GELOOFSBEKENTENIS VAN BROEDER MORGENROOD.

Mythe. In den beginne was een almagtig geest of God, wiens wezen

slechts bestond uit tijd en ledige ruimte en die, dewijl hij geheel

alleen was, zich zeer verveelde. Hij schiep zich derhalve eene

tegenstelling, deelde zich in twee gelijke deelen en stiet de eene

helft van zich af, waaruit een tweede, even almagtige geest ontstond

die zich duivel noemde. Deze beide (uit tijd en ruimte gevormde)

tegenstellingen draaiden zich nu, even als eene dubbele ster, in een

kring rondom een gemeenschappelijk middenpunt en vermaakten zich op

die wijze gedurende drie millioen jaren tamelijk wel. Geest duivel

verzuimde niet geest God bij elke gelegenheid tegen te spreken en geest

God scherpte aan de tegenspraak zijn verstand. Maar gelijk het beste

middel tot tijdverdrijf eindelijk door zijne eentoonigheid vermoeijend

wordt, begon het eeuwigdurend tegenspreken ook God ten laatste te

vervelen; hij verweet dien ten gevolge zijn neven- of tegengeest,

dat hij een onbescheidene en ondankbare duivel was die zich tegen

hem verhief, niettegenstaande hij zijn gansche aanwezen slechts

aan zijne goedheid verschuldigd was, dewijl hij, God, hem eerst

voor drie millioen jaren uit de tweede helft van zijn eigen ik had

gemaakt. Hierop gaf de duivel hem met spottend gelach ten antwoord,

dat God hem dankbaar moest zijn voor het aangename tijdverdrijf,

hetwelk hij hem nu reeds gedurende zoo langen tijd had verschaft en

dat hij daarentegen van den aanvang af, ja nog veel vroeger dan God

had bestaan, aan wien hij verklaarde geen dank hoegenaamd schuldig te

zijn. Dit snoode antwoord verbitterde den eerstgeboren geest; maar

hij kon den duivel niet meer verbannen, die reeds van den oogenblik

der verdeeling af, even almagtig was geworden als hij en nu met

zijnen toorn spottede.--Op die wijze waren de beide oorspronkelijke

geesten met elkander in twist geraakt; zij konden zich echter niet

van elkander losmaken, dewijl de bestaande band van verwantschap hen

bleef verbinden en tot het draaijen om een middenpunt dwong.

Eindelijk werd ook de duivel het eeuwige twisten en omdraaijen moede

en beide, God en de duivel besloten op leven en dood met elkander

te strijden. Zij kwamen nu overeen, om zich in een oneindig aantal

oneindig kleine atomen te herscheppen en, elkander vastomstrengelend,

zich in deze atomen te verbergen en te verschuilen. Zij kwamen verder

overeen, dat ieder van hen beiden in elk atoom juist een millioen

oorspronkelijke, verschillende eigenschappen zou bezitten, welke in

aanraking komende met andere atomen zich als krachten zouden uiten en

door hare verbinding met andere wederom nieuwe, afgeleide eigenschappen

zouden verkrijgen, wier aantal voor elke verbinding werd vastgesteld

op een millioen maal een millioen. Zij bepaalden deze eigenschappen,

verdeelden ze naar gelang van haren aard onder hen beiden en regelden

de wetten, waarnaar de groote strijd zou gestreden worden.

Hierop omarmden zij elkander en van dien zelfden oogenblik af

hielden God en duivel op te bestaan,--er ontstond eene oneindige

menigte atomen, zij vlogen snorrend uiteen en de wereld in nevelvorm,

atomenvorm was ontstaan.

Gedurende drie duizend millioen jaren hebben deze atomen (in elk

waarvan God en de duivel verborgen schuilt) nu reeds met elkander

gestreden; zonnen, planeten en manen zijn ontstaan,--eenige van

gindsche eigenschappen (die wij menschen zwaartekracht, licht,

electriciteit en dergelijken noemen) hebben betrekkelijkerwijze

gesproken eene groote heerschappij verkregen; andere (zoo als b. v. die

welke kalium, natrium heeten) zijn op het punt geweest om verwonnen

te worden; eene menigte atomen hebben zich op de planeet aarde tot

planten en dieren vereenigd; in een dezer dieren, in den mensch, is

de oorspronkelijke eigenschap van den eersten geest, de zielskracht,

reeds in eene veel hoogere mate te voorschijn getreden, dan in de

anderen,--maar nog steeds is het twijfelachtig, wie van de beide

geesten, God of de duivel, op deze planeet de zege zal behalen.

Zoo zullen de atomen strijden, zich verbinden, zich scheiden, zich op

nieuw vereenigen en in steeds afwisselende vormen worden herschapen,

totdat de eigenschappen van een der oorspronkelijke geesten (die er

in verborgen ligt) die des anderen zullen, verwonnen hebben; mogt

de eerstgeborene geest als verwinnaar uit den strijd treden, dan

moeten uit den vorm des menschen op deze aarde meer volkomen vormen

ontstaan, begaafd met meer volkomene eigenschappen,--deze moeten

steeds meer veredeld worden, de zielskrachten moeten steeds helderder,

uitgebreider, meer omvattend, goddelijker worden, totdat eindelijk

de duivel verwonnen en de wereldziel in zijne reine oorspronkelijke

hoedanigheid weder te voorschijn gekomen,--totdat de mensch God is

geworden.--Of zouden beide oorspronkelijke geesten weder even magtig

uit den strijd terugkeeren?--Of zoude de duivel verwinnen?

Dit is de mythe van de herschepping en vleeschwording

Gods. Thans is hij nog verborgen in de natuur en de magt der

tegenstelling is groot. Maar hij ontwikkelt zich en de duur van

het ontwikkelingstijdperk der schepping omvat vele millioenen maal

millioenen van jaren.

Einde der mythe.

Mijn weten is mijn gelooven. Hetgeen ik niet weet of niet weten

kan, dat geloof ik niet.--De grondstelling waarnaar ik mij bij al

mijne onderzoekingen rigt is deze, dat elk verschijnsel zijn grond,

elke werking hare oorzaak heeft. De ware natuuronderzoeker moet zich

onthouden van alles wat louter bespiegeling mag heeten en in zijne

gevolgtrekkingen geene schrede verder gaan, dan de gedane waarnemingen

veroorloven. Hij moet de natuur door feiten, verschijnselen verklaren

en ophelderen en het door hem behandelde onderwerp laten spreken. Zijne

taak is: het uitvorschen van feiten, wetten. Geen verschijnsel laat

zich verklaren door het afzonderlijk, op zich zelve te beschouwen,

maar door datgeen wat er mede zamenhangt, goed waar te nemen en te

rangschikken, komt men tot een juist inzigt in de zaak.

Even als bloote veronderstellingen schadelijk en verderfelijk zijn

voor de wetenschap, zoo zijn zulks voor het menschelijke geslacht

alle stelselmatig voorgeschrevene vereeringen van God. Zij doen

vooroordeelen ontstaan en zijn oorzaak dat of geheel niet, of eerst

later een duidelijk begrip der zaken wordt verkregen.

In absoluten, stelligen zin genomen bestaat er geene stof, gelijk

reeds vroeger broeder Avondrood uitvoerig heeft aangetoond, dewijl

alles wat wij stof noemen, slechts eene vereeniging is van een grooter

of kleiner getal zamenwerkende eigenschappen, die zich gezamenlijk

laten herleiden tot bewegingsverschijnselen (krachten). Niets rust

in het heelal.--In een betrekkelijken zin beschouwd bestaat echter

voor ons alles wat aanwezig is, uit stof en bestaat er niets dan

stof en aan stof gebondene krachten, zonder dat hierop eene enkele

uitzondering voorkomt. Kracht toch is bewogene stof. Onze gedachten

zijn stof in beweging.

Hetgeen gij, broeder Dag en Nacht God noemt, is gelijk Avondrood reeds

bewezen heeft, niet anders dan eene vereeniging van een zeker aantal

menschelijke eigenschappen die gij in uwe gedachten zamenvoegende,

aan de natuur onderschuift en welke gij, dewijl de natuur oneindig

is, u voorstelt als in eene oneindige mate volkomen, weshalve het

woordje Al.... er voor wordt geplaatst. Deze God bestaat uitsluitend

in uwe verbeelding. Indien de geestvermogens van dier en mensch als

het gevolg mogen beschouwd worden van hunne bewerktuiging, en de

waarheid hiervan kunt gij niet ontkennen, waartoe moet dan eene ziel

dienen?--Indien de natuurwetten de wereld regeren, tot welk einde moet

dan nog een God strekken?--Ik ken geen anderen God dan de natuur en

de natuurnoodzakelijkheid, dewijl alle verschijnselen die zich in haar

aan ons openbaren, naar eeuwig onveranderlijke wetten plaats grijpen.

Zoo als deze natuur, deze wereld thans is, bestaat het leven slechts

door middel van tegenstellingen. De tegenstelling alleen maakt dat

de dingen werkelijk zijn; zij vormt de wereld. Het goede is slechts

denkbaar, dewijl zijne tegenstelling bestaat: het booze.--Denkt

hierover na en stemt toe, dat geene deugd mogelijk is zonder ondeugd,

dat de deugd voor u geheel ondenkbaar zoude zijn, zonder de kennis van

het kwade welke gij bezit. Het genot, het gevoel van behagelijkheid

is zonder smart en lijden even onmogelijk, als dat het licht kan

bestaan zonder schaduw, dag zonder nacht, morgen- zonder avondrood.

Broeder Avondrood, die toch den wil des menschen zeer juist heeft

verklaard als te bestaan in beweging van stof, maakt zich echter aan

eene groote inconsequentie schuldig, terwijl hij het verschijnsel

van het zelfbewustzijn tracht op te helderen en schrijft zonderbaar

genoeg! aan de gansche natuur zelfbewustheid toe, als of het eene

onverklaarbare (gesteld dat het zoo ware) door een tweede dat nog

veel onverklaarbaarder is, kon worden toegelicht.--Laat ons toch

zulke onbewezene veronderstellingen niet maken. Is de wereld in mijn

oog een wonder, dan vergenoeg ik mij met dit eene wonder en neem ter

verklaring er van niet een tweede, derde en vierde wonder, d. i. geene

niet-wereld, geen God en geene schepping der wereld aan.--De stof

is eeuwig en beweegt zich in de wereld welke zij vormt, met hare

eigenschappen (de natuurkrachten) naar noodzakelijke, van eeuwigheid

er aan verbondene wetten.

De natuurverschijnselen spiegelen zich af in ons voor indrukken vatbare

gemoed en brengen, even als lichtbeelden op de met jodium behandelde

zilveren plaat, een indruk, een hersenbeeld te weeg. De som of het

product der hersenbeelden is ons bewustzijn, hetwelk steeds des te

meer volkomen en duidelijk is, naarmate de zintuigen waarmede wij in

wederkeerige betrekking staan tot de omringende natuur, een hoogeren

graad van volkomenheid bezitten, naarmate dit verkeer, deze oefening

langer voortduurt en het aantal grooter is der beelden, waarin wij

als het ware ons eigen ik, ons oog, ons oor, ons gevoel als voorwerp

aanschouwen, hooren en gewaar worden. Want even als elk ding de som

zijner eigenschappen is, zoo is de denkende mensch de som zijner

zinnen, welke in eene bepaalde betrekking tot de dingen staan.

Maar dit verkeer met de buitenwereld heeft plaats door middel van

stoffelijke beweging die, verbonden met electrische stroomen in

de zenuwen, in de hersenen gewaarwordingen te weeg brengen. Hoe

menigvuldiger nu deze stoffelijke bewegingen zich herhalen, b. v. hoe

menigvuldiger de klank op ons oor, het licht op ons oog werkt,

des te helderder kennis verkrijgen wij, des te levendiger wordt

het bewustzijn, hetwelk uit dien hoofde bij het kind, gedurende de

eerste maanden zijns levens zeer weinig en bij de lagere diersoorten,

zoomede bij het embryo nog volstrekt niet of slechts ter naauwernood

is ontwaakt. Er zijn gezonde zintuigen en menigwerf herhaalde werkingen

noodig, om eene gewaarwording (den indruk der dingen in onze hersenen)

als een helder bewustzijn te behouden. Oesters (die oogen, noch

ooren hebben) bezitten een minder volkomen bewustzijn dan meikevers

of spreeuwen,--doofstommen, blinden of menschen die in de duisternis

waren opgesloten (zoo als het geval was met Caspar Hauser) minder dan

menschen, die gelukkig genoeg waren om hunne vijf gezonde zinnen 30

jaren lang te oefenen.--Het bewustzijn is derhalve eene eigenschap

der stof en bij dieren en menschen slechts verschillend naar de mate

waarin zij het bezitten.--Hetgeen men verstand, oordeel, rede noemt,

zijn geene op zich zelven staande, enkelvoudige krachten of vermogens,

waarvan men de zoogenaamde geestesverrigtingen als bloote uitingen

of gevolgen zoude kunnen afleiden, maar deze gewoonlijk als eenheid

beschouwde vermogens zijn zelve niet anders dan het resultaat eener

lange rij van schakels in eene keten, tot welker kennis de physiologen

nog ter naauwernood den weg hebben gebaand.

Gij hebt gezien waarheen gij wordt gevoerd, wanneer gij van den

weg der ervaring, der waarneming afwijkt, wanneer gij de grens der

gevolgtrekkingen waartoe wij mogen komen op grond van stellige feiten,

overschrijdt en onbewezene stellingen aanneemt. Een van u laat God

zijne wereld als een tol aan de vinger rond draaijen; de andere laat

hem in elken tijger, in elken moordenaar spoken; nu eens ontkent gij,

met het doel om aan u zelven een vrijen wil te verzekeren, dat uw

God de voorwetenschap bezit welke den mensch toch in zekere mate wel

degelijk eigen is, en dan weder schrijft gij hem de kennis toe van

de geringste kleinigheid, zoo als b. v. het uitvallen van een haar,

en laat hem dit millioenen van jaren, zoo niet voor alle eeuwigheid

vooraf bepalen!--Zijn dat geene ongerijmdheden?

Wanneer wij nagaan wat op deze aarde leeft en zich beweegt, dan

zien wij dat vele dieren, ja zelfs de mensch, ten einde het leven te

behouden, gedwongen zijn andere, met gevoel begaafde wezens die zich in

hun aanzijn verheugen, van het leven te berooven, te vermoorden en te

eten. Dit beschouw ik als een bewijs dat het zonnestelsel, of althans

de planeet die wij bewonen, eene der onvolkomensten, een der minst

ontwikkelden in het heelal is. Er moeten hooger ontwikkelden worden

gevonden, waar alle levende, met eigen gevoel begaafde wezens vreedzaam

met elkander kunnen zijn zonder elkander te verdelgen, en waar slechts

de hun van natuur ingeschapene wet welke den levensduur regelt, aan

het bestaan der individuen een einde maakt. Ik geloof, dat wij tot die

hoogte zullen geraken en dat het in onze ontwikkelingswetten ligt,

voedingsstoffen, zoo als eiwit, melk en vleeschachtige ligchamen,

uit de zoogenoemde onorganische stoffen, uit aarde, rots, water en

lucht te leeren bereiden.

Het doel des levens en van 's menschen aanwezen kan toch geen ander

zijn dan dit: steeds grondiger, meer omvattende kennis te verkrijgen

van de natuurwetten, opdat wij ze leiden en beheerschen kunnen,

opdat wij ze aan ons dienstbaar kunnen maken, opdat wij steeds

onafhankelijker er van worden, opdat de storm ons schip niet meer kan

verbrijzelen, de koude ons niet meer hinderen, de honger ons niet

kwellen, de bliksem ons huis niet meer in brand kan steken, opdat

wij de teugels der natuurwetten--de draden welke oorzaak aan gevolg

verbinden--in onze eigene handen nemen, ja, opdat wij eindelijk buiten

den tooverkring der natuurnoodzakelijkheid treden en ons tot vrijheid,

tot absolute vrijheid van wil verheffen!

Een eerste natuurwet echter beveelt ons, dat wij niet als kluizenaars,

maar in eene maatschappelijke vereeniging zouden leven, dewijl slechts

de vereeniging van vele menschen aan de vereischten van een volkomen

en gelukkig aanzijn beantwoordt;--eene tweede natuurwet bevat den

inhoud onzer zedeleer en zegt: gij kunt op den duur, te midden van

zoo vele menschen levende, zelf niet gelukkig zijn, niet vrolijk,

niet tevreden blijven, indien gij er niet naar streeft insgelijks

de anderen gelukkig te maken. Hebt derhalve uwe naasten lief en

betracht de leer, die reeds door genen voortreffelijken Hebreër van

Nazareth werd verkondigd: hetgeen gij wilt dat anderen u doen, doe

hen desgelijks; wijs den verdwaalden den regten weg, onderrigt de

onwetenden en bedrogenen, schendt de regten van uwe broederen niet

en help hen, indien zij in nood zijn.

Mijn God zijn wij zelven: de mensch. Mijn godsdienst is de

anthropologie. Mijne voorzienigheid is het verstand, de wil, de liefde,

welke in mijn boezem levendig zijn. Ik bekommer mij niet om de vraag

naar absolute vrijheid of niet-vrijheid van den wil. Deze vragen zijn

van louter bespiegelenden aard. Absoluut genomen is er niets in de

natuur dat vrij is, dewijl het eene van het andere afhangt en alles

gelijkelijk moet bukken voor den albeheerscher, voor den tijd. Ik

ben echter vrij, dewijl ik duidelijk en met vreugde bewust ben van de

natuurlijke noodzakelijkheid mijns aanwezens, der betrekkingen waarin

ik sta, der eischen en vorderingen die ik maken kan, der grenzen en

der uitgestrektheid van mijn werkkring.--Mijn lot ligt in mijne hand,

dat ik met te meer vastheid kan besturen, naar gelang ik dieper inzigt

heb in de wetten der natuur, met inbegrip van die welke het menschdom

als geslacht beheerschen, welke de innerlijke vatbaarheid des menschen

voor indrukken bepalen.--Mijn geluk is mijne keuze.--Mijn geloof

is de ontwikkeling der menschheid tot iets schooners, door eigene,

haar ingeschapene kracht. Moge deze wilskracht door beweegredenen

bepaald, derhalve aan natuurwetten gebonden zijn, deze natuurwetten

zijn niettemin van dien aard dat zij mijne ontwikkeling begunstigen,

ik kan deze wetten toch leeren kennen, beheerschen, aan mij dienstbaar

maken, mij er boven verheffen, en in dat opzigt is de kring waarin

mijne vrijheid zich beweegt, groot--oneindig groot,--in dat opzigt

is mijn wil vrij! en in het volste bewustzijn dezer vrijheid maak ik

er van gebruik.

Dit is het doel des levens: het goede moet zich uit de natuur

ontwikkelen, zich verzoenen met zijne tegenstelling;--de mensch moet

de natuurwetten leeren beheerschen, hij moet zich er boven verheffen

en zich veredelen tot--God op aarde!

AVONDROOD. (In vervoering geraakt, springt van zijn zetel

op.) Kom in mijne armen, beste broeder! Dit denkbeeld is grootsch,

schoon, heerlijk. Uw stelsel is het ware. Gij hebt de waarheid

gevonden. Heerlijk, heerlijk!--Derhalve: er is een dag, een

algemeene dag, een eenige dag vooraf gegaan;--daarop volgde een

nacht;--maar thans is God herschapen in de natuur, hij bestaat

niet, maar ontwikkelt zich weder uit deze natuur?--Heb ik u goed

begrepen?--Hier, leg uwe hand in de mijne: ik kom tot uwe zijde over,

ik word Morgenrood.--De mensch is derhalve uw God, in wien het goede

met het kwade strijd voert?--Ja, daarin is het ware der zaak gelegen;

daar verrijst in duidelijk schrift de geheele zedeleer voor mijne

oogen, de tegenstrijdigheden zijn opgelost, het onzinnige geloof aan de

voorbeschikking, de voorwetenschap van alle eeuwigheid heeft opgehouden

te bestaan; onze voorzienigheid zijn wij zelven: het booze moeten

wij bestrijden en algemeene liefde voor al onze naasten voeden,--God

moeten wij worden!--Wij hebben een vrijen wil; wij ontwikkelen ons;

het noodlot, de gansche wereld ligt in onze eigene handen!--Dank,

broeder, dank zij u! voor dit gelukkige denkbeeld; dit geeft moed,

dit geeft kracht, dit geeft onverdelgbare, voorwaarts strevende

hoop!--Nogmaals, beste broeder, breng ik u mijn innigsten dank voor de

mededeeling van uw voortreffelijk denkbeeld. Menschen willen wij zijn

en de drie absolute magten, waardoor God zich uit den mensch tracht

te ontwikkelen, verstand, wil, liefde!--deze willen wij vereeren en

aankweeken.--En wat zeggen nu broeder Dag en broeder Nacht hierop?

NACHT. (In diep nadenken verzonken, langzaam.) Les extrêmes se

touchent.

DAG. (De ongehuichelde verrukking van Avondrood die, het laatste

overblijfsel van zijn God uit de natuur verloren hebbende, zich

des te inniger aan den mensch vastklemde, deed mij heete tranen

storten en ik had eenigen tijd noodig, om mijne ontroering meester

te worden.) Mijn beste broeder Morgenrood en Avondrood! Is het niet

vreemd, dat in u--atheisten gelijk men u noemen zal, dewijl gij

aan geen God gelooft--dat deze God, deze wonderbaarlijke, redelijke

geest in de natuur juist in u, die aan zijn bestaan niet gelooft, op

het heerlijkst en schoonst zich openbaart?! Want zoo waarlijk gij een

deel zijt der natuur, hetgeen gij niet kunt ontkennen, evenzoo behoort

de geest die uit u spreekt, die u bezielt, ontvlamt, verrukt,--toch

insgelijks tot de natuur; hij ligt dus er in, in de natuur.--Hoe kunt

gij weten, welke schepselen op verwijderde hemelligchamen leven, op

zonnen en planeten die, even als haar omvang grooter is, insgelijks

veel volkomener kunnen zijn dan deze aarde, en of in die schepselen

die geest zich niet nog treffender, meer volkomen openbaart? En

deze menschengeest in wien het gansche heelal zich afspiegelt, zou

dagelijks voor onze oogen uit het bewustelooze niets ontstaan? Het is

waar, gij zegt, dat men het eene onverklaarbare niet door eene tweede

dat nog onverklaarbaarder is, den geest des menschen niet door God,

het individuële bewustzijn niet door een algemeen bewustzijn moet

trachten te verklaren;--maar hierin zijt gij, niettegenstaande alle

schijnbare consequentie, toch met u zelven in tegenspraak. Gij zegt

zeer te regt dat er geene werking zonder oorzaak is en dat geene

nieuwe kracht, geene nieuwe stof kan ontstaan, maar dat alles wat is,

als van eeuwigheid bestaande moet aangemerkt worden. En toch beweert

gij dat er geene bron des bewustzijns is, maar dat dit menschelijke

bewustzijn, deze geestverschijnselen elken dag op nieuw zich zouden

vormen en ontwikkelen in elken opgroeijenden mensch.--Gij tracht,

wel is waar, die tegenstrijdigheid uit den weg te ruimen, door

alle geestverschijnselen die men van oudsher aan eene ziel heeft

toegeschreven, uit een zuiver materiëel oogpunt te verklaren en tot

stoffelijke bewegingen terug te voeren.

Indien wij nu echter ook moeten bekennen, dat elke werkzaamheid des

geestes, het bewustzijn, de gedachten, wilsuitingen, wat betreft de

wijze waarop zij plaats hebben, in bewegingen van stof bestaan of

zinnelijk daardoor worden geboren en tot stand komen,--wat bewijst

dit ten slotte anders dan dat de geest, het denkbeeld, door middel

van de stof tot werkelijkheid komt, zich van de stof bedient om zich

zinnelijk te uiten?--De geest, de gedachte is derhalve toch aanwezig,

absoluut aanwezig en openbaart zich in de natuur en in den mensch!

Indien wij niet kunnen ontkennen, dat insgelijks de menschelijke wil

een natuurverschijnsel, een noodzakelijk gevolg van oorzaken is,

dan zie ik niet in, waarom wij ons deswege zoo zeer zouden moeten

bedroeven. Mij daartegen komt het voor, dat de wetenschap welke ons

leert dat de menschelijke wil is verbonden aan vaste natuurwetten,

veeleer iets troostends en bemoedigends voor ons moest hebben,

dewijl zij ons de zekerheid verschaft dat ons lot als individuën

en als geslacht, niet aan het blinde toeval is prijs gegeven, maar

daarentegen aan wetten is onderworpen, waarin zich eene ontwikkeling

tot iets schooners, meer volkomens openbaart.

In dien zin, waarin broeder Morgenrood den vrijen wil aan het

slot zijner geloofsbekentenis heeft opgevat, waarmede gij, broeder

Avondrood, uwe ingenomenheid op zulk eene levendige wijze hebt te

kennen gegeven, in die beteekenis reik ik u met vreugde de hand. Met

deze beschouwing nopens de vrijheid van den menschelijken wil, kan ik

mij ten volle vereenigen.--Maar, uit het vroeger gezegde zal u tevens

duidelijk zijn gebleken, dat ik voortgaan zal met te gelooven aan een

levenden God in de natuur, aan een eeuwig, redelijk bewustzijn des

heelals, in voege als zulks door mij vroeger in mijn evangelie der

natuurlijke godsdienst en zedeleer is ontwikkeld.--Openbaart hij zich

dan niet overal rondom ons, in ons, door ons? Heeft broeder Avondrood

niet een al te grooten sprong gemaakt, toen hij--na alvorens het

niet-bestaan der stof aangetoond en geleerd te hebben, dat alles wat

wij stof noemen, slechts de som van een zeker aantal eigenschappen

is,--eerst God, den geest in alles zag en eensklaps overging tot

het geloofstelsel van broeder Morgenrood, die het bestaan van den

geest, het bewustzijn in de natuur loochent, dewijl alles stoffelijk

verklaard, d. i. tot bewegingsverschijnselen der stof kan terug gebragt

worden?--Begrijpt gij beide dan niet, dat voor ons uit stof gevormde

menschen die niet meer en niet minder dan vijf punten van aanraking met

het heelal hebben, als het ware poorten, ingangen waardoor wij eenig

en alleen in staat zijn, kennis te verkrijgen van de verschijnselen

die buiten ons plaats hebben, begrijpt gij niet, dat voor ons geen

ander verkeer des geestes mogelijk is dan juist dat, hetwelk door

middel der stof geschiedt, terwijl wij hooren, zien, ruiken, smaken,

gevoelen?--Wij toch zouden niets, volstrekt niets van de ziel in de

natuur, van de geest kunnen bespeuren, indien deze zich niet in en

door stofbeweging te verstaan gaf, juist dewijl alleen stofbeweging in

staat is een indruk teweeg te brengen op ons oog, ons gehoor, op onze

reuk-, smaak- en gevoelszenuwen en dewijl andere organen of zintuigen,

waarmede andere dan stoffelijke bewegingen of verschijnselen zouden

kunnen waargenomen worden, ons geheel en al ontbreken.

Broeder Avondrood noemt den mensch eene "gedachte Godes" en verklaart

de individuële onsterfelijkheid der ziel op deze wijze, dat wij in

de "herinnering" Gods voortleven. De onmogelijkheid echter, om zich

dit algemeene, redelijke bewustzijn der natuur voor te stellen als

onbekend met de natuurwetten welke "het zelf is" of "waardoor het

zich openbaart," derhalve de noodzakelijkheid (als eene natuurlijke

gevolgtrekking uit het voorafgaande) aan dit redelijke wezen volkomen

bekendheid met de natuurwetten, dus ook voorwetenschap van alle

toekomstige gebeurtenissen toe te schrijven,--dit voerde hem op den

glibberigen, tusschen afgronden heenloopenden weg der predestinatie

en moet waarschijnlijk als de aanleidende oorzaak worden beschouwd,

dat hij zijn vorig stelsel verlaten en zich in de armen van broeder

Morgenrood heeft geworpen, toen deze om de klippen van het eeuwig

noodlot te ontwijken waarop troost noch raad gevonden wordt, God

loochende en het bewustzijn aan de natuur ontzei.

Ik beken het, wij staan hier werkelijk aan een tweesprong. Hier

verdeelt de weg zich in verscheidene nieuwe wegen; wij trachten uit

te vorschen, welke de regte weg moge zijn, maar er is geen wegwijzer

aanwezig die ons de ware rigting zou kunnen aanduiden.--Aan te nemen

dat de natuur bewusteloos is, dat geen God bestaat, dat kan ik niet,

dewijl het in lijnregten strijd is met mijn verstand, uit eene aan

zich zelve onbewuste hoeveelheid stof een ding of wezen als de mensch

te doen geboren worden, hetwelk zich zelf tot het voorwerp zijner

beschouwing maakt en over alles wat buiten hem nog is, met bewustzijn

denkt en navorscht, hetwelk derhalve in de volkomenheid zijner

eigenschappen hoog boven de natuur zou staan, waaruit het niettemin

zijn oorsprong nam en van welke het zoo geheel en al afhankelijk,

waaraan het door middel van duizende ketenen verbonden is.--God van

de natuur te scheiden en hem daaraan persoonlijk--als een tweede

ik--tegenover te stellen, dit kan ik evenmin, dewijl ik daardoor

(gelijk Avondrood reeds zeer juist heeft aangemerkt) de schoone,

heerlijke natuur en mij zelven van God berooven, den God echter tot

een levenloos, niets beduidend schaduwbeeld zou maken; neen, mijn God

is de levende, alles bezielende, redelijke geest in de natuur.--Maar

te gelooven, dat deze wereldgeest alles wat geschieden moet, op

alle eeuwigheid vooraf weet en bepaalt, dit valt mij niet minder

moeijelijk.-- --Ik verzink daarover in steeds dieper gepeins, maar in

plaats van den grond te peilen, hoor ik slechts gene waarschuwende

stem, welke mij de beteekenisvolle woorden toeroept: "Er zijn nog

vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid zich

zelfs geen denkbeeld kan vormen."

Waarlijk, broeders, gij beide die gezegd behoord te worden den overgang

van dag tot nacht en nacht tot dag daar te stellen, alwaar de uitersten

elkander aanraken, waar licht en schaduw zamensmelten en de denkbeelden

wekkende zone der schemering ligt,--waarlijk gij hebt al uwe krachten

ingespannen om de lichtbeelden van den dag uit te wisschen, de droomen

van den nacht te vernietigen en al datgene hetwelk ons menschen heilig

en verheven is, waarnaar wij het vurigst haken en wenschen, weg te

redeneren en te loochenen. "Natuurnoodzakelijkheid is het eenige dat

regeert; het is alles stof en alle natuurverschijnselen, met inbegrip

van hetgeen wij verrigtingen des geestes noemen, bewustzijn, vrije

wil, enz., zijn bewegingen van stof." Zoo spreekt gij.--Maar, waarde

broeders, één ding hebt gij vergeten, dat gij niet kunt weg redeneren

en dat geen stof is. Stof is het totaal van zekere eigenschappen;

niet waar? Maar wat is dan TIJD?--Bestaat hij uit stof?--Bezit hij

eigenschappen?--Ik ken er geene.

MORGENROOD. O, gij dweeper Dag, welke hersenschimmen koestert gij!--De

tijd is een maat, een maat voor den duur der dingen, voor hetgeen

na elkander plaats grijpt, doch eigenlijk (op zich zelven genomen)

is hij niets.

DAG. Een maat?--De afstand tusschen twee nevens elkander voorkomende

dingen is een maat met betrekking tot de ruimte; maar is de ruimte, op

zich zelve genomen, een maat of eigenlijk niets?--De afstand van twee

na elkander voorkomende dingen is een maat met betrekking tot den tijd,

maar is om die reden de tijd, op zich zelf, een maat of, gelijk gij

zegt, eigenlijk niets?--En aan welke na elkander voorkomende dingen

of verschijnselen ontleent gij dan deze maat? Ontleent gij haar aan

de wenteling der aarde om hare as, der maan om de aarde, der aarde

om de zon,--of van Mercurius om de zon, of van Neptunus om de zon,

of van de zon om eene onbekende centraalzon? Hebben niet de aarde,

de maan, Mercurius of Neptunus en de zon, elk dezer hemelligchamen

eene andere maat? Waar moet nu echter de ware,--de normaalmaat met

betrekking tot den tijd worden gezocht?

De tijd heeft geene eigenschappen, is geheel en al onligchamelijk

en toch is hij wel degelijk iets; ja, hij is iets zoo gewigtigs, dat

zonder hem geheel niets anders bestaan kan, dat zelfs de vlugtigste

gedachte zonder hem niet denkbaar is.--Ons voorstellingsvermogen is

bijna niet in staat, om zich eenig begrip te vormen van het eigenlijke

wezen van den tijd en zulks uithoofde wij er geene eigenschappen aan

kunnen waarnemen. Hij schijnt ons volkomen raadselachtig toe. Sta

mij toe dat ik eene gelijkenis bezig, ontleend aan de snelheid van

de beweging des lichts, om aan te toonen dat de tijd zich als het

ware in de ruimte oplossen of terug gaan kan in de ruimte.

Gij weet dat het licht in eene seconde een afstand van 42000

geographische mijlen doorloopt. De zon is 20 millioen en 682440

dergelijke mijlen (of 24043 halve middellijnen der aarde) van ons

verwijderd en deze ruimte doorloopt het licht in 8 1/4 minuten.--De

helderste vaste ster Sirius (die men vroeger met Herschel beschouwde

als de digste bij de aarde geplaatst te zijn) is 10 billioen mijlen

van ons verwijderd, dat is 500 duizendmaal zooveel als de afstand der

zon van de aarde bedraagt, en het licht heeft 7 2/3 jaren noodig om

dezen afstand--een Siriusafstand--af te leggen. Er zijn echter sterren

of sterregroepen (sterrehoopen, nevelvlekken) die 5000, 10000, ja,

30000 maal een Siriusafstand (elk van 10 billioen mijlen of 7 2/3 jaren

lichtsnelheid) van ons verwijderd zijn en van waar het licht derhalve

een tijdsverloop van vijf duizend, tien duizend, ja dertig duizend

maal 7 2/3 jaren vereischt om tot ons te geraken.--In vergelijking van

den afstand waarop deze verwijderste wereldstelsels van ons staan,

die gedeeltelijk slechts W. Herschel door middel zijner reusachtige

telescopen als nevelvlekken kon waarnemen, is een afstand van 763

1/2 maal eene Siriusverte niet groot, niettegenstaande het licht 5854

volle jaren noodig heeft om dezen afstand [52] te doorloopen. Van eene

ster der 12de grootte (gerekend op 521 1/2 maal een Siriusafstand)

zou het licht in 4000 jaren tot ons komen.

Stellen wij ons nu voor, dat op eene ster die 763 1/2 maal een

Siriusafstand van ons afstaat, zich een wezen bevindt, voorzien van

een buitengewoon volkomen gevormd oog, dat zelfs nog voor de zwakste

lichtsindrukken vatbaar is en zoo scherp ziet, dat het alles wat op

deze aarde voorvalt duidelijk kan waarnemen, dan zal dat oog heden

datgene zien hetwelk voor 5854 jaren op aarde geschiedde, dewijl de

lichtstralen die (als teruggekaatst zonnelicht) vóór 5854 jaren deze

aarde verlieten, eerst thans aldaar zijn aangekomen. Wij zullen dit

oog het "Alziend oog" noemen en verder aannemen (om onze gelijkenis

te voleindigen) dat dit wezen niet op gindsche ster bepaaldelijk

moet verblijven, maar dat het 't vermogen bezit om zich van daar

met de snelheid der gedachte, b. v. in een uur of zelfs in eene

seconde tijds op onze aarde en van hier weder terug op gindsche

ster te verplaatsen. Het is waar, wij kennen tot heden geene kracht,

geene beweging die grootere snelheid bezit dan het licht; maar nog

vóór eenige tientallen van jaren was de snelste beweging welke wij

kenden om onze brieven te bezorgen, een goede coerier die te paard

ongeveer 4 geographische mijlen in twee uren tijds aflegde. Later

vonden wij spoorwegen en locomotieven uit welke in plaats van 2 uren

slechts 30 minuten behoeven om dezen afstand te doorloopen, en nog

later ontdekten wij de electro-magnetische telegraphen die in stede

van 30 minuten slechts een enkelen oogenblik daartoe noodig hebben,

ja, welke onze brieven niet 4, maar 42000 mijlen ver in ééne seconde

kunnen brengen;--hieruit nu volgt dat de maat van tijd nooit anders

dan betrekkelijk is, dewijl wij de ware maat niet kennen. Wij meten

den loop des tijds slechts af naar bewegingen of verschijnselen die

wij kennen, doch weten niet hoe snel de snelste beweging loopen kan

en er is volstrekt niets ongerijmds gelegen in de veronderstelling,

dat het Alziende oog zich in een uur tijds van gene ster naar de

aarde bewegen, derhalve 763 1/2 maal een Siriusafstand binnen dezen

tijd doorloopen kan en in staat is in een uur alles te zien, dat in

den loop van 5854 jaren op deze aarde is geschied. [53]

Evenzeer moeten wij toestaan, dat een dergelijk, buitengewoon sterk

gezigtsvermogen als dat hetwelk wij aan het bedoelde oog toeschrijven,

zelfs in een strengen, natuurwetenschappelijken zin als mogelijk moet

beschouwd worden. Onze veronderstelling weêrspreekt zich, naar de

regelen van eene logische en redelijke redenering in geenen deele,

bevat derhalve geen onzin en is ontleend aan een onloochenbaar feit:

aan de voortplanting der lichtbeelden (van den vorm, der kleur en

omtrekken der ligchamen) door de golfvormige beweging des ethers, welke

met eene snelheid geschiedt van 42000 mijlen in ééne seconde. Het

is waar, het licht verzwakt bij zijne verbreiding in eene steeds

grootere ruimte in de evenredigheid van het vierkant des afstands,

maar het is ons niet mogelijk te bepalen waar de grens ligt van

de voortplanting des lichts, of waar het zoo zeer is verzwakt dat

het zelfs op de volkomenste, allergevoeligste oogen geen indruk meer

maakt, dewijl zelfs menschelijke oogen, gewapend met menschelijk grove

werktuigen gelijk die van W. Herschel, op een afstand van 35000 maal

een Siriusverte (van waar het licht eerst in 268333 jaren tot ons kon

komen) nog sterrehoopen of nevelvlekken ontdekten, ter plaatse waar

andere waarnemers met hunne minder kolossale telescopen, al waren het

ook voor het overige uitmuntende werktuigen, reeds lang niets meer

zagen. Slechts voor gezigtsorganen die zoo gevormd zijn als de onze,

kan de voortplanting des lichts hare grenzen hebben. [54]

Gesteld nu, dat het Alziende oog heden, den 1sten Januarij 1855, juist

ten 10 ure des voormiddags de ster verlaat en binnen een uur den weg

tot op onze aarde aflegt, dan zal het in dit ééne uur het levendige,

steeds wisselende beeld aanschouwen der gansche wereldgeschiedenis

en in elke minuut zien, hetgeen op onze aarde gedurende elke 97 jaren

en ongeveer 7 maanden is voorgevallen. Het ontmoet alle lichtstralen

welke sedert den aanvang der menschelijke tijdrekening van de aarde

zijn uitgegaan.--Eerst ontwaart het de oudste gebeurtenissen van het

menschelijke geslacht hetwelk in China, in Voor-Indië en in andere

deelen van Azië zich reeds tot groote staten heeft vereenigd, dat

reeds naar Egypte is heengetogen;--het ziet weinige oogenblikken

later koning Menes te Memphis op den troon zitten, welken hij voor

5746 jaren (of 3892 jaren vóór de christelijke tijdrekening) besteeg;

daarop worden de piramiden gebouwd, in Indië verheffen zich tempels,

als eerste vruchten der beschaving en vorstengeslachten vestigen

haren zetel in China.

Ten 10 ure 21 minuten bespeurt het oog den volksstroom die, met

Abraham aan de spits, Mesopotamië verliet om zich naar Kanaän heen

te begeven, en reeds 4 minuten later blikt het op den heertogt der

joden die Mozes (vóór 3374 jaren of ten jare 1520 vóór Christus)

uit Egypte geleide, door de Roode Zee, waarin Pharao door den vloed

werd verzwolgen.--Ras komen nu volkstammen in Griekenland en Rome

tot bloei en wassen op tot magtige staten; anderen zinken weder in

het niet;--de val van Troje (voor 3054), de verwoesting des tempels

van Jeruzalem (voor 2440 jaren of 586 voor Ch.) door Nebukadnezar, de

bloeitijd van Griekenland en Rome, de daden van Alexander den Groote

en eindelijk Rome's onverdeelde heerschappij over Griekenland, met al

de treffende gebeurtenissen, snellen als lichtbeelden de eene na de

anderen voorbij het Alziende oog; het ziet in het joodsche land een

man met 12 jongeren rond trekken, kranken genezen, lijdenden troosten

en menschenliefde prediken,--totdat het ten 10 ure en 41 minuten bijna

drievierde gedeelten zijns wegs heeft afgelegd. Daar ontwaart het op

een berg voor Jeruzalem dienzelfden man aan een kruis genageld en

gehoond tusschen twee misdadigers,--een droevig beeld dat van hier

af aan nog 4000 jaren lang door het wereldrond moet wandelen om,

tot schande der menschheid, aan de bewoners van gene ster zigtbaar

te worden. Voor het Alziende oog echter zijn vierduizend aardjaren

binnen minder dan 42 minuten verloopen.

Met de snelheid der gedachte ijlt het steeds verder voort en nadert

het de aarde; ziet vroegere staten vervallen en nieuwe ontstaan;

ziet hoe de leer des gekruisigden duizende menschen ontvonkt, in

beweging brengt en tot een martelaarsdood wijdt; maar ook hoe zij

weldra misvormd en misbruikt wordt; hoe bisschoppen te Rome zich de

drievoudige kroon des gezags op het hoofd plaatsen en koningen en

keizers zalven, die zich nu "christelijke en allerchristelijkste"

noemen. Zij verheffen zich met hunnen schepter en hunne kroon, de

eene na den anderen en verdwijnen in het niet.--Ons oog echter zet

zijn vlugt onophoudelijk voort en komt ten 10 ure 52 minuten aan in

de streek, waar het beeld van het slotplein van Canossa voorbijsnelt

en waar (in 1077 na Ch., derhalve vóór 777 jaren) een keizer--in het

hemd, barrevoets en ootmoedig--voor een paap nederknielt en boete

doet. De bisschoppen van Rome toch doen het tegendeel van de leer

die zij bespotten: "mijn rijk is niet van deze wereld,"--want zij

heerschen nu over keizer en bedelaar en de rook van brandstapels,

waarop zij menschen verbranden, zijn de duidelijke teekenen van hunne

magt. Van tijd tot tijd flikkert nog het vuur van Auto da Fé's in het

Alziend oog, hetwelk echter ook den Columbus bespeurt op zijn schip

(in 1492 na Ch.) waarmede hij eene nieuwe wereld wil ontdekken,--den

monnik die voor de Elsterpoort te Wittenberg (in 1520) de pauselijke

bul in het vuur werpt, en dat den veldslag bij Lützen aanschouwt waarin

(ten jare 1632) Gustaaf Adolf sneuvelde,--allen beelden welke binnen

een verloop van weinige minuten op elkander volgen en van eene reactie,

van een nieuwen geest getuigen, die zich openbaart; want reeds ten 10

ure 59 minuten is het Alziende oog tot op dien afstand van de aarde

genaderd, van waar het de veldslagen bij Rossbach en Praag ontwaart

die (in 1756 na Ch.) door Frederik den Groote werden geleverd, en

het behoeft nog slechts eene minuut om van daar op aarde aan te komen

en het nog overige 97 1/2 jaar lange stukje van de geschiedenis der

menschheid af te zien.

Het ontwaart nu den gruwel der revolutie in Frankrijk en is 32

seconden vóór elf ure ooggetuige van een veldslag, waarin Napoleon

de Mamluken verslaat bij dezelfde piramiden, die het eenige minuten

na 10 ure--voor 5354 aardjaren--eerst had zien bouwen. Nog een paar

seconden en de intusschen gekroonde keizer komt zegevierend terug

uit vele veldslagen in Duitschland,--een vreeselijke brand verdrijft

hem uit het rijk des Czars en de veldslag bij Leipzig maakt een einde

aan zijne wereldheerschappij.--Ten 11 ure min 5 seconden komt ons oog

aan in de streek van Sirius, derhalve op dien afstand van de aarde,

welke 10 billioen mijlen bedraagt en door den lichtstraal in 7 2/3

jaren wordt doorloopen. Het ziet van daar de bewoners der aarde in

hun 1846ste jaar na Christus, vredelievend kunsten en wetenschappen

beoefende, die hun eene betere, meer gelukkige toekomst schijnen te

belooven. De magt van het papenbedrog en bijgeloof schijnt gebroken

te zijn. Maar neen; bij zijne aankomst ten 11 ure op het aardrijk is

de eerste indruk welken het oog ontvangt, krijgsgewoel en toerustingen

ten strijde,--het belegeren van Sebastopol.

Zoo hebben wij het Alziend oog op zijnen togt van gindsche 763 1/2 maal

een Siriusafstand van ons verwijderde ster tot aan de oppervlakte der

aarde gevolgd en de beelden van de geschiedenis der menschheid van

af het jaar 4000 voor de Christelijke tijdrekening aanschouwd, tot

aan het belegeringstooneel dat zich heden aan onze blikken vertoont.

Daar echter de bewoners dier ster op hetzelfde tijdstip, heden ten 11

ure, hoe scherp van gezigt zij ook mogen zijn, eerst datgene ontwaren

hetwelk voor 5854 jaren op de aarde is voorgevallen, ligt ten gevolge

daarvan ons aardsche heden voor hen nog in eene verwijderde toekomst,

dewijl het licht zoo vele jaren noodig heeft om van hier aldaar aan

te komen.

Met den lichtstraal gaat de tijd terugwaarts in de ruimte voort.

Reist echter het "Alziende oog," na zijne aankomst op de aarde ten 11

ure, terstond weder af en ijlt het met gelijke snelheid waarmede het

naar beneden kwam, weder terug naar gindsche ster, alwaar het ten 12

ure aankomt, dan zal het weten hetgeen daar nog niemand weet, hetgeen

(wat ginds betreft) nog niet gebeurd is en het zal de bewoners dier

ster, met onfeilbare zekerheid, 5854 volle jaren vooraf kunnen zeggen

al hetgeen sedert den bouw der piramiden op onze aarde, dag voor dag,

jaar voor jaar, tot op de belegering van Sebastopol zal voorvallen.

Indien het oog, in plaats van in één uur, zich in één enkel oogenblik

van de ster naar de aarde en van deze terug naar de ster begeeft,

dan zal het--even als de tijd--"Alomtegenwoordig" en Alwetend genoemd

kunnen worden.

Ik gevoel zeer wel, dat ik met deze beschouwingen slechts een tweede

raadsel bij het eerste, onopgeloste gevoegd heb, dewijl slechts de

mogelijkheid der goddelijke voorwetenschap in een betrekkelijken en

zuiver physieken zin door mij is aangeduid geworden. Ik vermeet mij

ook niet deze vraag der voorkennis te kunnen oplossen, neen, verre

van daar; maar ik roep u met Shakespeare andermaal de woorden toe: "Er

zijn vele dingen tusschen hemel en aarde, waarvan uwe schoolwijsheid

zelfs niets vermoedt!"

Wij kennen toch onzen eigen aanvang niet. Wij dagteekenen onze

geschiedenis van eene willekeurig vastgestelde gebeurtenis, maar zijn

niet in staat te zeggen sedert wanneer wij zijn, sedert wanneer het

zonnestelsel en die sterrehemel bestaat die wij in de oneindige ruimte

aanschouwen, en wij weten niet of wij de eersten of de laatsten zijn

in de schepping.--Zouden onze oogen de eenige in het heelal zijn

die aan redelijke schepselen behooren? Zouden wij, juist wij--op

deze kleine, ondergeschikte, ter naauwernood van hare geologische

omkeeringen tot rust gekomene planeet--de volkomenste wezens zijn,

die het aanzijn hebben ontvangen? Zouden er in het onmetelijke heelal,

op al de groote en menigte zonnen die wij vaste sterren noemen (en

hare planeten), niet meer volkomene oogen met sterker gezigt, ja,

zou er niet een allervolkomenst, alomtegenwoordig oog bestaan, dat----

Beste broeders! in een woord: waar het weten ophoudt, vangt het

geloof aan. Of God alles vooraf weten kan, weet ik niet; ja, wanneer

ik geloof dat hij het weet, dan begrijp ik hem niet. Maar ik geloof

aan de heilige, eeuwige zelfbewustheid der natuur, aan een alzienden,

alomtegenwoordigen God, die alles weet wat voorvalt, dien ik juist

daarom dewijl ik hem niet begrijpen kan, aanbidden moet.

MORGENROOD. Indien de schoonheid en verhevenheid der natuur u

dwingt, een denkend, alziend wezen er in te plaatsen en dit wezen te

aanbidden, wel nu--bid dan in vredesnaam. Geen goed mensch zal u daarin

hinderen. Elk heeft zijne eigene behoefte. In mijn oog is de natuur

schoon en verheven gelijk zij is, ook zonder dat ik mij een dergelijke

God er in voorstel. Menigwerf bewonder ik haar in stilte. Maar ik bid

niet; ik onderzoek en handel. Niets heeft der menschheid sedert anno:

"driemaal een is één" zoo veel onheil berokkend en hare ontwikkeling

dusdanige hinderpalen in den weg gelegd, als juist dat bidden.

Uwe bewijsredenen, beste broeder, zijn zeer schoon, ja zij vinden een

luiden weêrklank in ons gemoed. Zij verdienen alle achting. Wat mij

echter betreft, ik word er niet door overtuigd, dewijl zij in mijn

oog moeten wijken voor het gewigt der talrijke, positieve feiten

door mij daartegen aangevoerd.--Waartoe toch kan mij zulk een God

strekken als de uwe, die de natuurwetten haren vrijen loop laat, dien

ik niet zien, dien ik niet hooren kan en die mij niet hoort wanneer

ik hem aanroep, mij niet antwoordt wanneer ik hem iets vraag; die

mijne bede nimmer vervult, mij nimmer hulpe biedt wanneer ik daaraan

behoefte heb, wanneer ik mij in nood bevind; die mij niet waarschuwt

wanneer gevaren mij bedrijgen, die mij door schipbreuk doet vergaan,

door een tijger verscheuren of mij verhongeren laat, wanneer ik mij

zelven niet beschutten of geen voedsel verschaffen kan,--een God die

mij in al deze gevallen aan mijn eigen lot, d. i. aan mij zelven,

de natuur aan zich zelven overlaat en die daarenboven nimmer het

geringste teeken van zijn aanwezen geeft!? Een dergelijke God kan

er klaarblijkelijk niet zijn voor mij, hij moet derhalve slechts

uitsluitend voor zich zelven bestaan, namelijk in uwe verbeelding.

Ik weet maar al te wel wat de "vrome" lieden, die van de

ligtgeloovigheid des volks leven en met zijne domheid zich mesten,

die de verlichting schuwen als de das de stralen der zon, dewijl

zij duchten met de ligtgeloovigheid des volks hun vet, d. i. hunne

"geestelijke" goederen: hunne pastorijen, prebenden, tienden,

kloosters, vrome legaten, vicarijen, erfenissen enz., enz., te

verliezen; ik weet wat deze heeren kandidaten en professoren in de

theologie, kapellaans, diakenen, pastoors, dominé's, pausen, monniken,

bedelmonniken, bisschoppen, aartsbisschoppen of welken naam aan al

die paapjes moet gegeven worden, daarop ten antwoord zullen geven. Zij

zeggen: "God liet het schip vergaan, waarbij 70 personen vol hoop en

verwachting, benevens onschuldige kinderen het leven verloren, ten

einde een voorbeeld te geven hoe vergankelijk al het aardsche is, ten

einde ons tot ootmoed aan te sporen; naar gene stad werd door Hem in de

gedaante der cholera ""de slaande engel"" gezonden, ten einde het volk

over zijn steeds wassend ongeloof te bestraffen," Ik echter zeg u, het

schip zou niet zijn vergaan, indien wij de natuurwetten beter gekend,

indien wij den barometer zorgvuldiger gadegeslagen, de draaijingswet

der winden naauwkeuriger in acht genomen en ons daarnaar gerigt hadden;

de cholera zal ophouden, d. i. onmogelijk gemaakt of genezen worden,

zoodra wij zoover zullen zijn gevorderd en de natuurwetten zoo diep

zullen hebben doorvorscht, dat wij hare stoffelijke oorzaken hebben

leeren kennen.--Is de wind nu echter juist nog ter regter tijd gedraaid

en het schip daardoor aan het dreigende gevaar ontkomen, of heeft een

stukje brood, door eene milde hand toegereikt, den armen bedelaar van

den hongerdood gered, dan roepen de paapjes uit: "aanschouwt dit, gij

ongeloovige! O! knielt neder en erkent in dien veranderden rukwind,

in dit stukje brood des milden gevers, Gods wijze besturing; erkent

de zorg welke de genadige vader voor zijne zondige kinderen draagt,

die hij tot bevordering van hun eigen heil wel eens kastijdt, maar

nimmer laat vergaan." Zeer juist! antwoord ik u: erkent de natuurwet

welke de instandhouding van het geslacht ten doel heeft; ziet de

natuurkrachten, de natuurnoodzakelijkheid slechts goed in het oog en

verstout u om haar te leeren kennen; dan zult gij vinden dat gij deze

"vreesselijke" natuurwetten kunt beheerschen. Maar gij durft het kind

niet bij den regten naam te noemen.

Mijn geloof is in overeenstemming met mijn weten. Sedert millioenen

van jaren bestaat God slechts als natuur en natuurwetten, waarin hij

zich heeft herschapen. Deze zijn de ware God en deze moet de mensch

leeren kennen en ten nutte leeren aanwenden, leiden, opdat God zich uit

hem en door hem op nieuw ontwikkele. Het menschelijk geslacht bevindt

zich werkelijk nog in het allereerste begin zijner ontwikkeling. Wat

toch beteekenen een paar duizend jaar in de eeuwigheid?--Wanneer

gij den bewonderenswaardigen vooruitgang gadeslaat, welke in de

natuurwetenschappen, vooral in de chemie en physica binnen het korte

tijdsbestek der laatst verloopene 50 jaren is gemaakt, waardoor zaken

ontdekt en in het licht zijn gesteld die tien jaren vroeger tot de

onmogelijkheden werden gerekend, dan zult gij 't mij zekerlijk niet

ten kwade duiden, wanneer ik beweer dat de menschheid de schitterendste

verwachtingen voor de toekomst mag koesteren!

DAG. Beste broeders! Wij allen zijn, even als gij Morgenrood,

doordrongen van den wensch om ons weten in overeenstemming te brengen

met ons geloof, en gevoelen ons door eene bijna onweerstaanbare

weetgierigheid aangespoord om de verschijnselen in ons en rondom ons te

leeren doorgronden, om de natuur in haren zamenhang, als een geheel,

als kosmos te begrijpen. Dit begrijpen echter is het toppunt van den

berg der kennis, die nog door geen sterfelijk wezen is bestegen. Vele

wegen geleiden tot een en hetzelfde doel. Ieder kiest dien weg, welken

hij als den besten en gemakkelijksten beschouwt. Op dezen weg gaan wij

lang ongehinderd voort, naar het doel van ons streven. Wij verklaren de

verschijnselen welke wij aantreffen en brengen die in een harmonisch

verband. Reeds wanen wij den top te zijn genaderd, maar--daar stuiten

wij op hinderpalen, tegenstrijdigheden, onoplosbare problemen die ons

tot den terugkeer nopen. Wij zoeken nu een anderen weg en komen langs

allen ongeveer even ver vooruit; maar de een voert ons ten laatste

aan den rand eens afgronds; de tweede eindigt in eene diepe kloof,

aan den voet van een hoogen rotswand die een onoverkomelijk beletsel

aan alle verdere pogingen tot vooruitgang in den weg stelt; de derde

verdeelt zich tusschen rotsblokken in duizenden van zijpaden, waarvan

men niet weet welke als de regte moet beschouwd worden, en de vierde

voert den wandelaar aan den oever van een onmetelijk groot meer,

waarover geen veer is, geen vaartuig wordt gevonden om zich te doen

overzetten.--Wij keeren dan om en niemand van ons allen heeft den

top des bergs gezien. Maar een top moet de berg toch hebben!--Dat

gelooven wij allen en derhalve bouwen wij ons voorloopig een idealen

top; wij maken ons een denkbeeld hoedanig de top wel zou kunnen

zijn en vormen een beeld, dat evenwel bij ieder onzer verschillend

is en eene verschillende kleur heeft en hebben moet, dewijl de weg

dien wij naar den top insloegen, het levenspad hetwelk wij volgden,

de opvoeding die wij kregen, de lotgevallen die wij ondervonden,

bij allen verschillend waren.

Ik geloof niet dat er grond voor is, om ons zeer te bedroeven over

het onderscheid hetwelk bestaat in onze godsdienstige beschouwingen,

al ware het dat het ons ook later niet mogt gelukken om elkander

wederkeerig te overtuigen, mits wij slechts in het toegepaste gedeelte

onzer geloofsleer met elkander overeenstemmen, mits de wegen door ons

ingeslagen bij het eerst door ons in het oog gevatte doel ineenloopen,

mits wij slechts wat onze ZEDELEER betreft met elkander instemmen en

menschenliefde, gepaard met het streven naar eene steeds grondiger

kennis der natuur, als de eenige bron der openbaring, in de eerste

plaats stellen.

Welligt gelukt het dan aan onze nakomelingen, het toppunt der kennis te

bereiken. Wij spannen te vergeefs alle krachten in om den eigenlijken

grondslag der verschijnselen te peilen. Vele wegen liggen voor ons

open,--maar welken weg wij ook pogen te bewandelen: nimmer zullen wij

verder komen dan tot aan zeker punt, alwaar wij moeten bekennen, hier

houdt ons bevattingsvermogen op; hier is de grens, aan de overzijde

waarvan wij niets meer begrijpen kunnen!

"Bravo, juist zoo! Ja, daar staan zij met de handen in 't haar en

zijn ten einde raad!"

Deze woorden die op een lagchenden toon luide werden gesproken, klonken

onverwachts door de geopende deur; getroffen en min of meer ontevreden

wendden wij ons om en--zagen binnentreden, gevolgd door den regent,

eenige distriktshoofden en eene menigte Javanen die brandende fakkels

droegen, den--resident Praktischman.

"Jongens, jongens, ik heb u beluisterd. Wat zijt gij onverstandig! Ik

heb Faust ook gelezen en zeg u: een vent die speculeert, gelijkt een

beest op het dorre veld, door eenen boozen geest steeds in het rond

geleid en om dien kring ligt aan alle kanten eene schoone, groene

weide.--Eene weide, ja, visschen in het meer, eenden in het riet;

hoort gij ze niet snateren? Laat ons liever gaan jagen! Kom aan! Maar

eerst wil ik wat eten. Hier Singkil! Abdoel! Karang! ambil makanan,

boeka botol anggor, bawa champagne!" en zoo ging het nog eenigen tijd

voort. Alles geraakte op de been en in een oogwenk was het gansche

tooneel veranderd.

Daar wij allen wisten welk een uitmuntend mensch de heer Praktischman

was, ijlden wij hem gezamenlijk te gemoet, drukten hem de hand en

heetten hem hartelijk welkom.--Groot was onze verrassing, toen wij

hem in deze wildernis, in het holste van den nacht zoo onverwachts in

ons midden zagen.--De medegebragte kisten werden nu terstond ontpakt

en haren inhoud bij den reeds aanwezigen voorraad van mondbehoeften

gevoegd. Spoedig was de tafel gedekt en in eene vrolijke stemming zaten

wij aan. De regent nam echter weldra afscheid van ons en vertrok ten

einde zich eene legerstede op te zoeken, terwijl de lagere hoofden

na hem, de een voor en de andere na, in de stilte en eerbiedig

wegslopen.--Terwijl de resident zich het eten goed liet smaken,

verhaalden wij die reeds voor eenigen tijd van tafel waren opgestaan,

elkander nog het een en ander van 't geen ons was bejegend, sedert

wij elkander niet meer hadden gezien. Tegen het einde van den maaltijd

kwam het gesprek op zendeling-, bijbel- en traktaatgenootschappen.

PRAKTISCHMAN. Luistert eens, beste vrienden. Ik stem volkomen met u

in dat het christelijke dogma niet de waarheid bevat en haar niet

bevatten kan, en dat het derhalve niet geoorloofd is eenvoudige

menschen, gelijk de Javanen zijn, iets op te willen dringen waaraan

duizenden onder de Christenen zelven niet gelooven, ja, hetgeen juist

de beste en verlichtste koppen in Europa voor dwaling houden. Maar

buitendien beschouw ik de invoering van het Christendom op Java als

hoogst onpraktisch, ondoelmatig en nadeelig, en ik hoop dat ik van

hoogerhand nimmer bevel zal ontvangen om de pogingen, in het werk

gesteld door deze dwaze, met blindheid geslagene menschen, zendelingen

en halve huichelaars, in mijne residentie te ondersteunen.

DAG. Ik ben van oordeel dat onze regering te verstandig en tevens

te wel met den zedelijken toestand der Javanen en hunne behoeften

bekend is, dan dat wij voor zoo iets zouden behoeven te duchten. Het

eenige ware toch dat het Christendom bevat, de kern zijner zedeleer,

is immers lang onder de Javanen inheemsch.

PRAKTISCHMAN. Ja stellig; dit geloof ik ook. Maar die

bijbelvereenigingen, zendelinggenootschappen en al die vrome lui, die

zich veel minder laten gelegen liggen aan eene christelijke aarde dan

aan den christelijken hemel, die "Gods Zoon met scharen van heilige

engelen" gaarne op den top van elken palmboom zouden willen zien,

deze maken het de regering somwijlen wat lastig. Ik vraag u: is het

niet onzinnig, dat men de Javanen iets wil leeren hetgeen zij reeds

van zelven doen, ja, wat zij beschouwen als iets dat niet behoeft

geleerd te worden, dewijl iedereen dit van zelf verstaat, namelijk

"elkander lief te hebben en elkander te helpen," en is het niet

beschamend voor ons, wanneer wij hen dat leeren moeten, terwijl zij

toch elken dag met eigen oogen kunnen zien dat de groote meerderheid

onder de Christenen het volstrekt niet, of althans in veel geringere

mate doet dan zij Javanen zelven?--Gesteld dat het aan de zendelingen

eenmaal gelukt ware, de Javanen van de Christelijke noodzakelijkheid

te overtuigen van "andere menschen even lief te hebben als zich

zelven," en dat de Javanen van ons consequent verlangden dat ook wij

deze leer strikt zouden opvolgen en zij alsdan eens tot ons zeiden:

"komt hier, lieve Christenbroeders, helpt ons koffij planten; hebt

ons lief gelijk u zelven; het is een goddelijk gebod dat Isa el Meseh,

zijn eenig geboren zoon, onze verlosser ons heeft geopenbaard; helpt

ons suikerriet snijden; wij gebruiken noch koffij noch suiker; wij

doen dit slechts ter liefde van u;--komt hier, verrigt nu de helft

van het werk ter liefde van ons!"--Wat zal er dan gebeuren? He?--Dan

pakken wij uit Christelijke liefde onze zaken bijéén; de Javasche

broeders brengen ons uit Christelijke liefde aan boord en wij gaan

uit Christelijke liefde--naar huis. Abis perkara.

DAG. Belon abis perkara. Neen; dan komen andere Christelijke broeders

uit Europa, welke de Javanen minder Christelijk zullen behandelen

dan wij Nederlanders thans doen.

PRAKTISCHMAN. Juist. Engelschen, Noord-Amerikanen, enz., zouden

allen gaarne hunne Christelijke liefde op Java zaaijen, om--koffij,

suiker en indigo als vruchten daarvan naar huis te voeren. Luistert,

beste jongens! wij zijn hier onder ons: ik voor mij geloof, dat de

zendelingen beter zouden doen met het evangelie der Christelijke

liefde onder de Christenen in Europa te prediken in plaats van

hier op Java. Gij weet, ik ben een praktisch man; ik ben van onder

op begonnen en zoo ben ik van trap tot trap opgeklommen; sedert 25

jaar ben ik in de gelegenheid geweest de zeden der Javanen te leeren

kennen en ik zeg het u, zij zijn een beter soort van menschen dan

de Christenen in Europa en betere menschen dan de Christenen op

Java.--De algemeene invoering van het Christendom op Java kan niet

anders dan verderfelijk zijn voor ons en voor hen. Dat is mijne

innigste overtuiging. Indien wij hun welzijn willen betrachten uit

ware, wel begrepene menschenliefde, zonder ons zelven op die wijze

te benadeelen, dan behooren wij voort te gaan hen te besturen en hen

werkzaam te houden, dewijl zij even als alle tropische volken tot

traagheid geneigd zijn. Hun arbeid moet geschieden onder onze leiding

en wij behooren hen bekend te maken met nuttige zaken en uitvindingen;

wij moeten hunne positieve kennis der voorwerpen in de natuur en der

natuurkrachten pogen te vermeerderen;--wij behooren hen te onderrigten

in het lezen, schrijven, in handwerken, kunsten, in de eerste

beginselen der natuurwetenschappen; wij moeten hen praktisch opvoeden:

dan zullen zij in dezelfde mate als hunne beschaving toeneemt, steeds

meer en meer leeren inzien dat de leer "alle menschen even lief te

hebben als zich zelven" eene even groote onmogelijkheid is, als eene

volkomen maatschappelijke gelijkheid onder de stervelingen, die ten

gevolge van de ongelijke mate der geestvermogens, der vatbaarheid voor

ontwikkeling, het verschil van aanleg toebedeeld aan de verschillende

individuen, nimmer kan verwezenlijkt worden. Dan zullen beide, Javanen

en meer verlichte Europeërs, in vrede en gelukkig nevens elkander

kunnen bestaan. Maar daarentegen onheil, ontevredenheid, verwarring,

oproer, omverwerping van al het bestaande,--regeringloosheid onder de

Javanen en het verlies der kolonien voor ons--kunnen de gevolgen zijn

van de ontijdige of plotselinge pogingen, aangewend tot zoogenaamde

bekeering of beschaving der Javanen, waartoe de zich noemende

vrijheidsapostelen, hervormingspredikers en evangeliedweepers de

regering op eene onmatige wijze trachten aan te sporen.

MORGENROOD. Dat zijn de theoretici die de Javanen, zoo als zij

werkelijk zijn, niet kennen. Een man die 25 jaren lang in hun midden

heeft doorgebragt, zal hen wel degelijk kennen en de spreuk "groen

is des levens gulden boom" niet logenstraffen. Ik ben het volkomen

eens met mijnheer den resident. Mijn stelregel is: de natuurwetten

te leeren kennen gelijk zij zijn en ons daarnaar te rigten. Alleen

daardoor is het, dat wij wind en water hebben gedwongen koorn te

malen en boomstammen tot planken te zagen, in plaats dat wij zulks

met ons eigene handen doen; alleen daardoor dat wij elke natuurwet

op hare wijze, elk in haar eigen spoor laten werken, hebben wij den

waterdamp genoodzaakt onze wagens voort te trekken in plaats van

daartoe paarden te bezigen; ja, de electriciteit zelve heeft zich er

moeten schikken om aan onzen wil te gehoorzamen en als onze brievenpost

langs ijzeren of koperen draden voort te loopen, waarheen wij willen

dat zij loopen moet.

Handelen wij echter in strijd met de natuurwetten of doen wij ze,

tegen hare natuur geweld aan; indien wij hennepen touwen in plaats van

koperen of ijzeren draden nemen om de electriciteit er langs voort te

planten; indien wij den stoomketel bovenmate verhitten, het buskruid op

den gloeijenden oven droogen, indien wij tegen wind en stroom zeilen

en het Christelijk evangelie prediken willen waar het niet past,

of indien wij den arbeid vrijstellen en vrijheid van drukpers willen

invoeren bij een volk, hetwelk nog niet tot dien trap van ontwikkeling

is gestegen om zulke kost te kunnen verteeren, dan zal de overladene

maag noodzakelijkerwijze moeten bersten of gebrekkige spijsvertering

zal daarvan het gevolg zijn, en wij zullen geen ander resultaat

verkrijgen dan stilstand, of uitbarstingen, terugwerking, verwarring.

PRAKTISCHMAN. (Lagchend.) Sidoekari! Sidoekari!--Gij beide,

beste Morgen- en Avondrood, gij hebt het exemplaar van slechte

spijsverteering gezien! Het is jammer, Dag en Nacht, dat gij er niet

bij zijt geweest. Jongens, weet gij wat? Komt naar mijne residentie. Ik

zou gaarne nog eenigen tijd onder u, natuurwormen! hier in de wildernis

willen doorbrengen; maar daartoe ontbreekt mij den tijd. Overmorgen

vertrek ik en ga over Gnodnab den grooten weg op terug naar mijn

nest. Reist met mij naar Oost-Java! Daar zult gij een zoogenaamd

Christendorp onder de Javanen zien en leeren kennen, een waar model

(zoo als Morgenrood zeide) van slechte spijsvertering, van zwakheid

van maag, een zendelingmiserere, eene echte Christenakeligheid!--Ik

zal u daarentegen ook andere dingen laten zien, scholen die ik op last

der regering heb gesticht en een menigte andere inrigtingen, alwaar de

Javaan de gelegenheid vindt om nuttige dingen van verschillenden aard

aan te leeren, zich te oefenen in handwerken, kunsten en dergelijke

zaken, en die u zullen doen ontwaren dat die mannen van de oppositie

quand même zich aan laster schuldig maken, zoo dikwerf zij beweren

dat onze regering niets uitrigt, dat strekken kan om het stoffelijk

welzijn en de verlichting der Javanen te bevorderen.

Broeder Nacht was buitengemeen ingenomen met den voorslag van den

resident en verzocht mij dringend, de uitnoodiging aan te nemen en

mede naar de residentie S.... te gaan. Hij reikhalsde van verlangen om

eene Javasche Christengemeente waarover hij in eene reisbeschrijving

gelezen had, met eigene oogen te zien en algemeen genomen, een meer

bebouwd gedeelte des eilands, eene talrijker en meer beschaafde

bevolking te leeren kennen. Naar zijn oordeel hadden wij ons lang

genoeg in "oorspronkelijke wouden" opgehouden.--Ik voor mij had

liever nog eenigen tijd in dit gedeelte van Java, bij mijne andere

broeders verwijld; maar de gelegenheid die zich nu aanbood, om mijn

broeder in den kortst mogelijken tijd ook met de hoogere klassen der

maatschappij onder de Javanen bekend te maken en hem in den kring van

vorsten en hoofden in te leiden, was te gunstig om haar ongebruikt

te laten voorbijgaan.--Ik nam derhalve den gedanen voorslag aan en

er werd nu bepaald, dat de resident en wij beide overmorgen naar de

naastbij gelegene hoofdplaats (die aan den grooten weg ligt) zouden

vertrekken, terwijl Avond- en Morgenrood besloten nog langer hier te

blijven en hunne onderzoekingen in dit westelijk gedeelte des eilands

voort te zetten.

De resident onderhield zich daarop nog met mijne broeders over Javasche

bijbelvertalingen en daarmede verwante onderwerpen. Ik verontschuldigde

mij echter uithoofde van vermoeidheid--het was reeds laat geworden--en

wenschte het gezelschap "goeden nacht."

Alvorens ik mij in mijne hut, op de legerstede nedervleide en mij

aan de armen van den God des slaaps toevertrouwde, dreef een vurig

doch onbestemd verlangen mij in de vrije lucht, om vooraf nog een

afscheidsblik van de natuur in haren nachtelijken tooi gedost

te ontvangen en--als stof tot droomen--mede naar mijn leger te

nemen. Dewijl het in eene dergelijke wildernis en in dit nachtelijk

uur niet raadzaam was ongewapend uit te gaan, nam ik een mijner

jagtgeweren ter hand en verliet het bivouak.

Duizende elkander doorkruisende gedachten rezen in mijn bewustzijn op,

toen ik met zachte tred en onbemerkt voortstapte onder het geboomte,

ten einde den oever van het meer te bereiken. De Javanen die met

den resident waren aangekomen, hadden hunne Bamboesfakkelen (Obor)

in de wachtvuren geworpen, welke in de nabijheid onzer hutten hier en

daar nog in het woud brandden. Het heldere schijnsel echter dat zij

in het rond verbreidden, werd allengs zwakker en slechts nog zelden

teekenden zich de omtrekken van menschelijke gestalten af, die zich

als donkere schaduwen voor de vuren ginds en herwaarts bewogen. De

handen dergenen die de vuren moesten onderhouden, waren vermoeid

en het meerendeel der Javanen had zich binnen de hutten begeven. De

anderen sliepen nevens de meer en meer uitdoovende houtskoolhoopen,

wier doffe gloed niet langer in staat was het hoogrijzende loofdak

des wouds te verlichten. Bij hun roodachtige schijnsel waren nog

slechts enkele der naastbij staande boomstammen zigtbaar en ook deze

verloren zich bijna allen in de duisternis van den achtergrond, toen

ik uit het woud te voorschijn trad en den oever van het meer bereikte.

Geen enkele wolk was meer aan den hemel zigtbaar en de volle maan, van

licht omstraald en op een grooteren afstand door duizende flikkerende

sterren omringd, zag uit de hoogte op mij neder en, bijna even helder,

van beneden uit den diepen boezem der wateren naar mij opwaarts.

Ik zag en luisterde. Maar in het woud was alles stil. Spiegelglad

was de oppervlakte van het meer en slechts zelden rimpelde zich het

beeld der maan en vertrok het zich tot dwarsche lichtstrepen, wanneer

de plassende eenden van den tegenoverliggenden digt begroeiden oever

eene ligte golving in het meer hadden doen ontstaan. Haar gesnater

't welk volkomen geleek op dat der Europesche tamme eenden, was

bijna het eenige geruisch, waardoor de nachtelijke stilte van tijd

tot tijd werd afgebroken. Uit de hutten die ver achter het geboomte

gelegen, geheel en al aan het oog waren onttogen, liet zich hier geen

geluid meer vernemen. Hooge Kimérakboomen welfden zich ter linker-

en ter regterzijde over den oever. De oppervlakte benevens de zoom

hunner kroonen waren helder door de maan verlicht, maar onder dit

gewelf zag men in het donkere, geheimzinnige binnenste des wouds,

dat even somber door de naastbij gelegene strook van het meer werd

teruggekaatst. Slechts enkele meer naastbij staande boomstammen kwamen

als helder verlichte zuilen tegen dien donkeren woudzoom uit. Te midden

van het meer weêrkaatste vreedzaam de gansche sterrenhemel. In mijn

binnenste werd de eene gedachte door de andere verdrongen.

"Was von Menschen nicht gewusst oder nicht bedacht,

Durch das Labyrinth der Brust wandelt in der Nacht."

De rhinocerossen liggen stil in hunne moerassige schuilhoeken en de

wilde stieren rusten nu insgelijks; welligt grazen hier en daar nog

enkelen in stilte op eene kleine grasplek, die tusschen het geboomte

overblijft. Tijgers dwalen zelden af tot op deze hoogte, dewijl het

niet ligt gebeurt dat hier zwijnen, herten en reeën worden gevonden;

hier is niets dan woud, en gras en weidevelden worden er niet dan

schaarsch aangetroffen. De Kalong's van het laagland worden op

deze hoogte niet gezien; geen Kaprimulgus laat hier zijn geklap

bij nachtelijke stilte rondschallen, ja ter naauwernood verneemt

men hier het gegons van een insekt, het tjilpende gezang van eene

cicade of ziet men hier en daar een enkelen vuurkever langs den

oever rondflikkeren. De zwarte apen, Loetoeng, roeren zich niet in de

loofkroonen, zij zitten stil op de takken; de eekhoorntjes hebben zich

in hunne nesten of in de spleet van een ouden boomstam verscholen

en alle vogels slapen. Misschien klautert nog hier of daar eene

wilde kat (Felis minuta) met hare blinkende oogen voorzigtig op de

bemoste takken heen, om een armen vogel in zijn nest te overvallen,

of sluipt een Paradoxurus Musanga even stil en behoedzaam over den

grond heen, om een wilde hen of eene patrijs te kapen; maar alle andere

dieren zijn ter rust gegaan. Ook de waterhoenders en de slangenvogels

(Plotussoorten) zitten stil in het hooge, rietachtige gras der oevers,

of op een omgevallen boomstam die zich over den waterspiegel uitstrekt;

de visschen in het meer bewegen zich niet, de kleine kreeften,

de schelpen maken geen geruisch en de gansche overige schepping

zwijgt.--Maar onder dit zwijgen gaat het leven voort, in het water,

in de lucht en op de aarde, in millioenen geheime polsen te slaan die

weldra, wanneer de geleende glans die thans van de schijf der maan

afstraalt, voor het ware licht der zon zal zijn geweken, op nieuw

zich bewegen en het tooneel met eene menigte van de verschillendste,

door elkander wemelende gestalten zullen verlevendigen.--Natuur,

gij zijt schoon, bij dag en bij nacht en gij spreekt eene taal welke

slechts hij geheel verstaat, die met genen zoo dikwerf miskenden

en nog menigvuldiger misbruikten man in vromen eenvoud kan vragen:

"die het oor gemaakt heeft, zou die niet hooren?--Die het oog gemaakt

heeft, zou die niet zien?"

Mijn broeder Morgenrood zegt: "De natuur is bewusteloos, zonder ziel,

zonder God! Het bewustzijn in den mensch is slechts het afschijnsel

der natuur die, even als ginds de maan in het meer, zich afspiegelt

in onze hersenen en een indruk maakt, een beeld 't welk uit ons

binnenste terug in de natuur verplaatst en daar als het ware buiten

ons wordt aanschouwd!--Het bewustzijn is de betrekking onzer vijf

zinnen tot de buitenwereld,--het is de betrekking der buitenwereld

tot onze vijf zinnen, waarop gene zijne werking uitoefent en van deze

zinnen plant zich de indruk door stoffelijke beweging of electrische

strooming tot in de hersenen voort, alwaar de stralen zich dan als

in een brandpunt vereenigen en een algemeen beeld vormen, dat wij

bewustzijn noemen.--Niets dan heen- en wederbeweging van stofdeelen,

die onophoudelijk van elkander worden gescheiden en telkens nieuwe

verbindingen aangaan!"--Zoo spreken zij.

Wel geloof ik dat dergelijke stoffelijke bewegingen als middel

dienen om het bewustzijn daar te stellen en te onderhouden, maar het

gewaarwordende beginsel dat in mij zetelt, 't welk in het brandpunt

dier stralen staat en de beelden opvat, dat denkt en begrijpt,

hetgeen--als het ware--van het bewustzijn bewust is,--ik bedoel

datgene, hetwelk aan de stof gewaarwording geeft om het bewustzijn

te kunnen opvatten, dit moet toch iets anders zijn dan stof!--Dit

kan niet anders zijn dan eene absolute, goddelijke eigenschap.

Tracht alle bewegingen der stof welke als middel daarbij dienen, op

het grondigst te doorschouwen; leert de wijze waarop deze bewegingen

plaats grijpen, op het naauwkeurigst kennen; nooit zult gij u in

staat gesteld zien het feit van het bewuste gewaarworden stoffelijk te

verklaren en nimmer zal het u gelukken, te kunnen bewijzen dat door de

werking van chemische en physieke krachten een oog, een oor kan gevormd

worden. Wat toch zon het licht zijn dat van de zon in 8 1/4 minuten

tot aan de maan en van daar in ééne sekonde tot op de aarde snelt,

alwaar het andermaal door den spiegel van het meer wordt teruggekaatst,

indien mijn oog niet bestond waarin het zich ten derde male afspiegelt,

wanneer mijn gewaarwordend binnenste niet daar was waarin het driewerf

teruggekaatste beeld voor het eerst tot werkelijkheid wordt, dewijl

het tot bewustzijn komt?--Daar echter het beeld in de maan, in den

spiegel van het meer, op het netvlies van mijn oog nog niet bewust was,

is het licht voor mijn oog en mijn oog benevens alle andere zintuigen

aanwezig voor het bewustgeraken. Tot bewustzijn geraken is het eerste

doel des levens. Mijn menschelijk bewustzijn echter is zeer beperkt en

afhankelijk van vijf zintuigen, die slechts een klein gedeelte van het

heelal kunnen omvatten.--Zou nu dit heelal geene ziel hebben waarin

alle verschijnselen tot bewustzijn geraken,--zou er geen algemeen

bewustzijn wezen, waarvan het mijne herkomstig is?--Dat twijfelaars

twijfelen.--De gansche natuur spreekt eene taal en ik geloof aan u,

eeuwig licht, alziend oog, eeuwig redelijk bewustzijn!

Zoo zat ik eenzaam, in nadenken verzonken, aan den oever van het meer

welks spiegel door geen golfje, ja niet door den kleinsten rimpel

werd bewogen. Geen blaadje ritselde in het woud, geen windje suisde

mij den geringsten ademtogt toe; ik had kunnen wanen, dat ik mij in

eene verlatene, uitgestorvene natuur bevond, indien mijn eigen hart in

mijn boezem niet geklopt, indien mijn bewustzijn mij niet gezegd had

dat onder mij, nevens mij, boven mij leven sluimerde, geschikt om bij

den eersten lichtstraal weder te ontwaken,--ja, indien het licht der

maan (hoewel slechts langs een omweg teruggekaatst, geleend licht)

mij niet verkondigd had: waar licht is--in het gansche heelal--moet

insgelijks warmte, beweging, leven zijn!

Een krijschend geschreeuw klonk door de doodsche stilte van den

nacht. Ik vernam een akeligen, klagenden toon die uit het geboomte

klonk en jammerlijk genoeg te hooren was om iemand, vreemd in de

Javasche bergwouden, angstig te maken. Daar het te donker onder het

loofgewelf was om eenig voorwerp duidelijk te kunnen onderkennen,

scheen het geschreeuw aanvankelijk van onder, tusschen de boomstammen

te voorschijn te komen, later klonk het mij van boven uit de lucht

toe en het scheen nu eens hier, dan weder elders te zijn. Men

had ligtelijk in den waan kunnen geraken dat een dof hulpgekerm,

het zuchten van een stervende, menigwerf ook het geschrei van een

jong kind werd gehoord. Ten gevolge hiervan is het dan ook menigmaal

gebeurd, dat vroegere reizigers zich de avontuurlijkste denkbeelden

van de oorzaak van dit geschreeuw gevormd, ja op het eiland Ceylon

er een duivelsspook--een spookachtigen, duivelachtigen vogel van

gemaakt hebben. [55] Mij echter was dit verschijnsel reeds bekend;

ook zag ik kort daarna het voorwerp hetwelk die kreten slaakte, nadat

het digter bij den onbedekten, door de maan verlichten meeroever

was gekomen. Ik zag het hier--met uitgespannen vleugelhuid, strak

en onbewegelijk, als een papieren draak--van den eenen boom naar den

anderen door de lucht zweven; dit geschiedde echter in eene schuine

rigting, zoodat het van den top eens booms afgaande, ongeveer ter

halver hoogte van den stam eens anderen booms aankwam, waartegen

het dan tamelijk vlug weder opklauterde. Het was eene zoogenaamde

vliegende kat (Galeopithecus variegatus), een geheel onschuldig

dier dat zich des nachts in zijn aanwezen verheugt en in het woud

rondvliegt, om vruchten op de boomen te zoeken. Even akelig als zijn

geschrei in een menschelijk oor klinkt, dewijl het herinneringen aan

menschelijke ellende en ongeluk in den mensch wekt, even liefelijk

en troostrijk zal zijn geroep voor de andere Galeopitheken zijn,

dewijl de welbekende stem hun te kennen geeft dat zij niet alleen,

maar dat ook nog anderen huns gelijken aanwezig zijn, die zij vinden

zullen, indien zij de lokkende stem slechts volgen.

Dit was weldra het eenige geluid, dat ik van tijd tot tijd nog

in het steeds stiller wordende woud vernam. Voor mij had het

niets onheilspellends meer. Met volle teugen schepte ik genot in

het aanschouwen der natuur en het scheen mij toe, als of ik de

verwantschap, de sympathie gevoelde, welke alle levende wezens

zaamverbindt.--De maan neigde reeds ten ondergang; ik stond op

van den rotsblok waarop ik had gezeten en wenschte de maan en de

sterren, het meer en de eenden, het woud met zijne millioenen bloemen,

knoppen en vruchten, de Galeopitheken en alle andere dieren die, elk

op zijne wijze, genieten en zich in hun aanzijn verheugen: goeden

nacht!--Schoone, onuitputtelijke, door Gods adem bezielde natuur,

tot morgen: goeden nacht!

(Vervolg hierna.)

Licht- en schaduwbeelden uit de Binnenlanden van Java · 第 17 / 21 题