De mededeeler der "Licht- en Schaduwbeelden uit de binnenlanden van
Java," heeft zijnen naam niet genoemd. Hij hoopt zelfs, dat zijn naam
nimmer bekend zal worden. Hij heeft diep ingewortelde vooroordeelen
en dwalingen bestreden en daarentegen de goede zaak der waarheid en
verlichting verdedigd, welke hij door een persoon onder den verdichten
naam van Dag liet vertegenwoordigen. Het is eene groote en schoone
zaak. Duizenden--en deze niet de minst edelaardigen in den lande--zijn
in de stilte met geestdrift daarvoor vervuld. Een naam, welke daaronder
geschreven wordt, beteekent een individu. Een mensch is klein en zwak,
en ieder heeft zijne gebreken. De mededeeler wenscht, dat de zaak hare
eigene verdedigster zal zijn, en het is niet uit onbescheidenheid,
dat hij zijnen naam verzwijgt.
Want, van al hetgeen hij in deze bladen mededeelt, is naauwelijks het
honderdduizendste gedeelte zijn eigendom, en ook dit honderdduizendste
gedeelte slechts in zoo verre als hij een weinig heeft mede gearbeid
aan het groote werk der natuuronderzoeking, als hij zijne eigene
vijf zinnen niet ongebruikt heeft gelaten, om in het levende boek
der natuur te lezen en de schriftteekenen der schepping zoo getrouw
mogelijk te verklaren. Al het overige gedeelte des inhouds van dit
geschrift is het eigendom van vele duizende mannen, die elk iets hebben
geleverd tot verklaring van het boek der schepping, die allen hebben
medegewerkt om waarheid en verlichting te verbreiden en daardoor
bijgeloof en dwalingen te bestrijden. Zou het derhalve niet als een
bewijs van aanmatiging moeten beschouwd worden, indien de mededeeler
dezes zijnen naam voor het boek had geplaatst? Moesten er namen van
personen op den titel staan, dan behoorden de namen er op vermeld
te worden van die duizenden, welke sedert den tijd van Galilei en
Huygens den tempel der waarheid mede hebben opgebouwd. Dewijl echter
een titelblad veel te klein is, om zelfs het tiende gedeelte der
namen van deze hoogverdienstelijke mannen te bevatten, vereenigde de
mededeeler hen allen te zamen onder den naam van Dag, d. i. waarheid,
verlichting, welken hij op den titel stelde. De billijkheid vorderde
derhalve, dat hij zijn eigen naam verzweeg, dewijl hij hoogstens naar
de eer kan dingen één dier duizenden te zijn.
Niettegenstaande dat alles hebben talrijke recensenten, zonder in eene
wederlegging der zaak zelve te treden, hunne aanvallen gerigt tegen den
schrijver,--hoezeer deze onbekend was. Eenigen beschuldigden hem van
"verregaande domheid," anderen van "verregaande onbeschaamdheid;" zij
noemden zijn boek een "vuilaardig schotschrift;" zij gaven den lezer
den raad "er een steen aan te binden en het in den Eufraat te werpen;"
er waren er, die den wensch te kennen gaven, dat de schrijver "zijn
naam zou noemen" (--waarom?--) en anderen verheugden zich, dat hij
"zijn naam verzwegen had, dewijl zij dit als een bewijs beschouwden,
dat hij nog niet alle gevoel van schaamte had uitgeschud, maar
integendeel zich schaamde zijne leerstellingen openlijk te verdedigen."
Al deze uitvallen konden mij het doel niet uit het oog doen
verliezen. Mijne heeren de recensenten gingen echter nog verder. Zij
namen het zelfs den uitgever kwalijk, dat hij een "dergelijk boek"
in het licht had gezonden en gaven hem duidelijk te verstaan, dat
hij wel zou doen het vervolg er van niet te leveren.
Deze en andere beschuldigingen, welke den uitgever--geheel
onverdiend--werden te last gelegd, zijn de aanleidende oorzaak geweest,
dat hij mij heeft verklaard de vervolgstukken niet te willen uitgeven,
tenzij ik, door het stellen van mijnen naam voor het geschrift,
de verantwoordelijkheid daarvan op mij--op mij alleen--nam, onder
bijvoeging dat het gansche werk op mijne kosten werd uitgegeven.
Ik verklaar derhalve, dat het geheel en al overeenkomstig is met de
waarheid, dat de UITGEVER volkomen vreemd is aan den inhoud van het
geschrift, dat het op MIJNE kosten is uitgegeven en dat IK ALLEEN
verantwoordelijk ben voor den inhoud.
Om de opgemelde reden echter zal ik mijnen naam niet noemen, tenzij
ik door de wet daartoe mogt worden verpligt. Gij, heeren recensenten,
kunt mij er niet toe dwingen. Uw invloed heeft alleen bewerkt, dat
het boek een anderen uitgever heeft gekregen. Het is waar, gij zoudt
u gaarne tot eene onafhankelijke magt in den staat willen verheffen,
de vrijheid van drukpers aan banden leggen en door uwen invloed de
uitgave verhinderen van zulke geschriften, die u mishagen,--of,
indien dat niet gelukt, zoudt gij althans gaarne den naam des
schrijvers kennen. Velen onder u zouden zoo gaarne een persoon als
doelwit hebben, om hunne pijlen op af te schieten, dewijl het hun
dan gemakkelijker zou vallen, de opmerkzaamheid van het publiek
van de zaak af te trekken. Diegenen zullen nu zeggen: "Hij heeft
den moed niet zijn naam te noemen." Ik verklaar, echter dat het
mij aangenamer is, dat dergelijke recensenten mij als een lafaard
beschouwen, dan dat de vrienden der zaak door broeder Dag verdedigd,
mij van onbescheidenheid kunnen beschuldigen. En daarenboven al
uwe persoonlijke uitvallen kunnen mij toch niet kwetsen! Het is
waar, mijne huid en mijn vleesch zijn zeer gevoelig. Maar ik heb
mij met een ondoordringbaar pantser gewapend, dat geheeten wordt:
innige, vaste, onwankelbare overtuiging!--Op dit pantser zullen al
uwe pijlen afstuiten en de stoot, dien zij te weeg brengen, zal mij
slechts in zoo verre aan u herinneren, dat de wensch bij mij opkomt,
u de woorden toe te roepen, die gij Lukas XXIII vs. 34 lezen kunt.
Ik raad u derhalve, neemt de geheel vruchtelooze moeite niet,
het onderwerp of de leerstelling met den persoon des schrijvers
te verwarren. Waarom verzwijgt gij, die u geroepen gevoelt mij te
bestrijden, waarom verzwijgt ook gij niet liever uwe namen?--Spreekt
toch niet van personen, maar blijft bij de zaak,-- --noemt u Nacht!--en
wederlegt (indien gij kunt) de leerstellingen van Dag.
S. ... Julij, 1854. Dag.
VERHALEN EN GESPREKKEN
UIT DE
BINNENLANDEN VAN JAVA.
3.
Toen ik den volgenden morgen [12] ontwaakte en van mijne legerstede
opstond, bespeurde ik, dat mijn broeder Nacht de hut reeds had
verlaten. Ik zocht hem overal in het dorp, maar nergens kon ik hem
vinden. Eindelijk kreeg ik hem in het oog; ik zag hem in de verte
op den top des Goenoeng-Soesoe, waar hij, in diep gepeins verzonken,
den oogenblik scheen af te wachten, waarop de zon boven den horizon zou
verrijzen. Later verklaarde hij, dat mijne ontwikkeling der natuurlijke
godsdienst meer had toegebragt om zijn geloof te doen wankelen, dan de
gronden vroeger door mij tot staving mijner gevoelens aangevoerd. Mijne
zedeleer, zeide hij, bevatte veel goeds. De stellingen, door mij
verdedigd ter bestrijding van de "geopenbaarde godsdienst," wenschte
hij in zijn gemoed te overwegen, en verlangde om die reden den huidigen
dag in eenzaamheid door te brengen. Ik drukte hem hierop de hand en
ging toen mijn eigen weg.
Terwijl ik nu alleen voortwandelde, kwam de Javasche priester mij te
gemoet; hij deelde mij mede dat onder alle zijne landslieden, in het
dorp aanwezig, slechts één enkele werd gevonden die Orang Natsarani,
dat wil zeggen, Christen of, woordelijk gesproken, Nazarenermensch
wilde worden. Mijne agama (leer) daarentegen had zoowel op hem als op
al de anderen een beteren indruk gemaakt, weshalve hij mij verzocht,
dat ik hem mijn boek "Kitab" (eigenlijk heilig boek of bijbel) zou
leenen, ten einde het met de dorpsbewoners nogmaals door te lezen en
vervolgens voor zich een afschrift er van te maken. Gaarne voldeed
ik aan zijn wensch; ik stond hem tot dat einde een in het Maleisch
geschreven uittreksel af van het "Evangelie van den regtzinnig
geloovigen mensch," welks geest en strekking ik den vorigen avond
getracht had aan de dorpsbewoners te ontvouwen. Op mijne vraag, wie dan
toch de nieuwe Orang el Meseh [13] was, verkreeg ik ten antwoord dat
het de bediende mijns broeders was, welke dien wensch had te kennen
gegeven; het ontging mijne aandacht niet, dat een spotachtige trek
zich op het gelaat van den Imam (priester) vertoonde, toen hij den
naam van "Lapiah" noemde, van den slimmen vogel, dien de lezer reeds
ten deele aan zijne vederen heeft leeren kennen.
In mijn binnenste speet het mij, dat de goede kern van de zedeleer des
Hebreërs van Nazareth geene betere vruchten had kunnen voortbrengen;
wat echter de handelwijze van Lapiah betrof, hierover verwonderde
ik mij in geenen deele; bij ervaring toch wist ik dat in Europa,
behalve de werkelijk goeden en de van harte geloovigen, [14] zeer
dikwerf ook dergelijke personen aan den Messias en aan de leer
"der verlossing van zonden door het bloedige offer van Gods zoon"
gelooven, die weten dat zij groote zonden hebben bedreven, en grooten
lust hebben om nog meer te zondigen (dergelijke menschen brengen
hun geweten door hun geloof tot zwijgen en gaan voort met zondigen),
zoomede dezulken die volstrekt geene behoefte aan godsdienst hebben,
zoodat het hun onverschillig is wat zij gelooven of uit eigenbaat
huichelen te gelooven. Indien echter een goede kern in Europa
geene betere vruchten kon voortbrengen dan huichelaars, pausen,
bisschoppen, bedelmonniken en tallooze schijnheilige priesters, en
onder de eenvoudige Javanen van Gnoerag geen enkelen aanhanger vinden
kon dan eenen Lapiah,--dan moet zij inderdaad wel zeer dik met stof
en dwalingen bedekt zijn!--Wat broeder Nacht hierover wel zal zeggen?
Deze gedachten gingen mij door het hoofd, toen ik mij met twee
mijner bedienden en een paar Javanen, uitgerust op gelijke wijze als
gisteren met mondbehoeften, geweer en instrumenten, op weg begaf naar
een naburigen berg, westwaarts van Gnoerag gelegen, ten einde dien
te beklimmen, mijn geologisch onderzoek voort te zetten en aan de
reeds begonnen opneming dezer streek de laatste hand te leggen. Met
de beschrijving van mijn "dagelijkschen arbeid" wil ik echter den
lezer dezer bladen niet vermoeijen.
Door en door warm van de brandende zonnestralen en druipnat van zweet,
kwamen wij ten 2 ure in het dorp terug en waren in de gelegenheid om
de oude spreuk te bevestigen: "in het zweet uwes aanschijns zult gij
uw brood eten."--Zweet? Ja.--Brood? Ja, en nog iets beters dan dat:
lust tot den arbeid, levensgenot, menschenliefde, geluk en--een van
dankbaarheid vervuld gemoed. Kort vóór onze aankomst was insgelijks
de bode teruggekeerd, dien wij eergisteren naar het distriktshoofd
hadden gezonden. Het scheen dat hij zich nog niet bij mijn broeder
had vervoegd, want met de beenen kruislings over elkander geslagen,
zat hij voor de deur der hut en hield het pakket met brieven in zijne
op den schoot rustende handen. Zoodra hij zag dat ik hem daarvan wilde
ontlasten, voegde hij de toppen zijner vingers zamen, bragt die met
eerbied aan het voorover gebogen voorhoofd, nam den brief uit den
omslag, reikte mij dezen toe zonder op te staan en herhaalde daarop
even plegtig als vroeger zijn "Sembah." Niet vóór ik den brief geopend
en hem gezegd had, dat alles goed was, stond hij op en verwijderde
hij zich in eene bukkende, onderdanige houding. De lezer zal wel
bevroeden dat deze eerbewijzingen niet mij, maar den brief golden,
die van een zijner hoofden kwam.
Daar onze woning ledig stond, zocht ik mijn broeder in de nabij staande
hutten en vond hem in een er van in eene hevige woordenwisseling
met Lapiah, dien hij beval zich te verwijderen en welke mompelend
gehoorzaamde. Drie andere Javanen die zich in de hut bevonden,
zwegen nu insgelijks stil, dewijl zij bespeurden dat mijn broeder
toornig was. Uit eenige woorden die ik had opgevangen, als Isa el
Meseh d. i. Jezus Messias, kwam ik op het vermoeden dat zij over
onderwerpen, het geloof betreffende, hadden gesproken. Ik erlangde
hiervan weldra de zekerheid uit mijns broeders mond, die mij te kennen
gaf dat hij, in gevolge van zijn wensch en dien der dorpsbewoners,
dezen avond weder bestemd had tot het houden eener bijeenkomst en,
dewijl hij behoefte gevoelde om verscheidene punten nader toe te
lichten, hoopte hij dat deze afspraak mij niet ongelegen zou komen.
Na hem verzekerd te hebben dat het tegendeel het geval was, las ik
hem den Maleischen brief van het distriktshoofd voor, die met eene
zeer matige dosis beleefdheidstermen geschreven en ongeveer van den
volgenden inhoud was: "Vele groeten aan de Heeren Dag en Nacht van mij
Praba Widjaja Kadoekareksa, Raden [15] Kapala tjoetak, enz. Het is
mij niet mogelijk Koeli's aan de Heeren te zenden buiten de grenzen
van mijn distrikt; ik heb echter aan den Loerah van het grensdorp
Oewoetagnis eene aanschrijving gezonden, om u bij uwe aankomst
aldaar tien Koeli's te verschaffen en u tot aan het volgende dorp te
vergezellen, waar hij aan den Loerah dier plaats mijn bevel verder
moet mededeelen. Gij zult het echter niet euvel duiden, indien ik u de
opmerking maak, dat de distriktshoofden aanschrijving moeten bekomen,
wanneer Orang Wolanda's in het binnenland reizen; ik heb echter nog
geene aanschrijving nopens u ontvangen en derhalve het plan opgevat
onmiddellijk naar de hoofdplaats te vertrekken, ten einde den regent
om de noodige voorschriften te verzoeken, ten opzigte van de wijze
waarop ik mij jegens u zal hebben te gedragen." Wij zagen nu duidelijk
in dat er voor ons niets anders overschoot, dan nogmaals een beroep
te doen op de edelmoedigheid der Gnoeragers, ten einde door hunne
tusschenkomst althans het grensdorp van het naastbij gelegen distrikt
te kunnen bereiken.
De Kalong's togen weder over onze hoofden naar het gebergte,
de paauwen vlogen al gillend door het dal en het insektengegons,
waaraan enkele cicaden hunne diskantstemmen paarden, werd allengs
meer algemeen, toen de vallende avond ons op nieuw in dezelfde hut
vereenigd vond. De Javanen hurkten zoo als gewoonlijk op den vloer
bijeen; ook de Imam zat met de beenen kruislings over elkander vóór
hen en wij hadden onze oude plaats in de nabijheid van den wand weder
ingenomen, waar de beide lampen een schemerachtig licht verspreidden.
IMAM. Zeer geachte heeren! Gisteren en eergisteren hebt gij de goedheid
gehad ons, onwetende Javanen, onderrigt te geven in uwe godsdienst,
waarvoor wij u bij deze onzen hartelijken dank toebrengen. Wij gelooven
dat gij het werkelijk goed met ons meent. Gij hebt gezegd: God is
almagtig, alomtegenwoordig, alwijs, algoed en volkomen regtvaardig;
dat alles is ons sedert lang bekend. Gij hebt gezegd: dat wij er naar
streven moeten om Gode gelijk te worden, om deugdzaam te zijn en onze
medemenschen lief te hebben; ook dat weten wij sinds lang en dit staat
mede zeer schoon beschreven in den Koran. Wijders heeft de Heer Nacht
[16] gezegd: dat de Albarmhartige uit drie Goden bestaat, een Vader,
een Zoon en een Heiligen Geest, van welke een op aarde moet gekomen
zijn om zich voor het menschdom op te offeren en allen, die in hem
gelooven, van hunne zonden te verlossen en in den hemel te brengen;
dit nu kunnen wij niet begrijpen. Dit zou onregtvaardig gehandeld
zijn van den Albarmhartige, dewijl wij niet daaraan gelooven. Wij
gelooven veeleer, dat alleen de deugdzame mensch die goede werken doet
of berouw koestert over zijne zonden, in den hemel komt, en dat de
Albarmhartige een Eenig groote God is. Mijne landslieden, hier om mij
verzameld, hebben mij den last opgedragen den zeer geëerden Heer Nacht
te verzoeken, het hun niet euvel te duiden, dat zij geene Christenen
willen worden en niet wenschen zich te doen doopen, uitgenomen Lapiah,
de bediende van den Heer Nacht.
LAPIAH. Neen; ik ook niet. Mijn Heer heeft mij gezegd dat elk Christen
zijne medechristenen even lief moet hebben, als zich zelven; dat
heeft hij echter niet willen doen. Mijn Heer rookt dagelijks twaalf
manilacigaren; ik ben ook een liefhebber er van en heb slechts twee
van de twaalf voor mij gevraagd, maar heb ze niet kunnen krijgen. Mijn
Heer is rijk genoeg en ik heb hem slechts om 5 gulden toelaag per
maand tot mijn loon verzocht, ten einde, na den afloop der reis,
mij nog eene vrouw te kunnen aanschaffen; maar op het hooren van dit
voorstel is mijn Heer boos geworden en heeft mij toegevoegd: maak je
weg, lummel! Jij behoeft geen Christen te worden. Wat helpt nu zulk
een fraaije leer, indien zij slechts in boeken te lezen staat en er
niet naar gehandeld wordt? Om die reden blijf ik liever hetgeen ik ben.
NACHT. Luister eens Lapiah; gij zijt steeds vriendelijk door mij
behandeld geworden, maar nu zie ik dat gij een onverbeterlijke deugniet
zijt en het, naar ik vrees, voortdurend blijven zult, onverschillig of
gij u Christen of Mohammedaan laat noemen. Bij het opvolgen van het
gebod "hebt uwe naasten lief gelijk u zelven", kan en mag niet uit
het oog worden verloren dat een ieder verschillende behoeften heeft,
hetgeen zoo veel wil zeggen als: "iedereen lief te hebben naar de
mate waarop hij aanspraak heeft." Dat ik deze leer inderdaad navolg,
hiervan zal ik u terstond het bewijs leveren: gij zult dagelijks twee
van mijne manilacigaren hebben; daarenboven zult gij maandelijks 5
gulden toelaag bekomen en behouden, zoo lang gij uwe vrouwen liefderijk
bejegent en u goed gedraagt. Maar--Christen zult gij niet worden,
dewijl gij niet in staat zijt den verheven zin dier leer te bevatten,
dewijl gij haar verkeerd uitlegt en, met baatzuchtige oogmerken,
slechts misbruik er van wilt maken.
(In mijne gedachten liet ik op deze woorden volgen: "ongeveer gelijk
dit sedert het jaar 3 maal 1 is 1 een tamelijk algemeen, loffelijk
gebruik geworden is.")
IMAM. Ik ben zeer beducht, achtingswaardige Heer! dat zulks met het
grootste gedeelte mijner landgenooten het geval zijn zou. Duidt
mij de aanmerking niet ten kwade, maar eene leer, die eerst moet
uitgelegd en verklaard worden, alvorens haar toe te kunnen passen,
kan geene volle, van God afkomstige waarheid zijn, zoo als trouwens
mijn Heer uw broeder Dag zelf reeds heeft gezegd.
NACHT. Daar hebt gij het!--Ware deze heer Imam met zijn Koran en gij
met uw "Evangelie der natuur" er niet tusschen beide gekomen, dan
zouden de goede Javanen de Christelijke leer stellig schoon gevonden
en aangenomen hebben.
DAG. Maar, beste broeder, hoe kunt gij u bedroeven over deze
tusschenkomst? Of zoudt gij durven beweren dat er eenige verdienste
in gelegen was, het Christendom in te voeren onder een volk dat
nog op den allereersten trap van zedelijke ontwikkeling staat, zoo
als b. v. onder de bewoners van Nieuw-Zeeland, wier oordeel weinig
geoefend, wier verstandelijke vermogens in geringe mate ontwikkeld
zijn? Zou wel eenige verdienste daarin liggen, zulke menschen te
overreden om het Christelijk geloof te omhelzen, die nog nimmer van
eene andere leer hebben gehoord, aan wie slechts deze eene leer--en
dat nog zonder eenige kritiek, zonder eenige beoordeeling--wordt
kenbaar gemaakt, zoodat er hoegenaamd geene sprake kan zijn van het
doen eener keuze tusschen deze en eene andere leer?--Wat verhinderde
dan deze Javanen van Gnoerag, uwe leer aan te nemen en de mijne te
verwerpen? Heb ik, langs andere wegen dan gij, gepoogd invloed op
hen uit te oefenen; was hun niet de volkomen vrije keuze gelaten
tusschen ons beiden? Maar nu zij niettemin uwe leer verwerpen, wat
kan hen daartoe nopen, indien de reden daarvan niet eenig en alleen
moet gezocht worden in hunne overtuiging, in de overtuiging dat de
grondslagen der leer, welke ik hen voordroeg en die zij begrepen,
werkelijk op de waarheid steunen?--En deze zoudt gij met voorbedacht
voor hen willen verbergen? (Mijn broeder drukte mij de hand en
fluisterde mij toe: "gij hebt gelijk; terstond zal ik mij nader
verklaren." Ik ging hierop voort.) Ik weet welke bewijsgronden door
orthodoxe predikanten, presidenten van zendelinggenootschappen en
dergelijken ter verdediging hunner Evangelische woelingen in vreemde
landen gewoonlijk worden gebezigd. Zij zeggen dat de invoering van
het Evangelie b. v. op de Sandwich-eilanden, op Nieuw-Zeeland, de
wildste menschen, ja, geheel ruwe, bloeddorstige kannibalen herschapen
heeft in de zachtaardigste lammeren!--Ik echter antwoord daarop: dat
heeft het Christelijke dogma niet gedaan. De zedelijke ontwikkeling,
de maatschappelijke orde, de weldaden van het onder de bescherming
van menschlievende wetten staande gezellige verkeer der Europeërs,
die zich aldaar hadden neêrgezet, het voorbeeld dat de wilden voor
oogen hadden,--deze moeten beschouwd worden als de oorzaken, welke
die verandering bij gindsche woeste volken hebben te weeg gebragt, en
deze verandering zou bij hen hebben plaats gegrepen, al hadden zij het
Christendom niet op de koop toegekregen, of indien zij, in plaats van
deze, eene andere godsdienst, b. v. de Boedha- of de Mohammedaansche
godsdienst nog mede op de koop daarbij hadden ontvangen.
IMAM. Hetgeen gij, waarde Heer Dag, ons voorgedragen en later op
schrift ter lezing gegeven hebt, komt ons goed en redelijk voor. Ja,
wat meer is, wij vinden zooveel schoons er in, dat mijne landslieden
mij verzocht hebben het hun wekelijks eenmaal voor te lezen en te
verklaren. Ik ben in dit dorp geboren en was eigenlijk slechts uit
G. hier heen gekomen om een bezoek af te leggen; nu echter heb ik het
besluit opgevat, om mij alhier neder te zetten en het Evangelie van
den regtzinnig geloovigen mensch insgelijks in andere dorpen voor te
dragen en daarin onderrigt te geven. Er wordt almede in gelezen, dat
wij Isa el Meseh als een grooten en deugdzamen man mogen vereeren en
hierin stemt uw Kitab, gelijk in zoo vele andere opzigten het geval
is, met ons wetboek, met den Koran overeen. Gaarne echter zouden
wij nopens twee onderscheidene punten eenige nadere inlichting van
u wenschen te ontvangen.
Het eerste punt is van den navolgenden aard. Wij Javanen hebben van
oude tijden her geloofd aan de opstanding uit den doode, welke ons
in den Koran insgelijks wordt toegezegd. De mogelijkheid daarvan
wordt echter in uw Evangelie ontkend en bestreden. Dit doet ons
leed, dit smart ons; gij weet het, de vereering der afgestorvenen,
de onschendbaarheid der graven die wij als een heiligdom achten
en vereeren, zijn een der voornaamste trekken in onze zeden en
gebruiken. Dit nu zou alles slechts ijdele waan zijn indien,
naar hetgeen gij leert, ons ligchaam na den dood voor altijd werd
vernietigd, indien het in aarde, in gras, in andere dieren of in lucht
en water werd herschapen en niets er van overbleef ter plaatse waar
het werd begraven. Indien dat het geval ware, zouden wij het even goed
dadelijk ter zijde kunnen werpen of verbranden!--Zou echter zulk eene
ruwe behandeling der lijken niet eene nadeelige werking uitoefenen op
de levenden en eene wederkeerige onverschilligheid of liefdeloosheid
ten gevolge kunnen hebben?
DAG. Er waren in der tijd vele volken, gelijk er nog heden ten dage
gevonden worden, die hunne dooden verbranden; ja, hier op Java zelf
bestond vroeger diezelfde gewoonte, alvorens met den Koran de leer
van de ligchamelijke opstanding uit den doode en de heilige eerbied
voor de graven alhier werd ingevoerd. Sommige volksstammen werpen
de lijken hunner afgestorvenen op bepaalde plaatsen neder, waar
zij door gieren en ander wild gedierte worden verslonden.--Verre
zij het van mij, dat ik u iets dergelijks ter navolging zou willen
aanbevelen. Het komt mij echter voor dat wij overeenkomstig de natuur
een lijk slechts zoo lang met eerbied en teedere belangstelling kunnen
behandelen, als het den menschelijken vorm nog bezit welke ons den
geliefden afgestorvene herinnert; zoodra echter de ontbinding aanvangt
dezen vorm te vernietigen en het lijk (dat nu geen mensch meer is)
in onaangenaam riekenden stof doet overgaan, moeten wij het ook als
onaangenaam riekende stof behandelen, begraven of verbranden. Eene
langduriger vereering van lijken en begraafplaatsen heeft reeds
menigwerf een verderfelijken invloed op de levenden uitgeoefend. De
akkers in Europa zouden vruchtbaarder zijn, indien de begraafplaatsen
om de 10 jaren werden verlegd en de verlatene plek, nadat zij gedurende
10 à 15 jaren onaangeroerd was gelaten, op nieuw tot bouwland werd
gebezigd.--In zijne werken, in zijne lessen is het dat de werkelijk
brave mensch op aarde blijft voortleven, en het beste, het meest
eervolle gedenkteeken dat wij hem kunnen stichten, zal steeds zijn de
dankbare herinnering aan hem die ons gemoed vervult, en deze kunnen
wij natuurlijk verlevendigen door schilder- en beeldhouwkunst en andere
dergelijke middelen. Hetgeen echter tegen de natuurwetten indruischt,
hetgeen onmogelijk is: de wederopstanding van het stoffelijke ligchaam
in zijn voormaligen vorm, hiernaar behooren wij niet eigenzinnig te
haken of te verlangen.
WEDUWE. Indien de Heeren het niet kwalijk nemen, wenschte ik
eenvoudige vrouw insgelijks een woordje te spreken. Te gelooven aan
eene ligchamelijke opstanding, dat is mij niet mogelijk, al stond
het honderdmaal in den Koran. Het was toch aan mijn armen man niet
te wijten, dat hij door een tijger werd opgevreten. De tijger heeft
hem echter opgevreten en verteerd!--Hoe is het nu mogelijk, dat
hij weder kan opstaan? Dan zou hij immers een tijger moeten worden,
dewijl hij als mensch niet meer bestaat; ja, wat zeg ik, de tijger
dien wij in de kloof hebben geworpen, is op zijne beurt ook reeds
weder van Rajap's en andere gewormte half verteerd!
DAG. Zeer juist aangemerkt--en in den eeuwigen kringloop der
stoffen zal hij, de eene na den anderen, nog eene menigte vormen
aannemen. Maar het valt ons menschen bezwaarlijk, om ons los te
maken van dwaalbegrippen die ons lief en waard zijn geworden. Dat is
de reden waarom ik het van zoo hoog belang acht, om onze kinderen
geene verkeerde begrippen in te boezemen, maar ze in tegendeel zoo
vroegtijdig mogelijk met de eeuwige waarheden der natuur naauwkeurig
bekend te maken.--Het gaat u met de opstanding der dooden ongeveer op
gelijke wijze als den Christenen met de goddelijkheid van Jezus. Zij
vreezen dat hunne godsdienst en zedeleer al hare waarde verliezen
zal, indien aan haren stichter het praedikaat van goddelijkheid wordt
ontnomen, hetgeen echter, naar mijne wijze van zien, geheel ongegrond
is. Wat meer zegt, ik geloof dat zij daarbij noodzakelijker wijze
gewinnen moeten, indien hun wordt geleerd dat zij Jezus slechts
als mensch moeten eeren en hoogachten. Want aangenomen dat hij
de reinste deugd leerde en beoefende, dat hij eene alles ten offer
brengende menschenmin bezat en een God was, dan volgt hieruit dat zijne
hoedanigheden ons een onnavolgbaar voorbeeld moeten toeschijnen, dewijl
het een God niet moeijelijk vallen kon deugdzaam te zijn. Gelooven
wij daarentegen dat hij niets meer of niets minder was dan een mensch
gelijk wij, en niettegenstaande dat al die deugden beoefende,--moet
de overtuiging hiervan voor ons niet veel opwekkender zijn, dewijl
zij ons de troostrijke zekerheid schenkt dat wij, indien wij zulks
willen, even deugdzaam, even menschlievend kunnen zijn als hij
was?--Evenmin als de Christenen met de goddelijkheid van hunnen Jezus
zullen verliezen, zal dit bij u het geval zijn met de opstanding der
dooden, indien gij niet langer gelooft aan iets, hetgeen gij elken
dag kunt zien, dat eene natuurlijke onmogelijkheid is. Welk eene
erbarmelijke inrigting zou het toch zijn, indien de natuur die zulk
een onuitputtelijken rijkdom aan nieuwe scheppingskracht bezit, oude,
voormalige individuele vormen weder te voorschijn moest brengen en
kranke en gezonde, gebogchelde en regte, heele en verminkte menschen,
of misgeboorten die twee hoofden hadden, melaatschen, blinden, enz.,
enz., allen, allen juist zoo als zij in hun leven waren, andermaal in
het aanzijn moest roepen?--Zoudt gij zoo iets kunnen wenschen? Wel nu,
dat zou ook geen redelijke wensch zijn. Ik raad u derhalve: onderwerpt
u aan de wetten der natuur, waarin de wil des Eeuwigen zich openbaart,
en houdt u overtuigd dat de dooden die gij hebt begraven, nimmer zullen
opstaan; bemint hen des te vuriger, zoo lang zij leven en gelooft
aan de onvergankelijkheid der geestelijke kracht die in u is, en aan
de wet der steeds voorwaarts strevende ontwikkeling in den mensch,
welke eene allengs hooger klimmende volkomenheid te gemoet gaat.
IMAM. Ik neem dit alles gaarne aan en zal met alle krachten er naar
streven, om uwe natuurlijke beschouwingen onder mijne landslieden
meer en meer ingang te doen vinden.--Ten opzigte van het eerste punt
hebt gij de goedheid gehad, mij de noodige opheldering te geven;
thans blijft nog een ander punt over, waaromtrent ik eene vraag tot
u wenschte te rigten.
Gij hebt ons beide gezegd dat uwe landslieden, de blanke menschen in
Negara-Wolanda, bijna allen Christenen zijn en datgene gelooven,
hetwelk de Heer Nacht ons gisteren uit het bijbelboek heeft
voorgelezen, hetgeen wij Javanen echter volstrekt niet begrijpen
kunnen. Zulk eene tot treurigheid stemmende, ontmoedigende godsdienst
is niet geschikt voor ons helder, vruchtbaar land. Veel van hetgeen de
Heer Nacht ons heeft voorgelezen, maakte een indruk op ons als het zien
van een somberen hemel, wanneer wij donder zullen krijgen, of wanneer
wij aan Sakit proet (krampen in den onderbuik) lijden.--Hetgeen gij
daarentegen, Heer Dag, ons van het Evangelie der natuur hebt geleerd,
kwam met onze denkbeelden goed overeen en werd door ons gemakkelijk
begrepen. Om die reden gelooven wij het en nemen het aan als waar.--Hoe
komt het nu toch, dat ginds in Holland bijna alle blanke menschen,
die immers veel verstandiger en geleerder zijn moeten dan wij, aan de
Messiasleer van den Heer Nacht gelooven, en dat zij begrijpen kunnen
of troost vinden in hetgeen ons ongeleerde Javanen even onbegrijpelijk
is als eene bergopwaarts stroomende beek, in iets dat een indruk op
ons maakt als eene sombere, zware regenbui?
DAG. Mijn goede Imam. De geleerde en ongeleerde bewoners van Holland
begrijpen het evenmin als gij hier op Java. De meesten verbeelden
zich slechts dat zij het gelooven, dewijl zij niet anders weten, dan
't geen zij van der jeugd af hebben geleerd, en zij die het beter
weten, wenden huichelachtig voor dat zij er aan gelooven. Deze beide
klassen maken de meerderheid uit der bevolking.--Maar buitendien
worden er duizenden gevonden, en hun aantal neemt hand over hand toe,
die dezelfde gevoelens koesteren als ik. Deze duizenden komen echter
niet openlijk voor hunne grondbeginselen uit; zij zijn, wel is waar,
te opregt en te braaf om te huichelen, maar----zij verbergen den
schat der waarheid die zij belijden, in het binnenste huns boezems;
zij houden hunne godsdienstige overtuiging geheim.
IMAM. Hoe is dat mogelijk! Er is mij toch verhaald, dat in uw land
volkomen vrijheid van godsdienst bestaat en dat daar alle sekten,
Mohammedanen, Heidenen, Christenen en Joden worden geduld en allen
gelijke regten genieten!
DAG. Van staatswege, in gevolge de bepalingen van de grondwet:
ja. De redenen echter dier geheimhouding zal ik u mededeelen en
ik meen te mogen vertrouwen, dat ik daardoor tevens uwe vraag zal
beantwoorden. Stel, dat duizenden in stilte van geestdrift gloeijen
voor de natuurlijke godsdienst en zedeleer; bezien wij nu van een
tiental dier duizenden de bijzondere omstandigheden huns levens eens
van naderbij.--De een van deze tien heeft een broeder, die dominé of
pastoor is. Een andere is een dominé's zoon. Deze vreest door den
invloed der geestelijkheid zijne betrekking te verliezen, indien
hij laat zien dat hij verlichter denkbeelden nopens de godsdienst
koestert dan zij;--ja, hij is welligt zelf priester. Er worden er
inderdaad zeer velen onder dezen gevonden, die oneindig liever naar
hunne overtuiging zouden prediken, dan op den kansel komedie spelen;
maar--zij hebben eene vrouw, vele kinderen en weinig geld en kunnen hun
gevoelen niet openbaren, zonder vooraf hunne betrekking als orthodoxe
predikant neder te leggen; zij troosten zich derhalve met de gedachte
"het kan zoo veel kwaad niet" en accommoderen zich naar de heerschende
begrippen.--Gene is een koopman, welligt een boekverkooper, wiens
winkel aan hem het eenige middel van bestaan oplevert en onder wiens
klanten vele priesters worden gevonden, die hij stellig zoude verliezen
en die hem daarenboven nog vele andere klanten zouden aftroonen,
indien hij het durft wagen openlijk eene andere leer te belijden
dan het orthodoxe geloof. Een vijfde, een zeer verlichte man, hoopt
op de nalatenschap van eene rijke, zeer bigotte dame (bij voorbeeld
van zijne schoonmoeder), die hem stellig zou onterven, indien hij
niet elken zondag ter kerk ging en met een uitgestreken, aandachtig
gelaat, met zaâmgevouwen handen naar den kansel zat te kijken, waar
de predikant met de armen in het rond zwaait en, als door geestdrift
vervoerd, van de heilige Drieëenheid, van Gods eenig geboren Zoon
en van de verlossing van de zonden spreekt. Een zesde heeft voor
dit alles, wel is waar, niet te duchten; het vermogen hetwelk hij
bezit, maakt hem onafhankelijk, maar--hij heeft vrouw en kinderen,
die hij toch naar de Christelijke kerken en scholen moet zenden, zoo
lang er nog geene kerken en scholen van zijn geloof worden gevonden;
hoewel volkomen overtuigd dat het Christelijke dogma eene dwaling
is, laat hij zijne kinderen niettemin in het Christendom onderrigt
geven, dewijl hij vermeent dat het hun welligt als een gangbare pas
op hunne reis door het leven zou kunnen dienstig zijn,--en een zevende
eindelijk die vermogend is en geene kinderen heeft, derhalve geheel en
al onafhankelijk mag geacht worden, is te zeer op gesteld om rustig en
gemakkelijk te leven; hij wenscht op een goeden voet te blijven met
degenen met wie hij in aanraking is; hij zwijgt derhalve liever en
verloochent om die reden zijne eigene betere overtuiging. Er blijven
dus van de tien nog slechts drie over die het nu en dan eens wagen, om
hunne denkbeelden met woorden te omkleeden en die gehoor geven aan een
krachtigeren, innerlijken aandrang, zonder te letten op de vijandschap
die zij zich van andersdenkenden op den hals laden.--Vijandschap? Wel
degelijk; want de takken van den boom met twee wortelen a en b, [17]
welke de uitbreiding der waarheid verhinderen en het ontluiken der
ware godsdienst en zedeleer onderdrukken, breiden zich heinde en verre
bij millioenen uit, door alle standen en klassen der maatschappij. De
orthodoxe priesters die, als openbaar erkende godsdienstleeraars, als
dienaren der heerschende kerk een aanmerkelijken invloed op het volk
uitoefenen, zijn onverpoosd werkzaam om de pogingen te verijdelen,
welke strekken ter verspreiding van meerdere verlichting; ja, zij
zouden de domheid en het blinde geloof gaarne tot in alle eeuwigheid
willen voortplanten, en waarom?--dewijl zij daarvan leven, dewijl
zij het veel te gemakkelijk vinden bij de woorden van een boek--als
bij een non plus ultra, eene hoogste autoriteit--te zweren, waartoe
niet veel studie en volstrekt geen hoofdbreken wordt vereischt.
Nu zal het u, waarde Imam, wel duidelijk zijn, waarom de verlichten in
Holland die in rust en vrede willen leven, stilzwijgen moeten. Want
wagen zij het hunne stem tegen de orthodoxe leer te verheffen, dan
hebben zij als het ware een nest met wespen gestoord die hen met hare
giftige angelen bedreigen; ja, duizenden hebben zij tegen zich in het
harnas gejaagd. Zelfs over den boekhandel oefenen deze wespen een soort
van schrikbewind uit, de ijverigste pogingen in het werk stellende
om de van staatswege gewaarborgde vrijheid van drukpers te fnuiken,
doordien zij den vrijzinnigen boekhandelaar plagen en kwellen, hem
haren angel laten zien en met lasterlijke aantijgingen bedreigen en
vervolgen. Wordt er echter niettegenstaande dat alles een gevonden,
die het durft wagen--'t geen zelden gebeurt--een boek uit te geven,
waarvan de schrijver heeft gepoogd de waarheid in het licht te stellen,
dan weten gene priesters de verspreiding van het boek te beletten,
zoodat de groote meerderheid des volks welke blindelings gelooft aan de
leer der kerk, het volstrekt niet onder de oogen krijgt en ten opzigte
van den inhoud er van in volslagen onwetendheid blijft verkeeren. Die
vrome mannen welke misschien, even als zeker ridder met de hanenveêr
op den hoed, denken: mundus vult decipi! dralen niet om het "een
verderfelijk boek, een onzedelijk boek, een vuil pamphlet tegen het
Christendom" te noemen en van den kansel de woorden uit te bazuinen:
"die het koopt of leest, die zondigt tegen Jezus Christus."
Intusschen gaan zij voort met het luiden der klokken in steden en op
het platte land, gaan zij voort met in duizende kerken elken zondag
tweemaal en, zoo mogelijk, ook gedurende de werkdagen een paar keeren
's weeks hun leerstuk van de Drieëenheid te verkondigen, over het
verlossingswerk, over Gods zoon, over Gods moeder en grootmoeder [18]
te prediken en bovenal het gemoed van het opkomende geslacht, van de
jeugd, op de cathechisatie als het ware te bewerken en te kneeden,
opdat in dier voege de gedenkzuil des bijgeloofs in Holland niet
slechts voortdurend onwrikbaarder in den bodem worde bevestigd, maar
insgelijks vreemde, nog niet door vooringenomenheid verblinde volken,
gelijk gij, goede Javanen! met het doop- en wijwater van godsdienstige
dwaling worden besprenkeld.
Zoodanig aangekweekt, wordt de onzin meer en meer verspreid en
duizenden slaan er geloof aan. Het boek echter, hetwelk waarheid
bevatte, bij voorbeeld: Gedachten ten aanzien eener toekomstige,
meer algemeene Godsdienstige geloofsleer (Gebr. Diederichs te
Amsterdam, 1848), of verlichte brochures, als: Belangrijke vragen
over de verrigtingen der Christen-Zendelingen (1851, bij denzelfden
uitgever in het licht verschenen), Algemeen protest van Christenen in
Nederland tegen eene nieuwe woordelijke vertaling van den ouden bijbel
(1853, bij F. Günst te Amsterdam), worden spoedig vergeten. De stem
welke daaruit spreekt, is als die des roependen in de woestijn en
het eenige middel om den triomf der waarheid te bespoedigen:
Vereeniging van gelijkgezinden tot bevordering van dezelfde
doeleinden,
Stichting eener nieuwe kerk en gemeente,
Oprigting van scholen,
Overeenkomstig den geest der natuurlijke godsdienst en zedeleer,
wordt om de vroeger ontwikkelde en andere dergelijke gronden niet
ter hand genomen, of wordt hoogstens verwezenlijkt binnen de muren
van eene afgescheidene, door het Nederlandsche Groot-Oosten niet
erkende Vrijmetselaarsloge.
IMAM. Waarde Heer Dag. Thans zie ik duidelijk in hoe ginds, in de
Christenlanden, niet alles goud is dat blinkt, en dat uwe Europesche
maatschappij zeer vele ongezonde, bedorvene bestanddeelen in haren
boezem bevat, die zich aan mijn oog voordoen als een huis, hetwelk
door Rajap's (termiten) is ondermijnd en aangetast. Wat het uitwendige
betreft van balken en planken, tot den glans toe van het vernis en van
de verw welke in der tijd er op waren gebragt, is alles onveranderd
hetzelfde gebleven; maar van binnen is alles hol, vergaan, geheel
doorknaagd, vol wormen en bij den eersten den besten storm of de
eerste aardbeving moet het gansche gebouw instorten. Een angstig,
beklemd gevoel maakt zich van mijn gemoed meester, mijn lieve beste
Heer, wanneer ik er aan denk, dat men ons--arme Javanen--in zulk een
broos, vermolmd, half vergaan kerkgebouw wil opsluiten.
(De Imam wierp zich vóór de verzamelde menigte op de knieën en bad
met opgeheven handen:)
"Albarmhartige God! Groote, Algebiedende Toean Allah! De wegen
die gij bewandelt, zijn onnaspeurlijk; de doeleinden die Gij wilt
bereiken, zijn voor ons bekrompen verstand een raadsel, en Uwe
wijsheid is als een licht dat ons oog verblindt.--Maar hier liggen
wij arme, onwetende Javanen, uwe kinderen, in diepen ootmoed voor
U nedergeknield en wij bidden U vuriglijk dat Gij ons niet in zulk
eene zware verzoeking leidt, door toe te laten dat deze Europesche
godsdienst der Christelijke kerk (Agama wolanda deri Orang Natsarani)
in ons vreedzaam, schoon land worde ingevoerd. O! groote Toean Allah,
albarmhartige Allah! Behoed ons daarvoor. Wij willen ernstig er naar
streven, deugdzaam te zijn en U in waarheid te vereeren. Amen!"