Het voorafgaande is mijn evangelie en te gelijk mijne preek tegen
het bijgeloof, zoo mede tegen het geloof aan openbaring.
Allen, die niet onder de visschen en de kikvorschen gerangschikt mogen
worden, zullen de waarheid, die zoo eenvoudig is, begrijpen en met
mij eenstemmig denken, en ik hoop, ter liefde van de maatschappij, dat
het aantal diergenen groot moge zijn.--Trouwens, gij--heiligen van den
jongsten dag, gij, Groene, gele, blaauwe of nieuwelichters! gij staat
tot over de ooren in het Messiasgeloof en het gaat u daarbij juist
als de visschen in het water; zij meenen insgelijks, dat de gansche
wereld uit water bestaat. En wanneer nu eens bij een geleerde onder
hen--onder de visschen--een duister voorgevoel opkomt, dat er welligt
ook lucht in de wereld is, dan verbeeldt hij zich toch, dat die eene
doodelijke gassoort moet zijn, waarin al dat leven heeft, onfeilbaar
moet verstikken!--En wie mag zich daarover verwonderen? Gij hoort,
ziet, ruikt, smaakt en gevoelt toch van uwe prille jeugd tot aan
uw zalig uiteinde niets anders dan Christelijke polsen, Christelijk
brood en wijn, Christelijken wierook of damp, Christelijke kerken en
Christelijke predikatiën,--gij schrijft Christelijke anthropologien,
draagt Christelijke brillen op uw neus,--de menschenliefde hebt
gij afgeschaft, 't moet Christenliefde heeten, "dampkringslucht"
is eene onchristelijke gedachte, gij ademt geene andere lucht in dan
Christelijke lucht, gij drinkt echt Christelijk water en, moogt gij
ook somtijds wat onchristelijk geleefd hebben, gij sterft toch des
te Christelijker,--gij laat u Christelijk begraven en vaart dan--op
naar den Christelijken hemel, die zich met de zon, de maan en alle
sterren dagelijks om de kleine aarde draait.
Gebeurt het nu eens, dat iemand optreedt, die niet een dergelijken bril
draagt, noch visch noch kikvorsch is, en die aan de visschen predikt:
"Hoe aangenaam en zuiver is de dampkringslucht, die men hier tusschen
de bloeijende boomen inademt! Hoe verkwikkend is het heldere licht, het
licht der waarheid, dat hier boven schijnt!--Gij arme visschen, wilt
gij dan eeuwig in het troebele water blijven en u over den modderigen
bodem rondwentelen? of u zelfs laten visschen en vangen met den angel
Groen--angel geel of angel blaauw?--of van welke kleur zij mogen
zijn, deze takken van den boom met twee wortelen: a en b. Komt toch
boven en volgt mij hier in de lieve heldere lucht! daar kan niemand u
visschen."--Hu! dat hebben de getrouwe geburen der visschen, namelijk,
de kikvorschen, die aan den kant zitten, gehoord en nu beginnen zij te
kwaken, allen te gelijk, met eene stem: "Visschen! Visschen! Wacht u
voor schade! Gij kunt niet spreken, gij zijt stom; maar gij kunt immers
hooren? Gij kunt immers gelooven?--wel nu, gelooft hem niet! Hoort niet
naar hem! Hoort niet naar dezen ongelukstichter, naar dit belialskind,
naar dezen bezetene!--Zwemt ijlings weg, geliefde visschen! gelooft
ons kikvorschen: wij zeggen u de waarheid! het heldere licht daarboven
kunt gij niet verdragen! in de zuivere lucht moet gij verstikken,
geheel te gronde gaan! Wij kikvorschen zelfs kunnen haar niet goed
verdragen, en slechts van tijd tot tijd, wanneer wij kwaken willen,
ademen wij die lucht eens even in. Dat weet gij immers wel.--Wij
blijven het liefst bij u in het moeras! Is dat dan niet volkomen
waar?--Daarvan kunt gij u met uwe eigene oogen overtuigen!"--en plomp,
plomp! daar springen al de kikvorschen in het moeras en sik! soek! daar
schieten zij voort en zwemmen door het water, zoo fraai, dat het
hart der visschen van vreugde bonst."--Dat zijn eerst overtuigende
bewijzen! zeggen de visschen. Zij zijn zeer gesticht door de gehoudene
predikatie en--zwemmen voort.
(Vervolg hierna.)