NACHT. (Na eene korte tusschenpoozing.) U allen die hier tegenwoordig
zijt en bovenal aan u, geliefde broeder, ben ik eene opheldering
verschuldigd. Waar en openhartig zullen mijne woorden zijn. Ik wil
u niet verbergen dat reeds eergisteren, toen ik u de hoofdregelen
van het orthodoxe Christelijke Evangelie voordroeg, mijn geloof aan
de waarheid dezer leer aanmerkelijk aan 't wankelen was gebragt
door de gronden, welke ik menigwerf uit den mond mijns broeders
had vernomen. Ik was echter nog niet volkomen overtuigd en wenschte
gaarne den indruk te kennen, welken de Christelijke geloofsleer op
u, Javanen! zou maken. Ik wenschte het oordeel te vernemen dat gij,
in uwe kinderlijke eenvoudigheid, daarover zoudt vellen, dewijl ik
vermeende daaraan eenig gewigt te mogen hechten; want het was mij
bekend dat uw verstand, wel is waar, ongeoefend, maar aan de andere
zijde door vooringenomenheid niet beneveld was. Hetgeen in Holland
elken dag aan duizenden van onschuldige kinderen wordt geleerd, die
door geen talisman tegen de besmetting der dwalingen zijn beschut,
aan wie geene keus tusschen deze en eene andere leer wordt gelaten,
zoo iets mogt immers (dacht mij) wel aan u, goede Javanen! worden
medegedeeld, en zulks te meer dewijl mijn broeder u reeds tegen
den daarop volgenden avond eene andere voordragt, namelijk, over de
natuurlijke godsdienst en zedeleer had toegezegd. Gij zoudt derhalve
de vrije beoordeeling, de keuze hebben tusschen twee zaken en hierdoor
bragt ik mijn geweten tot zwijgen, dat zich aanvankelijk aankantte
tegen de poging om u met een geloofsstelsel bekend te maken, van
welks waarheid ik zelf niet meer overtuigd was.
Gij hebt nu een besluit genomen. Gij hebt de leer van het Evangelie
van den regtzinnig geloovigen mensch gehoord en haar aangenomen. Maar
ook ik ben tot een besluit gekomen en ik verklaar bij deze plegtig,
dat ik de gegrondheid erken van de bewijzen door mijn broeder tot
staving zijner leer aangevoerd, dat ik daarentegen het Christelijke
dogma eene dwaling acht en het zuivere geloof aan God en de hieruit,
in overeenstemming met de natuur, afgeleide zedeleer tot rigtsnoer
mijns levens kies.--Indien honderd duizenden in de Europesche landen
genen Isa el Meseh, gelijk ik vroeger zelf deed, tot een afgod hebben
gemaakt, dien zij aanbidden in plaats van God, laat ons daarentegen
met liefde en achting aan hem gedenken als aan een voortreffelijk
mensch, die reeds vóór 1800 jaren de kern onzer leer verkondigde:
"Hebt als broeders elkander lief!"
Deze verklaring mijns broeders verwekte onder al de aanwezigen groote
vreugde; ik vooral was daarover zoodanig verrukt dat ik hem gaarne
in mijne armen had willen drukken, indien de aanwezigheid der Javanen
mij daarvan niet had terug gehouden. Elke levendige, driftige uiting
van onze aandoeningen en hartstogten wordt door hen als ongepast, ja,
min of meer als onwelvoegelijk beschouwd, terwijl daarentegen rustige,
kalme gelatenheid bij alle gebeurtenissen en in alle omstandigheden
des levens, hetzij deze ons tot vreugde of tot droefheid stemmen,
bij hen als het toppunt van mannelijke geestkracht en waardigheid
geldt.--Toen echter gevoelde ik meer dan ooit dat ware vriendschap
slechts daar kan bestaan, waar verwantschap des geestes heerscht en dat
niets in staat is den band der vriendschap die twee zielen verbindt,
zoo vast zaâm te strengelen als de overeenstemming in denkwijze,
in zedelijke en godsdienstige overtuiging.
Tevreden, ja, in een vrolijke, zalige stemming gingen wij kort daarop
uiteen; dewijl het nog niet 10 ure was, namen wij den Imam die zeer
leergierig bleek te zijn, mede naar onze hut. Wij schonken hem een
thermometer, een klein kompas, eene magneetstaaf, een zakkijker, een
eenvoudig mikroskoop en andere dergelijke instrumenten, omtrent wier
gebruik wij hem het noodige onderrigt gaven; over het bezit dezer
werktuigen betoonde hij zich ten hoogste verblijd. Hij beloofde ons
het Evangelie der natuur met alle krachten onder zijne landslieden
te verspreiden, terwijl wij hem van onze zijde nader schriftelijk
onderrigt toezeiden. Wij begaven ons daarop naar onze legerstede, het
gemoed vervuld met de overtuiging dat wij hier, in dit kleine dorp,
welligt eenig nut hadden gesticht, een zaadkorrel hadden geplant die,
hoe klein zij ook wezen mogt, misschien eenmaal tot een weligen wasdom
zou kunnen komen en rijke vruchten voortbrengen!
Den volgenden morgen waren wij vroegtijdig gereed om de reis te
aanvaarden; onze koffers stonden allen gepakt voor de deur onzer
hut. Vier dorpsbewoners hadden zich vrijwillig als Koeli's aangeboden;
zij zaten met de beenen kruislings over elkander op den grond,
nevens den geringen last dien zij zouden dragen, en hielden hunne
Bamboesstaven als geweren regtstandig in de hoogte. Zij waren echter
nog niet voltallig; er ontbraken nog zes. De vrouwen die zich in het
dorp bevonden, waren bijna allen druk bezig met het rijststampen
en een aantal kinderen stond om ons heen. Wij zagen daarentegen
slechts weinige mannen nevens hunne hutten bezig met het splijten
van Bamboes, het vlechten van matten en anderen dergelijken arbeid;
zij hielden zich als of zij ons niet bespeurden en volstrekt niet
wisten, dat wij Koeli's noodig hadden. De meesten hielden zich schuil
in hunne hutten en schenen geen gehoor te willen geven aan onze
oproeping om, tegen betaling van 10 centen [19] per uur, benevens
eene zekere hoeveelheid tabak, onze pakkaadje naar het naastbij
gelegene grensdorp te brengen.--Daar kwam onze vriend, de Imam, aan
die ons zijn vriendelijken morgengroet bragt. Toen hij de oorzaak
van onze verlegenheid had vernomen, scheen hij werkelijk boos op
zijne landslieden te worden. Aan zijne ontevredenheid gaf hij lucht
in de volgende bewoordingen, die hij met luider stemme tusschen de
hutten uitgalmde.
IMAM. Schaamt gij u niet, de Heeren, die u zoo vriendelijk behandeld
hebben, nu zonder hulp te laten zitten?--Foei! foei! hebt hij reeds
vergeten, hetgeen Toean Dag en ik u geleerd hebben, dat wij menschen
vlijtig en arbeidzaam behooren te zijn en er naar streven moeten den
onvergelijkbaar grooten Toean Allah na te volgen?--Kunt gij dan niet
zien dat Toean Allah geen enkelen oogenblik rust, maar altijd werkt en
dat hij de zon weldra weder boven uwe hoofden zal doen opgaan?--Hoort
gij dan niet hoe de vogelen weder zingen en de apen in het geboomte
rondklauteren?--Alles ontwaakt tot een nieuw leven, alles roert en
beweegt zich en gij, vadzige kerels, wilt lui en slaperig in uwe hutten
blijven zitten?--Holla! hei! De hut uit! Hier moet gij zijn; pakt aan!
Deze toespraak had werkelijk ten gevolge, dat eenige mannen uit de
hutten te voorschijn kwamen en langzaam, Siri kaauwende naderden;
glimlagchend, doch zonder een woord te spreken, zetteden zij zich
nevens onze koffers; maar nog steeds bleven vier Pikolan's (pakken)
over die geene dragers hadden. Het scheen dat de goede wil der overige
Gnoeragers sterkere drangredenen behoefde, om tot een besluit te
kunnen komen en deze tot de daad te doen overgaan. Mijn ongeduld nam
intusschen des te sneller toe, naar mate ik langer moest wachten; de
oostelijke hemel begon allengs helderder te worden en toen eindelijk
de eerste morgenstraal de dauwdruppelen aan 't geboomte deed fonkelen,
riep ik mijne bedienden toe: "Hier jongens, Sidin, Maspoetri, Pangkat,
Ario, Soengsang! komt hier; pakt alles weder uit, wij hebben plan om
hier te blijven en een vrolijk leven te leiden! Vat die geit daar aan,
vlug, vat ze aan! Wij zullen ze slagten; voortaan blijven wij hier,
maar wij moeten toch eten ook!--Heden slagten wij deze geit, morgen
eene andere, overmorgen moet een buffel er aan, en zoo zullen wij alles
opeten wat gij bezit, luije Gnoeragers! Al uwe kippen gaan de eene
na de andere denzelfden weg, ja, al de geiten, buffels, in één woord,
al dat leven ontvangen heeft in het dorp zullen wij slagten en opeten!"
Dat had invloed.--Vlug als de wind snelden al degenen die in de hutten
waren, naar buiten; die voor hunne hutten zaten, staakten den arbeid
en in een oogenblik was alles op de been. 't Was koddig om te zien hoe
zij zich haastten, niet dewijl zij geloofden dat wij onze bedreiging
zouden vervullen, neen, dewijl zij onze bedreiging als eene aardigheid
beschouwden, als eene vrolijke jokkernij die hen in de allerbeste,
opgeruimdste stemming bragt. Het zonderlinge denkbeeld, dat wij
Hollanders, met ons beiden, alles dat eetbaar in het dorp was, zouden
opeten, vonden zij regt vermakelijk. Lagchend riepen zij elkander
toe: Lakas, lakas! Bekin ramé! Segala roepa orang kaloear, bekin ramé
ramé! (Vlug, vlug! Vrolijk aan 't werk! Oud en jong snelt de hutten
uit! Pakt allen te gelijk aan en maakt vrolijk gejoel!)--Nu hadden
wij niet alleen Koeli's genoeg, maar zelfs meer dan wij behoefden;
eenigen liepen met ledige handen, louter uit pleizier in Ramé ramé,
naast de dragers en het gansche dorp was op de been geraakt. Wij namen
nu een vrolijk afscheid van allen en drukten den Imam de hand; zelfs
verscheidene honden volgden ons en de weduwe, die wij vier gulden en
een Sarong ten geschenke hadden gegeven, riep ons haar Slamat djalan
(voorspoedige reis), beste Heeren! nog in de verte toe.
Wij waren thans voorzigtiger dan de vorige maal, want wij zonden
de dragers met onze pakkaadje vooruit; wij volgden met de overige
jongens, waarvan de een een barometer in den arm droeg, terwijl de
andere onze geweren, eenige thermometers, een kleinen pijlcompas en
andere dergelijke werktuigen bij zich hadden, die wij tot het doen
van waarnemingen onder weg zouden behoeven. Welgemoed zetteden wij
onzen togt voort over de smalle paden, welke hier door het hoog
opgeschotene Alang alang, dan weder tamelijk ongebaand tusschen
het kruipelhout van boschjes heenliepen. Ten 10 ure waren wij den
eersten bergrug die zich in eene westelijke rigting van Gnoerag
verheft, reeds overgeklommen, hadden de Tji-Nakoelabap doorwaad,
welke door het diepe dal stroomt dat op den genoemden bergrug volgt
en klauterden nu tegen de helling van den tweeden, hoogeren bergrug
op.--De zon steeg immer hooger en hooger aan den wolkenloozen hemel en
schoot hare brandende stralen allengs in eene meer loodregte rigting
op ons neder; de helling welke wij beklommen, werd allengs steiler
en onze Koeli's, die tot op den lendendoek geheel naakt waren en wie
't zweet van het ligchaam gudste, stapten in gelijke mate langzamer
voort, naar gelang wij de nok naderden der bergketen, die wij nu
moesten overtrekken. Het eene kleedingstuk na het andere hadden
wij reeds uitgetrokken en, meer verslapt van de hitte, als het ware
dampende in den vuurgloed der atmospheer, waaraan geen luchttogtje,
hoe gering ook, eenige verfrissching schonk,--dan vermoeid van den
togt, kwamen wij omstreeks één ure op de nok des bergrugs aan.
Hier was geen enkel levend wezen te bespeuren; nergens hoorden
wij het gefluit van eenigen vogel of het getjilp van het kleinste
insektje. Alles wat ademt, wat vliegt of kruipt, scheen zich voor
den gloed der zon verborgen te hebben; zelfs geen blaadje ritselde
in het loof van 't geboomte, dat hier en daar groepsgewijs in
de Alangzee verstrooid stond. Aan alle zijden omringde ons dit
eentoonige gras, welks stijve bladeren eerder eene helder grijze,
dan geelachtig groene kleur hadden. Diep beneden ons aan de helling
der bergketen lag het dorp Oewoetagnis, welks hutten ons op dien
afstand onduidelijk, weikleurig van tint door de troebele lucht
toeschenen. Want al liet zich geen wolkje aan den hemel bespeuren,
al was de dampkring zeer droog, toch bezat deze, op groote afstanden
genomen, slechts eene geringe mate van doorzigtigheid. Van de
gloeijend heete oppervlakte der aarde verhief zich voortdurend
een loodregt opstijgende luchtstroom, ten gevolge waarvan de zoom
van alle verwijderde voorwerpen waarop wij het oog vestigden,--de
oppervlakte der Alangzee, de rand der bergterrassen, de kroonen van het
geboomte,--in trillende beweging was. Behalve het pijnlijke gevoel der
hitte, de verstikkende gewaarwording welke het inademen eener zoo zeer
uitgezette lucht veroorzaakte, ondervonden wij nog eene andere plaag;
want het zonnelicht dat door de Alangbladeren werd teruggekaatst,
verblindde ons de oogen.--Reikhalzend verlangende naar een koel togtje,
zetteden wij ons neder tusschen de Koeli's, die geheel buiten adem
tusschen de op den grond geworpene pakken en koffers lagen. Maar
in het 3 à 4 voet hoog staande drooge gras, waar de thermometer tot
op 100 graden Fahrenheit (37,7° Celsius) was geklommen, kon weinig
verkwikking worden gevonden. Wij kropen nu naar een klein boschje,
waar wij een plas vonden die nog niet geheel was verdampt, en met
welks water wij ons brandend heet gelaat, borst en armen bevochtigden.
Hier verspreidde het loof van eenige wat hooger groeijende boomen
een weinig schaduw in het rond; maar naauwelijks hadden wij ons op
den grond nedergevleid, toen wij en al de Koeli's door opstijgende
rookmassa's en vlammen op de vlugt gejaagd en genoodzaakt werden,
zoo snel mogelijk onze goederen bijeen te pakken en bergafwaarts te
ijlen. Het vuur van het in brand gestokene Alangveld had zich aan het
woud medegedeeld. De Javanen hebben, namelijk, de gewoonte om gedurende
de droogste maanden des jaars (Augustus en September) het hooge gras,
waarin hier en daar 3 à 4 maal hoogere en eilandvormig groeijende
Glagah-groepen en vele min of meer uitgestrekte boschaadjes verstrooid
voorkomen, op duizende van plaatsen aan te steken en te branden;
dit geschiedt eensdeels met het doel om de tijgers te verjagen, ten
andere om plaats te winnen tot het aanleggen van akkers, welke alsdan
met de asch van het verbrande hout en gras te gelijker tijd worden
bemest. Toen wij langs de berghelling afdaalden en naar den kant van
het dorp heensnelden, zagen wij verscheidene dergelijke afgebrande
plekken, welke de grijsachtig groene kleur van het grasveld plaatselijk
hadden vernietigd en uit het dal als zwarte, onregelmatige strooken
slangsgewijs opwaarts liepen. Eenigen waren reeds uitgedoofd; anderen
daarentegen brandden aan het hoogste gedeelte nog voort, alwaar dan
eene rookzuil, waardoor vlammen speelden, zich al kronkelend verhief.
Ter plaatse waar de lucht door een dergelijken gloed, welke somtijds
eene strook ter breedte van 500 à 1000 voet in vuur en vlam zettede,
was verdund, stroomden van de zijde van het dal de koudere en digtere
luchtmassa's toe en veroorzaakten daardoor, niettegenstaande de
algemeen heerschende windstilte, een plaatselijken storm welke
onmiddellijk volgde op de oorzaak van zijn ontstaan, namelijk het
vuur, dat wij met ongeloofelijke snelheid steeds hooger en hooger
bergopwaarts zagen voorthollen en hoorden knappen en kraken. Waar een
boschaadje in de rigting dezer brandende strooken lag, daar wierp het
met den storm steeds hooger bergopwaarts ruischende en bruischende
vuur zich als een wervelwind op in,--binnen een oogwenk stond het
gansche bosch in lichte laaije vlam en aan het knetteren van het zoo
brandbare, drooge Alang alang paarde zich alsdan een vreesselijk,
oorverdoovend loeijen en bruischen, dat inderdaad schrikverwekkend
was en waar boven zich dan nog van tijd tot tijd het gekraak deed
hooren van een neêrstortenden stam of van een vallenden hoofdtak van
een zwaren boom.--Een dergelijk concert loeide en donderde ons in de
ooren toen wij zonder eenig geluid te geven, zonder een enkel woord
te spreken, maar kugchende in de verstikkende middaghitte, door rook
en vlammen heen, bergafwaarts snelden; wij liepen daarbij in een
draf achter elkander over de smalle paden, in voortdurenden angst
dat een zijwaarts zich uitbreidende brandstrook ons zou bereiken en
verzengen.--Mijn pen is niet in staat om het karakter van dit tropische
tooneel naar waarde te malen; mijne taal is niet rijk genoeg, om
met woorden het schouwspel te schilderen dat wij dien middag voor
oogen hadden, toen wij het dal in een weikleurigen, troebelen, hier
en daar met rook bezwangerden dampkring beneden onze voeten zagen
liggen,--niettegenstaande de zon, aan een onbewolkten hemel schijnende,
hare brandende stralen uit het zenith op ons nederschoot!
Kort vóór 2 ure kwamen wij in het dorp Oewoetagnis aan en installeerden
ons, zonder pligtplegingen te maken, in de voorgalerij van de
woning des Loerah, terwijl de Koeli's daar buiten, waar slechts
eenige schaduw was, zich nedervleiden of naar den Pantjòran gingen
om zich in het water te verfrisschen. Wij volgden in dit opzigt hun
voorbeeld en nuttigden vervolgens een ontbijt, bestaande uit rijst,
Pisang, Sambal en Dendeng, 't geen wij hier ter plaatse hadden bijeen
gekregen. Onze bedienden haalden de geldzakken [20] te voorschijn en
betaalden de Gnoerager Koeli's, terwijl de Loerah, luide brommende,
in het dorp rondliep om andere Koeli's op te sporen. Wij waren zeer
verlangend om den volgenden morgen vroegtijdig Desa-Gnarak aan
de zuiderkust te bereiken en wenschten uit dien hoofde nog heden
naar Desa- [21]Roetab te gaan, een dorp dat ons om zijne aangename
ligging op een berg, door de Javanen was aanbevolen tot het houden
van ons nachtkwartier. Nadat wij gedurende een uurtje hadden halt
gehouden, waren wij inderdaad gelukkig genoeg om onze pakkaadje op de
schouders van tien versche Koeli's te zien laden die, met den Loerah
achter zich, het dorp uitwandelden, terwijl wij, door nieuwsgierige
dorpsbewoners aangegaapt, hen volgden. De Gnoeragers zaten en lagen,
hunne cigaren rookende, in den Warong, [22] en hadden waarschijnlijk
geen plan om voor het invallen der avondkoelte den terugtogt naar hun
dorp te aanvaarden. Er bevonden zich aldaar insgelijks eenige onzer
jongens, en het was niet dan ongaarne dat zij hun gemak aan ons ten
offer brengen en opstaan wilden. Beneden het dorp aangekomen zijnde,
doorwaadden wij de Tji-Irignas welke den dalbodem doorstroomt, stegen
aan de overzijde weder hooger opwaarts en zetteden vervolgens onze reis
over bergen en dalen voort door het oneffene lage bergland, dat naar de
zijde der zuider kust allengs afloopt.--Het verwijderde hooggebergte
dat noordwaarts van ons ligt, was in wolken gehuld, waaruit een zacht
gerommel als van een verren donder zich liet hooren; hier echter
brandde de zon nog met onverzwakte kracht aan den wolkenloozen hemel.
Nadat wij onzen marsch gedurende 1 1/2 uur hadden voortgezet, kwamen
wij aan den rand van het diepe Tji-Ikaldal en zagen tegenover ons,
aan de andere zijde der breede kloof, het dorpje Roetab, allerliefst
tusschen ooftboomen gelegen; hoog verhieven zich daarboven de Kokos-
en Pinangpalmen die op de dunne zuiltjes als op lange stengels her- en
derwaarts wiegelden. Daar zouden wij overnachten. Een zachte zuidewind,
een bewijs dat wij ons reeds meer nabij de kust bevonden, had zich
sedert eenigen tijd doen gevoelen en matigde eenigzins de hitte. De
verfrissching welke wij op die wijze ondervonden, deed ons goed, want
wij waren nu werkelijk vermoeid en zagen met een zeker huisselijk
verlangen naar de overzijde heen, naar de hutten van het dorpje,
die zoodanig tusschen het heldere, frissche groen van Pisangblaâren
verscholen lagen en zoo digt door het loof der vruchtboomen waren
omgeven, dat de bruinachtige Bamboeswanden en Alangdaken ons ter
naauwernood hier en daar in het oog vielen. De blaauwachtige rook welke
dwarrelend uit de nok der daken oprees, verhoogde nog de uitlokkende
werking die de aanblik van dit tooneel bij ons veroorzaakte, want hij
verkondigde ons dat de tijd van het avondeten naderde, dat vuur aan den
gastvrijen haard brandde.--Wij spoorden derhalve de Koeli's aan om zich
zoo veel mogelijk te haasten. Dit was echter geene gemakkelijke zaak;
want zij lagen nu eenmaal op den grond en prevelden in hunne gewone
zorgeloosheid: "het dorp ligt immers in onze onmiddellijke nabijheid,
wij zullen er nog vroeg genoeg aankomen." Zonderling, dat de Javanen
de despotieke bevelen hunner eigene hoofden zoo gaarne en zoo gewillig
gehoorzamen, terwijl noch een verzoek, noch geld, noch goede woorden
van een Europeër in staat zijn, hen te bewegen tot het verrigten van
eenig vrijwillig dienstbetoon. Te Oewoetagnis hadden wij reeds een
vol uur op versche Koeli's moeten wachten; hier hadden wij andermaal
oponthoud en wij waren eindelijk nog zeer verblijd, dat wij onze goede
dragers na een half uur wachtens op nieuw op de been konden krijgen.
Eenmaal op weg zijnde, verhaastten wij onze schreden, daalden
langs den met geboomte begroeiden dalwand naar beneden en kwamen
tegen 5 ure in den bodem der kloof aan, waar wij de Tji-Ikal over
moesten. Ter plaatse waar wij aan de beek kwamen, was de waterstand
echter te hoog om te kunnen door waden; al zwemmende den overkant te
bereiken, hieraan viel evenmin te denken, uithoofde van den snellen
stroom en de zware rotsblokken waar tegen het water in zijne vaart als
schuimend bruischte, gesteld al dat wij de Koeli's met onze pakkaadje
hadden willen verlaten. Wij volgden derhalve den raad des Loerah,
gingen ongeveer een kwartier uurs lager dalafwaarts, waarbij wij
nu eens den oever volgden, dan weder ons een weg baanden door het
nabij gelegen geboomte; eindelijk kwamen wij in eene streek aan,
waar de dalbodem eene breedte had van verscheidene duizend voet en
de stroom, die in verscheidene armen verdeeld en veel ondieper was,
eene geringere snelheid bezat. Hier klommen wij derhalve afwaarts in
de rivierbedding en sprongen moedig in het water. Mijn broeder Nacht
en ik gaven de anderen een goed voorbeeld en de Koeli's volgden ons
de een na den anderen; reeds waren wij den eersten, kleineren arm al
wadende doorgegaan, hadden wij eene rolsteenbank (een eiland tusschen
twee armen van den vloed) bereikt en stonden wij gereed om den tweeden
arm te doorwaden, toen plotseling van den dalwand, langs welken de
achtersten van onzen togt nog af klommen, de kreet ons te gemoet klonk:
"Bandjer! Terug, terug! Redt u! Bandjer, Bandjer!!"
Deze woorden oefenden op de Koeli's die achter ons aankwamen, eene
werking uit die aan tooverkracht grensde, want plotseling maakten
zij regtsomkeer, terwijl zij met de pakkaadje welke zij op hoofd of
schouders droegen, meer door het water sprongen dan liepen; zonder
veel te vragen, zonder om te zien, zelfs zonder te denken,--want
ter naauwernood herinnerde ik mij vlugtig de geschiedenis van Lot's
huisvrouw en van de zoutzuil naar de bijbelsche verdichting,--volgden
wij hen ijlend na, terwijl een vreesselijk, steeds nader komend
gebruis ons in de ooren dreunde. Wij hielden niet op, dan nadat wij
de dalhelling tot zoo ver hadden beklommen dat wij zekere hoogte
boven den oever hadden bereikt, waar wij schier ademloos op den grond
vielen en omzagen:--eene bruine massa welke zich berghoog verhief,
wentelde over den dalbodem naar beneden; verbrijzelde boomstammen
rezen hier en daar er uit op; rotsblokken werden met donderend
gedruisch vooruit gestuwd; nieuwe, meer vloeibare massa's welke
schuimend voorwaarts bruisten, stortten zich over dezen dam heen,
verbraken hem, verdeelden zich, breidden zich uit en--binnen weinige
minuten was de gansche breede dalbodem welke wij op het punt hadden
gestaan om door te trekken, herschapen in een hol staand meer van
bruinachtig troebel water, dat met pijlsnelle vaart schuimend en
spattend voortijlde, boomstammen en geheele uit den grond gerukte
boomen met zich voerde en dit met zulk eene kracht, dat de grootste
rotsblokken om hunne as wentelden en de rolsteenbank waarop wij vroeger
hadden gestaan, in één oogenblik was vernield en weggestuwd,--het was
een verheven, vreesselijk woest tooneel dat wij in stomme verbazing
aanschouwden, vervuld van dankbaarheid over de redding welke wij
hadden ondervonden, terwijl het gekraak der verbrijzelde boomen, het
schuimen en bruisen der watermassa, het geklots der rotsblokken en
het ratelen der millioenen voortgezweepte steenen der rolsteenbank
een enkel vreesselijk gedruisch deden geboren worden, waar boven
slechts nu en dan het donderend gekraak van een instortenden Oeroek
zich liet vernemen. Tot in het binnenste van ons gemoed geschokt,
beschouwden wij dit oproer, maar stonden sprakeloos, want niemand
was meer in staat zijne eigene stem te hooren. Het was een Bandjer
't geen wij voor oogen hadden, dat is eene verre buiten hare oevers
tredende beek, ten gevolge van den toevoer van water, ontstaan door
zwaren regen in het verwijderde gebergte, waardoor nu de woedende
stortvloed was geboren die alles vernielde of verbrijzelde, dat hij
op zijnen weg ontmoette. Waar de kloof smal en de wanden die haar
ter wederzijde insloten, steil waren, werd de voet dezer zijwanden
door de schuring der rotsblokken welke het water met zich voerde,
zoodanig uitgehold en weggespoeld, dat Oeroek's, dat wil zeggen aard-
en bergstortingen ontstonden; uitgestrekte gedeelten van het gebergte
met wouden en alles wat zich er op bevond, gleden op die wijze met
donderend geweld naar beneden in de kloof en vormden een dam, waartegen
de steeds toenemende watermassa werd opgestuwd, totdat zij den puinberg
voortduwde en doorbrak. Niet ver beneden van de vlakkere plaats waar
wij stonden en alwaar het dal zich trogvormig verbreedde, werd zulk
eene enge kloof gevonden, vóór welke het water dat door nieuwe, van het
gebergte afstroomende massa's nog voortdurend werd vergroot, al hooger
en hooger en eindelijk zoo hoog steeg dat de gansche vlakke dalkom,
niettegenstaande deze eene breedte had van minstens 2000 voet, binnen
weinige oogenblikken in hare gansche uitgestrektheid met water was
bedekt en herschapen geworden in één enkel troebel meer van ongeveer
12 voet gemiddelde diepte boven welks schuimenden spiegel slechts
nog de toppen van enkele verbrijzelde boomstammen zigtbaar waren.
Hoe gering de afstand ook mogt zijn welke ons scheidde van het dorpje,
gelegen op den tegenover ons zich verheffenden berg, viel er nu toch
aan eene voortzetting van den togt op heden niet te denken, en zulks
te minder dewijl de zon reeds ten ondergang neigde.
Wij zochten derhalve eene vlakke plek in het woud tot legerplaats op,
pakten onze koffers uit, hingen de hangmatten tusschen boomstammen
op en trokken drooge kleederen aan, terwijl de Javanen kleine hutten
bouwden, gevormd uit schuin tegen elkander geplaatste takken die met
wilde Pisangbladeren werden bedekt. Eindelijk leiden zij een aantal
vuren rondom ons bivouak aan. Zij deelden ons even broederlijk mede
van hunnen voorraad rijst (Nasi, en nimmer onderneemt de Javaan een
togt zonder zich hiervan te voorzien), als wij hun van onzen wijn
gaven. Wij zouden op die wijze echter een zeer schralen maaltijd hebben
gehad, indien de Bandjer ons niet geheel onverwacht aan een smakelijk
stuk gebraden rundvleesch had geholpen. Eenige Koeli's, namelijk,
die aan den oever stonden om visch te vangen welke door den Bandjer
was bedwelmd, bragten ons ijlings berigt, dat twee rhinocerossen en
een Banteng (een wilde stier) op den oever gespoeld waren.--Dit was
werkelijk het geval. Met vereende krachten trokken wij den stier
op het drooge; het scheen dat hij eerst vóór korten tijd tusschen
verbrijzelde boomstammen was gedood geworden, want het bloed vloeide
nog uit de versche wonden.--Zout, boter, eene ijzeren pan (Koewali),
een paar ijzeren ketels en potten en andere dergelijke benoodigdheden
(welke bij het reizen door de wildernissen onontbeerlijk zijn),
hadden wij steeds bij ons. Zij kwamen ons ook nu uitmuntend te stade,
want weldra hingen de beste stukken van den stier over het vuur te
braden, terwijl anderen met rijst in potten werden gekookt om ons eene
krachtige soep te leveren.--Wijders werd bepaald dat vijf Javanen,
benevens twee van onze bedienden met geweren gewapend, de wacht houden
en door anderen om de drie uren zouden worden afgelost.
De avondschemering nam spoedig toe en wij kropen na het houden van den
maaltijd, vermoeid zijnde, in onze hangmatten. Slechts zelden vernamen
wij nog het krijschend geluid van een over het dal vliegende paauw;
maar naauwelijks was het licht der laatste zonnestralen verbleekt,
toen overal in het gansche woud insektenkoren begonnen te gonzen en te
snorren. De Javasche spitsoorige honden der Koeli's die vroeger langs
den oever liepen rondsnuffelen, legden zich nu in de vertrouwelijke
nabijheid der menschen neder, als of zij wisten dat het des nachts
niet veilig was in het woud. Weldra ontwaarden wij niets meer dan
de zorgvuldig door de Javanen onderhoudene wachtvuren, welke een
roodachtig schijnsel op de omringende boomstammen wierpen en geen
geluid trof ons oor behalve het algemeen gegons der levende natuur,
dat met het bruisen van den verder en verder zich verwijderenden
stortvloed zamensmolt.
Toen eindelijk nog alléén dit gebruis gedurende de nachtelijke
stilte in onze ooren klonk en de werkzaamheid onzer zintuigen tot
diep in het binnenste van ons gemoed was teruggekeerd, hetgeen ten
verhoogden prikkel aan ons denkvermogen strekte, werden wij als het
ware onwillekeurig heengeleid tot het bepeinzen van de oorzaken
der verschijnselen die zich voor onze blikken hadden ontwikkeld,
der krachten die wij daarbij in het spel hadden gezien en, het
geheel ontledende kwamen wij, teruggaande van de eene kracht tot
eene andere welke slechts het gevolg was van eene derde, die op
hare beurt weder eene vierde tot oorzaak van haar ontstaan had
(als gedoode dieren, vernielde wouden, bergstortingen, omzettingen
des bodems, watervloeden, onweêrsregen, electriciteit, wolken,
waterdamp, water in meeren en stroomen, warmte), eindelijk tot de
allereerste oorzaak dezer verschijnselen, welke in een meer dan 20
1/2 millioen mijlen van ons verwijderd hemelligchaam, de zon! moest
gezocht worden. Want de lichtstraal van de zon uitgaande is het,
die hitte doet geboren worden welke het water dampvormig optrekt en
opstijgende luchtstroomen doet ontstaan, welke (indien het zeer heet en
helder was) in de hoogere streken der atmospheer en nabij de koelere
bergtoppen plotseling verdikken en als onweêrsregens of wolkbreuken
neêrstroomen;--dan bruist de waterdamp die dezen voormiddag nog
onzigtbaar boven onze hoofden in de lucht zweefde, als Bandjer door
de kloof welke daardoor verbreed wordt; hij doet Oeroek's ontstaan,
verbrijzelt rolsteenbanken, zet de van hare plaats gerukte aard-
en rotsmassa's in andere, lager gelegene oorden, in de nabijheid der
zee weder af, verbreedt de kusten, veroorzaakt derhalve aanmerkelijke
veranderingen in de gestalte der oppervlakte van den vasten bodem en
doodt daarbij eene menigte dieren, die door andere levende dieren en
menschen worden opgegeten en aan hen tot voedsel verstrekken;--ja,
heeft de zonnestraal, door de verslappende hitte welke hij deed
ontstaan, niet zelfs te weeg gebragt, dat onze Koeli's met langzamer
schreden voortgingen? en is hij niet daardoor de oorzaak geworden,
dat wij getuigen der omkeering zijn geweest, dat deze denkbeelden
thans in onze ziel oprijzen, denkbeelden waarvan de eigenlijke
oorsprong, de wording, dus in de verre van ons verwijderde zon moet
gezocht worden?--Vloeit dit alles niet voort uit eene bron? En zou
nu dat zonne- of sterrelicht de eerste of de laatste kracht zijn in
deze duizendvoudig aaneengeschakelde keten van oorzaken en gevolgen,
welke wij hier voor ons zien? Zou ook deze op hare beurt weder niet
het gevolg zijn van--of te weeg gebragt worden door eene andere,
nog verder verwijderde, algemeenere oorzaak,--en zouden alle oorzaken
die aan onze in de diepte vorschende blikken oorspronkelijke oorzaken
toeschijnen, niet voortvloeijen uit eene eenige eerste bron welke voor
geene verdere ontleding vatbaar is?--Ongetwijfeld, ongetwijfeld;--zoo
verre het ons mogelijk is door te dringen, hangt het eene van het
andere af en hoe dieper wij in de wederkeerige werking der krachten
navorschen, des te meer naderen wij de eenheid; maar tot op den
grond vermogen wij niet te peilen--en slechts in heiligen, vromen
eerbied kunnen wij de blikken opheffen tot de Eenige, Allereerste,
Eeuwige Oorzaak, waaruit alle oorzaken voortvloeijen, waaruit, gelijk
het licht uit de zon, stralen voortschieten die het oneindige heelal
bezielende en met leven vervullende, zich in millioenen en nogmaals
millioenen stralen verdeelen.
Zulke gedachten en gevoelens maakten ons avondgebed uit toen wij,
steeds dieper in ons eigen boezem tastende, zoo kort mogelijk
ineengedrongen in onze hangmatten lagen en den oogenblik afwachtten,
dat de slaap onze oogleden zou sluiten.--Duizenden van stemmen die ons
volkomen onbekend waren, klonken en snorden door het woud,--woeste
natuurkrachten waaraan geen weêrstand van onze zijde denkbaar was,
woedden om ons heen,--tijgers en panthers voor geen medelijden vatbaar,
slopen rondom ons bivouak; doch het bewustzijn goed gehandeld te
hebben was levendig in ons, wij geloofden aan God en aan het heilige
doel zijner natuurwetten,--wij gevoelden een hemel in onzen boezem
en rustig sliepen wij in.
Toen wij ontwaakten, hadden wij een gansch ander schouwspel voor
oogen. De morgenzon verlichtte reeds het hoogste gedeelte van den
dalwand, zoomede de toppen der palmboomen, welke boven dezen rand
zigtbaar waren en ons de ligging van het dorpje verrieden. Liefelijk
blinkende in den eersten zonnestraal zagen zij op ons neder. Alles
rondom ons had de dauw doorweekt en zelfs onze hangmatten waren
vochtig. Geen geruisch van een woedenden stortvloed liet zich
meer hooren. Het water dat gisteren alhier een meer vormde, was
weggevloeid en dit laatste herschapen in eene bruinkleurige vlakte,
bedekt met modder, rolsteenen, rotsblokken, verbrijzelde boomstammen
en takken, tusschen welke de beek in talrijke, nieuwelings gevormde
armen heenstroomde. Zoo spoedig mogelijk pakten wij alles bijeen
en maakten ons gereed om den togt voort te zetten.--De Javanen
maakten ons op een versch spoor van tijgers opmerkzaam, dat rondom
ons bivouak en in de onmiddellijke nabijheid er van zigtbaar was,
hoewel allen die wacht hadden gehouden, eenstemmig verzekerden,
dat zij niet het minste geruisch hadden vernomen. Slechts een paar
malen waren de honden bevende, met den staart tusschen de beenen,
digter bij hen gekropen. Toen wij eenige honderd schreden boven ons
bivouak aan de plek waren gekomen, waar wij gisteren avond den wilden
stier hadden laten liggen, bespeurden wij dat hij weggesleept was;
wij volgden het spoor en vonden hooger opwaarts in het woud slechts
nog eenige beenderen, benevens een gering overblijfsel van zijne
huid, zijn kop en ingewanden. Zelfs aan de rhinocerossen had het wild
gedierte geknaagd.--De dalbodem welken wij nu zonder gevaar konden
doorwaden, was niet zoo zeer met modder, maar hoofdzakelijk met zand
en rolsteenen bedekt, en daarop lagen hier en daar doode herten,
vele wilde zwijnen en kleinere dieren verstrooid in het rond, welke
door den vloed waren achterhaald en gedood geworden. Ook deze waren
gedeeltelijk verslonden door tijgers, panthers en kleiner roofgedierte,
die hier in diepe stilte hun nachtelijk banket hadden gehouden en door
de Javanen grootendeels werden herkend, hetzij aan hunne uitwerpselen,
hetzij aan het nagelatene spoor of de indrukken hunner tanden. Bij het
doorwaden van den laatsten arm der beek vingen onze jongens nog eene
krokodilachtige hagedis, ter lengte van drie voet, een zoogenaamden
Legoean, Minjawah (Monitor bivittatus), welken zij aan een touw bonden
en mede voortsleepten.
Na onzen togt bergopwaarts gedurende een half uur te hebben voortgezet,
bereikten wij het dorp Roetab, welks bewoners ons gastvrij ontvingen
en ons voor het ontbijt gewillig alles verschaften, hetgeen zij
bezaten. Gelijk gewoonlijk overal elders het geval is, wilden ook zij
voor deze giften der gastvrijheid geene betaling aannemen, maar zagen
wij ons genoodzaakt hen die op te dringen. Gaarne daarentegen namen
zij den Legoean waarvan het vleesch door de Javanen zeer smakelijk
wordt geacht maar moeijelijk was het om Koeli's te bekomen. De
meeste mannen, die gisteren avond onze wachtvuren gezien en ons dezen
morgen welligt aan onze kleeding als Europeërs konden hebben herkend,
hadden zich uit de voeten gemaakt, zoodat wij met veel moeite slechts
vijf nieuwe dragers konden krijgen en gedwongen waren om vijf van
de Koeli's die wij gisteren hadden medegebragt, tegen wil en dank
bij ons te doen blijven, wilden wij niet een of meer onvrijwillige
rustdagen houden. Wij deelden echter een aantal cigaren onder hen
uit en beloofden aan ieder hunner, behalve het te verdienen loon, een
extra geschenk te zullen geven, ten einde op die wijze den bitteren
smaak van het kruid bedwang eenigermate te verzoeten. Het eenige paard
dat in het dorp te vinden was, namelijk het rijpaard van den Loerah,
eene kleine, magere rosinant, werd door Nacht in beslag genomen,
dewijl hij, aan het maken van voetreizen niet gewoon, zich gisteren
de voeten reeds had doorgeloopen.
Wij zetteden onzen togt nu voort door eene uitgestrekte, tamelijk
vlakke bergstreek, welke naar de zijde der zuider kust allengs lager
daalde en in diezelfde rigting, niet dan op verre afstanden van
elkander, doorsneden was door breedere dalkloven, over wier bodem
beken schuimend zeewaarts bruisten. Tusschen deze kloven werden
hier en daar aan de oppervlakte des bodems slechts zacht-glooijende
laagten en kleine trogvormige dalen of groeven gevonden, waarin dan
hoofdzakelijk woudgeboomte zich verhief, terwijl al het overige
gedeelte der oppervlakte bedekt was met het witachtig blinkende,
grijsachtig groene kleed van Alang- en Glagahgras; hierin ontwaarde
men slechts enkele verstrooid staande boomen. Gene eilandvormig in de
golvende graszee voorkomende boschaadjen gaven echter aan de gansche
streek eenigermate het uiterlijk aanzien van een park, terwijl de
lilablaauwe Boengoerbloemen (Adambea glabra) of de groote gele bloemen
van den Sempoerboom (Colbertia obovata) liefelijk door het groen der
kleine oasen heen fonkelden. Groot was het aantal herten (Cervus russa)
dat levendigheid schonk aan deze streek; bij gansche troepen sprongen
zij door het gras, om zich voor den toenemenden gloed der zon in het
binnenste der boschaadjen te verbergen. De wilde zwijnen (Sus vittatus)
die hier nimmer aan vervolging van de bewoners des eilands blootgesteld
zijn, waren nog minder schuw en ongaarne verlieten zij de plassen die,
nog niet geheel en al opgedroogd, hier en daar werden aangetroffen op
de smalle paden welke wij betraden; al knorrende gingen zij dan uit den
weg. Menigwerf vlogen paauwen van het eene boschje naar het andere, of
zagen wij er met hun prachtig in den zonneschijn blinkend gevederte
op den grond zitten, waar zij, naar het scheen, hunnen maaltijd
hielden aan een termitenheuvel. Behalve het Glagahriet, wies hier
en daar tusschen het Alanggewas nog eene andere, hooger opschietende
soort, namelijk het Manjagras, aan welks omgebogene aren zeer groote,
peervormige nesten hingen, welke ter hoogte van 3 à 4 voet boven den
grond zweefden. Slechts aan hun benedengedeelte hadden zij eene opening
en waren het werk van een kleinen vogel, Manoek manja geheeten, welke
op het zaad van deze grassoort aast; hij beschut zijne jongen tegen
de roofzucht van klein ongedierte en voornamelijk tegen de aanvallen
van mieren, door zijn kunstig gevlochten nest aan een dunnen draad
in de lucht op te hangen. Kleine scharen van dit fraaije gevogelte
(Ploceus barbatus) zwierden menigwerf over het grastapijt heen.--Uit
het binnenste der boschjes klonk ons het gekir van tortelduiven te
gemoet, zoomede van tijd tot tijd het schorre gekraai van een wilden
haan. Maar ook tijgers wier bestaan aan dat der grasetende dieren is
verbonden, werden in deze streek niet gemist, waar zulk een grooter
aantal herten en Kidang's (Javasche reeën), rhinocerossen en zwijnen
wordt aangetroffen dan in de digte oorspronkelijke wouden. Van tijd
tot tijd gebeurde het, wanneer wij een der Glagahbossen naderden die
zoo groot en zoo hoog zijn als een Javaasch huis, dat het paard hetwelk
mijn broeder bereed, bleef staan en bevend en sidderend over al zijne
leden weigerachtig was om voort te gaan. Het fijne reukorgaan van het
dier had den tijger bespeurd, welke misschien digt bij ons verscholen
was. Zij houden zich bij voorkeur in dergelijke Glagahgroepen op en
verraden des daags, op echte kattenmanier, hunne aanwezigheid niet,
al gaat men digt langs hunne schuilplaats heen.
Dewijl de hitte in deze Alangvelden omstreeks het middaguur een
hoogen graad, dikwerf meer dan 90° Fahr. bereikt, verkwikten wij
ons bij gebrek van water met de zuurachtige, groene vruchten van
het Malakaboompje (Emblica officinalis) welke wij kaauwden, en die
op zulk eene hoogte aan de twijgen groeiden dat wij ze gemakkelijk
konden bereiken. Zag men door het zacht gevinde loof dezer boompjes
opwaarts, dan scheen het dat een dun floers tusschen ons oog en den
helder blaauwen hemel was uitgebreid, hetgeen ons een allerliefelijkst
gezigt opleverde.--Van lieverlede veranderde het tooneel dat wij om
ons ontwaarden, naar gelang wij lager daalden en de kust naderbij
kwamen. Malakaboompjes en boschaadjen werden allengs zeldzamer en de
zuide- of zeewind die zich voortdurend duidelijker liet waarnemen,
voerde eene koelte toe welke ons hoogst welkom was. Weldra zagen
wij voor en beneden ons een strookvormig woud van palmboomen,
tusschen wier grijskleurige, menigwerf door het vuur zwartgebrande
stammen de verwijderde blaauwe oceaan ons in het oog schemerde. Op
eenigen afstand van elkander verhieven zij zich boven den met gras
bedekten bodem, doch strekten zich bij vele duizenden ter regter-
en ter linkerzijde heinde en verre van ons uit. Elke stam rees, als
een zuiltje, lijnregt opwaarts en was slechts aan zijn top met eene
bladerenkroon versierd. Het waren uitsluitend waaijer- of Gebangpalmen
(Corypha Gebanga), wier verbazend groote, drooge bladeren waarin de
wind voortdurend ruischte, telkens knarsend over elkander heen en
weder werden bewogen, terwijl wij onzen togt er beneden door het hooge
gras voortzetteden. Menigwerf joegen wij bij die gelegenheid groote
jaarvogels (Buceros plicatus) op, die in de toppen der palmboomen
zaten en dan al blazend en snuivend, een geluid aan die vogels
zoo eigenaardig, naar een ander gedeelte van het woud vlogen.--Wij
daalden echter door deze smalle, doch mijlen lange strook [23] met
waaijerpalmen bedekt niet lijnregt naar de kust, maar namen onzen
koers in eene schuine rigting naar het westen, alwaar eene iets hooger
rijzende landstreek of vlakke bergrug in den vorm eener kaap (Oedjoeng)
ver in zee uitstak en waar, in de nabijheid van vogelnestholen, het
dorp Gnarak moest liggen, de plaats tot ons eerstvolgend nachtkwartier
bestemd. Het sombere, uit hooggroeijend geboomte bestaande woud hetwelk
dit gedeelte des lands tot aan den uitersten rand der kust onder zijne
schaduwen dekte, vormde een scherp kontrast met de dorre Alangvelden
waarop geen lommer was te vinden, en met de waaijerpalmen welke zich
aan deze zijde er van uitbreidden; reeds in de verte duidde zulks,
door de geheel verschillende physiognomie der bewerktuigde natuur,
eene zeer verschillende hoedanigheid des bodems aan.
Welligt is niets geschikter om den reiziger aanschouwelijk te maken,
welk een harmonische band al het geschapene verbindt, dan een togt
uit het hoog gelegene, vulkanische binnenste van een tropisch land,
over zandsteenterrassen en andere neptunische bergsoorten, afdalende
naar de kust. Het verschil in hoogte des lands boven den spiegel der
zee brengt een onderscheid in klimaat te weeg (een anderen gemiddelden
warmtegraad), en de oorspronkelijk verschillende bestanddeelen waaruit
de bodem bestaat, voor elken verschillenden trap van opheffing--van elk
verschillend klimaat--andere levende vormen. Andere planten: andere
dieren, die daarvan leven. Hier dorre, veel kieselaarde (kwarts)
houdende zandsteengrond, bedekt met eene magere kleikorst die vol
reten en scheuren is, daar welligt eene kalkbank, rijk aan koolzuur en
ligt in water oplosbaar, of eene welige, rijk met kali bezwangerde
aarde, ontstaan uit verweerd felsietgesteente (lavastroomen,
trachietribben);--ginds schaduwrijke vijgen- en honderd andere
hooge boomen, met wier vruchten tallooze scharen vogelen, apen, en
eekhoorntjes zich voeden, die door wilde katten worden nagejaagd;--hier
overvloed van gras met herten tot wier voeder dit strekt, benevens
zwijnen die van de zoete, zich verre in het rond uitbreidende wortelen
van het Alang alanggras leven en--tijgers aan wie de zwijnen ten prooi
verstrekken en--paauwen die zich niet alleen met vruchten voeden,
maar insgelijks gaarne rondpikken in de verscheurde overblijfselen der
dieren welke ten prooi zijn gevallen van tijgers, ten einde te azen op
wormen, maar vooral op ingewandswormen.--Wij zien derhalve, dat eene
eerste oorzaak--het oorspronkelijke delfstoffelijke en scheikundige
zamenstel der rotskorst, de meerdere of mindere verheffing er van
boven den spiegel der zee--duizend anderen te weeg brengt die, als
aardsoort (verweringsaarde), klimaat (hoogere of lagere warmtegraad),
Alanggras, zwijnen, tijgers, paauwen, slechts schakels zijn van ééne
keten, waarvan niet kan worden beweerd dat eene enkele schakel, hoe
gering zij oogenschijnlijk moge zijn, als b. v. een ingewandsworm,
[24] nutteloos of van gewigt ontbloot is.
Omstreeks het middaguur bereikten wij Gnarak en namen bezit van
het kleine, ledigstaande Bamboeshuisje--Pasanggrahan,--dat op een
geringen afstand van het dorp, meer naar de zijde der kust heen was
gebouwd. Achter ons klotste de branding der zee en rondom ons verhieven
schaduwrijke vruchtboomen hunne kroonen, die met het bladerengewelf
van het naburige, oorspronkelijke woud een geheel vormden. Wij
dankten de Koeli's af, betaalden ze, schonken hun daarenboven nog
eene extra belooning, verkwikten ons door het gebruik van een bad
en een kop koffij met eenige rijstkoeken welke de Mandor (opziener)
der vogelnestholen ons bragt en, na onze jongens de zorg voor de
bevrediging onzer overige behoeften te hebben aanbevolen, begaven
wij ons op weg naar de kust. Op den woudbodem dien wij nu betraden,
zagen wij eene menigte hermitenkreeften (Pagurussoorten) van allerlei
slag en grootte, die met het achtergedeelte van het ligchaam binnen
eenhuizige zeeschelpen waren ingedrongen en deze na zich sleepten.
Wij waren eenige minuten lang bezig geweest om ons een weg door
het geboomte te banen en hielden het dooreengegroeide loof en de
struiken van elkander, toen wij ons onverwacht verplaatst zagen aan
een rand, alwaar--digt vóór ons--de bodem met een steilen wand van
eenige honderd voet hoogte plotseling in zee afdaalde. Het tooneel
dat zich hier voor onze blikken opende, mogt indrukwekkend worden
geheeten. Heinde en verre breidde de blaauwe, spiegelende vlakte der
zee welke schijnbaar stil was, tot in een oneindig verschiet zich vóór
ons uit. Maar diep beneden ons beukten de hooge, elkander rusteloos
opvolgende baren met zulk een donderend geweld tegen den kustmuur,
dat de rots waarop wij stonden en van waar wij dit schouwspel gade
sloegen, er van daverde. Naar het westen heen volgden onze blikken de
rigting der kust, en hier zagen wij de branding welke tegen het strand
sloeg, eene lijn vormen zoo wit als sneeuw, die zich tot op een voor
het oog onafzienbaren afstand uitstrekte, als grens tusschen land en
zee. Boven deze gansche kust zweefde een eigenaardige, fijne nevel
of damp, blijkbaar gevormd uit het fijn verdeelde stof van het tot
schuim geslagen zeewater, dewijl zelfs de tropische middagzon deze
nevellaag niet kon oplossen. Alle verwijderde deelen van het strand
deden zich door dezen geheel onbewegelijk liggenden zoutwaterdamp
of stof slechts schemerachtig, onduidelijk aan het oog voor, als
zagen wij ze door een dun floers. Van het bovenste gedeelte van den
kustmuur blikte op dit witte schuim der woedende zee het groen van het
ons omringende woud, dat niet slechts over den rand reikte, maar er
verre beneden hing, als ware de ruimte van het drooge land te gering
voor zijn weligen wasdom;--ja, aan de steile wanden zelfs wortelden
nog velerlei struiken en Pandanstammen, tusschen wier bladerenbossen
hunne vruchten die de grootte hebben van een menschenhoofd, door hun
helder vermiljoenrood in ons oog blonken.
Wanneer wij op den bodem liggende, ons over den rand heenbogen, konden
wij in eene schuine rigting naar beneden ziende, boven het ziedende
en schuimende water, den ingang van het hol bespeuren, in hetwelk de
kleine zwaluwen, Manoek walet (Hirundo esculenta) hare eetbare nesten
bouwen. Elke oprijzende baar sloeg bulderend in het hol, en dan stond
het water hooger dan zijn ingang die voor het oog bedekt was;--maar
eenige oogenblikken later werd door de tegendrukking der lucht, in
het hol aanwezig, die op eene veel geringere ruimte was zaâmgeperst,
de baar met geweld weder er uitgeblazen, eene zuil van waterstof
werd dan horizontaal en sissend over de branding heengespoten en
men kon de zwermen der kleine zwaluwen zien, die juist het regte
tijdstip tusschen het terugtrekken en het weder strandwaarts rollen
eener baar waarnamen om pijlsnel binnen het hol te vliegen, terwijl
anderen het in denzelfden oogenblik verlieten.--Lang boeide ons dit
bewonderenswaardige schouwspel, maar wij benijdden het lot niet der
vogelnestplukkers uit Gnarak, die driemalen 's jaars langs ladders
hier naar beneden klimmen, ten einde--bij zeer stille zee--in het
hol te klouteren en de (door Chinezen duur betaalde) vogelnesten
van de rotsen af te plukken. Het meerendeel wordt gevonden aan het
gewelf van het hol, dat veel hooger oprijst dan de ingang er van. Zoo
vervolgt de mensch deze vogelen zelfs op plaatsen, waar zij tegen de
roofzucht van elk dier beveiligd zijn, waar zij tegen elken anderen
vijand zich in zekerheid bevinden.
Tegen den avond hielden wij ons onledig met het in orde brengen
van onze verzamelingen, die wij met menige zeldzame plant, menig
schelpdier en insekt hadden verrijkt. De hittegraad der lucht was in
onze Bamboeswoning allengs van 87° tot op 82° Fahr. verminderd, maar
scheen niet lager te willen dalen. Deze aanmerkelijk hooge warmtegraad
welke hier jaar uit jaar in bijna zonder afwisseling heerscht, die
daarenboven gepaard gaat met eene groote mate van vochtigheid des
dampskrings, had op den allervruchtbaarsten bodem welke deze streek
bedekt, zulk eene weelderigheid in het planten- en dierenrijk ten
gevolge, dat een bewoner van een noordelijker klimaat zich daar van
ter naauwernood een denkbeeld kan vormen. Waarheen wij onzen blik
lieten weiden, in het water, in de lucht, op de aarde, in het kleinste
reetje hetwelk het oog kon ontdekken, allerwege ontmoette men de
menigvuldigste sporen van leven en ontwikkeling.--De kamer die wij tot
ons nachtverblijf hadden gekozen, waren wij niet in staat te betrekken,
dan nadat wij alvorens eene kolonie ontzaggelijk groote kikvorschen
(Kòdok) hadden verjaagd, die echter telkens terugkeerden om ons het
bezit op nieuw er van betwisten; zij sprongen zeer behendig tegen den
vier voet hoogen ladder op en de deur van den Pasanggrahan in, die
zoo hoog boven den grond op palen stond. Uit het hoogste gedeelte van
onze woning klonk ons het gepiep in het oor van vledermuizen (Lalaï)
die daar ter plaatse, waar zij den dag in rust doorbrengen, bij wijze
van groote zwarte klompen aan de nok van het dak hingen. Langs de
wanden en aan de zoldering (alleen het middenvertrek van het huisje
was hiervan voorzien) liepen tientallen van Tjitjak's (Hemidactylus
fraenatus, kleine grijsachtige hagedissen) in het rond, allerliefste
diertjes die ons door hunne behendigheid buitengewoon vermaakten;
zij waren, namelijk, druk bezig met het vangen van vliegen en muggen,
die ons voortdurend al gonzende langs de ooren vlogen. In de reten der
wanden huisden schorpioenen (Buthus cyaneus), waarvan onze jongens er
verscheidenen vingen. Minder aangenaam dan de stille schorpioenen en
de evenmin geluidgevende, nuttige Tjitjak's, waren voor ons de Toké's
(Platydactylus guttatus), namelijk hagedissen ongeveer ter lengte
van een voet, die met hunne geel en bruin gevlekte huid ons afschuw
inboezemden; want zij verriedden hunne aanwezigheid in de woning met
luider stem en riepen ons, telkens een tiental keeren achtereen, hun
"gek-koh, ghék-koo"--allengs op meer slependen toon en somtijds op drie
verschillende plaatsen te gelijk uit de daksparren toe, hetgeen niet
zeer geschikt was om ons een rustigen nacht te gemoet te doen zien.
Nadat wij ons werk voor dezen dag hadden ten einde gebragt, zetteden
wij ons op het kleine Aloen aloenplein [25] van het naburige dorpje dat
slechts door eene groep vruchtboomen van onze woning was gescheiden,
in de verkwikkende schaduw neder, ten einde ons te verlustigen in de
stille beschouwing van het omringende tooneel. Onze jongens hadden
onder den Weringinboom eene bank van Bamboes voor ons geplaatst;
sommigen hunner hadden zich op den grond nedergevleid, waar zij
vertrouwelijk met de kinderen uit het dorp speelden of zich met
hun gesnap vermaakten; anderen waren in den Pasanggrahan achter
gebleven. Aan alle zijden was de kleine opene plek van nabij door
het omringende woud ingesloten; in de onmiddellijke nabijheid van het
plein bestond dit woud uit aangeplante of vruchtboomen, tusschen wier
stammen de bruinachtig gekleurde hutten der inboorlingen ons in het oog
vielen. Boven het heldere groen der reusachtige Pisangbladeren welke
zich op vele plaatsen tot aan de nok der kleine woningen verhieven,
zag men het donkere loofgewelf der Manggisboomen (Garcinia Mangostana)
of der Mangifera indica met hare goud-gele appelen;--ginds stond een
Ramboetanboom (Nephelium lappaceum) welks takken onder den last der
roodachtige vruchten zoo zeer waren gebogen, dat zij tot aan het dak
van het nabij zijnde huis afwaarts hingen; hier zag men de vruchten
van een Nangkaboom (Artocarpus integrifolia) welke de grootte van eene
pompoen bereiken, of de groote getande bladeren van een broodvruchtboom
(A. incisa) en op eene andere plaats breidde de Wol- of Kapokboom
(Gossampinus alba) zijne horizontale takken uit. Nog vele tientallen
van andere kultuurboomen stonden hier tusschen de reeds genoemden
en vormden met hunne gezamenlijke kroonen het algemeene loofdak van
het dorp, waarboven de regte, dunne stammetjes van talrijke Kokos-
en Pinangpalmen met de bladerenpluimen welke den top er van sierden,
zich verhieven. Hoog boven het loofdak ruischte de wind in de toppen
dezer palmen, die nog in de heldere zonnestralen blonken, toen de
schaduwen der loofboomen zich reeds over het gansche Aloen aloenplein
hadden verbreid.
Reeds op een geringen afstand der woningen en kleine rijstpakhuizen
(Loembong) welke er nevens stonden, strekten de vruchtboomen van het
dorpje hunne takken uit tusschen het loof van het oorspronkelijke
woud, waarmede zij zich zoo broederlijk vereenigden, dat geene
grens tusschen deze beiden kon worden waargenomen. Met behulp
van onze Javasche jongens hadden wij, binnen weinige uren, van
meer dan 50 verschillende boomsoorten van dit woud bloeijende en
vruchtendragende takken verzameld, maar op die wijze zekerlijk den
rijkdom aan vormen nog niet half uitgeput. Tjempaka- en Manglitboomen
(Michelia-, Uvariasoorten en andere Anonaceën), benevens Kiaraboomen
(Ficussoorten) wier loofkroonen zeer digt en breed van omvang zijn,
kwamen het menigvuldigst in deze streek voor, waar tusschen echter
insgelijks vele Myrtaceën en Rubiaceën werden gevonden. Enkele
Karet- of Kolelètboomen (Ficus elastica) wier witkleurig melksap,
blootgesteld aan den invloed der lucht, zeer spoedig hard wordt en het
bekende gomelastiek vormt, verhieven zich zoo hoog boven het loofdak
der overige boomen dat wij hunne kroonen, zelfs hier van het Aloen
aloenplein, onderscheidenlijk konden waarnemen. Vele grijze apen,
Monjet (Cercopithecus cynomolgus) schommelden zich hier en daar in de
takken dezer boomen, ja, zij werden er in de onmiddellijke nabijheid
van het dorp gezien, waar zij gaarne komen snoepen van de Pisang's
en andere zoete vruchten--en groot was het tal van verschillende
soorten van vogelen die in snelle vlugt in het rond zwierden, of
hunne aanwezigheid in het loofgewelf slechts door hunne stemmen of
hun pikken verrieden.--Zoo zaten wij daar verdiept in de beschouwing
dezer overrijke natuur, die menige sluimerende gedachte in onze ziel
deed ontwaken.
DAG. Zijt gij met mij niet van gevoelen, broeder, dat het karakter
van een volk, zijne zeden, gewoonten en gebruiken voor het grootste
gedeelte afhankelijk zijn van het eigenaardige karakter der natuur
waarin de mensch leeft,--van het uitwendige dat invloed op zijne
zinnen uitoefent, van de vormen der bergen en dalen, van de gedaante
der planten welke hij onder de oogen heeft, van woud en beemden, van
den bewolkten of helderen hemel, van water en lucht, van de gestalte
der dieren die zich om hem bewegen, en van de rust welke hij in de
hem omringende landstreek ziet heerschen, of van de omkeeringen die
hij voor zijne blikken ziet plaats grijpen?
NACHT. Ongetwijfeld geloof ik dat de uitwendige natuur een krachtigen
invloed uitoefent op het gemoed des menschen en dat, indien de indruk
door de natuur te weeg gebragt, aanhoudend blijft bestaan en van
's menschen jeugd af tot in lateren leeftijd voortduurt, zij eene
uitwerking op hem kan hebben, die zich in bepaalde gewoonten en
karaktertrekken openbaart. Kon een jong Javaasch kind in het land
der Samojeden of der Eskimo's opgroeijen, dan zou het een Eskimo
van karakter worden,--of omgekeerd indien een Samojeedsch embryo
in de Javasche natuur tot ontwikkeling kwam, zou er een Javaan uit
worden. Aan de andere zijde ben ik van oordeel, dat de invloed welke
de buitenwereld op het karakter eens volks uitoefent, slechts dan
aanmerkelijk kan zijn, in geval dat volk nog op den eersten trap
van ontwikkeling staat, terwijl daarentegen een volk dat reeds tot
een hoogeren trap van ontwikkeling is gestegen, zich boven de natuur
verheffen, zich van haren invloed onafhankelijk maken kan. Bij een
dergelijk volk toch bekleedt de opvoeding der jeugd eene gewigtige
plaats; zij vormt als het ware een scheidsmuur tusschen den mensch
en de natuur, welke echter bij een minder ontwikkeld volk niet in
die mate voorhanden is.
DAG. In zeker opzigt ben ik dat volkomen met u eens. Een beroemde
Duitsche dichter zegt niettemin: "Niemand wandelt ongestraft onder
palmboomen en gewisselijk veranderen de zeden in een land, waar
olifanten en tijgers inheemsch zijn."--Er bestaan weinige voorbeelden
van beschaafde volken, die zich blijvend "onder de palmboomen," hebben
neêrgezet. Wij Hollanders laten onze kinderen in Europa opvoeden en
zijn geene eigenlijke kolonisten op Java.
NACHT. Welligt zweefden aan Göthe, toen hij deze woorden ter neder
schreef, de volken van Spaansche afkomst voor den geest, die waarlijk
niet mogen geacht worden een uitstekend voorbeeld te zijn ten bewijze,
dat de meer ontwikkelde mensch zedelijk onafhankelijk is van de hem
omringende natuur.
DAG. Voor den oogenblik de zedelijke zelfstandigheid van den
ontwikkelden mensch in alle klimaten in het midden latende, meen
ik toch te mogen gelooven dat de buitenwereld insgelijks op hem een
aanmerkelijken invloed uitoefent, en dat het karakter van den mensch
die op een lageren trap van ontwikkeling staat, grootendeels afhangt
van de natuur welke hem omringt. Uit dien hoofde is het noodzakelijk
te achten, dat een ethnograaf die een volk wil beschrijven, eerst
de natuur waarin dat volk leeft, tot een onderwerp zijner studie
make en haar beschrijve; naar mijne wijze van zien toch is het
onmogelijk het karakter van een volk naar behooren te beoordeelen,
zijne zeden en gewoonten te verstaan en te begrijpen, zonder eene
voorafgaande kennis der natuur, der landstreek waarin dat volk woont,
en der indrukken welke van der jeugd af invloed op den mensch hebben
uitgeoefend. Hiervan is het, dat afhangt hoedanig gene oorspronkelijk
zijn.
Terwijl wij dit gesprek voerden, hield het gekir allengs op der
tortelduiven die in kooijen, aan lange staken hangende, voor de meeste
hutten der Javanen werden gevonden. Zij zijn grooter beminnaars van
het vreedzame, tot rust en stilte uitlokkende gekir hunner duiven
(Manoek gegoegoer), dan de Europeër van het slaan van zijn kanarievogel
of het gezang der nachtegalen.--De avond viel. Slechts nog enkele
Badjing's (eekhoorntjes, Sciurus Platani) zag men hier en daar tegen
de boomstammen opklauteren en de laatste straal der zon verdween van
de toppen der palmboomen. De Kalong's daarentegen die ginds aan een
grooten Djamboe- (Jambosa) boom hingen, begonnen zich te bewegen en
vlugten kleine groene papegaaijen (Psittacus vernalis) naderden en
gierden, onder een ontzaggelijk gekrijsch, rondom de takken van een
hoogen Baloengdangboom (Stravadium excelsum), welke ter linkerzijde
van ons stond. Zij zetteden zich op de takken neder, snelden weder weg,
kwamen op nieuw terug, vlogen rondom den boom, waren onophoudelijk in
beweging en schenen elkander zoo veel te vertellen te hebben, dat het
doordringend gekrijsch der kleine snappers ons trommelvlies op eene
onaangename wijs aandeed. In dezen boom hielden zij hun nachtkwartier,
waarheen zij elken avond wederkeeren. Nog kleinere vogels, zoogenaamde
rijstdieven, Boeroeng glatik (Fringilla oryzivora) hadden zich
in groote zwermen nedergezet in den Weringinboom, waarnevens wij
gezeten waren; weldra echter verstomde hun gekweel, zij begaven
zich ter rust.--Nu echter vingen de Kalong's hunne nachtelijke
togten aan. Gedurenden den loop van den ganschen dag hadden wij hen
onbewegelijk aan hunnen boom zien hangen en ze in de verte voor groote,
zwarte vruchten gehouden. Peervormig, als aan dunne steelen, hingen
zij bij honderden aan de geheel ontbladerde twijgen; deze schijnbare
vruchten waren echter de ligchamen der zoogenaamde vliegende honden
(Pteropus edulis), reusachtige vledermuizen ter grootte ongeveer
van eene kat, die met den kop naar beneden gekeerd, zich met de
achterpooten aan de twijgen vastgehaakt hielden en slechts nu en dan,
wanneer het eene dier het andere beet of van zijne plaats trachtte
te verdringen, een zacht piepend geschreeuw lieten hooren. Elken
morgen keeren zij naar dezen boom, hunne dagelijksche rustplaats
terug en laten zich blakeren door den vollen gloed der zonnestralen,
die van den vroegen morgen tot den laten avond op hun schraal met haar
bezet ligchaam branden. Geen enkel blaadje schenkt hun de geringste
schaduw. Hunne uitwerpselen deelen, namelijk, langzamerhand zulk een
overvloed van dierlijke meststof aan den bodem mede, dat de daarin
wortelende boom spoedig sterft; een onaangename reuk naar Ammoniak
verraadt reeds op een aanmerkelijken afstand den aard der zeldzame
vruchten, welke aan zijne dorre twijgen hangen.
Terwijl de tortelduiven haar gezang staakten, de apen zich stil
tusschen de twijgen verborgen en de papegaaijen en rijstvogels
terugkeerden naar hunne rustplaats, was het ondergaan der zon
voor deze Kalong's het sein om hunne nachtelijke togten aan te
vangen, en zag men den een na den anderen den boom verlaten en met
logge vlugt en afgemeten slagen der vleugelhuid door de avondlucht
heenzweven. Zij vlogen elk afzonderlijk op een aanmerkelijken afstand
achter elkander, doch vormden eene gemeenschappelijke vlugt, welke ter
hoogte van ongeveer 100 voet boven het woud in eene en dezelfde rigting
landwaarts in zich voortbewoog. Uit eene andere streek des lands,
uit het oosten, kwam eene tweede vlugt Kalong's, en deze scheen iets
hooger dan de onze te vliegen, welke gene in eene schuine rigting
kruiste. De beide vlugten echter, die even als de vakken van een
schuifkast welke in eene verschillende rigting worden heengeschoven,
digt boven elkander daar heen zweefden, stoorden elkander niet in hunne
vlugt. Men zag de groote, zwarte ligchamen der dieren welke tot elk
der afzonderlijke vlugten behoorden, zonder op die der andere vlugt
acht te slaan, hun eigen togt en in eene lijnregte rigting naar een
en hetzelfde doel voortzetten. Het waren ongetwijfeld verschillende
bevolkingen van verschillende Kalongstaten, waarvan elk naauwkeurig
scheen te weten in welke streek der wouden de boom stond, waar zij hun
nachtelijk maal wenschten te houden, niettegenstaande deze menigwerf
op een afstand van vele mijlen werd gevonden van de plaats, welke zij
hadden verlaten. Vroeger had ik reeds menigmaal des avonds zwermen
van deze dieren aan een dergelijken boom gezien, voornamelijk aan
een Genitriboom (Elaeocarpus angustifolius), op welks vruchten zij
het meest gesteld zijn en rondom welken boom zij dan schreeuwend,
kwakend en elkander de vruchten betwistend, heenvlogen.
Bij het toenemen der schemering nam de verfrisschende koelte des
dampkrings, waarvan de temperatuur nu tot op 80° Fahr. [26] was
gedaald, insgelijks toe en de welriekende geur der Kenangabloemen--van
een hoogen boom (Uvaria odorata) welke op de eene of andere plaats
in het dorp stond--verspreidde zich in gelijke mate al sterker door
de boschachtige streek. Nu werd van tijd tot tijd een vliegend
eekhoorntje (Bilok, Pteromys sagitta) zigtbaar dat van den eenen
Kokosboom naar den anderen zweefde, en de Javanen begonnen de
hoenderhokken onder hunne huizen te versperren en te grendelen. Er
sluipen nu niet slechts kleine marter- en wezelachtige roofdieren
(Herpestes javanicus, Lisang gracilis en Moesang's) tuk op buit in
het rond, maar zelfs de krokodilachtige hagedissen, de Legoean's,
komen uit den schoot der wateren te voorschijn, ten einde in de
hoenderhokken van het dorp een onwelkom bezoek af te leggen.--Door het
aanleggen van vuren op verschillende plaatsen, waarbij eenige wachters
waren gesteld van lansen en Gonggong's voorzien, ten einde alarm te
maken zoodra er gevaar mogt ontstaan, trachtten onze dorpsbewoners
de grootere roovers, de panters en tijgers, van hunne woningen
verwijderd te houden; want het wijd en zijd in het rond klinkende,
leelijke geschreeuw hetwelk, gelijk de Javanen beweren, het vertrek
der tijgers uit hunne schuilplaatsen aankondigt, het geschreeuw der
paauwen, werd nu op verscheidene plaatsen in het woud gehoord. Niet
slechts waren alle andere vogelen stil, maar ook buitendien liet
geen geluid in het woud zich vernemen.--Alleen het gegons der muggen
(Moskiten, Tjamok) werd luider en meer algemeen. Het scheen ons toe,
dat het in deze vochtige, heete woudstreek onafscheidbaar gepaard
ging met den naderenden nacht die met eene snelheid inviel, welke op
den nieuweling onder de keerkringen, gelijk mijn broeder was, steeds
een zoo diepen indruk maakt. Naauwelijks was een half uur verloopen
sedert den ondergang der zon, of de onderscheidene voorwerpen in dorp
en woud waren reeds gehuld in den sluijer der duisternis en niets
liet zich onderscheidenlijk meer waarnemen.
Nu echter vingen duizende onzigtbare muziekanten aan met het bespelen
hunner instrumenten--geluidorganen, tracheën, longblaasjes, snorgaten,
enz.,--die allen den oogenblik slechts schenen te hebben afgewacht,
waarop de duisternis een zekeren graad had bereikt om plotseling,
als op een gegeven teeken, hun veelstemmig vocaal- en instrumentaal
concert te doen weêrgalmen. Het scheen dat eensklaps elk blad van elken
boom eene stem had ontvangen, ja, dat het gansche woud welluidend was
geworden; de lucht trilde, de bladeren tjilpten, de boomen neurieden,
tallooze insektenkoren gonsden en zongen en wij waren in staat de
verschillendste toonen van den fijnsten fausset tot aan den diepsten
bastoon onderscheidenlijk waar te nemen. Het geluid van eenigen
geleek op het aanhoudend klinken van eene trillende vioolsnaar,
anderen bootsten den schellen, bevenden toon na van het gezang van
een jeugdig kind. Eene tallooze menigte levende lichten, als het
ware kleine flikkerende sterren, zwierven door het loofgewelf, waar
zij binnen een zekeren kring rondom zich heen een helder schijnsel
verbreidden. Het was het phosphorlicht van verscheidene soorten van
kleine kevers, die het gansche tooneel van den vochtigen bodem af
tot aan het hoogste punt van het zich daarover uitbreidende loofdak
illumineerden.
Levendig stond ons het beeld voor den geest van ons noordelijk
vaderland, waar de avondschemering zoo lang duurt en waar alles
bij het toenemen der nachtelijke stilte langzaam tot rust komt. Hoe
geheel anders was het hier?--Bijna plotseling volgde hier de diepste
duisternis op het heldere daglicht; met het uitblusschen der dagtoorts
hield de stilte in de natuur op en het nachtelijke, aanhoudend
gonzende, tjilpende, fluitende, krijschende en snorrende concert dat
uit duizende insektenkoren was zaâmgesteld, ving aan;--millioenen van
Dipteren, vooral muggen en snaken (Tipuliden), benevens nachtvlinders,
termiten, loofkrekels, grillen, zingende sprinkhanen, eigenlijke
Cicaden, Phasmiden, Mantiden en andere Hemipteren, maar bovenal
ontelbare Coleopteren (kevers), die zich gedurende den ganschen dag
hetzij in het loof der boomen of in andere schuilhoeken stil verborgen
hadden gehouden, vlogen en snorden nu in het rond en bragten toonen
voort, die allen zamensmolten tot een oorverdoovend, tjilpend gegons,
waaraan zich de stemmen paarden van hagedissen en kikvorschen, die
zulks met helder geluid van elken boom en op dofferen toon uit alle
plassen accompagneerden.--Somtijds gebeurde het, terwijl het algemeene
gegons aanhoudend voortduurde, dat het luide krijschen en snorren iets
verminderde, ja, menigwerf geheel en al ophield,--eensklaps echter,
als ware het op het gegeven sein eens kapelmeesters, begon weder
op nieuw een koor van honderd duizend muziekanten, allen te gelijk,
hunne krijschende diskantstemmen te verheffen, die zoo luide klonken
dat het ons door het hoofd dreunde. Tot deze laatstgenoemden die het
hardst schreeuwden, moesten meer bijzonder worden gerekend groote
Cicaden (Tosena-soorten en anderen) die zich in de toppen der boomen
ophouden. Onze jongens wisten ze echter, door middel eener brandende
kaars welke zij in het digtste gebladerte hadden gesteld, uit hunne
hooge verblijfplaats naar beneden te lokken en met honderd andere
soorten van insekten in hunne netten te vangen.
Uit eenige gaten in den grond was zulk eene verbazende menigte
gevleugelde termiten, Rajap (Termes fatalis) te voorschijn gekomen,
dat wij ons den mond moesten bedekken om ze niet ongebraden [27] te
moeten opeten. Zij strekten aan de fladderende, insekten vangende
vledermuizen tot eene gemakkelijk te verkrijgen prooi. Ook eenige
Kaprimulgen zagen wij in enge, steeds terugkeerende kringen over
het Aloenplein rondvliegen, waar hunne in de snelste vlugt daar heen
zwevende ligchamen van tijd tot tijd tegen den meer helderen hemel
zigtbaar werden.--Even als met de groote meerderheid der vogelen des
morgens en gedurende den loop van den dag het geval was geweest,
vierden de ontelbare zwermen insekten nu des avonds en gedurende
de eerste helft van den nacht hun levensfeest. Zoo menigwerf een
koor Cicaden met hunne schelle, krijschende stemmen mede instemden
in het algemeene concert, dan vingen zij allen te gelijker tijd,
eensklaps aan, zwegen allen te gelijker tijd plotseling, op eens,
en hielden zoo naauwkeurig maat dat wij, uithoofde van de duisternis
welke ons omringde, moesten gelooven, dat zij elkander konden hooren
(hoewel zij geen gehoororgaan bezitten) of dat zij op de eene of
andere wijze met elkander in verstandhouding stonden. Even als onder
de roepende kikvorschen, konden wij insgelijks onder deze cicaden op
het bloote gehoor eene groote verscheidenheid van soorten onderkennen,
aan den meer of minder schellen of diepen toon, waarin zich steeds
eene zekere soort van maat liet waarnemen.
Lang verbleven wij onder onzen boom, luisterende naar deze stemmen
van den nacht.--Vele duizenden van dieren bewogen zich om ons heen,
omtrent wier levenswijze wij niets wisten, ja, welligt nooit iets
te weten zullen komen. Door het loof des Weringinbooms zagen wij
boven ons hoofd het flikkeren van sterren,--het licht van vreemde,
ver van ons verwijderde hemelligchamen,--waaromtrent wij nog veel
geringere kennis bezaten. Wij dachten aan onze zwakke krachten, aan de
zwakke krachten van een mensch, aan den korten duur van 's menschen
leven en wij verzonken in diepen weemoed bij het aanschouwen van den
onuitputtelijken rijkdom der natuur welke ons omgaf, die naar alle
rigtingen, daar boven ons in de sterrenwereld gelijk hier beneden in
het dieren- en plantenrijk, zoo volkomen ondoorgrondelijk is.--De zon
der wetenschap zal hare diepte pogen te verlichten, maar nimmer zal
zij doorgrond worden. Een zacht en troostrijk schijnsel rijst echter
tot ons opwaarts uit deze ondoorgrondelijke diepte;--in de oneindige
verscheidenheid waarin wij ons schijnbaar verliezen, spreekt toch
Een grondbeginsel, Eene algemeene waarheid tot ons: elk dier geniet
naar zijn aard; het is zoodanig ingerigt om te kunnen genieten, het
eene des daags, het andere des nachts, het eene in den zonneschijn,
het andere in de schaduw;--al deze duizenden met leven begaafde
gestalten verheugen zich in het genot huns levens, zij genieten en
de grondoorzaak der natuur welke zich in dergelijke wetten openbaart,
moet noodzakelijker wijze eene goede, weldadige, liefderijke oorzaak
wezen, die volkomen bewust is van het doel waarnaar zij streeft - - -
daar steeg het zinnebeeld van het geloof, de zachte, dweepzucht
kweekende maan voor ons op, en toen zij hare eerste stralen wierp
over het loof der boomen en een gering gedeelte van het Aloenplein
bescheen, werd ons gemoed vervuld met een troostend gevoel dat, als
het ware door dien straal gewekt, oprees tot de oorzaak die het had
doen geboren worden.--"Een band moet toch aanwezig zijn welke al deze
millioenen van levende wezens zaâmverbindt; Eene van alles bewuste
ziel, Een God moet boven allen leven!--Ja, in den glans der zon, in
het schemerend sterrelicht, in het zachte schijnsel der maan, in de
wonderbaarlijke harmonie welke al dat leeft in de natuur omvat,--in ons
eigen boezem ligt Uwe openbaring!--Alwetende! Uwe wereld is schoon!"
Het insektengegons was grootendeels verstomd;--slechts het kleppend
geluid der Kaprimulgen die nu verzadigd op boomtakken zaten, liet
zich in het stiller geworden woud nog hooren, toen wij omstreeks
middernacht, zonder een woord te spreken, maar opgetogen van
bewondering over de grootheid der natuur, den geest vervuld met
denkbeelden die dit alles bij ons had doen oprijzen, in stilte naar
onze legerplaats terugkeerden.
Op den volgenden dag. Dewijl de Loerah van het dorp afwezig was
(hij bevond zich met velen zijner onderhoorigen ter bruiloft in een
nabij gelegen dorp), hadden wij het alleen aan de tusschenkomst van
den Djoeragan Mandor (opziener) der vogelnestholen te danken, dat
wij Koeli's konden bekomen om onze reis voort te zetten, namelijk,
de vogelnestplukkers die nu geen werk hadden. Deze wilden echter
de gewone Koelidiensten alleen onder de voorwaarde verrigten, dat
zij een veel hooger loon zouden ontvangen; waarschijnlijk zouden zij
ook dit van de hand hebben gewezen, indien zij ten gevolge van hunne
verslaafdheid aan het Afioen-(opium)rooken, niet meer behoefte aan
geld hadden gehad dan hunne landslieden. Wij waren verpligt het hun
vooruit te betalen, ten einde hen in de gelegenheid te stellen een
nieuwen voorraad Madat [28] op te doen.
Onze togt ging gedurende den ganschen dag langs de kust, welke door
mij moest opgenomen worden, terwijl mijn broeder Nacht alle nieuwe of
zeldzame voorwerpen die wij aantroffen, verzamelde. Wij kwamen daarbij
slechts aan een enkel klein dorpje, alwaar wij het ontbijt nuttigden
en zetteden vervolgens onze reis voort totdat wij, tegen 4 ure in den
namiddag, door vermoeijenis genoodzaakt waren halt te houden en naar
eene geschikte plek om te zien, in welker nabijheid vlietend water
moest gevonden worden, om ons bivouak te kunnen opslaan. Nog eene
halve dagreis verder westwaarts van hier moest een groot dorp nabij de
kust liggen, hetwelk wij gaarne den volgenden voormiddag wenschten te
bereiken, om van daar in eene noordelijke rigting naar het binnenwaarts
gelegene hoogland door te dringen.--Wij kozen tot ons nachtkwartier
de oostzijde eener kaap, der Tandjoeng-Gnodos, in welker nabijheid
eene kristallijnen beek zich in zee ontlastte. De streek waar wij ons
bevonden, was zeer woest. Verbazend uitgestrekte oorspronkelijke wouden
reikten van het hooge gebergte tot aan de kust zonder ergens afgebroken
te zijn, ja, zij baadden hunne afhangende twijgen in de baren, zoodat
slechts op enkele plekken, voornamelijk op den achtergrond der kleine
inhammen, een smal zandig strand overbleef dat niet met woudgeboomte
was bedekt. Waarheen wij het oog mogten wenden, van verre noch van
nabij, nergens liet zich eenig spoor van menschelijke bedrijvigheid
ontdekken.--IJlings werden nu de noodige aanstalten gemaakt tot het
opslaan van ons bivouak; onze jongens en de Koeli's kapten takken van
het naburige geboomte, bouwden hutten, lagen vuren aan en ik begaf mij,
vergezeld van mijn broeder Nacht en twee Javanen, verder westwaarts
heen, ten einde de gesteldheid der omstreken te leeren kennen. De kaap
of uitstekende spits (Tandjoeng, in het Maleisch Oedjoeng) was het
uiteinde eener van het gebergte afdalende rib en vormde een vlakken
bergrug, welke zich misschien ongeveer ter hoogte van 15 à 25 voet
boven het strand der aangrenzende bogten verhief. Vele dergelijke,
iets lager of hooger rijzende Oedjoeng's reikten hier in deze streek,
tusschen vlakker afloopende kleine bogten, een eind weegs in zee en
waren allen met woudgeboomte bedekt.
Toen wij aan de overzijde der kaap waren aangekomen en uit het woud
te voorschijn traden, hadden wij een merkwaardig schouwspel voor
oogen. Het strand dat tusschen deze en de eerstvolgende kaap lag
ingesloten, had den vorm eener halve maan, was geheel dor en kaal en
rees met eene zeer zachte glooijing opwaarts, tot op een afstand van
ongeveer 500 à 700 voet van het strand der zee, waar het zich eindigde
en in zandheuvelen overging; aan de landwaarts gekeerde zijde dezer
heuvelen verhief zich, in de onmiddellijke nabijheid er van, weder
het woud dat zich verder onafgebroken tot diep in het steeds hooger
rijzende gebergte uitstrekte. Dit kale en vlakke zandstrand (de kust
eener bogt) had welligt eene lengte van driekwartier uurs.--Hoog
boven onze hoofden zweefden roofvogels (Falco- of Haliaëtos-soorten)
en beschreven kringen in de lucht, en op het strand lagen honderde
beenderen en ontzaggelijk groote schilden van schildpadden, deels
gebleekt, deels donkerkleurig, als op een slagveld verstrooid in
het rond.