de beschaving, de verlichting zijn gestegen. Ja, ik durf als mijn
innigste overtuiging hierbij voegen dat het aantal misdaden voortaan
nog veel sneller zal afnemen, wanneer eenmaal eene redelijke godsdienst
de tegenwoordige onzinnige geloofsleer zal hebben vervangen, wanneer
eerst der papenspook, zoo als mis, biecht, enz. zal zijn afgeschaft
en men zal aanvangen om de menschen, in plaats van ze schrik aan te
jagen met hel en vagevuur, met menschenliefde te verheugen.
Het geloof der tegenwoordige wereld is in het algemeen slechts een
schijnbaar geloof, een geloof dat niet gelooft hetgeen zij vermeent
te gelooven; het is niets anders dan een besluiteloos, flaauw
ongeloof,--hoe kan nu dit geloof een mensch dien driften vervoeren,
van de misdaad terughouden? Het geloof aan het bestaan eener hel
is toch geene overtuiging, doet steeds nieuwen twijfel ontstaan en
wanneer de ure der beproeving is gekomen, wordt de misdaad gepleegd in
spijt van de hel met al hare duivelen!--Ja, de ervaring heeft geleerd,
dat de domste menschen die het blindste geloof schenen te hechten aan
de kerkleer, die het vlijtigst ter biecht en ten avondmaal gingen,
in alle tijdperken der geschiedenis juist de meeste en zwaarste
misdaden hebben bedreven.
De natuurlijke reden welke den mensch terughoudt van het kwade, heeft
haren oorsprong in zijne maatschappelijke behoeften en spruit voort uit
de overtuiging dat hij, het individu, op den duur zelf niet gelukkig
kan zijn, indien hij er niet naar streeft om zijne medemenschen in
wier midden hij woont, insgelijks gelukkig te maken. Deze waarheid is
zoo groot en algemeen, dat zij zich zelfs openbaart onder een handvol
wilden, zoodra deze hun zwervend leven verlaten, zich onderling naauwer
aanéénsluiten en eene kleine kolonie stichten. Want zelfs deze kleine
maatschappelijke vereeniging van menschen die in een gehucht van 6
à 10 hutten vereenigd zijn, zou bezwaarlijk 14 dagen kunnen blijven
bestaan, de verschillende leden zouden elkander noodzakelijkerwijze
moeten verdelgen, indien zij zich niet onthielden van inbreuk te maken
op hunne wederkeerige regten, indien zij aan de zedelijke natuurwet,
menschenliefde geheeten, niet gehoorzaamden, niet wederkeerig opvolgden
hetgeen hen geen messias, geen profeet heeft geleerd.
DAG. Dat is volkomen waar! Hetzelfde heb ik insgelijks bij meer
dan eenen wilden volkstam in den Indischen archipel waargenomen. Wel
schijnt de ware menschenliefde den Christenen zoo vreemd te zijn,--wel
schijnen zij haar zoo verre van hunne natuur verwijderd te achten, dat
zij den Hebreër die voor 18 1/2 eeuw het aankweeken van menschenliefde
aanbeval en niets meer en niets minder dan menschenliefde aanbeval,
die derhalve niets deed, niets leerde dan hetgeen de wilden onder
zich doen en jegens elkander in acht nemen,--dat zij dezen man als
een onbereikbaar ideaal vergoden.
NACHT. Lieve broeders! Ik herinner mij verscheidene gebeurtenissen uit
het leven dier zoogenaamde wilden en geloof, dat gij ten opzigte van
dit punt de zaak bij het regte einde hebt. Het smart mij te moeten
bekennen dat de vooroordeelen, welke in mijn boezem zijn ontstaan
door de wijze waarop onze bigotte oom R.... [51] mij heeft opgevoed,
niettegenstaande zij in strijd zijn met alle regelen van het gezond
verstand, zich bij zoo menige gelegenheid in mijn binnenste weder
trachten te doen gelden. Het is ontegenzeggelijk dat de jeugdig
geboren mensch een bepaalden aanleg en vermogens mede ter wereld
heeft gebragt; de opvoeding echter en de latere lotgevallen zijn
het die op het karakter den stempel drukken en den man in rijpen
leeftijd maken tot hetgeen hij is. De aanleg welke de mensch bij zijne
geboorte medebrengt, laat zich vergelijken bij eene locomotief welker
ketel met goed verhitte stoom is gevuld; de opvoeding schrijft aan
dezen aanleg de rigting, den weg voor langs welken hij zal loopen,
en de lotgevallen zijn de conducteur die hem leidt. Mogten toch alle
menschenvrienden hunne onafgebrokene opmerkzaamheid gevestigd houden
op de opvoedingsgestichten en leerscholen der jeugd!--Wat ben ik
niet in gevaar geweest om dwalingen, die men mij in mijne vroegste
jeugd als heilige waarheden had ingeprent, nog verder te verbreiden
en de arme Javanen in de orthodoxe geloofsleer van het zoogenaamde
Christendom onderrigt te geven!
U, broeder Dag, zeg ik dank dat gij mij voor dergelijke zonde heb
bewaard die ik zonder opzet, ja, met de beste bedoeling zou begaan
hebben, toen mijn verstand nog beneveld was door het tot eene gewoonte
gewordene, aangeleerde, diep ingewortelde en ingeprente drie-eenheids
dogma.--Nu echter rust ook op u de verpligting, de leerstellingen van
onzen oudsten broeder te wederleggen, die mij in een afgrond dreigen
te storten van waar ik geen uitweg kan vinden.
DAG. Ik wil u gaarne mijne gevoelens daaromtrent mededeelen en ik
hoop, dat ik eenige van de tegenstrijdigheden zal kunnen oplossen,
die welligt slechts daarom onzinnig schijnen te zijn of in onderlinge
tegenspraak te staan, dewijl de veronderstelling niet juist was,
waarop de gevolgtrekkingen werden gegrond en waaruit Avondrood, naar
een consequent beginsel, steeds talrijkere stellingen afleide.--Maar
broeder Morgenrood heeft immers beweerd, den "eenigen" weg te kennen
die rondom gindschen afgrond heen leidt en ons in de harmonische streek
brengt, waar geene tegenstrijdigheden meer worden gevonden! Zouden wij
hem niet verzoeken, ons vooraf eerst met zijne beschouwingen omtrent
mensch, natuur en God bekend te willen maken, opdat wij weten in
welke stukken hij met Avondrood verschilt of met ons overeenstemt,
ten einde wij later het bijéénbehoorende ook beter in zijn verband
kunnen behandelen?
MORGENROOD. Zeer gaarne, waarde broeders!--Gelijk met alle godsdiensten
het geval is welke het bestaan der wereld evenmin kunnen verklaren,
als zij het ontstaan (of het worden) er van kunnen begrijpen, zoo
ook begint mijn geloofstelsel met eene mythe, die ik u zal voorlezen,
dewijl ik haar na een droom dien ik eens gedroomd heb, op het papier
heb gebragt. Dit is het eenige dat ik omtrent mijne beschouwingen
ten dezen opzigte heb opgeteekend. Ik geloof bovendien dat ik in
de ontwikkeling er van zeer kort zijn kan, dewijl mijne leer in het
wezen der zaak met de stellingen van mijn oudsten broeder overeenkomt,
met uitzondering van een enkel punt.
De komst onzer jongens stoorde ons in ons gesprek. Zij droegen ons
avondeten voor zich uit. Het was reeds over 6 ure en ofschoon het reeds
een geruimen tijd had opgehouden met regenen, bleef de hemel nog steeds
met wolken bedekt, waardoor de overgang van het schemerlicht dat nog
in onze hutten viel, in eene volslagene duisternis werd bespoedigd. De
lezer weet hoe snel dag en nacht tusschen de keerkringen op elkander
volgen. Binnen weinige oogenblikken waren de lampen aangestoken;
spoedig hadden wij onzen eetlust bevredigd en waren de bedienden
met de overblijfselen van het maal weder verdwenen,--toen broeder
Morgenrood zich gereed maakte om aan zijne belofte te voldoen.