Het was een woest tooneel. Door verbazing en nieuwsgierigheid

geprikkeld, klommen wij naar beneden en wandelden op het dorre

strand tusschen de geraamten heen. Hier vielen ons terstond eene

menigte sporen van tijgers en kleinere dieren in het oog, waarvan de

indrukken vooral in de nabijheid der zee, waar het zand ten gevolge

van zijne vochtigheid gladder en vaster was dan hooger strandwaarts

op, zeer duidelijk waren. Ter regter zijde van ons naar den kant der

heuvelen, in welke rigting de kust met zeer zachte en gelijkmatige

glooijing oprees, werd het zand allengs losser en drooger; aldaar

was het op vele plaatsen omgewroet, oneffen, hier en daar in hoopen

opgeworpen, waar tusschen trogvormige laagten werden gevonden en het

scheen, dat dieren van verschillende soort aldaar den wildsten strijd

met elkander hadden gestreden.--Deze gansche strandvlakte was als

bezaaid met beenderen en schilden van schildpadden; binnen het bereik

van ons oog telden wij, tusschen de verstrooid liggende beenderen,

verscheidene tientallen geheele schilden en zeer zeker mag aangenomen

worden, dat hun aantal over het gansche strand verspreid, verscheidene

honderden bedroeg. Het meerendeel werd gevonden op het verst van de

zee verwijderde gedeelte der kust, aan den voet der heuvelen; hetgeen

ons het meest verwonderde was, dat zij allen omgekeerd, op den rug

lagen. Het waren schilden van den reuzenschildpad (Chelonia Mydas,

zeldzamer Ch. imbricata) welke, naar evenredigheid hoog en breed, eene

lengte hadden van 3 tot 5 voet. Eenigen hadden reeds lang daar gelegen

en waren door den invloed van zonnelicht en regen geheel uitgebleekt

en glad; anderen waren donkerder van kleur en aan de binnenzijde nog

voorzien van lappen verdroogd vleesch, ja, verscheidenen werden er

gevonden, die nog vrij versch waren; met opgereten buikschild en

op een aanmerkelijken afstand omringd met verscheurde, stinkende

ingewanden lagen zij hier op het zand. Op onderscheidene plekken

zagen wij lange, regte sporen, als het ware banen ter breedte van

3 à 4 voet, die uit twee nevens elkander evenwijdig voortloopende

groeven bestonden, in het midden waarvan een zwaarder ligchaam over

het zand scheen gesleept te zijn geworden. Deze sporen vingen aan bij

den zoom van het strand en strekten zich, tusschen de geraamten heen,

in eene lijnregte rigting uit tot aan den voet der heuvelen. De twee

Javanen die bij ons waren, schenen dit verschijnsel te kennen, want

zij hadden een der sporen gevolgd en riepen ons van de heuvelen,

waar wij hen bezig zagen met het zand om te wroeten, op vrolijken

toon toe: Tampat telor, telor! (een nest met eijeren!)

De heuvelen waren werkelijke zandduinen, die in de onmiddelijke

nabijheid van den voet van het gebergte oprezen. Over dit drooge,

helderkleurige zand kropen hier en daar lange ranken van Daon katang

(Convolvolussoorten) welke met groote, roodachtig blaauwe bloemen

waren gesierd, die zij aan dunne stelen droegen; op andere plekken

was het zand kaal of slechts begroeid met eene stekelige kruipende

grassoort, Djoekoet lari lari (Spinifex squarrosus). Van den schedel

der duinen echter blikten, behalve Babak goan (Tournefortia argentea)

en andere boompjes, de weligste bladerenbossen van Pandaneën op ons

neder. Aan den voet dezer duinen vonden wij op eene enkele plek,

in een nest, op eene geringe diepte onder het zand bedolven, meer

dan honderd kogelronde eijeren; zij waren witachtig bleek van kleur,

hadden de grootte van een kleinen appel en eene weeke, perkamentachtige

schaal.--Die lange banen waren derhalve sporen van reuzenschildpadden

die, uit den boezem des oceaans opgestegen zijnde, hier 500 à 700 voet

ver over het strand kruipen, ten einde hare eijeren te leggen in het

zand aan den voet der duinen, terwijl zij het uitbroeijen er van over

laten aan de koesterende stralen der zon?!--En op dezen korten togt te

land, welken zij misschien slechts een paar malen 's jaars ondernemen,

worden zij door roofdieren aangevallen?-- --

Wij besloten den avond hier te komen doorbrengen, ten einde te

bespieden hetgeen er zou omgaan, namen zoo vele eijeren mede als wij

bergen konden en keerden vervolgens naar ons bivouak terug. Het

kustwoud dat zich op de kaap verhief, had eene gansch andere

physiognomie als het bosch dat op de duinen voorkwam; het bestond bijna

uitsluitend uit Kiboenagaboomen (Calophyllum inophyllum), waarvan het

levendig groene, blinkende loof ter hoogte van 30 à 40 voet boven den

grond [29] tot een digt schaduwdak zich vereenigde. Duizende witte

bloemen welke dit schoone loof versierden, balsemden de lucht met

de welriekendste geuren. Vele oude stammen verdeelden zich reeds op

eene geringe hoogte boven den grond in kolossale takken, die zich

wijd en zijd naar alle kanten uitstrekten en met hun neêrwaarts

gebogen loof tot aan den grond reikten. Op dergelijke horizontale

takken, ongeveer 7 à 8 voet boven den grond, hadden de Javanen

onze en hunne slaapplaatsen bereid. Afgekapte twijgen waren tot

dat einde in eene dwarse rigting op de hoofdtakken nevens elkander

gelegd en deze bedekt met dunne reisjes en bladeren; beneden tusschen

de boomstammen waren vuren rondom aangelegd. Eenigen onzer Javanen

hadden, namelijk, Krokodillen, Boeaja (Crocodilus biporcatus) voor de

monding der beek bespeurd; gelijk bekend is, verlaten zij des nachts

hun vochtig element en sluipen langs het strand rond; dit gedierte

is nog gevaarlijker dan de tijger, uithoofde van het harde pantser

hetwelk zijn ligchaam bedekt.--Eene dergelijke zitplaats hoog boven den

grond, waar wij tegen gevaar beveiligd waren, lieten wij nu ook in een

Kiboenagaboom gereed maken, welke aan den zoom des wouds, nevens het

beenderenveld stond; nadat wij onzen maaltijd hadden genuttigd, waarvan

de smakelijke schildpadeijeren de hoofdschotel hadden uitgemaakt,

bestegen wij omstreeks 6 ure den boom.--De overige Javanen hadden

den last ontvangen om, bij het eerste schot dat zij zouden vernemen,

zoo spoedig mogelijk met fakkelen (brandende takken en lange stukken

hout) naar de plek te ijlen, waar wij ons hadden verscholen.

Wij loerden. De avond viel.--Wij zagen eerst een, vervolgens

verscheidene schildpadden hun vochtig element verlaten;--zoodra

zij in zoo verre op het drooge stonden, dat nog slechts een ligte

golfslag der branding haar bereikte, stonden zij een oogenblik

stil, strekten haren langen hals strak vooruit en in de hoogte,

wendden haar eenigzins ter zijde, wierpen een bespiedenden blik

in het rond en--kropen dan in eene lijnregte rigting tamelijk snel

zonder ophouden over het strand of, beter gezegd, schoven zich met

hunne zwempooten voorwaarts en ijlden langs den kortsten weg naar den

voet der heuvelen. Uithoofde van de toenemende schemering konden wij

naauwelijks een vierde gedeelte van het strand in de lengte gerekend

overzien, maar voor zoo verre wij de voorwerpen nog onderscheidenlijk

konden waarnemen, zagen wij vier dergelijke donkere plompe ligchamen

die zich over de strandvlakte heenschoven. Geen geruisch trof ons oor,

dan de doffe toon der klotsende branding. Daar hoorden wij eensklaps

iets plassen en klateren beneden ons,--het was veel langer dan eene

schildpad en kroop veel behendiger dan deze over het strand,--het was

een krokodil ter lengte van minstens 15 voet, die eene prooi zocht? en

nu insgelijks al waggelend naar den voet der heuvelen ging. Doodstil,

met ingehouden adem, vestigden wij de blikken op het voor ons liggend

tooneel.--In de verte kroop een schildpad terug en verdween in de

zee.--Het duurde niet lang of in de onmiddellijke nabijheid van de

plaats waar wij ons bevonden, keerde insgelijks een donker ligchaam

van de heuvelen zeewaarts en naderde ons meer en meer,--maar nog had

het de helft des wegs niet afgelegd, toen plotseling uit het naburige

woud een groot aantal dieren te voorschijn snelde; aanvankelijk gaven

zij niet het geringste geluid van zich, maar op den oogenblik dat zij

den schildpad bereikten, lieten zij een snuivend, kort afgebroken

gehuil hooren, terwijl zij in een oogopslag het dier omsingelden

en op de woedendste wijze aangrepen. Naar onze schatting waren er

minstens een dertigtal aanvallers. Zij pakten hun slagtoffer bij den

kop, den hals, bij de als vinnen gevormde pooten, bij den staart,

aan het achterste, trokken en scheurden het de stukken van het lijf,

draaiden het in een kring rond en verrieden door hun fijn en schor

klinkend gesnuif dat stootgewijs werd uitgeblaft, de ijsselijkste

vraatzucht of bloeddorstigheid. Zij gingen als razenden te werk en

schenen den krokodil volstrekt niet te bespeuren, die daar--stil,

met ligten, zachten tred--even als een Tjitjak welke aan den wand

van een vertrek vliegen vangt, op zijn buik kwam aankruipen--al

nader en nader,--vervolgens eensklaps, als een pijl uit een boog,

voorwaarts schoot en al twee of drie van de huilende honden tusschen

zijne vreesselijke kaken had verbrijzeld, alvorens de anderen het

bemerkten, doch die eindelijk eensklaps tot op zekeren afstand uit

elkander stoven.

Het waren Andjing adjag's (Canis rutilans), zoogenaamde wilde honden

die in troepen vereenigd leven, kleiner zijn dan wolven, maar veel

vraatzuchtiger en wilder mogen genoemd worden dan deze. Wel was de

schildpad nog niet dood, maar zij had reeds te veel geleden om zich te

kunnen verwijderen; de krokodil, die waarschijnlijk eene goede vangst

had gemaakt, trok zeewaarts af. [30]--De Adjag's wierpen zich nu van

alle zijden andermaal op hunne prooi, vielen haar met vereenigde

krachten aan en schenen druk bezig om haar de schilden uiteen te

rijten. Ik lag mijn geweer aan en stond gereed om los te drukken, toen

een der Javanen de hand op mijn arm lag en mij eenige beteekenisvolle

woorden toefluisterde.--Zijn scherp oog had de gedaante, welke uit

het duistere woud te voorschijn was getreden reeds bespeurd; zij

stond daar, hield stil, keek op, liet de vlammende blikken over de

schouwplaats gaan, leide zich op den grond neder en--viel plotseling

met een verbazenden sprong te midden van de honden,--een vreesselijk

ratelend gebrul dat uit het diepste van de keel scheen op te komen,

werd daarbij vernomen en de Adjag's stoven, als door een panischen

schrik bevangen, naar alle zijden uiteen. Onder het slaken van een

meer fluitend dan knorrend gehuil, snelden zij ijlings terug naar het

woud en de tiran der wildernis, de koningstijger die ten tooneele

was getreden, sloeg zijne klaauw ten teeken van verwinning op het

schild van het voor hem liggende dier.--Een tweede, kleinere tijger,

welligt een panter, sloop insgelijks nader; de eerste wendde zich

knorrend, blazend om,--ik lag het geweer aan, drukte los en de knal

van het schot weêrklonk in den stillen avond heinde en verre door

het gebergte. De strijd der reuzenschildpadden, krokodillen, wilde

honden en tijgers had voor ditmaal een einde.

Bijna gelijktijdig met mij had insgelijks mijn broeder Nacht een schot

gedaan. Onder het loofgewelf van den boom in welks takken wij gezeten

waren, was het echter reeds veel te donker geworden om ergens goed op

te kunnen aanleggen, hoewel wij de omtrekken der voorwerpen die zich

voor ons op het kale, helderkleurige strand bevonden, nog tamelijk

goed konden onderscheiden. Wij hadden mis geschoten--of althans geene

doodelijke wond toegebragt, want de beide tijgers waren gevloden. Wel

konden wij nog twee schoten uit onze geweren doen, maar wij achtten

het evenwel voorzigtiger, de beide loopen op nieuw te laden en waren

juist bezig van den boom af te klauteren, toen de Javanen die in ons

bivouak achter gebleven waren en de twee schoten gehoord hadden, onder

een luid geschreeuw! op ons toesnelden en het gansche tooneel met de

brandende stukken gekloofd hout verlichtten, die zij mede bragten. In

de nabijheid der schildpad vonden wij een dooden Adjag; was het leven

van het eerstgenoemde dier nog niet geheel uitgebluscht, het had echter

vreesselijk geleden en werd nu door de Javanen met hunne Gòlok's [31]

voor goed afgemaakt. Dewijl zeeschildpadden kop, noch pooten onder het

schild kunnen terugtrekken, vallen zij niettegenstaande de buitengewone

grootte en stevigheid van dit middel ter harer bescherming, gemakkelijk

ten prooi zelfs aan zulke roofdieren, die veel kleiner zijn dan zij,

wanneer deze (zoo als hier de wilde honden) hen in grooten getale

te gelijk aanvallen. Dit verschijnsel verklaart tevens eenigermate

van waar die groote menigte geraamten en schilden haren oorsprong

heeft, welke dit woeste strijdperk van elkander vernielende dieren

bedekt. Dat gedeelte van het vleesch en der ingewanden hetwelk wilde

honden, tijgers, panters en krokodillen laten liggen, nadat zij het

buikschild hunner slagtoffers uiteen gereten en des nachts alles

met geweld er uitgescheurd hebben, wordt den volgenden dag door

zeeadelaars en andere roofvogels verslonden, en steeds ziet men

verscheidenen hoog in de lucht boven dit oord rondzweven.

Zeer verwonderden wij ons op het zien, dat de reuzenschildpad reeds

omgekeerd was en met haar (gedeeltelijk opengereten) buikschild naar

boven lag; wij konden echter niet beslissen of dit het werk was van den

tijger, dan wel of zulks reeds vroeger door de vereenigde krachten der

wilde honden was geschied. De Javanen beweerden dat het laatstgenoemde

het geval was.--Wij sloegen de touwen onzer Pikalan's om de schildpad

en bevestigden deze aan drie Bamboesstaken; zij was zoo zwaar dat zes

Koeli's, waarvan er drie ter wederzijde gingen die de Bamboesstaken

op hunne schouders namen, al hunne krachten moesten inspannen om den

last te torschen. [32] In het bivouak gebragt zijnde, werd het dier

afgehakt; het leverde ons niet slechts kostelijk vleesch op en wel

in zulk eene hoeveelheid, dat minstens vijfmaal zoo veel personen

als wij sterk waren, er zich aan hadden kunnen verzadigen, maar

insgelijks eene ontzaggelijke menigte nog zeer kleine, jonge eijeren,

ter grootte van eene hazelnoot of iets grooter; deze bestonden geheel

en al uit doijer, werden in de soep gekookt en verschaften ons een

uiterst smakelijk voedsel.

Een gedeelte van den nacht bragten wij al wakende aan het wachtvuur

door; terwijl wij ons onledig hielden met de behandeling van

verschillende onderwerpen, kwam het gesprek mede op de wet der

doelmatigheid welke zich in de natuur laat waarnemen. Zou het louter

toeval zijn, dat eene zeeschildpad op eenmaal zulk een groot aantal

eijeren, meer dan honderd stuks te gelijk legt? Zouden wij zoo

iets kunnen gelooven, nu wij nog zoo kort geleden hadden gezien

hoe groot het getal harer vijanden is zelfs onder de landdieren,

welke op de eijerenleggende moeder loeren,--wij, die wisten dat

het meerendeel der gelegde eijeren verloren gaat, doordien kleine

viervoetige roofdieren, zelfs apen en, in bewoonde oorden, de mensch

ze begeerig uit het zand opdelven en weghalen, en dat een ander

gedeelte der eijeren bij somber regenachtig weder volstrekt niet

wordt uitgebroeid?--Waarom echter aan dit dier zoo talrijke vijanden

zijn gegeven, deze vraag kunnen wij niet oplossen, tenzij zulks

is geschied met het doel om de grootst mogelijke verscheidenheid

des levens met de eenvoudigste middelen te bereiken. Maar door de

groote menigte eijeren die niet allen verloren kunnen gaan, is toch

voor de instandhouding der diersoort gewaakt, welke ongetwijfeld

zou uitsterven, indien het getal eijeren slechts tien in plaats van

honderd bedroeg, of indien er zelfs niet 10, maar (even als dit met

het jongen bij olifanten en tijgers het geval is) slechts 1 ei werd

gelegd!--In den harmonischen zamenhang der verschijnselen, in de zoo

veelvuldig aaneengeschakelde tooverketen van oorzaken en werkingen,

waar het eene om den wille van het andere bestaat, het een van het

andere afhangt, laat zich een redelijk plan waarnemen; onmogelijk

kan dit het werk zijn eener blinde noodzakelijkheid. Wel is waar,

het einddoel der schepping te begrijpen gaat boven onze bevatting;

maar dewijl zoo veel redelijkheid doorstraalt in de middelen welke

tot dit doel moeten leiden, hoe zouden wij dan er voor kunnen duchten,

dat het einddoel niet redelijk zou zijn?--Zulke denkbeelden bezielden

ons en zelfs de nachtelijke strijd der dieren, het woeste, schijnbaar

stelsellooze dooreen woelen en werken der organische krachten, was

niet in staat ons geloof aan het bestaan van een hoogste redelijk

wezen aan het wankelen te brengen. Neen, wij hadden besloten om

dit geloof steeds inniger aan te kweeken en vaster wortel te doen

schieten in onzen boezem, opdat de overtuiging van het aanwezen van

een levenden God ons troost zou schenken in alle rampen, in alle voor

ons onbegrijpelijke gebeurtenissen des levens.

Daar alles voortdurend stil bleef in het woud, begaven wij ons

eindelijk ter rust. Den volgenden morgen werden wij echter zeer

vroegtijdig door onze jongens gewekt, die ons het onaangename berigt

meêdeelden dat--al onze Koeli's waren weggeloopen. En dit was werkelijk

het geval. Ten einde zich niet in de noodzakelijkheid gebragt te zien

om nog verder met ons mede te gaan, hadden zij zich allen uit de voeten

gemaakt, en nu zaten wij hier met onze instrumenten en koffers geheel

alleen in de wildernis onder schildpadden, wilde honden, tijgers,

krokodillen en apen, wilde stieren, rhinocerossen en panters!

Wat moesten wij nu aanvangen?--"Bidden!" zou hierop welligt een

bedienaar van het Christelijke Evangelie hebben geantwoord. Wij hadden

echter een waardiger denkbeeld van de grootheid en de wijsheid Gods om

te kunnen gelooven dat Hij, ter gunste van een enkelen of van eenige

weinige menschen, eene verandering in zijne natuurwetten maken en

"wonderen" zou verrigten,--dat hij zich misschien aan een tiental

Koeli's in den droom zou openbaren of in een brandenden doornbosch

of in eene lichtende wolk aan hen zou verschijnen en hun bevelen:

zich zoo snel mogelijk naar Tandjoeng-Gnodos te begeven.--God werkt

slechts door middel der natuurkrachten die hij in het wezen heeft

geroepen en naar wetten die onveranderlijk zijn. Ja, het is juist de

eeuwige, onwankelbare trouw dezer wetten, welke den mensch, zoodra hij

ze heeft leeren kennen, met vertrouwen vervult; deze bestendigheid en

onverbiddelijke consequentie der natuurwetten is het alleen, waardoor

het aan beschaafde volken mogelijk is geworden zich op te voeren tot

dien trap van ontwikkeling, van kunst en wetenschap, waarop zij thans

staan. Niet het bidden, maar de kennis van de natuurwetten heeft hen

op die hoogte gebragt.

Dit geloofden wij en in overeenstemming daarmede werd de behendigste

klauteraar die zich onder onze jongens bevond, namelijk Soengsang,

gelast om in den top van een hoogen Kampakboom (Hernandia sonora)

te klimmen, die zich dieper landwaarts in op eenigen afstand van het

Kiboenagawoud verhief, ten einde van daar te zien: of in de omliggende

streek ergens sporen van menschelijke bedrijvigheid konden waargenomen

worden.--Soengsang klom in den boom en riep ons uit den top toe:

dat hij hooger op in het gebergte een dunnen rook uit het woud zag

opstijgen, en dat hij vermeende aldaar den top van een Kokospalm

boven de oppervlakte van het woud te zien. Zoodra Soengsang weder

naar beneden was geklauterd, besloten wij hem mede te nemen en ons

een pad te banen dwars door de wildernis heen naar gindsche streek,

waar hij den rook had zien opgaan. Wij wapenden ons ieder met een

Gòlok en mijn broeder en ik namen nog bovendien elk een geweer mede;

de overige jongens lieten wij met onze beide andere geweren in het

bivouak en baanden ons, krachtig in het rond hakkende, met Soengsang

vooraan een pad door de wildernis.

Wij zouden ongetwijfeld een halven dag noodig gehad hebben om op deze

wijze eene halve mijl ver door het digt ineengegroeide struikgewas heen

te dringen, indien wij het geluk niet hadden gehad een gebaand pad te

vinden dat blijkbaar van de kust naar het binnenland en bergopwaarts

liep. Wij volgden het en nadat wij gedurende een klein uur onzen

togt hadden voortgezet over een terrein dat met zachte glooijing

opwaarts rees, kwamen wij in eene streek aan waar eene verwilderde,

met onkruid begroeide koffijplantaadje stond en eene tamme hen met

hare kiekens al pikkend rond liep. Weldra hoorden wij het kraaijen van

een haan, en tot onze groote vreugde ontwaarden wij vóór ons, op een

open, slechts met gras begroeid plekje in het woud, een half dozijn

Bamboeshutten waar tusschen eenige Kokospalmen hunne toppen verhieven;

eene levende haag van Pisang en van koffijstruiken omringde het kleine

gehucht. Aan den zoom van het woud waren donkergroene Arengpalmen

zigtbaar. Kinderen speelden tusschen de hutten, en wij ontwaarden

mannen en vrouwen, waarvan sommigen buiten de deur, anderen op den

drempel hunner hutten stonden.

Het blaffen der honden verried onze komst; zoodra de spelende jeugd

ons in het oog kreeg, bleef zij, als van den donder getroffen, van

schrik eensklaps roerloos staan;--de moeders pakten hare kinderen

snel bij den arm en ijlden er mede weg, de mannen volgden haar in

woeste vaart en alles wat loopen kon, snelde voort en nam onder een

aanhoudend geroep van: "help! help! erbarming!" op den voet gevolgd

door de blaffende honden--in allerijl de vlugt.

Slechts een bejaarde man met een langen, grijzen baard bleef, met

de beenen kruiselings over elkander geslagen, rustig voor een der

hutten zitten en zeide, ons bedaard groetende (een Sembah makende):

"Goeden dag, heeren Kedjoets! (landroovers.) Hier zit ik. Stoot mij

neder. Ik ben een oud man; ik heb lang genoeg geleefd. Het is de wil

van den Albarmhartigen Toean Allah,--gij kunt mij dooden."

Wij plaatsten ons op gelijke wijze als hij zat, tegenover den grijsaard

op den grond, leiden de geweren tusschen hem en ons neder, namen

eenige cigaren in de hand en reikten ze hem toe.--Hij bezag ons nu

met meer aandacht en sprak: "Zijt gij geene roovers? Zijt gij Orang

poetih (blanken)?--Hollanders? Het is lang, zeer lang geleden; ons

dorp stond destijds nog beneden aan de kust, toen kwamen zeeroovers

(Badjak's), zij overvielen ons en hebben mijne vrouw en mijne kinderen

vermoord. Sedert dien tijd hebben wij ons hier hooger bergopwaarts in

het woud nedergezet. Onze Oema's (rijstvelden) liggen daar ginds. Vijf

jaren geleden is een Mantri (inlandsche beambte) hier geweest; hij

heeft ons Bibit kopi (koffijboonen) gebragt en ons geleerd hoe wij

koffij moeten planten. Daar staan de struiken. De Moesang's [33] eten

de bessen op. Wij kunnen ze niet gebruiken. Wij hebben geen lust om

naar de Pakamitan (hoofdplaats) te gaan. Wij hebben geen geld noodig."

De gelatenheid, de onderwerping van dezen grijsaard maakten op ons een

diepen indruk. Hij was ons een toonbeeld van menschelijke waardigheid

in het kleed van den eenvoudigsten natuurstaat. Daar hij vertrouwen

in ons begon te stellen, waren wij de zaak spoedig met hem eens. Op

ons verzoek verklaarde hij zich bereid zijne gevlugte landslieden

op te sporen en terug te roepen. Wij gaven hem een onzer geweren

mede, ten einde dit den vreesachtigen ten bewijze onzer vredelievende

gezindheid te toonen.--Een half uurtje na zijn vertrek kwamen zij allen

terug. De vrouwen slopen binnen de hutten en de mannen, benevens de

grijsaard en eenige half volwassene knapen, elf in getal, zetteden

zich op eenigen afstand van ons op den grond neder.--Wij gaven hun

nu te verstaan dat wij, tegen ruime betaling en goede behandeling,

voor een halven dag niets anders van hen verlangden dan Koelidiensten

en dat wij ons naar het groote, westwaarts van hier gelegen dorp

wenschten te begeven. Hun antwoord was: "Trada boleh Toean (dat is

onmogelijk); daarheen leidt weg noch steg; eene vreesselijke wildernis

ligt tusschen ons gehucht en het gindsche dorp, dat veel meer dan eene

dagreize van hier verwijderd is." Zij verklaarden zich echter bereid,

om ons eenige uren ver langs het strand in eene oostelijke rigting

te geleiden--wij zouden derhalve terug moeten gaan--en ons van daar

landwaarts in naar een groot dorp te brengen, waar een Pasanggrahan

werd gevonden en waarheen de togt, naar hunne meening, in eene halve

dagreis kon worden afgelegd. Wat stond ons nu te doen?--Wij waren ten

laatste nog blijde, dat er gelegenheid bestond om van hier weder weg

te komen; wij lieten derhalve ons plan om westwaarts te trekken varen

en namen het aanbod hetwelk zij ons deden, aan om ons naar het naastbij

zijnde, oostwaarts van hier gelegene groote dorp te begeleiden.

De tijd, dien zij behoefden om met behulp hunner vrouwen den

gebruikelijken voorraad rijst, zout, Spaansche peper, benevens een

paar gedroogde vischjes of eenige schildpadeijeren ten gebruike op

reis in te pakken, werd door ons besteed om het kleine gehucht te gaan

bezien. Het werd Bobakan-Najona geheeten. De bewoners bezaten paarden

noch buffels; hunne huisdieren bestonden uit kippen, honden en vier

geiten, benevens eenige geitjes. Buitendien zagen wij een aantal dikke

Bamboesbuizen en uitgehoolde Arengstammen, die onder het uitstekende

gedeelte der daken hingen en eene lengte hadden van 3 à 4 voet; in het

voorgedeelte dezer buizen was eene opening, waar eene soort van kleine

bijen die geen angel hebben en niet veel grooter zijn dan muggen,

zonder het minste gegons te maken uit- en in vlogen. Deze diertjes,

Selemprang (Melipona minuta), bereiden behalve honig insgelijk was

(Towol), hetwelk de vrouwen bezigen bij het opbrengen van gekleurde

teekeningen (Batik) op de katoenen kleedingstoffen, welke zij zelven

weven. Uit dien hoofde worden zij voor huisdieren gekweekt. "Hebben

wij was noodig," zeide ons een der bewoners van dit gehucht, "dan

behoeven wij slechts zulk een hollen stam of Bamboesbuis vóór onze

woning op te hangen, spoedig nestelt zich daarin eene talrijke zwerm

bijen en binnen eenige weken is de gansche ruimte grootendeels met

Towol gevuld."--Deze allereenvoudigste bijenkorven schenen ons hier

regt op hare plaats te zijn. Wij zagen er in het klein het beeld in

van de even zoo eenvoudige huishouding der dorpsbewoners. Zonder eenig

geluid te maken, vreedzaam en weêrloos verrigten deze kleine diertjes

ijverig hunnen arbeid. Even weinig geschikt om zich te verdedigen,

maar niet minder stil en te vreden slijten deze Javanen hun leven hier

in de eenzaamheid.--En toch scheen hun lot mij niet benijdenswaardig

toe. Hoe minder behoeften: des te geringere zorg; het is waar. Waar

echter weinig wordt geleden: daar geniet men ook weinig vreugde,

en hoe talrijker de behoeften des menschen zijn, hoe hooger de trap

van ontwikkeling is welken hij heeft bereikt, des te arbeidzamer zal

hij moeten zijn en des te grooter, des te menigvuldiger zal het genot

wezen, dat het leven hem kan verschaffen.--Het speet mij slechts van de

arme koffijstruiken, die hier in der tijd in den allervruchtbaarsten

bodem geplant waren geworden, maar uit gebrek aan toezigt en leiding

tot den arbeid daar geheel verwaarloosd stonden; de vruchten hingen

verdord aan de twijgen of waren afgevallen en lagen op den grond te

verrotten. "Trada soeka minom--of Trada adat tanam kopi (wij drinken

geen koffij--of het is bij ons geen gebruik (Adat) koffij te planten),"

was het gewone phlegmatische antwoord der dorpelingen op onze vragen.

Dewijl wij toch minstens een paar volwassene mannen in het dorp

moesten achter laten, bedroeg het getal Koeli's dat met ons ten 9 ure

in het bivouak terugkeerde, slechts zeven; het gevolg hiervan was,

dat drie van onze jongens afwisselend de Koeli's de behulpzame hand

moesten bieden om onze pakkaadje te dragen, hetgeen hen echter niet

verhinderde al de ledige plaatsen in de koffers en potten, zoomede

hunne eigene zakken vol te stoppen met schildpadeijeren.--En honderde

dergelijke eijeren werden er weggeworpen.

In den voormiddag vingen wij op die wijze den terugtogt aan en

kwamen ongeveer ten 12 ure aan een gebaanden weg, welke ons in

eene noordelijke rigting van het strand landwaarts in voerde;

wij volgden dezen weg en bereikten ten 3 ure zeer vermoeid het

schoone Tji-Inoebdal, waar talrijke groepen Kokospalmen wier toppen

vrolijk in den wind ruischten, ons de ligging van even zoo vele

dorpjes verrieden. Hunne in den zonneschijn blinkende en fladderende

waaijers verhieven zich hoog boven het bladerendak der loofdragende

vruchtboomen, waar tusschen de van Bamboes vervaardigde woningen

der Javanen verborgen waren. Tusschen deze boschjes werden onder

water staande rijstvelden (Sawah's) gevonden, waarin eene menigte

dominé's (Ciconia capillata) met kale koppen, al pikkende naar hun

lievelingskost, naar kikvorschen, met statigen tred in het rond

waadden; de dames te Batavia, al is het ook dat zij niet op dominé's

gesteld zijn, houden echter veel van de Maraboevederen, welke deze

vogel verschaft.

Wij begaven ons naar het grootste dezer dorpen, Oegoed geheeten,

dat wij weldra binnentraden. Hier was alles in dulci jubilo; de

slagen van Gamelan's klonken ons luide uit meer dan een Pendopo

te gemoet. Hieraan paarde zich het zachte, liefelijke geluid des

Angklong. [34] Eerepoorten van helder groen loof waren hier en daar

opgerigt, en in feestgewaad gedoste en opgesierde inlanders van

allerlei ouderdom wandelden in het rond. Naar ons verhaald werd,

vierde men den tweeden dag van eene bruiloft. De zoon van den Loerah

[35] was den vorigen dag gehuwd met de dochter van een Mandor

goedang kopi (opziener van een koffijpakhuis) en het scheen, dat

hij juist gereed stond om nu zijn laatsten omgang door het dorp te

maken.--Onze Koeli's bragten ons in den ledigstaanden Pasanggrahan,

ontdeden zich aldaar zoo spoedig mogelijk van de pakken en koffers,

en spoedden zich onmiddellijk daarop weder voort, ten einde deel te

nemen in de algemeene vreugde. Onze jongens volgden hun voorbeeld

en wij insgelijks, dewijl het er in den Pasanggrahan zoo armoedig en

leêg uitzag als het geval kan geweest zijn op het drooge land tijdens

de silurische formatie.

De jonggehuwden en hunne feestgenooten trokken zoo even langzaam, in

plegtstatigen optogt, voorbij den Pasanggrahan en over het Aloenplein

dat daar vóór gelegen is. De bruid zat in een open, bontkleurigen

draagstoel (Tandoe) welke door vier rijk gekleede Javanen werd

gedragen. Twee mannen gingen ter wederzijde er van; zij werden

voorafgegaan door een aantal vrouwen welke groote met bloemen gevulde,

geelkoperen kwispeldoors (Kembar majang) droegen. Het bovenlijf der

bruid was tot aan de heupen, geheel en al ontbloot; haar aangezigt was

wit gemaakt met rijstmeel (Poepoer) en hare armen, hare borsten en

het overige onbedekte gedeelte van het ligchaam waren geel geverwd

met Boreh; om de armen droeg zij zilveren ringen en in de ooren

lange gouden versierselen. Overigens had zij ter bedekking van het

benedengedeelte des ligchaams slechts een prachtig kleed, Sarong, [36]

terwijl het zwarte hoofdhaar was gesierd met welriekende witte Melati-

en gele Tjempakabloemen.--Hierop volgde eene dubbele rij mannen welke

het Kempar majang des bruidegoms droegen. Zij gingen vooraf en hij,

gedost in vollen Dodot (galakleed) volgde, gezeten op een sierlijk

opgetoomd paard dat bij den teugel werd geleid door twee er nevens

gaande personen. Een kostbare Sarong bedekte in wijde plooijen het

benedengedeelte des ligchaams; even als dat zijner bruid was zijn

bovenlijf tot aan de heupen geheel naakt en ook zijn gelaat was wit,

de overige deelen zijns ligchaams geel gemaakt. Achter in den gordel

waarmede de Sarong om de heup werd vastgehouden, stak de met bloemen

gesierde Kris. [37] Zijn lang zwart hoofdhaar hing, insgelijks met

bloemen gesierd, geheel vrij langs zijne schouders, en in plaats van

den gewonen hoofddoek droeg hij een Koeloek (eene parademuts).--Dan

kwamen eenige priesters (Imam's en Modin's), herkenbaar aan hunne witte

hoofddoeken en aan hunne kleederdragt in het algemeen;--hierop volgden,

in feestgewaad gedost, de verwanten der bruid en van den bruidegom en

achter deze huppelden Angklong- en op trommels (Terbang) of bekkens

(Kenong) slaande Gamelanspelers, waarna eene tallooze schaar van

andere inlanders--oud en jong, mannen, vrouwen en kinderen, allen

met de beste kleêren aan, den plegtigen optogt besloot.

Naar ik hoorde, begaven zij zich naar de woning van des bruidegoms

vader, alwaar de bruid voor een prachtig versierd bruidsbed (Padjangan)

dat te midden van het vertrek was geplaatst, moest ontvangen worden. In

den Pendopo die vóór deze woning stond, waren de noodige toebereidselen

voor het bruiloftsmaal gemaakt. [38]--Weinig tijds nadat wij van het

Aloenplein naar den Pasanggrahan waren teruggekeerd, verscheen de

Loerah aan het hoofd eener bezending, bestaande uit mannen en vrouwen

die korven, groote houten schotels, drinkschalen en schenkbladen,

alles gevuld en beladen met rijst, thee, suiker, velerlei soorten

van vruchten en gebak van rijstmeel, suiker of honig (Koewé koewé)

van verschillenden aard voor zich uit droegen. Deze lekkernijen werden

ons aangeboden en op den vloer in den Pasanggrahan nedergezet, dewijl

er banken, tafels, noch stoelen voorhanden waren. Bovendien werden wij

door den Loerah op het bruiloftsmaal verzocht, en uitgenoodigd om later

deel te nemen aan den daarop volgenden Tandak (Javaschen dans, waarbij

de Gamelan geslagen wordt), voor welke eer wij echter, uithoofde van

de vermoeijenissen der afgelegde reis, bedankten. Wij verzochten hem

om ons voor alle dingen eene tafel en een paar stoelen of banken te

bezorgen, waaraan onmiddellijk werd voldaan, en nu trachtten wij

ons onder het algemeen gejubel zoo goed mogelijk in te rigten. De

Javanen bragten ons spijzen en voornamelijk gebak van allerlei aard

in overvloed en wij moesten bekennen dat wij, niettegenstaande de

armoedige wijze waarop wij waren aangekomen--te voet, niet onder

geleide van een inlandsch hoofd, met pakkaadje op de schouders van

onze eigene bedienden--op eene uitstekend gastvrije manier te Oegoed

waren ontvangen geworden. Bij dergelijke feestelijkheden wordt onder

de Javanen het schoone beginsel ten stelregel genomen: dat niemand

van allen, die in de nabijheid zijn, zelfs niet de armste Koeli,

onbevredigd blijve of treurig mag wezen.

Hetgeen wij echter het meest van alles behoefden: rust, slaap,

vonden wij, helaas! het minst.--Het slaan op den Gamelan, het

geschal der groote Gong's, het luid gillend gezang der Ronggèng's

(dansmeisjes, Bajaderen), de beweging veroorzaakt door de talrijke

menigte personen in het dorp aanwezig, de herhaalde ontploffingen

van raketten en ander vuurwerk, het blaffen der honden, enz., dreunde

ons den ganschen nacht in de ooren. Toen ons nu den volgenden morgen

werd berigt dat dit vrolijke leven (Ramé ramé) nog twee dagen en twee

nachten zou voortduren, maakten wij ernstige aanstalten om de plaats te

verlaten--verder te reizen en zonden derhalve boden naar den Loerah met

verzoek, dat hij ons Koeli's zou verschaffen om onzen togt te kunnen

voortzetten. Onze jongens kwamen echter terug met het berigt, dat het

volstrekt onmogelijk was om in de beide eerstvolgende dagen Koeli's te

bekomen. Wij ontboden daarop den Loerah zelf, die weldra bij ons kwam

en met de beenen kruiselings op den grond zich voor ons nederzette; nu

kregen wij het bevelschrift (Soerat printah) van den resident en leiden

het hem voor. Maar de Loerah kon niet lezen, en--onder het maken van

buitengewoon vele pligtplegingen, er bijvoegende: "dat wij het hem,

zoo hij hoopte, toch vooral niet kwalijk zouden nemen"--gaf hij ons

te verstaan: dat de bevelen om reizende heeren de verlangde hulp te

bieden, hem vroeger steeds mondeling door het distriktshoofd waren

medegedeeld, en dat het geen Adat was te reizen met zulke schriftelijke

bevelen als wij hadden. Gaarne zou hij ons Koeli's verschaffen, indien

wij slechts twee dagen geduld wilden hebben. Voor den oogenblik was

het hem echter volstrekt onmogelijk om aan ons verzoek te voldoen;

de dorpsbewoners wilden niet, en ze er toe dwingen, dat kon hij niet.

Nu gingen wij beproeven om als man met man te onderhandelen en gingen

met onze jongens in het dorp rond, haalden de beurs te voorschijn

en boden elken ledigstaanden of rondslenterenden Javaan dien wij

aantroffen, drie, ja, naderhand zelfs vijf gulden zilver geld aan

om onze ligte pakkaadje eene dagreis ver tot aan de hoofdplaats

der residentie te helpen dragen; zij keken het geld eens aan,

glimlachten--maar, de Ronggèng's wier stemmen hen uit den Pendopo

te gemoet klonken, de welluidende slagen van den Gamelan die uit de

verte weêrgalmden, de menigte vrolijke menschen die zich hier bevond,

de overvloed van Koewé koewé, de prachtige optogten van bruid en

bruidegom--neen! daarvan konden zij niet scheiden.--Ruim een uur lang

hadden wij het dorp doorwandeld, alle mogelijke pogingen in het werk

gesteld om langs den weg van overreding tot ons doel te geraken, den

ganschen voorraad van ons redenaarstalent uitgeput en alle zilveren

guldens en Spaansche matten die wij nog over hadden, in onzen buidel

doen rammelen, maar--alles te vergeefs; geen enkele der gebezigde

middelen schonk eenige baat; alle drangredenen waren verspild; wij

konden geen enkelen Koeli verkrijgen. Tamelijk mistroostig en met

loome schreden keerden wij terug, gingen over het Aloenplein naar

onzen Pasanggrahan en stonden juist gereed de trappen die naar de

voorgalerij geleidden, te bestijgen, daar vernamen wij achter ons een

getrappel, wij keerden ons om en--wat zagen wij daar? een ruiter kwam

met lossen teugel het dorp binnen rennen----

een tiental anderen galloppeerde hem achter na,--zoodra de voorste

ruiter ons in het oog kreeg, hield hij op een afstand van 500 voet

den teugel in,--steeg van zijn paard en trad in eene bukkende,

onderdanige houding naar ons toe, totdat hij tot op ongeveer een

tiental schreden was genaderd; daar zette hij zich op den grond neder,

maakte een eerbiedigen groet en sprak, telkens zijn Sembah herhalende,

de volgende woorden tot ons: "Ik vraag duizendmaal om verschooning,

hooggeërbiedigde heeren! Duidt mij toch niet ten kwade, dat ik vóór

vijf dagen toen ik uwen brief ontving, niet terstond zelf bij u

gekomen ben. Ik wist niet, wie gij waart; sedert eergisteren heb ik

u echter overal nagereisd en ben nu eindelijk zoo gelukkig geweest

u te vinden. Ik smeek u nogmaals duizendwerf om verschooning! Neemt

het mij toch niet kwalijk. Ik moet u vele groeten overbrengen van

den heer regent. Gij kunt vijftig Koeli's krijgen, ja, honderd of,

in een woord, zoo velen gij wilt. Alles is tot uwe dienst. Ik zal het

mij tot groote eer en tevens tot een waar genoegen rekenen, indien

het mij zal vergund worden u overal heen persoonlijk te vergezellen

en--hier--is mede een brief van Toean Abingrot."

IK. Abingrot?!--Snel brak ik den brief open, zag wie de onderteekenaar

er van was en daar las ik de volgende woorden:--"Uw liefhebbende

broeder Avondrood."

NACHT. Wat! Avondrood? Onze oudste broeder! hier, op Java, welligt

in onze nabijheid? O, welk eene vreugde, lieve broeder, hoezee!

Ik las: "Aan het meer Telaga-Nagnetap. Lieve jongste broeder! Sedert

drie dagen ben ik met broeder Morgenrood" - - - Wat! is Morgenrood

insgelijks hier? Welk een genoegen, welk eene verrassing! welk een

onverwacht geluk, dat wij met ons vieren broeders, die elkander sedert

jaar en dag niet ontmoet hebben, hier te midden dezer heerlijke

natuur ons zullen wederzien!--"alhier aangekomen en heb tot mijne

groote verrassing gehoord, dat gij met broeder Nacht insgelijks in

deze residentie zijt. Wij vermeenden dat gij u in Banjoemas bevond

en waren in twijfel, of gij werkelijk de heeren Dak en Nat (zoo als

men ons de namen noemde) waart, die (gelijk verhaald werd) pogingen

in het werk stelden om de Javanen te bekeeren, voetreizen maakten en

een waar Koeli's leven leiden. Maar gisteren kwam het distriktshoofd

van Gnodnab alhier aan, met bevelen van den regent om u op te zoeken

en den noodigen bijstand te verleenen. Hij toonde mij een brief van

u, en nu was alle twijfel opgeheven. Groot is onze vreugde! Wisten

wij slechts waar gij ronddwaalt, dan ijlden wij u onmiddellijk te

gemoet. Voorshands echter durven wij ons niet ver van hier verwijderen,

want onze wakkere vriend, de resident Praktischman dien gij, beste

Dag, insgelijks kent en met wien wij uit Oost-Java gezamenlijk tot

aan Gnodnab zijn gereisd, heeft beloofd ons, na zijne terugkomst

van Batavia, in de wildernis te komen bezoeken.--Derhalve, beste

broeders, komt naar ons toe, spoedig, ijlt herwaarts naar het meer,

opdat wij u omhelzen.--P. S. Wij hebben ons hutten gebouwd en plaats

en levensmiddelen in overvloed voor u allen."

De inhoud van dezen brief werkte als electriseerend op ons beiden en

Nacht was zoo opgetogen op het vernemen van dit onverwachte berigt,

dat hij het goedhartige distriktshoofd van vreugde in zijne armen

sloot; deze echter wist naauwelijks hoe hij zich moest houden, want

het ontvangen eerbewijs--eene openbare schending van den Adat--had

hem geheel en al van zijn streek gebragt. Hij gaf ons zijn verlangen

te kennen, om zich gedurende eenige oogenblikken te verwijderen;

hij ging heen, wij gebruikten onze koffij en tot onze niet geringe

verwondering zagen wij, dat het Aloenplein in minder dan tien minuten,

als door tooverij, met--Koeli's om zoo te zeggen bedekt geraakte, die

zich ter wederzijde van het middenpad met de beenen kruiselings over

elkander in eene lange rij op den grond nederzetteden.--Dat was de

tooverkracht der Argumenta ad hominem die alleen het distriktshoofd

scheen te kennen, dewijl onze drangredenen kort te voren bij zijne

landslieden niets hadden uitgewerkt. Onze jongens echter, die in

het moeijelijke "Koelileven" in het maken van voetreizen volstrekt

geen behagen vonden, mogten zich verheugen dergelijke aanstalten te

zien maken, die hun het nabij zijnde einde van de Soesah soesah [39]

verkondigden. Want in langen tijd hadden wij hen niet zoo druk in de

weer gezien. Zij maakten niet weinig haast, deelden luid hunne bevelen

uit, pakten onze goederen in, droegen het eene stuk na het andere

den trap af naar het plein,--de Koeli's die daar zaten, sprongen

op en wedijverden! om de eer, wie een gedeelte van onze pakkaadje

het eerst opnemen en wegdragen zou; ja, meer loopende dan gaande

spoedden zij zich met hunne lasten het dorp uit;--want de Heer baron

(of Raden) distriktshoofd Praba Widjaja Kadoekareksa, enz., enz.,

gedost in galakostuum, met de Kris in de gouden scheede gesierd, trad

daar zoo even weder op het tooneel en deelde zijne bevelen uit, waarop

(onder het telkens en herhaald maken van Sembah's) een getrouwe echo,

ja, ja, ja, ja,--weêrklonk.

Nu werden paarden voorgebragt, reeds gezadeld en getuigd, die door

hun ongeduldig getrappel hoorbaar te kennen gaven hoe vurig zij

waren. Vóór bij den ingang van het Aloenplein hadden twee voorrijders,

met vaantjes aan hunne lansen, post gevat, slechts wachtende op den

oogenblik dat wij den voet in den stijgbeugel zouden zetten, om in

allerijl ons vooruit te rennen. Wij zetteden ons eindelijk in den

zadel, daar snelden de voorrijders weg aan 't hoofd van den togt,

de slagen van den Gamelan volgden steeds sneller elkander op, en een

luid en vrolijk allegro klonk door het dorp,--wij galoppeerden hen

achterna, gevolgd door het distriktshoofd--en achter hem draafden

onze en zijne bedienden, benevens eene talrijke schaar kleinere

hoofden en andere Javanen.--Zoo vlogen wij in ijlende vaart, niet

ongelijk aan eene woeste bende van den Wilden jager, het dorp uit,

terwijl de luide toonen der op een klokkenspel gelijkende Javasche

muziek langs de bergwanden weêrgalmden en het gehinnik der paarden

de frissche morgenlucht deed trillen.

De kleine Javasche paarden waren zoo vurig en moedig, zij snoven en

brieschten van levenslust en gevoel van kracht; de ruiters die ze

bereden, schertsten met elkander en lachten elkander uit, wanneer door

het ordelooze van den togt de een den anderen in het voorbij rijden

knelde of een gevoeligen stoot toebragt. De cavalcade welke wij op die

wijze vormden, zag er werkelijk bont en schilderachtig uit. Behalve

mijn broeder en ik, die in witte katoenen kleederen en met een breed

geranden, grijskleurigen vilten hoed op het hoofd, vooraan reden,

werden er onder al de overigen geen gevonden die hemden, kousen en

schoenen aan het lijf hadden. Het distriktshoofd droeg een zwart

katoenen buis met gouden knoopen, en verder den Sarong. De overige

Javanen hadden deels roode, deels groene, anderen weder blaauwe

buizen (Badjoe) aan, die van voren open stonden, terwijl bij anderen

daarentegen het gansche bovenlijf geheel en al onbedekt bleef. Velen

droegen zelfs geene broeken en hadden, in plaats van een Sarong,

niets anders omgeslagen dan een Kajin (lendendoek) dat zij later

door den snellen rid verloren. Dan zaten zij van top tot teen in

het kostuum van Adam (het antiekste van allen) te paard en--werden

uitgelagchen. Bij anderen ging de hoofddoek los, welke dan als een

lange wimpel achter hen in lucht fladderde;--de ruiters die het

verloren hoofddoek weder magtig wenschten te worden, sprongen dan

van het paard, maar vergaten de teugels vast te houden,--de paarden

draafden dan mede door en hunne voormalige berijders liepen ze,

met den opgeraapten hoofddoek in de hand, achterna en genoten het

vermaak de snelheid hunner beide beenen met de vier pooten van hun

paard te kunnen vergelijken.--Op die wijze ging de togt in vluggen

draf naar het gebergte heen, in de rigting van de plaats, waar te

midden der sombere wouden die het overschaduwen, het meer Nagnetap

moest gelegen zijn. Weldra hadden wij de Koeli's ingehaald, die onze

pakkaadje droegen; nu echter behoefden wij ons niet omtrent hen te

bekommeren, want wij wisten dat het heden niet noodig was om ze aan

te sporen en bovendien dat wij aan het meer alles zouden aantreffen,

hetgeen wij noodig mogten hebben. De Javasche paardjes die tot nu toe

goed doorgeloopen hadden, begonnen hunne drift allengs te matigen en

staakten hun snuiven en brieschen eindelijk geheel en al; het gebergte,

namelijk, begon met steiler glooijing op te rijzen en wij waren nu in

staat om, nevens elkander voortrijdende, zeer gemakkelijk onderling

een gesprek te voeren.

NACHT. Er zijn nu omtrent veertien dagen verloopen sedert wij de

hoofdplaats der residentie B. hebben verlaten, tot waar wij de reis

met postpaarden hadden voortgezet. Dit tijdvak is kort. Maar toch

moet ik tot mijne smart bekennen dat ik reeds begin te twijfelen,

of men door middel van vrijen arbeid in het binnenland van Java tot

een of ander voldoend resultaat zou kunnen komen. Wij hebben althans

bijna overal de droevige ervaring opgedaan, dat wij met onze klinkende

munt, onze overredingskracht en goede woorden, als man tegen man,

nergens veel konden uitrigten.

DAG. Natuurlijk niet; daartoe is noodig aanzien en magt, dat wil zeggen

het regt om te bevelen. Komt er iemand dien de Javanen als hun gelijke

beschouwen,--zoo als met ons het geval is geweest, sedert wij te voet

en zonder dat vooraf bevelen van inlandsche hoofden waren gezonden,

het land doorkruisten,--dan doen zij voor hem juist zoo veel als

voor hun gelijke, maar ook niets meer. In de wildernis westwaarts

van den Tandjoeng-Gnodos hadden zij niets te verrigten en om die

reden hebben zij ook ons derwaarts niet willen begeleiden. In het

meer beschaafde Europa is geld de drangreden welke individuen noopt,

meer voor anderen dan voor zich zelven en zijn gelijke te doen;

maar welke waarde kan geld toch wel hebben hier in het binnenste

van Java, in het oog van den eenvoudigen bergbewoner die bijna al

zijne behoeften zonder geld kan bevredigd zien? Gemak is hun meer

waard. Hoe gastvrij zij ons ook overal ontvingen, wij hadden echter

voortdurend met Soesah soesah te kampen, en het is u bekend dat wij

ons doel of slechts ter naauwernood, of in het geheel niet hebben

kunnen bereiken.--Maar welk eene uitwerking had niet dezen morgen de

verschijning van den Raden distriktshoofd? Hij stampte met den voet

op den grond en een geheel leger Koeli's stond op zijne wenken te

wachten! Wat repten deze Koeli's zich met armen en beenen, wat waren

zij eensklaps behendig en vlug geworden!--en toch waren het dezelfde

menschen die kort te voren noch door middel van geld, noch door goede

woorden van onze zijde zoo ver konden gebragt worden, dat zij opstonden

van den grond waarop zij zich hadden nedergevleid.--En gedraagt het

distriktshoofd zelf zich thans niet geheel anders jegens ons dan voor

eenige dagen,--is zijn eerbied jegens ons niet 99 per cent gerezen,

sedert hij weet dat wij van regeringswege alle ondersteuning welke wij

verlangen, op reis bekomen kunnen en dat wij op een vriendschappelijken

voet staan met zijne overheden, met den regent en met den resident?

NACHT. Hetgeen gij daar zegt, is slechts al te waar. Maar het

doet mij leed, te moeten zien dat onder een volk hetwelk zulk een

voortreffelijken aanleg bezit, zulk een slaafsche geest heerscht,

dat steeds bevelen van hooger hand volstrekt vereischt worden om

den reizigers den noodigen bijstand te doen geworden, en dat deze

bevelen met blinde gehoorzaamheid worden opgevolgd. Het schijnt, dat

de despotieke regeringsvorm der Javanen bij hen elken kiem van achting

voor den mensch op zich zelven--als mensch--in zijne ontwikkeling

heeft verstikt.

DAG. Er ligt veel waars in hetgeen gij daar zoo even hebt gezegd. Maar

toch hapert er nog iets aan uwe wijze van beschouwing, om volkomen

waar en overeenkomstig de natuur te zijn. Was het gedrag der Javanen

jegens ons niet altijd beleefd? Hebben zij ons ooit met minachting

behandeld?--Ja, ik vraag het u, zouden wij bij de Christenboeren in

Holland wel zoo gastvrij zijn ontvangen geworden, als hier bij deze

zwarte Javanen, die wij voor de eerste maal, als geheel vreemde

blanke menschen ontmoetten, het geval is geweest?--Het schijnt u

te hinderen, dat hier op Java de menschelijke grootheid die zich

omgeeft met aanzien en aardsche pracht, die als despoot optreedt,

zoo onvoorwaardelijk wordt gehoorzaamd. Gij verliest echter uit het

oog, dat onze beminde landslieden in Europa zich door een tiran laten

beheerschen die nog veel minder achting verdient, namelijk:--geld. Wat

mij betreft, ik verklaar u openhartig en ik kom er rond voor uit dat,

indien mij ter eeniger tijd geen uitweg mogt overblijven en ik tusschen

twee dingen had te kiezen, namelijk, of een grooten geldzak als afgod

moest aanbidden of een levend mensch die zich voor mijne blikken stelt

in al den glans van aardsche kracht en heerlijkheid--, in zulk een

geval mijne keuze niet twijfelachtig zou zijn. Waarschijnlijk waren de

Javanen heden morgen van hetzelfde gevoelen, toen hun hoofd te Oegoed

aankwam, waar een enkel woord, ja, een wenk van hem voldoende was om

tot stand te brengen, hetgeen wij vroeger met onzen vollen geldbuidel

niet hadden kunnen bewerken.

De Javaan wiens beschaving nog niet ver genoeg is gevorderd, om

menschelijke eigenschappen--als zieleadel, hooge deugd, scherp

verstand, diepe wetenschappelijke kennis--in absoluten zin, om en

op zich zelven, te schatten, meet de waarde der menschen af naar

de wijze waarop zij zich uiterlijk aan hem voor doen, naar den

rang welken zij in de maatschappij bekleeden, en ik geloof dat ook

bij onze landslieden in Europa de uiterlijke rang van een individu

en zijne kleeding of de uiterlijke eereteekenen welke hij draagt,

althans de eerste en voorloopige maatstaf zijn waarnaar hij wordt

beoordeeld. Waarom zullen wij dit nu in den Javaan berispen, op wiens

gemoed van der jeugd af geduchte natuurkrachten hunnen magtigen invloed

uitoefenen, die hem allen onderwerping, geduld, gehoorzaamheid luide

verkondigen?--Kan hij de donderende vulkanen die hunnen vuurgloed over

zijne velden en akkers uitbraken, gebieden tot rust weder te keeren,

of kan hij de aarde welke zoo menigwerf onder zijne voeten trilt en

beeft, bevelen om onbewegelijk stil te zijn? Is het hem mogelijk den

gloed te temperen der zon die hare stralen loodregt op hem nederschiet,

of den bloeddorst te lesschen der tijgers en panthers die, tuk op roof,

des nachts rondom zijne stallen sluipen?--Is zijne bijl of zijn hakmes

in staat den allerweligsten plantengroei in bedwang te houden, die

zich hoog boven zijne hutten tot een gewelf zamenvoegt?--En strekt

deze zelfde allerrijkste plantengroei, op dezen vruchtbaarsten

aller bodems, hem niet tevens tot een uiterst gemakkelijk middel

om al zijne behoeften overvloediglijk te bevredigen?--Moet de nog

onbeschaafde mensch die te midden van zulk eene vruchtbare natuur

geboren en groot gebragt wordt, waar een eeuwige zomer heerscht welks

aanhoudende warmte te gelijkertijd eene verslappende werking op hem

uitoefent, moet deze niet in eene hoogere mate dan de bewoner van meer

noordelijk gelegene, koudere klimaten, innerlijke neiging verkrijgen

tot traagheid en zinnelijkheid? ja, zou voor een dergelijk volk,

zoo lang het nog op den eersten trap van ontwikkeling staat, een

despotieke regeringsvorm niet zelfs eene behoefte mogen geacht worden?

Beschouw de zaken onbevooroordeeld en gij zult vinden dat het

verband tusschen natuur en volkskarakter steeds des te inniger is,

hoe lager de trap van ontwikkeling is waarop een volk staat, en dat

de Javanen gelijk zij thans zijn, zich zelven niet kunnen regeren,

maar geregeerd moeten worden. Al hetgeen de Javaan van der jeugd af

ziet in de natuur welke hem omringt, doet zich aan zijne blikken voor

als bovenmate grootsch en magtig en maakt, dat onderwerping hem ten

gewoonte wordt. Hij vindt derhalve de aangenaamste bevrediging voor

zijn gemoed: in het gehoorzamen aan billijke bevelen; het is hem een

lust een hoofd, een regent, een resident in volle praal te midden

zijns gevolgs te aanschouwen en hij acht als zijn hoogste genot:

deel te nemen in de vreugde, in den feestmaaltijd zijns heerschers,

terwijl de muziek des Gamelan weêrklinkt, die immers de Koeli even zoo

goed hoort als de prins, de geringste man evenzeer als de Groote des

lands. Indien gij nu bedenkt dat de vorsten in gelijke mate grootere

tirannen worden, naar gelang hunne onderdanen gewilliger gehoorzamen

en dat de Javasche hoofden, regenten en keizers, zoo lang zij aan zich

zelven waren overgelaten en niet onder Europesche leiding stonden,

op grond van denzelfden karaktertrek welke de geringen gedwee maakte,

steeds zeer slecht, ja, menigwerf hoogst onregtvaardig en gruwzaam

geregeerd hebben, indien gij dat bedenkt, kan het u stellig geen spijt

inboezemen dat de teugels der regering in Europesche handen gelegd

zijn. De ervaring toch zal u doen zien dat, sedert het Nederlandsche

gouvernement over Java regeert, de bewoners niet slechts aanmerkelijk

in beschaving zijn vooruitgegaan; dat niet alleen het land--de

middelen van vervoer en van gemeenschap, de binnenlandsche handel,

de nijverheid, de administratieve inrigtingen van allerlei aard

en, meer nog dan dit alles, de bebouwing van den grond--tot zulk

een trap van ontwikkeling zijn opgevoerd, dat de toestand waarin

Java zich vroeger bevond de vergelijking niet kan uitstaan met dien

waarin het zich thans bevindt, ja, dat geen enkel ander tropisch land

zich er mede kan meten; maar gij zult daarenboven leeren inzien dat

insgelijks de Javaan, sedert wij hem naar billijke wetten regeren,

sedert zijne persoonlijke regten, zijn eigendom zijn gewaarborgd,

veel gelukkiger en meer welvarend is dan vroeger, en zulks vooral

dewijl men hem wijsselijk het genot blijft schenken: de bevelen

regtstreeks van zijne eigene hoofden te ontvangen.

Onder het voeren van dergelijke gesprekken waren wij een koffijtuin

binnen gereden.--De koffijplantaadjen doen zich hier aan het oog voor

als een helder groene strook of gordel tegen den donkeren achtergrond

der oorspronkelijke wouden, waarin hooger bergopwaarts geene enkele

lichtkleurige plek meer wordt gevonden. Uit de verte gezien bespeurt

men slechts de Dadapboomen (Erythrina indica) welke in den koffijtuin

zijn aangeplant om schaduw te verspreiden, waarvan het loof veel

lichter van kleur is en met groote, vuurroode bloemen is gesierd. De

koffijstruiken daarentegen welke in regthoekig elkander kruisende

rijen daartusschen staan, zijn veel lager en hebben een donker groen,

blinkend loof, dat prachtig afsteekt bij de witte bloemen die dik, als

eene laag versch gevallen sneeuw, de kransvormig geplaatste en afwaarts

hangende twijgen bedekken. Elk koffijboompje heeft den vorm eener

spits toeloopende piramide en het eene staat zoo digt bij het andere,

dat het daar tusschen aangelegde pad ter wederzijde ingesloten schijnt

door een groenen, 7 à 10 voet hoogen wand. In dezen koffijtuin--een

eigenlijk koffijbosch--was alles vol leven en beweging. Honderden

van Javanen, mannen, vrouwen en kinderen waren druk bezig om den

grond tusschen de boomen te wieden, van onkruid te zuiveren en overal

keken vrolijke gezigten tusschen de boomen uit. Hier en daar stonden

Mandor's en Loerah's, wier pligt het was het volk vlijtig aan den

arbeid te houden en rust en orde te bewaren; ook ons distriktshoofd

verzuimde niet, van de gelegenheid gebruik te maken om van tijd tot

tijd in het voorbijrijden eenige bevelen uit te deelen. Breede, goed

onderhoudene wegen, in eene dwarse rigting den weg doorsnijdende welken

wij bereden, openden van tijd tot tijd een vergezigt op Bamboeshuizen

uit wier geveltop een kronkelende rookzuil opsteeg, of op een kleinen

Pasanggrahan, of Pendopo's en droogschuren, voor welke effen gemaakte

terrassen zich uitstrekten. Al hetgeen wij hier zagen, ademde orde,

welstand, vrolijkheid en nuttige bedrijvigheid.

IK. Zeg eens, broeder, wat zou er wel van dezen schoonen koffijtuin

worden die, naar de berekening van het distriktshoofd, 350000

afzonderlijke koffijboomen bevat, indien de Javanen wier naarstigheid

hem thans in stand houdt, aan zich zelven werden overgelaten>?

NACHT. Ik vrees dat hij weldra in het lot zou deelen der koffijstruiken

die binnen de haag van het dorp Najona worden gevonden, dat wil zeggen,

dat hij verlaten zou worden, dat hij zou verwilderen!

IK. Ha ha! Gij hebt u derhalve reeds overtuigd van deze natuurwaarheid,

die inderdaad niet overeenkomt met de theoriën van menigen voorstander

van hervormingen. Waarlijk, ik verheug mij daar over.--Indien het

mogt gebeuren dat de arbeid in het binnenland van dit gedeelte van

Java werd vrijgelaten, dan maak ik mij sterk om al de koffij, die dan

nog binnen een jaar tijds aan de Europesche markt zal gebragt worden,

op eene behoorlijke manier gezet, binnen drie dagen geheel alleen

te verbruiken.

Een schaterend gelach dat wij achter ons vernamen, was oorzaak

dat wij ons in den zadel omwendden,--daar zagen wij dat de Raden

distriktshoofd, in lijnregten strijd met den Adat, luid schaterde

van lagchen, hetwelk hij bij geene mogelijkheid scheen te kunnen

bedwingen. En hetgeen nog het ergste van alles was, deze lachlust had

zich het eerst voortgeplant op zijne naaste begeleiders, vervolgens

aanstekend gewerkt op de achteraan komende personen--en zoo voorts,

totdat eindelijk de gansche ruiterschaar even luid medelachte, zonder

eigenlijk te weten waarom hij lachtte. Ja, het scheen dat zelfs de

paarden onwillekeurig medegrinnikten. Zoo als ik later vernam, verstond

de goede Raden een weinig Hollandsch en waren de laatste woorden welke

ik mijn broeder had toegevoegd, door hem begrepen geworden. Terwijl

hij nog steeds den buik vasthield van 't lagchen, stamelde hij

eindelijk (onder het maken van vele verontschuldigingen wegens

zijne onbescheidenheid) de volgende woorden: "Betoel Toean! betoel

sakali! Orang kitjil trada soeka kerdja,--trada maoe bekin bresih

kopi, kapan trada soedah jang dapat printah; ter lebi jang soeka

tinggal di roemah, dan majin sama dija poenja parampoean, tidoran di

atas balé balé,--pidjit, pidjit, enak!" (Het is waar, mijnheer! 't

is volkomen waar! De geringe man houdt niet van arbeiden,--wil de

koffij niet schoon maken, wanneer hem zulks niet is bevolen geworden;

hij blijft veel liever te huis om zich met zijne vrouw te vermaken,

gemakkelijk op de Balé balé te liggen, zich te laten strijken, kneden,

[40] lekker!)

Weldra kwamen wij aan het einde van den koffijtuin en zagen ons omringd

door de donkere schaduwen van het hoogstammige, oorspronkelijke woud

dat wij nu hadden bereikt, waar de wegen smaller, moeijelijker te

berijden en de bodem vochtiger, glibberiger werd. Wij bevonden ons nu

ongeveer ter hoogte van bijna 4000 voet boven den spiegel der zee. De

laatste sporen van menschelijk verkeer en menschelijke bedrijvigheid

waren reeds geheel uit onze oogen verdwenen en ter naauwernood verried

nog hier en daar een voetstap, welke in den weeken, leemachtigen

woudbodem zigtbaar was, dat somtijds een Javaan, met het doel welligt

om Rotan te zoeken, deze wildernis doorkruist. Wij zetteden onzen

togt voort over smalle paden gebaand door rhinocerossen en wilde

stieren, door een maagdelijk woud dat nog nimmer door de vernielende

bijl was geschonden en ons wijd en zijd omgaf. Hoewel het gebergte

hier geene vlakte vormt, maar doorsneden is met kloven en dalen wier

wanden en hellingen menigwerf zeer steil zijn, waar tusschen meer of

minder breede, deels vlakke, deels zeer oneffene bergruggen liggen,

heeft het hier echter op dezelfde gemiddelde hoogte eene zeer groote

uitgestrektheid; dit gansche terrein nu, dat eene lengte en breedte

van verscheidene dagreizen heeft, is alom bedekt met oorspronkelijke

wouden waarin slechts wilde dieren huizen.

De Javaan die op warmte is gesteld en hoofdzakelijk van de rijstteelt

leeft, vermijdt zoo veel mogelijk het koele klimaat dezer hoog gelegene

bergstreken, zoo lang althans het Palmen en Pisang voortbrengende heete

laagland hem de vereischte ruimte verschaft tot verdere uitbreiding

van den landbouw door hem beoefend.

Het woud bestond nu eens hoofdzakelijk uit eiken en Podocarpussoorten,

dan weder uit Poespaboomen (Gordonia Wallichii), op andere

plaatsen uit Laurineën, waar tusschen echter allerwege eene groote

menigte afzonderlijk staande individuen van andere, als Ki terong

(Fagraea lanceolata)-, Bengang (Thespesia altissima)-, Palaglar

(Dipterocarpus)-, Kajoe soeren (Cedrela febrifuga)-boomen en andere

soorten werden aangetroffen; op de lijnregte, zuilvormige stammen

van dit geboomte verhieven zich de loofkroonen welke hoog boven onze

hoofden een enkel bladerendak, een onafgebroken gewelf vormden,

waar onder onze stem en het getrappel der paarden als onder een

hoogen koepel dof weêrgalmde. Alle stammen en takken waren met dikke

beddingen van mos, boomvarens en andere parasietplanten bedekt,

waar tusschen de prachtige, bontkleurige bloemen der Orchideën in

het oog blonken. Rotansoorten en andere lianen verbonden den eenen

tak met den anderen, omslingerden met hunne ranken stam op stam,

strekten zich menigwerf in eene dwarse rigting van den eenen boom

tot den anderen uit en Cissus- (wilde wijngaard) ranken hingen als

reusachtige touwen van de hoogste toppen der boomen tot op den grond,

waar sierlijk gevinde boomvarens hunne schermpjes uitbreidden over

het digt ineengegroeide kreupelhout. Hier en daar verhief zich de

slanke stam van een Soewangkoeng- (Caryota) palm. Geen enkel plekje

van den bodem, hoe gering ook, was onbedekt; ja, digt aan den rand

der kloven stonden nog boomzuilen ter hoogte van 100 voet en hooger en

vormden aldaar met hunne loofkroonen een gewelf dat ver over den rand

heen reikte. Op enkele plaatsen hing aan den top van een dergelijken

boom een Cissus-rank en deze droeg aan zijn uiteinde een nestvaren

(Asplenium Nidus L.), een digt ineengegroeide bos bladeren welke

eene lengte hebben van 3 à 4 voet en in den vorm van een rad of

roos zijn geplaatst,--dan zweefden deze nestvarens, hoog boven den

afgrond vrij in de lucht, als een lichtkroon door den wind ginds en

herwaarts geschommeld.

Indrukwekkend was de stilte welke in dit wijd uitgestrekte woud

heerschte die, gepaard aan het schemerachtige duister hetwelk onder het

loofdak verbreid was, insgelijks op het menschelijke gemoed een diepen

indruk te weeg bragt en het tot nadenken stemde. Geen zonnestraal

drong door het hooge gewelf en het gesnap en geschater onzer vrolijke

karavaan waren, in overeenstemming met dit oord waarin wij ons

bevonden, allengs verstomd, niettegenstaande ieder hunner onbewust

was van den geheimen invloed daardoor op zijn gemoed te weeg bragt. In

diepe stilte bewonderden wij de grootheid der natuur. Elk geruisch, elk

gesproken woord deed een echo ontwaken en wijd in het woud weêrgalmde

het schallend geluid van den koekoek (Cuculus chalcites) welke zich

van tijd tot tijd liet hooren, benevens de diepe, koerende bastoon der

groote houtduif (Columba aenea), of het pikken der spechten die tegen

de boomstammen opliepen,--somtijds ook het gefluit van een Soerili-aap

(Semnopithecus mitratus) die zich bij onze nadering snel tusschen het

loof verborg. Van de rhinocerossen (Badak) en wilde stieren (Banteng)

hoorden wij niets en zagen slechts het spoor dat zij in den weeken

bodem hadden achtergelaten, en de groote eekhoorntjes (Sciurus bicolor)

die over de takken rondklauterden, veroorzaakten slechts somwijlen

een ligt geritsel in het loof, wanneer zij een buitengewoon grooten

sprong van den eenen tak op den anderen gemaakt hadden.--Een paar

malen verschrikte ons een dof, kort afgebroken gebrul, dat uit het

diepste van den gorgel eens roofdiers scheen voort te komen en hol

weêrgalmde door het woud; de paarden stapten echter rustig voort, want

zij schenen den klank te kennen van het geluid waardoor de zwaarmoedige

zwarte aap Loetoeng (Semnopithecus maurus), hoezeer slechts zelden,

de plaats verraadt waar hij zich in het loofgewelf ophoudt.

Menigwerf zagen wij ons genoodzaakt steile kloven te doorklauteren,

waarvan wij de aanwezigheid reeds op een aanmerkelijken afstand

vernamen door het doffe bruisen der woudbeken, welke over haren bodem

stroomden. Immer luider klonk ons dan bij het voortgaan het gedruisch

der schuimende en cascaden vormende beek te gemoet, totdat wij aan den

rand der kloof aangekomen en van het donderend geklots der wateren

verdoofd, ons verpligt zagen elkander aan het oor te schreeuwen om

ons wederkeerig te doen verstaan. Dan klauterden wij te voet langs

den steilen wand naar beneden, ons paard bij den teugel achteraan

trekkende, waarbij het niet zelden gebeurde dat het dier uitgleed

en over zijn geleider heentuimelde, of dat een al te koene ruiter

die niet had willen afstijgen, met zadel en al over den kop van het

paard heengleed. Beneden aangekomen zijnde, zetteden wij ons weder in

den zadel en waadden met hoog opgetrokken beenen te paard zittende,

door den snellen stroom; het dier dat tot den buik in het water stond,

ging dan met langzame schreden voort en zette geen poot op den grond

dan nadat het eerst zorgvuldig had gevoeld waar hij neder kwam,

want het liep gevaar op de hobbelige rotsbedding te struikelen, of

over de gladde rolssteenen uit te glijden en met ruiter en al in het

koele bad te storten. Hadden wij dan gelukkig, de een na den anderen,

den tegenovergestelden oever bereikt, dan moesten wij, de paarden bij

den teugel geleidende, wederom op gelijke wijze de een na den anderen

tegen den steilen wand opklauteren, waarbij wij (menschen zoowel als

paarden) niet weinig te lijden hadden van kleine springbloedzuigers,

Padjet (Hirudo zeylanica), die in deze hoog gelegene wouden, vooral

op dergelijke vochtige plaatsen en oevers van beken, bij millioenen

werden gevonden. Zij springen van het eene blad op het andere en

kunnen zich in éénen zet op een afstand van eenige voeten vrij door

de lucht voortbewegen. Daar zij, bij eene lengte van een halven tot

een Rijnlandschen duim, aanvankelijk zoo dun zijn als een draad, zoo

kruipen zij zelfs door de fijnste mazen der kousen en zuigen zich in

een oogenblik vast aan de voeten, aan den hals, aan de armen, waar

zij eindelijk ter dikte van een pink opzwellen, indien zij niet van

het ligchaam worden verwijderd.--Zoodra wij dan weder eene drooge

plaats in het woud hadden bereikt en allen bijeen waren, was ons

allereerste werk om elkander wederkeerig rondom te bezien en van de

lastige Padjet's te ontdoen, waarop wij uit meer dan eene gestokene

kleine wond bloedende, ons op nieuw in beweging zetteden.

Reeds hadden wij onzen togt op die wijze in het schemerduister van

het woud, berg op berg af, gedurende ruim vier uren voortgezet. Van

tijd tot tijd liet de Manoek kaso (Muscicapa cantatrix) zijne stem

hooren, welken vogel wij aan zijn eigenaardig, wel is waar eentoonig,

doch niettemin liefelijk gezang terstond herkenden,--wijd en zijd

weêrklonk het dan onder het groene gewelf en verheugde het ons;

maar wij waren vermoeid, onze paarden waren vermoeid, de hemel was

bewolkt, het sombere weder vermeerderde nog de duisternis van het

woud----daar schemerde ons door het geboomte iets helders in het oog,

de paarden begonnen te brieschen, zij wierpen den kop in de hoogte en

versnelden den stap,--de boomen weken ter zijde, het woud opende zich

en vóór ons lag het spiegelende vlak van een fraai, uitgestrekt meer.

Wij sprongen uit den zadel en riepen het doel van onzen togt een

juichend hoezee! toe, dat door de groene wanden welke het woud rondom

het meer vormde, beantwoord en als echo werd teruggekaatst. Wij

bevonden ons aan den westelijken oever van de Telaga-Nagnetap en

ontwaarden aan de tegenovergestelde zijde, tusschen de stammen van

het aldaar gedeeltelijk gevelde woud, een aantal grootere en kleinere

hutten, wier helder geelachtig bruine kleur duidelijk afstak tegen

den donkergroenen achtergrond. Het distriktshoofd zeide ons dat het

de van Bamboes en Alanggras vervaardigde hutten van onze broeders

waren. Uit een er van steeg een blaauwachtige rook op, die allengs in

het woud verdween. De kroonen van dit geboomte die zich min of meer

in de breedte uitstrekten, vereenigden zich boven de hutten tot een

hoog en schilderachtig gewelf, en tusschen hunne helder grijze stammen

zag men ver in den duisteren, diepen schoot van het woud.--Welk een

heerlijk plekje in de eenzaamste eenzaamheid des wouds!--Een gezigt

des vredes, een beeld in het klein van de oneindigheid in den spiegel

des meers, eindig voorgesteld en omzoomd met groene en bloeijende

oevers,--met wouden die, zich hoog verheffende, aan elk verwijderd

oog het uitzigt op het meer en den met gras begroeiden zoom die het

omvat, beletten!--De hutten onzer broeders waren gebouwd op een

schiereiland, dat op een aanmerkelijken afstand van den oever in

de watervlakte reikte en aan welks tegenovergestelde zijde het meer

zich nog verder scheen uit te strekken; want aan die zijde verloor

het zich geheimzinnig tusschen de sombere, met woudgeboomte bedekte

oevers. Slechts op enkele plekken verhieven zich rotsen aan den oever

of rezen er te midden van het meer boven het water, op welks spiegel

hier en daar eene Fulica lugubris of een waterhoen (Gallinula-soorten)

zich schommelden, terwijl op andere plaatsen hals en kop van den onder

water gedoken slangenvogel (Plotus melanogaster) werden gezien.--Het

geboomte van het woud dat zich overal reeds op een geringen afstand

van den oever verhief, op menige plek in de onmiddellijke nabijheid

er van oprees, bestond voornamelijk uit Podocarpussoorten (Ki bima-,

Ki poetri- en Ki mérakboomen), waar onder de prachtvolle, statige

Kimérak met fijne naaldvormige bladeren (P. cupressina) het meest

werd gevonden. Zwarte apen sprongen door hunne twijgen rond.

Al onze begeleiders hadden zich op den grond nedergelegd. De paarden,

hoewel gezadeld en getoomd, liepen grazend langs den oever en wij

verzadigden onze blikken aan het heerlijke schouwspel dat dit schoone,

vreedzame tooneel ons opleverde, en rigtten ze voornamelijk naar die

streek waar--de hutten stonden. Naar het scheen, had men ons aldaar

nog niet bemerkt. Wij losten derhalve onze geweren, wier knal de

Loetoeng's van schrik door de takken van het geboomte deed ijlen

en een zwerm wilde eenden uit hare schuilhoeken verdreef. Eenigen

fladderden digt voor onze voeten uit het oevergras en vlogen kwakend

over den spiegel van het meer. Het was de groote Javasche bergeend

(Anas superciliosa), welke eene staalgroene vlek op den vleugel

heeft. Onmiddellijk daarop werden eenige gestalten aan den tegenover

gestelden oever zigtbaar,--wij zagen een vuurglans in verscheidene

rookwolken flikkeren en hoorden de schoten vallen die tot antwoord op

de onzen werden gelost,--een donker voorwerp, als eene boot, verliet

den oever, gleed over den spiegel van het meer naar ons toe,--het

kwam nader, wij herkenden onze broeders - - -

Ieder lezer male het tooneel van ons wederzien naar zijne eigene

behoeften, naar de mate zijner verbeeldingskracht, of naar de

herinneringen die hem zijn bijgebleven, indien hij zich reeds

vroeger in een dergelijken toestand heeft bevonden. Ik wil alleen

dit hieromtrent zeggen, dat wij broeders alle vier regt gelukkig

waren en dat ook al de goede Javanen zich met ons verheugden. Ook

mag ik niet nalaten hierbij aan te merken, dat de mensch die zich in

de eenzaamheid van uitgestrekte wildernissen bevindt, zich inniger

verbonden gevoelt met den mensch dien hij aldaar aantreft, dat hij

in naauwer betrekking tot hem staat dan in bevolkte steden.--Mijne

broeders hadden uit twee uitgehoolde boomstammen, door middel van

daarop vastgemaakte dwarsbalken die bedekt waren met Bamboesbuizen,

matten en dergelijken, een vlot vervaardigd, en hiermede waren zij

overgestoken naar de zijde van het meer alwaar wij ons bevonden. Dewijl

echter dit vlot, behalve de ter wederzijde geplaatste Javanen die als

roeijers werden gebezigd, niet meer dan nog twee personen kon dragen,

besteeg ik, de jongste, met den oudsten van ons vieren (met Avondrood)

het nieuwerwetsche vaartuig, terwijl mijn broeder Nacht, in gezelschap

van Morgenrood benevens de bij ons behoorende Javanen, zijn weg

nam langs den oever van het meer, ten einde op die wijze de hutten

te bereiken. Bijna gelijktijdig kwamen wij aldaar ten 12 ure aan en

bemerkten met genoegen, dat onze broeders zich regt comfortabel hadden

ingerigt. Een tiental hutten stond verstrooid tusschen het geboomte

en in de grootste (waaraan de eenigzins hoogdravende benaming van

"Pasanggrahan" was gegeven) waren de bedienden juist bezig om de tafel

te dekken. Mijn broeder Nacht en ik sprongen eerst in het meer, om een

bad te nemen en noodigden de jongens uit om ons voorbeeld te volgen,

dat door hen echter niet dan schoorvoetend werd gedaan. De Javanen

zijn zeer ingenomen tegen het baden in hooge bergstreken, dewijl zij

uiterst gevoelig zijn voor de grootere koude van het water, en uit

dien hoofde baden zij zich liever niet, niettegenstaande zij in het

laagland zeer zindelijk op het ligchaam zijn en meer dan eenmaal daags

te water gaan. Zij wilden ons bang maken voor krokodillen (Boeaja),

hoewel zij zoo goed als wij met zekerheid wisten, dat op zulk eene

hoogte waarop dit meer gelegen is (4790 voet boven den spiegel der

zee), ja, zelfs veel lager geene krokodillen meer gevonden worden.

Nadat wij ons ligchaam uitwendig verfrischt en ons bij die gelegenheid

nog van enkele bloedzuigers die hier en daar waren blijven zitten,

ontdaan hadden, zetteden wij ons aan de Bamboestafel, ten einde

ook den inwendigen mensch te restaureren. Naar oostersch gebruik

vatteden onze jongens post elk achter den stoel van zijn meester,

ten einde hem te bedienen, en wij namen nu een ontbijt, bestaande

uit rijst, Keri, eijeren, Dengdeng van hertevleesch, gebradene wilde

eenden, tamme kippen, vruchten, enz., enz., dat ons uitmuntend

smaakte. Niettegenstaande onze herhaalde uitnoodiging hadden wij

het distriktshoofd niet kunnen overhalen om deel te nemen aan onzen

maaltijd, maar was hij op een eerbiedigen afstand blijven zitten,

van waar hij zich niet verwijderde dan nadat hij daartoe vergunning

gevraagd en bekomen had. Wij zonden hem eene flesch wijn in zijne hut,

welk geschenk hij in geenen deele versmaadde. Terwijl wij nog aan tafel

zaten, kwamen de Koeli's reeds! aan met onze pakkaadje, die weldra

geopend en in de voor ieder onzer afzonderlijk bestemde hutten werd

gebragt. Nadat wij verzadigd waren en het overschot van onzen maaltijd

weder aangevuld was geworden met een half dozijn korfjes vol gekookte

rijst, werd dit voor de tweede maal opgedischt en wel op matten

(Tikar), die vóór den Pasanggrahan op den grond waren uitgespreid;

hier om heen zetteden zich de mindere hoofden, onze bedienden en de

overige Javanen in verscheidene kringen neder. Naar 's lands gebruik

bedienden zij zich van stoelen noch van tafels, maar hurkten met de

beenen kruiselings over elkander op den grond, ten einde nu insgelijks

hunnen maaltijd te houden. Een stuk Pisangblad diende hun als bord, de

vingers bezigden zij als vorken en fijn gestampte Spaansche peper was

hun geliefkoosde specerij.--In dit land der onbegrensde gastvrijheid

en zorgeloosheid voor hetgeen de dag van morgen zal baren, zou het

hatelijk hebben geschenen eenig gedeelte der spijzen van een gehouden

maaltijd voor zich of voor den volgenden dag te bewaren. De Adat

vordert: dat, hetgeen de Heeren niet eten, aan de bedienden of Koeli's

wordt voorgezet en hetgeen deze overlaten, aan de honden (indien er

zijn) voorgeworpen of aan de visschen in het meer wordt gegeven.--Met

genoegen beschouwden wij de bonte groepen Javanen die daar op den

grond zaten, met grooten eetlust de voorgezette spijzen nuttigden,

schertsten en lachten,--vervolgens zich plat op den rug nedervleiden

en een liedje neurieden of eene cigaar rookten en insliepen.

Wij volgden in zekere mate het door hen gegeven voorbeeld, begaven ons

in den Pasanggrahan en leiden ons neder op de met matrassen belegde

Balé balé's die in het rond nevens de wanden waren geplaatst. Weldra

hadden wij elkander wederzijds onze ontmoetingen medegedeeld en

kreeg het gesprek eene andere wending, hetwelk nu over godsdienstige

onderwerpen werd gevoerd. Mijne broeders Avondrood en Morgenrood

schonken, algemeen genomen, hunne goedkeuring aan het streven dat

ten doel had, de invoering van het Christendom op Java op grond van

degelijke bewijzen te bestrijden; maar deze bewijzen benevens het

stelsel van godsdienst en zedeleer, dat ik den Javanen in plaats van

het Christelijke dogma ter aanneming had aanbevolen, wenschten zij

nu ook uitvoeriger te leeren kennen, ten einde de doelmatigheid onzer

pogingen te kunnen beoordeelen.--Ik begaf mij derhalve naar mijne hut,

haalde het handschrift en las mijne broeders de 25 hoofdstellingen

voor der "natuurlijke godsdienst en zedeleer," zoo als ik die vroeger

het eerst in onze taal had te boek gesteld. (De Maleische overzetting

was later bearbeid geworden en bevatte slechts een kort overzigt er

van.)--Aan menige stelling viel de onverdeelde bijval mijner broeders

ten deel; op het hooren van anderen schudden zij het hoofd of gaven

hun ongeduld op de eene of andere wijze te kennen. Toen ik geëindigd

had, heerschte er gedurende eenige oogenblikken eene algemeene stilte

welke door Avondrood met de navolgende woorden werd afgebroken.

AVONDROOD. Lieve broeder! Uw streven: het bijgeloof met redelijke

bewijzen te bestrijden en tegenover de dwalingen natuurwaarheden te

stellen, mag lofwaardig worden genoemd. Het is het eenige middel om den

weg te banen ter invoering van eene betere, meer redelijke godsdienst

en om Java te behoeden voor een groot onheil, dat geestdrijvers er

aan willen berokkenen. Maar de godsdienst- en zedeleer welke gij

in de plaats van het Christelijke leerstelsel wenscht ingevoerd te

zien, kan mede niet anders zijn dan een overgangsmaatregel en in zoo

verre--als een overgangstoestand daardoor wordt te weeg gebragt--wel

is waar nuttig, echter niet bestendig van duur zijn, dewijl zij niet

de volkomene waarheid bevat.

Ik verzocht mijn broeder mij dit nader te willen verklaren, toen

eenige donderslagen die weldra overgingen in een diep rollend geluid

't welk alles deed dreunen, ons verkondigden dat het tijdstip van

den dag was aangebroken, waarop de met waterdamp verzadigde hoogere

luchtlagen der atmospheer zich gewoonlijk ontladen. Terstond daarop

vernamen wij het geruisch van enkele, zeer groote vallende droppelen,

dat gevolgd werd door het verwijderde bruisen van den regen welke

zich op het woud uitstortte en meer en meer naderde. Onze bedienden

snelden ijlings toe, ten einde te zien of alles zorgvuldig gesloten

was en werden later weggezonden met het uitdrukkelijke bevel, dat

zij tegen het invallen der schemering (na 6 ure) ons avondeten gereed

moesten maken, doch zich overigens tot dien tijd van alle zorg voor ons

ontslagen konden rekenen, indien zij niet geroepen werden. De gevolgen

van een onweêrsregen in het gebergte kenden wij te goed, dan dat wij

ons niet geluk wenschten: vóór het invallen er van onder dak te zijn

gekomen.--Wij raden derhalve ook alle reizigers die de hooger gelegene,

bergachtige streken van Java en vooral het woudrijke, westelijke

gedeelte des eilands bezoeken, zorg te dragen dat zij vóór twee ure,

en kan het zijn vóór een ure des middags ter bestemder plaatse zijn

aangekomen. In het binnenland van Java bestaat weinig onderscheid

tusschen den droogen en den regenachtigen moesson. Des nachts en

gedurende den voormiddag is de hemel gewoonlijk helder. Tusschen 1

en 3 ure echter begint het in 't gebergte bijna dagelijks te regenen,

onverschillig in welk jaargetijde het moge zijn; dan wordt de woudbodem

opgelost en herschapen in eene soort van pap waar de wandelaar tot

over de enkels inzinkt,--een troebel, modderachtig water stroomt

den reiziger van alle zijden der berghellingen te gemoet,--de tot

stroomen opgezwollene beken kan men niet meer doorwaden en de bliksem

die het woud in alle rigtingen doorklieft en de zwaarste armen van

het geboomte verbrijzelt, doet de paarden schichtig worden. Het is

waar, dit duurt slechts een of twee uren, maar tot aan het invallen

van den nacht blijft de gemeenschap alsdan toch zeer bemoeijelijkt,

zoo niet geheel en al afgebroken.

Wij waren derhalve zeer verheugd, in de goed gedekte drooge hut zoo

vertrouwelijk bij elkander te kunnen zitten. Wel is waar, het scheen

dat het zwaarste onweder zich op eenigen afstand van de streek waar

wij ons bevonden, ontlastte; maar er begon hier een fijne regen zoo

gelijkmatig te vallen dat wij op geen korten duur er van konden

rekenen, terwijl daarenboven de koude temperatuur des dampkrings

(welke 65° Fahr. bedroeg) ons niet bijzonder uitlokte om naar buiten

te gaan. Wij besloten derhalve van alle verdere ondernemingen voor

heden af te zien en kwamen overeen, dat wij in onze hut blijven

en elkander wederkeerig mededeelingen zouden doen omtrent onze

godsdienstige beschouwingen.

Avondrood werd nu andermaal uitgenoodigd om zich nader te verklaren

nopens den vroeger door hem geopperden twijfel. Hij gaf ons hierop te

kennen dat hij dit, naar zijn oordeel, het best zou kunnen doen door

ons een geschrift voor te lezen, waarin hij zijne wijze van beschouwen

had uiteen gezet; uithoofde dit handschrift echter tamelijk uitgebreid

was, durfde hij--zonder vooraf verkregene toestemming daartoe--met

de lezing er van geen begin maken, dewijl hij beducht moest zijn ons

geduld daardoor op eene te sterke proef te zullen stellen.

Wij gaven hem de verzekering dat wij zeer verlangend waren

zijne beschouwingen te leeren kennen, waarop hij de navolgende

geloofsbekentenis voorlas, welke hij de zijne noemde.

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java · 第 15 / 21 题